Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4816

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
17/77
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Werknemer heeft minder uren hervat dan medisch mogelijk. Reistijd woon-werkverkeer. Mogelijkheden spoor 1 niet voldoende inzichtelijk. Spoor 2 niet adequaat uitgevoerd. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/77

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2017 in de zaak tussen

Capgemini Nederland B.V., te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: A.M. van den Heuvel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: drs. S. Barto).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres laten weten dat de re-integratie-inspanningen voor [A] (de werknemer) onvoldoende zijn geweest en dat het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte daarom wordt verlengd met 52 weken tot 13 juni 2017.

Bij besluit van 5 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bepaald dat de kennisname van de medische stukken niet wordt toegestaan aan eiseres, maar uitsluitend is voorbehouden aan J.M. Fokke als arts-gemachtigde van eiseres.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De werknemer heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met eiseres. Hoewel zij zich realiseert dat dit de leesbaarheid van deze uitspraak mogelijk niet ten goede zal komen, zal de rechtbank daarom de motivering van haar oordeel, voor zover nodig, beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.

2. De werknemer is op 17 juni 2014 uitgevallen voor zijn werk als Strategic Deal Maker voor gemiddeld 39,85 uur per week. Op 23 maart 2016 heeft de werknemer bij verweerder een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ingediend. Na medisch en arbeidskundige onderzoek heeft verweerder besloten de aanvraag van de WIA-uitkering niet in behandeling te nemen en aan eiseres een loondoorbetalingsverplichting opgelegd, inhoudende dat zij tot 13 juni 2017 het loon aan de werknemer moet doorbetalen (de loonsanctie).

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de loonsanctie gehandhaafd. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep G. Sprenkels van 25 oktober 2016 en het rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J.A.M. Kerckhof van 24 november 2016. Deze rapporten maken deel uit van het bestreden besluit. Volgens verweerder zijn de re-integratie-inspanningen niet voldoende geweest, omdat de bedrijfsarts de belastbaarheid van de werknemer niet adequaat heeft ingeschat. De omvang van de aangeboden passende arbeid in spoor 1 sluit hierdoor niet aan bij zijn mogelijkheden, zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 mei 2016. Daarnaast vindt verweerder dat eiseres de eventuele herplaatsingskansen in spoor 1 niet voldoende heeft onderzocht en dat ook geen adequaat traject in spoor 2 is uitgevoerd.

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Hiertoe voert zij het volgende aan. De werknemer woont in België. Met de lange reistijd van en naar het hoofdkantoor van eiseres zit de werknemer door de lange reis van huis naar werk gelet op zijn statische beperkingen al aan zijn maximale mogelijkheden. Hierdoor is er geen ruimte over om de re-integratie-activiteiten verder uit te breiden.
Arts-gemachtigde Fokke heeft in zijn brief van 20 juli 2017 verklaard dat hij de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen niet ter discussie stelt. Zijn bezwaar is dat ten onrechte de statische belasting tijdens het autorijden in verband met het woon-werkverkeer buiten beschouwing is gelaten bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

5. De rechtbank overweegt dat de uitgangspunten voor de beoordeling door verweerder van de re-integratie-inspanningen die van de werknemer en werkgever worden verwacht, zijn neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels).

Volgens de Beleidsregels staat het met de re-integratie bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar het Uwv de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Wanneer de werknemer nog arbeidsmogelijkheden heeft, ook al is de omvang beperkt, gelden de in wet- en regelgeving neergelegde re-integratieverplichtingen.

6. Uit de stukken komt naar voren dat de werknemer in het eerste ziektejaar voor 12 uur is hervat in aangepast eigen werk. Op 15 juli 2015 heeft eiseres een deskundigenoordeel gevraagd bij verweerder om te laten beoordelen of zij genoeg doet om de werknemer weer aan het werk te helpen. In het arbeidskundig rapport van 6 augustus 2015 is geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen tot op dat moment onvoldoende zijn geweest, omdat de werknemer minder uren werkt dan mogelijk is. Hierbij is van belang dat de verzekeringsarts van oordeel is dat de werknemer 30 uur per week kan werken. Verder is in het arbeidskundig rapport uiteengezet dat spoor 1 verder onderzocht dient te worden en dat spoor 2 opgestart moet worden. De arbeidsdeskundige heeft benadrukt dat dit zeer belangrijk is, omdat eiseres en werknemer het erover eens zijn dat volledig terugkeren in de eigen functie, met onder andere veel internationale reizen, niet mogelijk is. Na het deskundigenoordeel heeft de werknemer zijn uren uitgebreid naar 16 uur per week en vervolgens naar 20 uur per week, waarvan 4 uur in spoor 2. Een verdere urenuitbreiding is uitgebleven.

7. De primaire verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van de werknemer in de FML van 26 mei 2016 vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de primaire verzekeringsarts over de belastbaarheid onderschreven. De verzekeringsartsen zijn van oordeel dat de werknemer medisch in staat is om 40 uur per week te werken.

8. Gelet op het feit dat werknemer niet meer dan 20 uur per week heeft hervat deelt de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de werknemer in minder uren is hervat dan medisch mogelijk is. Dat de reistijd zoals eiseres stelt aan uitbreiding in de weg stond volgt de rechtbank niet, omdat door eiseres rekening is gehouden met de forse reistijd voor het woon-werkverkeer van de werknemer. De werknemer deed vooral thuis werkzaamheden en kwam gemiddeld slechts 1 dag per week naar het hoofdkantoor van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende onderbouwd waarom het aantal uren thuiswerk niet verder kon worden uitgebreid. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat de werknemer zoveel mogelijk in werkzaamheden thuis heeft hervat, is daartoe onvoldoende.

9. De rechtbank stelt bovendien vast dat het voor partijen duidelijk was dat de werknemer niet meer volledig in het eigen werk zou kunnen hervatten. Dit had voor eiseres aanleiding dienen te zijn, zoals in het deskundigenoordeel ook is aangegeven, de mogelijkheden in spoor 1 goed te onderzoeken en benutten. Arbeidsdeskundige C. van Esch-Norder heeft hierover in het rapport van 6 juni 2016, ongeveer twee jaar na de uitval van werknemer, geconcludeerd dat nog (steeds) geen duidelijkheid bestaat of, en zo ja welke mogelijkheden er in spoor 1 zijn. Niet duidelijk is of de werkzaamheden die de werknemer is gaan verrichten structureel kunnen worden aangeboden. Ten aanzien van de door eiseres overhandigde korte overzichten met daarop activiteiten die zijn ondernomen voor het vinden van ander passend werk binnen de organisatie, heeft de arbeidsdeskundige opgemerkt dat deze overzichten geen volledig beeld geven. Van de functies of rollen (zoals eiseres de afbakening van werkzaamheden van haar werknemers benoemt) binnen de organisatie bestaat geen beschrijving van de inhoud van het werk en de gemaakte afweging met betrekking tot de geschiktheid van de werknemer gelet op zijn belastbaarheid ontbreekt.

Dat geen sprake is van een standaardorganisatie met een functiehuis, zoals eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat toegelicht had kunnen worden waarom bepaalde functies of rollen niet passend zijn. De stelling van eiseres dat de werknemer een zeer specialistische functie had met een hoog salaris, acht de rechtbank onvoldoende specifiek en daarom niet toereikend om te oordelen dat de mogelijkheden binnen de eigen organisatie voldoende zijn onderzocht. Samenvattend concludeert de rechtbank dat eiseres de mogelijkheden tot re-integratie van de werknemer in spoor 1 niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt met behulp van concrete gegevens.

10. De rechtbank ziet in het aangevoerde ook geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de arbeidsdeskundigen dat de re-integratie in spoor 2 niet adequaat is uitgevoerd, omdat daarbij van een onjuiste belastbaarheid is uitgegaan. Functies in spoor 2 zijn hierdoor ten onrechte als niet passend beschouwd. Gelet hierop en op het overwogene in 8 en 9 slaagt de beroepsgrond dat voldoende aan re-integratie is gedaan, niet.

11. Eiseres voert verder aan dat uit de recente beoordeling van het recht op een WIA-uitkering naar voren is gekomen dat met de beperkingen van de werknemer geen functies geduid kunnen worden.

12. De rechtbank stelt vast dat aan de werknemer met ingang van 13 juni 2017 een uitkering op grond van de Wet WIA is toegekend op basis van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (IVA-uitkering). Deze omstandigheid kan gelet op vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5838) echter niet tot de conclusie leiden dat eiseres daarom een deugdelijke grond had voor het onvoldoende verrichten van re-integratie-inspanningen. Het toekennen van een IVA-uitkering heeft immers plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan hier aan de orde.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzitter, en mr. drs. R. in ’t Veld en mr. K. de Meulder, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.