Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4794

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
26-09-2017
Zaaknummer
660197-16
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen poging zware mishandeling met voorbedachten raad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/660197-16 en 16/200405-15 (TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] [woonplaats] [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 28 augustus 2016 te [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer]

  • -

    met een tak uit een boom, althans een hard voorwerp, op het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of;

  • -

    tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of;

  • -

    tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt.

Dit is primair ten laste gelegd als medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad, subsidiair als openlijke geweldpleging en meer subsidiair als medeplegen van mishandeling met voorbedachte raad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangever en van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] innerlijk en onderling tegenstrijdig en daarom niet betrouwbaar zijn. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling, bestaande uit het slaan tegen het hoofd, gezicht dan wel lichaam, heeft de raadsman zich gerefereerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij aangever, nadat hij een aantal weken eerder door hem in elkaar was geslagen, bij de skatebaan in [plaatsnaam] zowel met de vuist als met de vlakke hand heeft geslagen, in de richting van zijn gezicht.2 Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat er tussen verdachte [verdachte] en aangever bij de skatebaan een ruzie ontstond waarbij beiden op de grond lagen te ‘rollebollen’. Hij heeft zich met het gevecht bemoeid. Hij droeg die dag een rode trui.3

Aangever [slachtoffer] heeft als volgt verklaard. Op zondag 28 augustus 2016 werd hij rond 18.00 uur door [voornaam van A] (de rechtbank begrijpt: [A] ) gebeld met de vraag of hij naar de skatebaan kon komen. Een uur later kwam hij daar aan en hij zag een aantal jongens zitten, onder wie [voornaam van A] en hij zag een negroïde persoon achter een muurtje staan. Aangever fietste de skatebaan op en de negroïde man kwam dreigend met een stok in zijn handen op hem afgelopen. Hij zei niets en begon in één keer uit te halen, terwijl aangever nog op zijn fiets zat. Hij sloeg drie of vier keer met volle kracht met een tak uit een boom, die een lengte had van ongeveer zeventig centimeter en een diameter van vier centimeter, en werd daarmee op zijn hoofd geraakt. Aangever lag op de grond en werd vervolgens van achteren door een andere jongen benaderd. Deze jongen ging op hem zitten en probeerde zijn handen vast te houden. De jongen die hem als eerste sloeg, begon op hem in te trappen terwijl de andere jongen hem op de grond hield en zijn handen weg hield. Ze sloegen en schopten tegen zijn hoofd. De eerste jongen haalde meerdere keren volop uit met zijn rechterbeen. Ze mikten alleen maar op zijn hoofd. Op het laatst kreeg hij van de negroïde persoon nog een harde trap tegen zijn hoofd aan, waarna het wazig werd. De persoon die hem als eerste sloeg omschrijft hij als een man met een donkere huidskleur, een breed postuur, ongeveer 1,70 meter lang, een kale kop en een baardje. Hij droeg een zwart T-shirt en een zwarte trainingsbroek (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ). De andere jongen had ook een donkere huidskleur maar was iets lichter getint, had een wat gezet postuur, was ongeveer 1,70 tot 1,80 meter lang, had donker kort haar en droeg een bril. Hij had een rood T-shirt en een zwarte joggingsbroek aan (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). Aangever heeft meerdere kras- en schaafwonden in zijn gezicht, meerdere bulten op zijn achterhoofd, een blauwe plek onder zijn linkeroog en een open botbreuk in zijn linker duim. Zijn mond kan hij niet normaal opendoen.4

Getuige [getuige 1] heeft als volgt verklaard. Op 28 augustus 2016 stond hij met [B] bij de skatebaan, waar onder anderen ook [A] en [voornaam van getuige 2] (de rechtbank begrijpt: [getuige 2] ) aanwezig waren. Daarnaast waren er ook nog drie negroïde mannen, waarvan hij er één herkende als [C] . Hij kan de negroïde mannen als volgt omschrijven: persoon 1 had een negroïde huidskleur, een groot, breed en gespierd postuur, een baardje, droeg vermoedelijk een zwart tanktop en was ongeveer 1,85 meter lang (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ). Persoon 2 en 3 hadden beiden een getinte/negroïde huidskleur en een normaal postuur. Persoon 2 of 3 droeg een rood vest (de rechtbank begrijpt dat één van deze personen medeverdachte [medeverdachte] is geweest). [getuige 1] zag dat de drie mannen in gesprek waren met [A] . Ze waren ruzie aan het maken. Hij hoorde dat ze wilden weten waar [slachtoffer] was en dat ze wilden dat hij naar de skatebaan zou komen. De drie mannen kwamen naar hem en [B] toe en zeiden dat zij weg moesten gaan. Zij zijn vervolgens naar het flatje aan de overkant van de [straatnaam] gegaan en hebben gekeken wat er ging gebeuren. Hij zag dat één van de drie mannen een tak pakte en de bladeren er afplukte. Na ongeveer vijf minuten keek hij naar de skatebaan en zag hij dat [voornaam van slachtoffer] op de grond lag en werd geschopt en geslagen door twee van de drie mannen. In ieder geval de man met het rode vest was bij het gevecht betrokken. [getuige 1] fietste hierop gelijk naar de skatebaan, maar durfde niet dichterbij te komen. De afstand tussen hem en [voornaam van slachtoffer] was op dat moment ongeveer twintig meter. De mannen gingen maar door met trappen en slaan, wat wel vijf minuten heeft geduurd. Hij zag dat [voornaam van slachtoffer] in zijn maag en rug werd geschopt en geslagen. Hij werd overal geslagen en geschopt, maar vooral tegen zijn hoofd. Na een paar seconden heeft hij de politie gebeld. De twee mannen zagen dit en zijn daarop weggerend.5

Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard. Er kwamen drie jongens in een auto naar de skatebaan toe. Eén van hen, een negroïde persoon (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ), begon [voornaam van A] te slaan. [voornaam van A] moest van deze jongen [voornaam van slachtoffer] bellen. Intussen kwamen er ook nog twee andere jongens bij staan. Eén jongen was stevig, ongeveer 1,70 meter lang, had weinig haar, bijna kalend, droeg een trainingsbroek en teenslippers en had een bril op (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). De andere jongen was dun en droeg een donkerblauw trainingspak van het merk Adidas. De dunne jongen trok een tak uit de boom en gaf deze aan de negroïde man. De tak was ongeveer één meter lang en ongeveer twee centimeter dik. De negroïde man stuurde [voornaam van getuige 1] en [B] vervolgens weg. Het duurde nogal lang voordat [voornaam van slachtoffer] kwam. Toen hij er via de [straatnaam] aankwam en de skatebaan op fietste, kwamen alle drie de jongens tevoorschijn. [getuige 2] zat op een verhoging op een afstand van ongeveer vier meter en zag dat de negroïde persoon als eerste begon te slaan. [voornaam van slachtoffer] was van zijn fiets af omdat deze op de grond viel. De stevige jongen kwam er vervolgens ook bij. Zij zag dat de negroïde persoon en de stevige jongen [voornaam van slachtoffer] op de grond hadden gelegd. De stevige jongen ging op [voornaam van slachtoffer] zitten en ook op zijn handen, waardoor [voornaam van slachtoffer] niets meer kon doen en zich niet kon verweren. Toen begon die negroïde persoon met een tak te slaan. Niet normaal slaan, maar hij sloeg met zijn hele gewicht, met alles wat hij in zich had, in het gezicht van [voornaam van slachtoffer] . Hij sloeg heel erg vaak. Hij hield de stok met twee handen vast en hij sprong ook tijdens het slaan. [voornaam van slachtoffer] was aan het huilen op de grond en de jongens bleven doorgaan met slaan. Opeens huilde en bewoog [voornaam van slachtoffer] niet meer en gingen de jongens van hem af. Zij is weggegaan en zag nog net dat de jongens weer naar [voornaam van slachtoffer] gingen. De negroïde persoon had van tevoren gezegd dat hij het wel wilde filmen. Het was van tevoren al bedacht dat [voornaam van slachtoffer] geslagen zou worden.6

Bewijsoverwegingen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen. Zij overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank overweegt allereerst dat er in de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] weliswaar verschillen zijn aan te wijzen, maar dat dit de verklaringen niet onbetrouwbaar maakt, nu zij in de kern met elkaar overeenkomen en het bovendien in dergelijke zaken niet ongebruikelijk is dat verklaringen op punten onderling van elkaar verschillen.

De rechtbank overweegt verder dat het jegens aangever gebruikte geweld, waarbij verdachten aangever hard en vaak, met zowel een tak als met de handen/vuisten, hebben geslagen en hem hebben geschopt, met name in het gezicht en tegen het hoofd, geschikt is om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat er eerder een conflict is geweest tussen verdachte [verdachte] en aangever. De verdachten hebben kennelijk wraak willen nemen en zijn daartoe samen met nog een andere persoon naar de skatebaan in [plaatsnaam] gegaan. Daar hebben zij [A] , een ‘drugsklant’ van aangever die zijn drugs bij de skatebaan van aangever ontving, zo blijkt uit het dossier (p. 51), onder druk gezet om aangever te benaderen en hem naar de skatebaan te laten komen. De derde, onbekende, dader heeft, voordat aangever arriveerde, een tak geprepareerd en deze aan verdachte gegeven. Toen aangever na ongeveer een uur arriveerde, heeft verdachte er samen met zijn medeverdachte direct volop op los geslagen en geschopt, met name in het gezicht van aangever, en hij heeft hem met de tak ook meermalen en met kracht in diens gezicht geslagen. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden blijk geven van een vooropgezet plan om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Dat verdachte in een gemoedsopwelling heeft gehandeld, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

op 28 augustus 2016 te [plaatsnaam] , gemeente […] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meerdere malen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

- met een tak uit een boom tegen het hoofd en in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en

- tegen het hoofd en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en

- tegen het hoofd en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die van langere duur is dan die van het voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad. Verdachten hebben, kennelijk om wraak te nemen naar aanleiding van een eerder handgemeen met aangever, aangever naar de skatebaan in [plaatsnaam] gelokt en hem daar met een tak hard en vaak in zijn gezicht geslagen, hem met de handen/vuisten met name in het gezicht geslagen en op hem ingetrapt. Verdachte ging hiermee door toen aangever op de grond lag en zich niet meer kon verweren omdat de medeverdachte bovenop hem zat en zijn handen vasthield. Het geweld stopte pas nadat verdachten doorhadden dat er door een getuige telefonisch contact werd gelegd en zij vermoedden dat daardoor melding bij de politie werd gedaan. Dat aangever er geen zwaar lichamelijk letsel aan over heeft gehouden, en het bij een poging is gebleven, is dus niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft met deze lafhartige daad de lichamelijke integriteit van aangever geschonden, hetgeen de rechtbank ernstig acht.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 3 augustus 2017 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte in 2014 en 2015 ook is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur geboden. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen, waarmee zij beoogt hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te begaan. De rechtbank heeft er in de strafoplegging rekening mee gehouden dat verdachte een baan heeft, waarvan het niet wenselijk is dat hij deze kwijt raakt, hetgeen bij een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan thans wordt opgelegd, het geval kan zijn. Nu het bewezenverklaarde in augustus 2016 heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank het daarnaast niet wenselijk om verdachte, na verloop van een jaar, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2015 (parketnummer 16/200405-15) is aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 27, 45, 47, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/200405-15

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 23 december 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2017.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaatsnaam] , gemeente […] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) meerdere malen, althans eenmaal, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag,

- met een tak uit een boom, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of

- op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of

- op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaatsnaam] , gemeente […] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, met een ander of anderen op of aan de openbare weg, op de skatebaan gesitueerd aan de [straatnaam] en de [straatnaam] , in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, onverholen en/of waarneembaar voor ter plaatse aanwezige personen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld

bestond uit:

- het een- of meerma(a)l(en) slaan/stompen op/tegen/naar het hoofd en/of in/op/tegen/naar het gezicht en/of op/tegen/naar het lichaam van die [slachtoffer]

- het een- of meerma(a)l(en) slaan met een tak uit een boom op/tegen/naar het hoofd en/of in/op/tegen/naar het gezicht en/of op/tegen/naar het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- het een- of meerma(a)l(en) schoppen/trappen op/tegen/naar het hoofd en/of in/op/tegen/naar het gezicht en/of op/tegen/naar het lichaam van die [slachtoffer] ;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaatsnaam] , gemeente […] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- met een tak uit een boom, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of

- op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan/stompen en/of

- op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen/trappen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 september 2016, genummerd 2016266032, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, district Flevoland, basisteam […] , doorgenummerd p. 1 t/m 122. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 100 (4e alinea); verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 6 september 2017.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 120.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 26 t/m 29.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 38 t/m 40.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 53 t/m 54 en 56.