Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4914

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
6104352 UE VERZ 17-273
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet (art. 7:677 en 678 BW). Vuistslag bij colportagewerkzaamheden. Geen aansprakelijkheid werknemer op grond van artikel 7:661 BW, stelplicht werkgever. Geen opzet of bewuste roekeloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1226

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6104352 UE VERZ 17-273 HV/1316

Beschikking van 31 augustus 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. L.R. Breuker,

tegen:

de besloten vennootschap

[verweerster] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [handelsnaam] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S. Belhaj.

1 De procedure

Het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 3 juli 2017, en de herziene versie van het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 14 juli 2017, met 18 producties;

- het verweerschrift ‘tevens houdende tegenverzoek’ van [handelsnaam] van 24 juli 2017;

- de aanvullende productie 19 van [verzoeker] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017, waarvan aantekening is gehouden.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

Het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[handelsnaam] is een onderneming die zich onder meer richt op sales-ondersteuning, onder andere door middel van colportage (deur-aan-deurverkoop), voor diverse opdrachtgevers.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [1986] , is per 28 november 2016 als Sales Agent in dienst getreden van [handelsnaam] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Per 1 februari 2017 heeft [verzoeker] een aanstelling gekregen als Team Manager (Direct Sales). De arbeidsovereenkomst is laatstelijk verlengd voor de periode van 29 april 2017 tot 28 september 2017. Het laatstverdiende salaris bedraagt € 1.700,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en emolumenten. In de arbeidsovereenkomst is een tussentijdse opzegmogelijkheid opgenomen met een opzegtermijn van één maand.

Voorafgaand (op 25 november 2016) aan de indiensttreding heeft [verzoeker] een ‘Verklaring van goedgedrag, Voor verkoop van overeenkomsten elektriciteit en gas voor [bedrijfsnaam] ’ ondertekend. Daarnaast heeft hij deelgenomen aan het programma ‘Deur- en straatverkoop Energie’ (verklaring uitgereikt d.d. 22 december 2016) en aan het programma ‘Gedragscode Fieldmarketing’. In de functieomschrijving van ‘Team manager (TM)’ is onder meer opgenomen:

Functie doel

  1. Het bewaken van de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van de Sales Agents binnen het eigen team;

  2. Het geven van leiding, coaching, begeleiding en ondersteuning aan de Sales Agents van het eigen team;

  3. Het behalen van de gestelde persoonlijke- en teamtargets.”

2.3.

Op 3 mei 2017 omstreeks 20.00 uur voerde [verzoeker] met zijn team, op dat moment bestaande uit 3 personen ( [A] , [B] en [C] ) colportagewerkzaamheden uit in Veldhoven voor opdrachtgever (energieleverancier) [bedrijfsnaam] B.V. (hierna te noemen: [bedrijfsnaam] ). De teamleden belden daarbij ieder bij een huis aan, terwijl [verzoeker] van een afstand toekeek. [A] belde aan bij het huis van de heer [D] . [D] opende de deur, maar liet vervolgens merken dat hij niet van dit bezoek gediend was. [C] heeft zich vervolgens bij [A] gevoegd en [D] erop gewezen dat hij dat had kunnen aangeven met een speciale colportagesticker op zijn deur of brievenbus. [D] liet zich vervolgens beledigend/racistisch uit naar [C] en gaf hem met twee handen een duw. Daarna is [verzoeker] erbij gekomen en heeft hij [D] op zijn uitlatingen aangesproken. Nadat [D] [verzoeker] een duw of een klap in het gezicht had gegeven, reageerde [verzoeker] daarop met een vuistslag in het gezicht van [D] . [D] heeft daarbij letsel aan de mond/lippen en tanden opgelopen. [verzoeker] en zijn team zijn vervolgens vertrokken.

2.4.

[verzoeker] heeft het incident dezelfde dag nog gemeld bij zijn leidinggevende [E] (Sales Manager).

2.5.

Op 4 mei 2017 hebben [verzoeker] en zijn team het incident (informeel) besproken met de andere leidinggevende/fieldcoach [F] . [verzoeker] is daarna aan het werk gegaan. Dezelfde dag heeft [verzoeker] te horen gekregen dat hij geen contact mocht hebben met klanten. Ook heeft [verzoeker] op 4 mei 2017 per e-mail een werkgeversverklaring ontvangen van ( [G] van) [handelsnaam] dat zij niet voornemens is het dienstverband op korte termijn te beëindigen. [verzoeker] had om een dergelijke verklaring verzocht in verband met een aanvraag voor een hypothecaire lening.

2.6.

[F] heeft op 4 mei 2017 een bezoek gebracht aan de buurman van [D] . Hij heeft geen contact gezocht met [D] zelf. [H] (hoofd Legal en Compliance) heeft telefonisch contact opgenomen met [D] . [D] zelf heeft op 4 mei 2017 bij de politie aangifte gedaan wegens een poging tot zware mishandeling, dan wel mishandeling.

2.7.

In de ochtend van 5 mei 2017 is [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek in de middag op het kantoor van [handelsnaam] . In dit gesprek heeft [H] [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] heeft [H] vervolgens een brief overhandigd waarin hij protesteert tegen het gegeven ontslag en zich beschikbaar houdt om de werkzaamheden te verrichten.

Eveneens op 5 mei 2017 heeft [verzoeker] een e-mail ontvangen van de directeur van [handelsnaam] , [I] , waarin de mondeling overeengekomen bonusregeling wordt bevestigd. [E] heeft [verzoeker] op 5 mei 2017 per WhatsApp-bericht geadviseerd aangifte te doen van het voorval van 3 mei 2017.

2.8.

Na verzoek van de gemachtigde van [verzoeker] heeft [handelsnaam] per e-mail van 8 mei 2017 het ontslag van [verzoeker] schriftelijk bevestigd, met als bijlage de door [H] opgestelde ontslagbrief van 5 mei 2017. In deze brief staat onder meer vermeld:

“De reden voor ontslag is de volgende: op 5 mei 2017 heeft u in uw functie van Teammanager [bedrijfsnaam] rond 20:00 uur een potentiële klant/bewoner, de heer [D] te Veldhoven, ernstig fysiek mishandeld met als gevolg ernstig fysiek letsel. Het zichtbare letsel bestaat uit het uit de mond slaan van 3 tanden en een grote snee in de bovenlip welke gehecht diende te worden. Er is mogelijk sprake van onherstelbare schade. De heer [D] heeft aangifte van het geweldsdelict gedaan bij de Politie. De buurman van de heer [D] heeft een bevestigende verklaring afgelegd.

Deze ernstige fysieke mishandeling alsook (potentiële) de reputatieschade voor zowel [verweerster] B.V. als haar opdrachtgever [bedrijfsnaam] , kunnen niet anders dan als een dringende reden voor ontslag op staande voet worden aangemerkt. Bovendien zal [verweerster] B.V. aansprakelijk worden gehouden voor uw handelwijze.

Op 5 mei 2017 heeft in de middag op het kantoor te Utrecht met u een gesprek plaatsgevonden. De door u gegeven toelichting op deze gebeurtenis maakt de beslissing tot ontslag op staande voet niet anders.

Bovendien heeft u reeds twee klachten opgelopen over het beledigen van iemand tijdens een parkeeractie en heeft u een medewerker van een anders sales-organisatie in het gezicht gespuwd. Uw onbehoorlijk gedrag overschrijdt elke norm van fatsoenlijk en rechtvaardigt ontslag op staande voet.

Aansprakelijkheidsstelling

[verweerster] B.V. stelt u hierbij aansprakelijk voor alle directe en indirecte schade, alsook voor eventuele gevolgschade voortvloeiend uit bovengenoemde feiten en omstandigheden. Uw salaris zal niet worden uitbetaald en worden opgeschort en worden aangewend ter delging van de schade. De schade dient nog opgemaakt te worden bij staat.”

2.9.

Op 6 mei 2017 heeft [H] [D] thuis bezocht.

2.10.

Bij brief van 18 mei 2017 heeft (de advocaat van) [D] [handelsnaam] aansprakelijk gesteld voor het voorval van 3 mei 2017 en de daardoor veroorzaakte schade.

2.11.

De politie c.q. het openbaar ministerie is een onderzoek gestart naar het voorval op

3 mei 2017. [verzoeker] heeft in dat kader intussen een verklaring afgelegd.

2.12.

[verzoeker] is na zijn ontslag in dezelfde branche voor zichzelf begonnen. Hij heeft uit deze werkzaamheden nog geen inkomsten.

3. Het verzoek en het tegenverzoek

Het verzoek van [verzoeker]

3.1.

[verzoeker] verzoekt (na herziening) de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet, althans de onregelmatige opzegging, vernietigbaar is;

II. [handelsnaam] te veroordelen aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. [handelsnaam] te veroordelen aan [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.884,72 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. [handelsnaam] bij wijze van nevenvordering ex artikel 7:686a BW te veroordelen aan [verzoeker] het achterstallige salaris over de periode april tot en met 5 mei 2017 te betalen, alsmede het opgebouwde vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening;

V. [handelsnaam] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] - kort gezegd - ten grondslag dat [handelsnaam] het dienstverband met hem heeft beëindigd zonder dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 7:677 BW (of van instemming van [verzoeker] in de zin van artikel 7:671 BW). Er is geen sprake van een dringende reden voor ontslag, noch subjectief, noch objectief. Ten eerste heeft [verzoeker] instinctief en uit zelfverdediging gehandeld. Ten tweede is daarvoor door (de leidinggevenden van [verzoeker] binnen) [handelsnaam] begrip getoond. Pas na aangifte en aansprakelijkheidsstelling door [D] en contact van [handelsnaam] met [bedrijfsnaam] heeft [handelsnaam] [verzoeker] op staande voet ontslagen. De (andersluidende) verklaringen van de teamleden van [verzoeker] heeft [handelsnaam] buiten beschouwing gelaten.

Door dit handelen van [handelsnaam] heeft [verzoeker] schade geleden. Hij heeft geen aanspraak meer op loon of op een sociale uitkering, is in zijn reputatie geschaad en een perspectiefrijke voortzetting van zijn dienstverband wordt hem onthouden.

Het verweer en het tegenverzoek van [handelsnaam]

3.3.

[handelsnaam] voert verweer met als conclusie dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- de vorderingen van [verzoeker] afwijst;

- voor recht verklaart dat [verzoeker] volledig aansprakelijk is voor zijn onrechtmatige handelen en voor alle daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening;

- [verzoeker] veroordeelt om aan [handelsnaam] een bedrag van € 610,40 te betalen ter vergoeding van de door [verzoeker] veroorzaakte boetes;

- [verzoeker] veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.4.

[handelsnaam] legt aan haar verweer ten grondslag - kort gezegd - dat [verzoeker] op 3 mei 2017 buitenproportioneel heeft gehandeld tegenover [D] . Van zelfverdediging, noodweer of noodweerexces was geen sprake. Dergelijk gedrag kan door [handelsnaam] niet worden geaccepteerd. De door [D] geleden en te lijden schade, waarvoor hij [handelsnaam] heeft aangesproken, moet uiteindelijk door [verzoeker] worden gedragen.

3.5.

[verzoeker] voert verweer tegen het tegenverzoek van [handelsnaam] . Van opzet of bewuste roekeloosheid is bij het incident geen sprake geweest, zodat de schade van [D] niet bij hem neergelegd kan worden. De verschuldigdheid van de boetes betwist [verzoeker] niet.

Het verzoek en het tegenverzoek

3.6.

Op wat partijen verder hebben aangevoerd wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het verzoek van [verzoeker]

4.1.

Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde vervaltermijn heeft [verzoeker] het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend.

4.2.

Kern van het geschil is de vraag of het op 5 mei 2017 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet al dan niet is gegeven in strijd met de daarvoor geldende regels. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst immers niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

Onverwijld gegeven ontslag op staande voet

4.3.

[verzoeker] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Dit wordt door [handelsnaam] betwist. Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd bekend zijn geworden bij degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.

4.4.

Indien een werkgever vermoedt dat sprake is van een dringende reden tot ontslag van een werknemer, maar hij eerst een onderzoek wil instellen naar de juistheid van dat vermoeden, dient hij daarbij voortvarend te handelen. Of de werkgever voldoende voortvarend heeft gehandeld, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij valt onder meer te denken aan de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van dat onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, het verzamelen van bewijsmateriaal, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van (juridisch) advies, het horen van de werknemer en het plegen van intern overleg. Daarnaast moet de werkgever zorg in acht nemen om te vermijden dat de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad, indien het vermoeden onjuist blijkt. Waar het dus om gaat is dat de werkgever na het ontdekken van de als dringende reden gekwalificeerde feiten onverwijld ontslag verleent.

4.5.

In de avond van 3 mei 2017 nog heeft [verzoeker] het voorval met [D] aan zijn leidinggevende [E] gemeld. In de ochtend van 4 mei 2017 hebben [verzoeker] en zijn team gesproken met de andere leidinggevende, [F] . [F] heeft dezelfde dag nog een bezoek gebracht aan de buurman van [D] teneinde ‘poolshoogte te nemen’ (e-mail van [F] van 8 mei 2017, productie 7 van [handelsnaam] ). [H] heeft op 4 mei 2017 telefonisch contact gehad met [D] zelf (zie productie 6 van [handelsnaam] ). [handelsnaam] heeft de dag van 4 mei 2017 dus gebruikt om onderzoek te doen naar het voorval, welk voorval zij gelet op dit onderzoek meteen al niet lichtzinnig opnam. [verzoeker] heeft wel gesteld dat [E] en [F] , nadat hij hen verteld had wat er was gebeurd, begripvol hebben gereageerd, maar al zou dat zo zijn geweest, hetgeen door [handelsnaam] wordt weersproken, dan volgt daaruit nog niet dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat het voorval geen (arbeidsrechtelijke) consequenties voor hem zou hebben. Dat [verzoeker] niet meteen is geschorst, maakt dat niet anders. [E] en [F] kenden op dat moment uitsluitend de lezing van [verzoeker] en zijn team en niet die van [D] . Daarnaast is op enig moment op 4 mei 2017 aan [verzoeker] ook medegedeeld dat hij zich afzijdig moest houden van klantcontact. De directeur van [handelsnaam] , [I] , heeft ter zitting verklaard dat hij - omdat hij zelf in het buitenland verbleef - op 4 mei 2017 de opdracht heeft gegeven om uit te zoeken wat er was gebeurd en ‘als het werkelijk waar was’ dat de betreffende werknemer niet in dienst kon blijven. Ook [bedrijfsnaam] nam die dag contact met hem op over het voorval dat haar ter ore was gekomen (en ten aanzien waarvan, blijkens de verklaring van [I] , een item bij het tv-programma Hart van Nederland dreigde).

4.6.

Pas nadat [handelsnaam] op 4 mei 2017 meer informatie had vergaard over het voorval op 3 mei 2017, heeft zij [verzoeker] op 5 mei 2017 ontslagen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [handelsnaam] daarmee voldoende voortvarend en zorgvuldig gehandeld en is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. Overigens is het voor een werkgever niet nodig een strafrechtelijk onderzoek af te wachten. De arbeidsrechtelijke en strafrechtelijke beoordeling zijn niet dezelfde. De ontvangst door [verzoeker] van de werkgeversverklaring op 4 mei 2017 en de e-mail van [I] met betrekking tot de bonusregeling op 5 mei 2017 lijkt te berusten op een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waaruit [verzoeker] geen vertrouwen mocht putten.

Dringende reden

4.7.

[verzoeker] heeft verder betwist dat sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

4.8.

[handelsnaam] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd de ernstige fysieke mishandeling van een potentiële klant/bewoner met als gevolg ernstig fysiek letsel en reputatieschade voor [handelsnaam] (en [bedrijfsnaam] ), waaraan de door [verzoeker] gegeven toelichting volgens [handelsnaam] niet afdoet. In de ontslagbrief van 5 mei 2017 staan ook twee eerdere incidenten genoemd, maar nu niet is gesteld of is gebleken dat [verzoeker] daarop eerder is aangesproken en het voorval op 3 mei 2017 in de brief van 5 mei 2017 (waarin abusievelijk wordt gesproken van 5 mei 2017) op zichzelf al als dringende reden wordt aangemerkt, gaat het in deze zaak in beginsel om de beoordeling van het voorval van 3 mei 2017.

4.9.

Vast staat dat [verzoeker] [D] met de vuist in het gezicht, op de mond, heeft geslagen. Dit is op zichzelf reeds ernstig te noemen, te meer nu dit fysieke geweld heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden en op het erf/in de voortuin van [D] . Dat de daadwerkelijke fysieke schade van [D] nog niet uit medische stukken, maar slechts uit de verklaring van [D] (productie 5 van [handelsnaam] ) en een foto (productie 4 van [handelsnaam] ) blijkt, maakt dat niet anders. De foto is naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk genoeg. Logischerwijs schaadt dergelijk handelen de reputatie van de werkgever/opdrachtgever.

De vraag is vervolgens of er in het licht van de omstandigheden van het geval een rechtvaardiging was voor dit gedrag, hoewel voor een ontslag op staande voet niet per definitie verwijtbaarheid is vereist. Dit is afhankelijk van de aard van de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden en de omstandigheden van het geval.

[verzoeker] heeft gesteld dat sprake was van zelfverdediging, noodweer of noodweerexces. De vuistslag was een instinctieve reactie op de agressieve en beledigende houding van [D] , de aan [C] gegeven duw en de door [D] gegeven klap in het gezicht van [verzoeker] . Volgens [handelsnaam] is het gedrag van [verzoeker] niet te verontschuldigen en buiten alle redelijkheid. Er was niet sprake van een hevige gemoedstoestand bij [verzoeker] , [verzoeker] kon en had zich aan de situatie kunnen onttrekken en de vuistslag van [verzoeker] was buitenproportioneel.

4.10.

De kantonrechter overweegt het volgende. Vast staat dat [verzoeker] niet zelf bij [D] aanbelde en zich aanvankelijk niet op het erf/in de voortuin van [D] bevond. Pas toen [D] zich beledigend uitliet jegens [C] (en hem wegduwde) is [verzoeker] naar [D] toegelopen. Hoewel begrijpelijk is dat [verzoeker] [D] wilde aanspreken op diens beledigende uitlatingen jegens zijn collega, had hij dit op een de-escalerende manier behoren te doen. Uit de omstandigheid dat [D] , uitgaande van de lezing van [verzoeker] , [verzoeker] vervolgens in het gezicht heeft kunnen raken, leidt de kantonrechter af dat [verzoeker] zo dicht bij [D] , en bovendien op diens terrein (erf/voortuin) is gekomen dat van adequaat de-escalerend optreden geen sprake is geweest. Van een noodzaak om zo dicht bij [D] te komen (bijvoorbeeld om [C] te hulp te komen) is niet gebleken, integendeel, naar de kantonrechter begrijpt waren [C] en de andere teamleden juist bezig het erf van [D] te verlaten, hetgeen [D] ook ‘fysiek’ aangaf en van de zijde van [verzoeker] ter zitting ook is verklaard. Dat [verzoeker] toen [D] hem in het gezicht raakte hem met de vuist op de mond heeft gestompt is onder deze omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter buitenproportioneel. [verzoeker] heeft zelf verklaard dat dit niet uit boosheid is gebeurd, maar in een reflex. Indien dit inderdaad het geval is geweest komt dat voor zijn risico. Hij heeft zich immers zonder noodzaak in deze situatie heeft gebracht. Juist in zijn (voorbeeld)functie als teamleider, maar ook vanwege de representativiteit die bij de werkzaamheden van een colporteur horen én de uitstraling van zijn gedrag op zijn werkgever en opdrachtgever, had van [verzoeker] mogen worden verwacht dat hij anders had opgetreden. [verzoeker] heeft nog gesteld dat hij geen training heeft gehad in de omgang met agressieve klanten en [handelsnaam] heeft dat betwist, maar - wat hier ook van zij - dit doet hieraan niet af. [verzoeker] wist in ieder geval dat hij zich bij de uitoefening van zijn taken moest houden aan de normale gedrags- en fatsoensregels (blijkens de door hem ondertekende ‘Verklaring van goedgedrag van 25 november 2016’). Fysiek geweld naar potentiële klanten toe behoort daartoe niet, ook niet in een reflex.

4.11.

De conclusie is dat in deze omstandigheden van [handelsnaam] niet hoefde te worden verwacht dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] nog langer liet voortduren. Ook haar eigen positie/reputatie en die van [bedrijfsnaam] mochten daarbij een rol spelen. [verzoeker] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die in dit geval aan een ontslag op staande voet in de weg staan. Dat het functioneren van [verzoeker] op zichzelf niet ter discussie stond, los van de ook in de ontslagbrief genoemde klachten, maakt dat in dit geval niet anders.

4.12.

De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen, evenals de door hem verzochte billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Het tegenverzoek van [handelsnaam]

Aansprakelijkheid van [verzoeker] voor schade aan [handelsnaam] en/of derden

4.13.

Op grond van artikel 7:661 lid 1 BW is de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, voor die schade niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. [handelsnaam] heeft een verklaring voor recht verzocht inhoudende dat [verzoeker] volledig aansprakelijk is voor zijn (onrechtmatige) handelen en de daaruit voortvloeiende schade. Dit betreft in het bijzonder de schade van [D] , waarvoor [handelsnaam] aansprakelijk is gesteld. Op [handelsnaam] rust de stelplicht en eventuele bewijslast van de omstandigheid dat deze schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker] (artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). [handelsnaam] heeft gesteld dat, omdat geen sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, grove opzet overblijft en daarmee volledige aansprakelijkheid van [verzoeker] voor de schade als gevolg van het voorval op 3 mei 2017. De kantonrechter volgt deze conclusie van [handelsnaam] niet. [verzoeker] heeft gesteld dat hij [D] in een reflex heeft gestompt. Indien daarvan wordt uitgegaan staat daarmee - gelet op het uitermate korte tijdsbestek - naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende vast dat bij [verzoeker] tevens sprake is geweest van opzet (een vooropgezet plan om [D] schade toe te brengen) of bewuste roekeloosheid ( [verzoeker] was zich onmiddellijk voorafgaand aan de stomp daadwerkelijk bewust van het roekeloze karakter van zijn gedraging). [handelsnaam] heeft tegen deze stelling van [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende feiten en/of bijkomende omstandigheden gesteld die - indien feitelijk juist - meebrengen dat toch sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid. [handelsnaam] beroep zich er immers slechts op dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, dat de reactie van [verzoeker] niet in een redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding door [D] , en dat [verzoeker] zelf omringd was door twee andere mannelijke collega’s. Voor het overige heeft [handelsnaam] haar stelling dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid (nummer 47 van het verweerschrift/tegenverzoek) niet feitelijk onderbouwd (een concrete, van die van [verzoeker] afwijkende, omschrijving van de toedracht heeft zij zelf bijvoorbeeld niet gegeven). Daarnaast heeft zij geen (voldoende concreet) bewijsaanbod gedaan. De vordering moet daarom worden afgewezen.

4.14.

Nu [verzoeker] niet aansprakelijk moet worden geacht voor de schade die door het voorval op 3 mei 2017 is ontstaan, heeft [handelsnaam] ook ten onrechte op die grond zijn loon over de periode van april tot 5 mei 2017 ingehouden. Dit loon zal worden toegewezen, vermeerderd met de vakantiebijslag, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het loon en de vakantiebijslag vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.

4.15.

Nu [verzoeker] echter de verschuldigdheid van de verkeers- en parkeerboetes niet heeft weersproken zal het daarvoor gevorderde bedrag van € 610,40 worden toegewezen aan [handelsnaam] . [handelsnaam] mag dit verrekenen met het aan [verzoeker] te betalen loon.

Het verzoek en het tegenverzoek

4.16.

In de uitkomst van deze procedure, wat betreft het verzoek en het tegenverzoek, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van [verzoeker] :

veroordeelt [handelsnaam] om aan [verzoeker] te betalen het loon over de periode april tot en met 5 mei 2017, te vermeerderen met de vakantiebijslag, de wettelijke verhoging van 25%, en de wettelijke rente berekend over het loon en de vakantiebijslag vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening;

ten aanzien van het tegenverzoek van [handelsnaam] :

veroordeelt [verzoeker] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 640,10 ter zake van de door [verzoeker] veroorzaakte boetes;

ten aanzien van het verzoek en het tegenverzoek:

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2017.