Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4856

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
UTR 16/5026 en UTR 16/5165 en UTR 16/5293
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling brengt mee dat er een diploma of ander bewijs moet zijn dat onderwijs is gevolgd. Het bewijsmiddel hoeft niet per se een diploma te zijn, maar het gevolgd hebben van het onderwijs kan ook met een ander bewijsstuk worden aangetoond. Op basis van de stukken in het dossier waaronder het rapport van de OI van 5 juni 2012 en de rapporten van de Rijksauditdienst stelt de rechtbank vervolgens vast dat [naam onderwijsinstelling] tijdens de voor deze procedure relevante periode niet beschikte over diploma-erkenning. [naam onderwijsinstelling] mocht dan ook geen onderwijs verzorgen of diploma’s verstrekken onder de noemer van crebo-opleidingen, althans voor zover de opleiding is gestart na 31 juli 2011. Dat [naam onderwijsinstelling] feitelijk wel diploma’s heeft uitgereikt, betekent niet dat er subsidiabele activiteiten zijn verricht, namelijk het verzorgen van volledige crebo-opleidingen. Ten onrechte uitgereikte diploma's zijn geen acceptabele bewijsmiddelen zoals die worden vereist in artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 16/5026, UTR 16/5165 en UTR 16/5293

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2017 in de zaken tussen

1. [eiseres sub 1]
( [eiseres sub 1] ),

2. [eiseres sub 2] ( [eiseres sub 2] ),

3. [eiseres sub 3] ( [eiseres sub 3] ),

eiseressen

(gemachtigde: mr. R. van den Berg Jeths).

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigden: mr. R.A. van der Oord en [A] ).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 maart 2015 en 23 april 2015 (de primaire besluiten ) heeft verweerder de door eiseressen gedeclareerde subsidie in het kader van de Subsidieregeling ESF2007-2013 vastgesteld, waarbij verweerder een correctie heeft toegepast en daarmee de subsidie op lagere bedragen heeft vastgesteld.

Bij besluit van 27 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen gegrond verklaard en de beschikking subsidievaststelling gedeeltelijk herzien.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Eiseressen zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Namens eiseressen zijn verder verschenen mr. [B] , [C] , [D] en [E] ( [bedrijfsnaam] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. [eiseres sub 1] heeft in het kader van de Subsidieregeling ESF2007-2013 (herzien) (de Subsidieregeling) subsidie aangevraagd voor het project […] . Bij besluit van 13 april 2011 heeft verweerder een subsidiebedrag toegekend van (maximaal) € 4.000.000,-.

[eiseres sub 2] heeft in het kader van de Subsidieregeling subsidie aangevraagd voor het project […] . Bij besluit van 20 april 2011 heeft verweerder een subsidiebedrag toegekend van (maximaal) € 1.305.620,-.

[eiseres sub 3] heeft in het kader van de Subsidieregeling subsidie aangevraagd voor het project […] . Bij besluit van 5 april 2011 heeft verweerder een subsidiebedrag toegekend van (maximaal) € 924.327,-.

De periode van de projecten liep van 1 februari 2011 ( [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ) respectievelijk 2 februari 2011 ( [eiseres sub 1] ) tot en met 31 juli 2012. Na het indienen van de einddeclaraties hebben controles plaatsgevonden door het Agentschap SZW. Bij [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] heeft na de controle door het Agentschap SZW ook nog een tweedelijnscontrole door de Auditautoriteit van het ESF (Rijksauditdienst) plaatsgevonden. De controles hebben geleid tot correctie van de gedeclareerde subsidies.

2. Verweerder heeft de verleende subsidies uiteindelijk lager vastgesteld, omdat hij de door eiseressen opgevoerde kosten van de onderwijsinstelling [naam onderwijsinstelling] ( [naam onderwijsinstelling] ) niet subsidiabel acht. Daarom heeft verweerder bij de primaire besluiten op de door eiseressen gedeclareerde subsidies een correctie toegepast. In de bestreden besluiten heeft verweerder vervolgens de toegepaste correcties op de subsidiebijdragen herzien. Verweerder heeft daarbij voor [eiseres sub 1] de subsidie vastgesteld op € 1.116.597,70; voor [eiseres sub 2] op € 1.127.712,24; en voor [eiseres sub 3] op € 450.004,80.

3. Eiseressen hebben aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met de toegepaste correcties op de gedeclareerde subsidies. In beroep hebben zij allereerst aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de besluitvorming te baseren op het rapport van de Onderwijsinspectie (OI) van 5 juni 2012 en het definitief rapport van bevindingen van de Rijksauditdienst van 3 december 2014 ( [eiseres sub 3] ) 24 maart 2015 ( [eiseres sub 2] ), terwijl deze rapporten niet tot het dossier van verweerder behoren.

4. Deze grond is ter zitting besproken en eiseressen hebben gezegd dat deze grond niet meer aan de orde is. De rechtbank bespreekt deze grond daarom niet.

5. Eiseressen hebben verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte forse correcties heeft toegepast op de grond dat [naam onderwijsinstelling] niet over diplomabevoegdheid zou beschikken. Volgens eiseressen gaat verweerder er daarbij ten onrechte van uit dat diploma-erkenning een wettelijk criterium is om opleidingen te mogen verzorgen die in aanmerking komen voor ESF-subsidie. De Subsidieregeling stelt aan het zijn van een instelling niet het vereiste dat beschikt wordt over een diploma-erkenning. Uit de Subsidieregeling blijkt evenmin of een diploma al dan niet erkend moet zijn. Uit art 13 van de Subsidieregeling blijkt dat een diploma of bewijsstuk moet worden overgelegd, maar dit is alleen om aan te tonen dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft gevolgd. Ook in de Wet Educatie Beroepsonderwijs (WEB) ontbreekt een dergelijk vereiste. Een instelling moet aan de WEB voldoen om over diploma-erkenning te kunnen beschikken. Dit staat echter los van het subsidiabel zijn van de opleidingskosten. De Subsidieregeling bepaalt niet dat de WEB integraal van toepassing is. Er is geen rechtstreeks verband tussen de WEB en de Subsidieregeling op grond waarvan het al dan niet voldoen aan de WEB direct rechtsgevolg kan hebben voor een ESF-subsidie, die is gebaseerd op de Subsidieregeling. Diploma-erkenning lijkt met name verband te houden met al dan niet bekostiging door de staat. Ten slotte blijkt evenmin uit de Handleiding Projectadministratie (HPa) (van december 2010 en maart 2011) van een vereiste van diploma-erkenning. Omdat uit de Subsidieregeling, de WEB en de Handleiding Projectadministratie (HPa) niet blijkt dat diploma-erkenning vereist is voor ESF-subsidie, ontbreekt een juridische grondslag voor de toegepaste correcties op de subsidies, aldus eiseressen.

6. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat uit de Subsidieregeling volgt dat om in aanmerking te komen voor deze beroepsbegeleidende leerweg (BBL) er sprake moet zijn van een erkende BBL-opleiding die is opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen (crebo). Een crebo-opleiding kan uitsluitend worden verzorgd door een daartoe bevoegde opleiding. Vaststaat dat [naam onderwijsinstelling] na 31 juli 2011 niet meer over diploma-erkenning beschikte. Dit is door de OI bij brief van 31 mei 2011 aan [naam onderwijsinstelling] meegedeeld. De door [naam onderwijsinstelling] geboden opleidingen waren dus na 31 juli 2011 niet meer erkende crebo-opleidingen. De door [naam onderwijsinstelling] verzorgde opleidingen die zijn gestart na 31 juli 2011 komen dan ook niet voor subsidie in aanmerking. De correcties op de einddeclaraties zijn volgens verweerder terecht toegepast.

7. Op grond van artikel 1 van de Subsidieregeling wordt onder crebo verstaan: het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1. van de WEB.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder d, van de Subsidieregeling verleent verweerder, voor zover hier van belang, subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van verbetering van de arbeidsmarktpositie van laaggekwalificeerde werkenden zoals nader uitgewerkt in Actie D in Bijlage 1.

Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Subsidieregeling kunnen aan de beschikking tot verlening nadere voorwaarden worden verbonden, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het behoud van een goed inzicht in de voortgang en administratie van het project.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling komen voor subsidiering in aanmerking kosten voor opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs à € 3.700,- per opleiding, per schooljaar als de volgende bewijsstukken kunnen worden overgelegd:

  • -

    de toepasselijke beroepspraktijkvormingsovereenkomst;

  • -

    loonstrook deelnemer van de laatste scholingsmaand in het ESF-project, of een door het pensioenfonds verstrekt overzicht, waaruit het dienstverband van de deelnemer bij het leerbedrijf in de laatste scholingsmaand in het ESF-project blijkt,

  • -

    een behaald diploma of bewijsstuk van de instelling waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft genoten.

Op grond van artikel D6, eerste lid, aanhef en onder d, van Bijlage 1 bij de Subsidieregeling komt een project in het kader van actie D slechts voor subsidie in aanmerking indien het project gericht is op een in het crebo opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt.

8. Artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling brengt dus mee dat er een diploma of ander bewijs moet zijn dat onderwijs is gevolgd. Het bewijsmiddel hoeft niet per se een diploma te zijn, maar het gevolgd hebben van het onderwijs kan ook met een ander bewijsstuk worden aangetoond. Op basis van de stukken in het dossier waaronder het rapport van de OI van 5 juni 2012 en de rapporten van de Rijksauditdienst stelt de rechtbank vervolgens vast dat [naam onderwijsinstelling] tijdens de voor deze procedure relevante periode niet beschikte over diploma-erkenning. [naam onderwijsinstelling] mocht dan ook geen onderwijs verzorgen of diploma’s verstrekken onder de noemer van crebo-opleidingen, althans voor zover de opleiding is gestart na 31 juli 2011. Dat [naam onderwijsinstelling] feitelijk wel diploma’s heeft uitgereikt, betekent niet dat er subsidiabele activiteiten zijn verricht, namelijk het verzorgen van volledige crebo-opleidingen. Ten onrechte uitgereikte diploma's zijn geen acceptabele bewijsmiddelen zoals die worden vereist in artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling. Dat de diploma’s, zoals door verweerder ter zitting heeft toegelicht, uit coulance niet zijn ingetrokken, heeft wel betekenis voor degenen die die diploma's hebben gekregen, maar niet voor eiseressen. Hun in dit verband naar voren gebrachte stelling dat het diplomavereiste van artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling niet meer is dan een bewijs dat het onderwijs feitelijk is gevolgd, volgt de rechtbank niet. Die gedachte strookt niet met de opzet van de Subsidieregeling waarin het moet gaan om een onderwijsinstelling met een crebo-inschrijving of een daarmee gelijk te stellen instelling, zoals volgt uit artikel D6, eerste lid, aanhef en onder d, van Bijlage 1 bij de Subsidieregeling. Eiseressen hebben geen andere bewijsstukken overgelegd. Dus is niet voldaan aan artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling.

9. Eiseressen hebben aangevoerd dat niet eerder aan de orde is gekomen dat [naam onderwijsinstelling] geen onderwijs- en diplomabevoegdheid zou hebben. Dit is niet voorafgaand aan het project, niet gedurende het project en ook niet bij de eindcontrole na afloop van het project aan de orde gekomen. Pas in het definitief rapport van bevindingen van het Agentschap SZW is opgenomen dat alsnog een flinke correctie zal worden toegepast, omdat in een ander project gebleken zou zijn dat [naam onderwijsinstelling] geen onderwijs en diplomabevoegdheid had buiten de periode 1 augustus 2010 tot en met 31 juli 2011. Niet is gemotiveerd waarop dit standpunt is gebaseerd. Pas in het definitief rapport van bevindingen van de Rijksauditdienst staat vervolgens dat verweerder dit baseert op het rapport van de OI van 5 juni 2012. In dat rapport van de OI staan echter diverse onjuistheden met als gevolg dat de OI daaruit diverse onjuiste conclusies heeft getrokken. Eiseressen kunnen echter op geen enkele wijze de inhoud van dat rapport aanvechten, omdat daarvoor geen mogelijkheden bestaan. Zij zijn geen partij bij dit rapport en wisten ook niet van het bestaan van dat rapport af. Verder hebben zij betoogd dat zij voor aanvang van het project de crebo-inschrijving van [naam onderwijsinstelling] hebben gecontroleerd en dat deze toen in orde was. Eiseressen mochten er dan ook van uitgaan dat alle gedeclareerde kosten gesubsidieerd zouden worden.

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de OI de aangewezen instantie is om de onderwijs- en diplomabevoegdheid van instellingen te controleren. Nu de OI heeft vastgesteld dat [naam onderwijsinstelling] niet langer onderwijs- en diplomabevoegd was, mocht verweerder bij de vaststelling van de subsidie daarvan uitgaan. Het is dan niet meer relevant of eiseressen op de hoogte waren van het feit dat [naam onderwijsinstelling] niet langer onderwijsbevoegd was of niet. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseressen meer hadden moeten en kunnen doen om zeker te stellen dat de opleidingen voldeden aan de voorwaarden voor de subsidieverlening. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat het onvoldoende is om alleen bij aanvang van het project de crebo-nummers te controleren.

11. De eindconclusie van de rechtbank pakt op dit punt negatief uit voor eiseressen, maar dat wil nog niet zeggen dat verweerders redenering in al haar stappen deugt. De rechtbank volgt verweerder namelijk niet in zijn betoog dat het enkele feit dat de OI achteraf heeft vastgesteld dat [naam onderwijsinstelling] geen onderwijs- en diploma-erkenning had, al maakt dat eiseressen geen recht hebben op volledige vaststelling van de geclaimde subsidie. Op zich is dat niet genoeg voor verweerders conclusie.

12. Tegelijkertijd volgt de rechtbank ook niet het betoog van eiseressen dat zij geen gelegenheid hebben gehad om het rapport van de OI aan te vechten. Het is zeer waarschijnlijk dat eiseressen bij een bestuursrechtelijke procedure over (de in een besluit neergelegde gevolgen van) dat rapport zelf niet als belanghebbenden zouden worden aangemerkt. Maar in de procedures waarover deze uitspraak gaat heeft verweerder de feitelijke bevindingen van de OI zoals neergelegd in het rapport van 5 juni 2012, aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd en eiseressen hadden deze feitelijke onderbouwing van de bestreden besluiten dan ook in deze procedure aan de orde kunnen stellen. Verweerder is verantwoordelijk voor de feitelijke onderbouwing van zijn besluit en de rechtbank is bevoegd alle feitenvaststellingen van verweerder te toetsen. Hoewel het vanzelfsprekend niet de meest voor de hand liggende procesgang is om in déze procedures de juistheid van het rapport van de OI aan te vechten, stond die mogelijkheid voor eiseressen dus wel open. Eiseressen zijn echter niet geslaagd in hun poging de onjuistheid van het rapport van de OI over de hier van belang zijnde periode aannemelijk te maken. Eiseressen hebben gewezen op de hercontrole door de OI begin 2013 bij [naam onderwijsinstelling] en het verslag van de OI van 11 april 2014 waarbij de OI niet heeft geconcludeerd dat [naam onderwijsinstelling] opleidingen zou hebben verzorgd zonder daartoe bevoegd te zijn. Volgens eiseressen is van belang dat de onderwijslicentie van [naam onderwijsinstelling] niet is ingetrokken en dat er geen sancties zijn opgelegd. Deze hercontrole in 2013 en het verslag van de OI uit april 2014 zeggen naar het oordeel van rechtbank echter niets over de periode waarop het rapport van de OI van 5 juni 2012 betrekking heeft. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

13. Vervolgens is de vraag of eiseressen voldoende hebben gedaan om ervoor zorg te dragen dat aan de voorwaarden voor de subsidie werd voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Zoals eiseressen hebben aangevoerd, hebben zij alleen bij het begin van het project de crebo-inschrijving van [naam onderwijsinstelling] gecontroleerd en zijn zij er vervolgens van uitgegaan dat het in orde was en bleef. Uit deze check aan het begin van het project volgt dat ook eiseressen zich realiseerden dat een crebo-inschrijving van de onderwijsinstellingen van belang is. Het gaat hier om grote bedragen subsidiegeld en daarom mag van eiseressen worden gevergd dat zij méér doen dan alleen zo'n check aan het begin van het project. De rechtbank begrijpt dat de Subsidieregeling op zich zo is geregeld dat er geen contractuele band hoeft te zijn tussen eiseressen en de onderwijsinstelling die het gesubsidieerde onderwijs verzorgt, zoals eiseressen hebben aangevoerd. Dat neemt echter niet weg dat op eiseressen de inspanningsverplichting rustte zich er van te vergewissen dat gedurende de looptijd van het project voortdurend aan de subsidievoorwaarden werd voldaan. Zij hadden er dan ook verstandig aan gedaan om in contact te treden met [naam onderwijsinstelling] om meer inzicht te verkrijgen in de wijze waarop het onderwijs door [naam onderwijsinstelling] werd vormgegeven en (bijvoorbeeld) afspraken te maken over inlichtingen van de kant van [naam onderwijsinstelling] over de onderwijs- en diplomabevoegdheid als de bestaande situatie op dat punt zou veranderen. Eiseressen hebben aan hun inspanningsverplichting onvoldoende invulling gegeven.

Over de latere opstelling van de declaratie voor deze subsidie, overweegt de rechtbank het volgende. Zeker nu eiseressen aan de hand van de gesprekken met het Agentschap SZW op 17 september 2014 en 15 december 2014 bekend waren geraakt met de problemen omtrent [naam onderwijsinstelling] , mocht van eiseressen verwacht worden dat zij stappen zouden ondernemen om zeker te stellen dat bij de uiteindelijke declaratie en vaststelling van de subsidie zou worden voldaan aan alle voorwaarden. Dat betekent dat zij scherp in de gaten hadden moeten houden of [naam onderwijsinstelling] in de relevante periode nog wel onderwijs- en diplomabevoegd was en bij een negatief antwoord op die vraag of dan op andere wijze kon worden aangetoond dat het onderwijs is gevolgd. Daarbij hadden zij dan aandacht moeten besteden aan zowel het vereiste 'ander bewijs' (dan een diploma) uit artikel 13, derde lid, van de Subsidieregeling, als het vereiste van 'een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt' bij het ontbreken van een crebo-inschrijving uit artikel D6, eerste lid, aanhef en onder d, van Bijlage 1 bij de Subsidieregeling.

14. Het voorgaande betekent dat verweerder over de periode waarin de crebo-onderwijs- en diplomabevoegdheid van [naam onderwijsinstelling] ontbrak op de gedeclareerde subsidies correcties mocht toepassen voor de leerlingen die bij [naam onderwijsinstelling] onderwijs volgden. Geen rol speelt dan nog wat partijen naar voren hebben gebracht over de beroepspraktijkvorming, juist omdat hiervoor die correcties overeind zijn gebleven.

Over de zaak UTR 16/5293

15. [eiseres sub 3] heeft voorts aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de bezwaargronden over deelnemer [naam deelnemer] en vier andere deelnemers. Over deelnemer [naam deelnemer] heeft [eiseres sub 3] diverse stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze deelnemer aan de opleiding heeft deelgenomen en terecht in de einddeclaratie is opgenomen. Over de andere vijf deelnemers is onduidelijk waar de correctie op gebaseerd is. Uit stukken van [eiseres sub 3] blijkt dat alle deelnemers aan de opleiding hebben deelgenomen en dat maar één aanvankelijke deelnemer de opleiding vroegtijdig heeft gestaakt, zodat de correctie voor de vier anderen ten onrechte heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom er toch een correctie wordt toegepast voor deze deelnemers.

16. De rechtbank stelt vast dat [eiseres sub 3] deze gronden in de zienswijze en in bezwaar naar voren heeft gebracht en dat verweerder heeft nagelaten hierop in te gaan. Ook in de beroepsfase heeft verweerder hier geen antwoord op gegeven. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerder heeft genoeg gelegenheid gehad om hier een uitleg over te geven en nu houdt de rechtbank het er dan ook voor dat verweerder het niet kan uitleggen en dat, zoals [eiseres sub 3] heeft betoogd, de desbetreffende personen hebben deelgenomen aan de opleiding. Deze beroepsgrond slaagt.

17. De rechtbank volgt [eiseres sub 3] niet in haar standpunt over de branchevreemde deelnemers. Zij heeft in dit verband een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en daarbij gesteld dat verweerder expliciet heeft ingestemd met opname van de desbetreffende deelnemers in het project. Deze stelling heeft [eiseres sub 3] echter niet onderbouwd, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Over de zaken UTR 16/5026 en UTR 16/5293

18. De rechtbank volgt [eiseres sub 3] en [eiseres sub 1] niet in hun stelling dat verweerder ten onrechte een correctie heeft toegepast vanwege een onjuist uitgevoerde offerteprocedure.

19. Ingevolge artikel 13, vierde lid, van de Subsidieregeling moet, om voor subsidie in aanmerking te komen, voor opdrachten met een financieel belang hoger of gelijk aan € 15.000,- de marktconformiteit aangetoond worden. Voor opdrachten tot € 50.000,- kan worden volstaan met een benchmarkprocedure en voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000,- moet marktconformiteit worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.

20. Het bepalen van marktconformiteit veronderstelt een toets of de aangeboden beraamde prijs van een uit te voeren opdracht overeenstemt met de in de markt gangbare prijs voor het verrichten van een soortgelijke opdracht. Bij zo'n toets kunnen de bij daadwerkelijk gemaakte kosten geen ijkpunt zijn. Voor de beraamde kosten voor […] en […] ( [eiseres sub 3] ) en voor […] ( [eiseres sub 1] ) had marktconformiteit moeten worden aangetoond door middel van een benchmarkprocedure. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Algemene conclusie

21. De beroepen met zaaknummers UTR 16/5026 en UTR 16/5165 zijn ongegrond.

22. Het beroep met zaaknummer UTR 16/5293 is gelet op wat is overwogen in overweging 16, gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij deelnemer [naam deelnemer] en vier andere deelnemers niet heeft betrokken bij de vaststelling van het subsidiebedrag.

Omdat het oordeel van de rechtbank een wijziging van het besluit van [eiseres sub 3] nodig maakt, is instandlating van de rechtsgevolgen niet aan de orde. De rechtbank ziet ook geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder het subsidiebedrag moet vaststellen en de rechtbank niet beschikt over de informatie die daarvoor nodig is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, wat dus inhoudt het terugdraaien van de correcties voor zover die gaan over [naam deelnemer] en vier andere deelnemers. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door [eiseres sub 3] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

24. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan [eiseres sub 3] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

UTR 16/5026 en UTR 16/5165

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

UTR 16/5293

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij [naam deelnemer] en vier andere deelnemers niet in de subsidievaststelling zijn betrokken;

  • -

    draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [eiseres sub 3] met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiseres sub 3] tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan [eiseres sub 3] te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. O. Veldman en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.