Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4788

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
C/16/426766 / HA ZA 16-853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vruchtgebruik, dat na beëindiging feitelijk is voortgezet. Vergoeding van de geldelijke vruchten? Ontruiming van een woning na langdurige bruikleenovereenkomst. Familieverhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/426766 / HA ZA 16-853

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. V. Bakker te Amstelveen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. W. de Vis te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 februari 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie/akte vermeerdering van eis in conventie

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagde]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2017 en het aanvullend proces-verbaal van de comparitie van partijen

  • -

    de akte na comparitie van [gedaagde] .

1.2.

Partijen hebben zich na afloop van de comparitie van partijen gewend tot een mediator. Partijen hebben bericht aan de rechtbank gezonden dat de mediation niet tot overeenstemming heeft geleid.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Algemeen

2.1.

[eiser] is de zoon van [gedaagde] en [erflater] , die is overleden op [2015] (hierna [erflater] ). ER zijn nog twee kinderen, namelijk [zus 1] en [zus 2] , zusters van [eiser] . [zus 2] (ook [dochter] genoemd) is tijdens de comparitie van partijen opgetreden als vertegenwoordigster van [gedaagde] .

Met betrekking tot de garageboxen

2.2.

Bij notariële akte van 25 juli 1988 (hierna ook: de akte) heeft [erflater] aan [eiser] verkocht en geleverd een perceel grond met daarop 36 autoboxen aan de [adres 1] nabij nummer [adres 2] in [vestigingsplaats 1] (hierna: de garageboxen). In de akte is vermeld dat de koopsom van ƒ 118.311,20 door [eiser] is betaald. Voorts is in de akte het volgende opgenomen:

“(…)

Bedingen

Artikel 1.

Het vruchtgebruik wordt voorbehouden ten behoeve van verkoper en diens echtgenote gezamenlijk en bij opvolging en eindigt op één januari negentienhonderd acht en negentig of zoveel eerder bij het overlijden van de langstlevende hunner.

(…)

Artikel 6.

De koper kan het gekochte onder last van voormeld zakelijk recht op heden als zijn eigendom aanvaarden en onder gestanddoening van de lopende huurovereenkomsten wat de garages betreft.

Artikel 7.

De baten en lasten van het verkocht van heden af ten voordele en voor rekening van de verkoper, met name alle zakelijke belastingen en lasten, verzekeringspremies, alsook alle reparatie en onderhoudskosten uit welke hoofde ook blijven voor rekening van de verkoper, zonder enige verrekening met de koper.

(…)”

Uit de akte blijkt voorts dat [gedaagde] het beding van vruchtgebruik heeft aanvaard. Zij heeft de akte mede ondertekend.

2.3.

[gedaagde] en [erflater] hebben aan hun kinderen schenkingen gedaan. Voor zover van belang blijkt uit een brief van 18 november 1982 van de toenmalige accountant van [gedaagde] en [erflater] aan notaris [notaris] in [vestigingsplaats 2] dat de stand van schenkingen ten gunste van [eiser] na de schenking 1983 is ƒ 112.114,00 inclusief de verschuldigde rente tot 31 december 1982.

2.4.

Na 1 januari 1998 is het beheer van de garageboxen voortgezet door [erflater] . [erflater] inde de huurpenningen, sloot nieuwe huurovereenkomsten af, zorgde voor reparaties en betaalde inkomstenbelasting en onroerende zaakbelasting (OZB).

2.5.

Bij brief van 30 december 2009 heeft [erflater] aan alle huurders van de garageboxen meegedeeld dat het beheer van de garageboxen voortaan zou worden gevoerd door [eiser] , [zus 2] en de toenmalige echtgenote van [eiser] .

2.6.

In 2011 is in een gesprek tussen [erflater] en de Belastingdienst de verkoop van de garageboxen en het daarop rustende vruchtgebruik aan de orde gekomen. [erflater] had tot dan in zijn belastingaangiften steeds aangifte gedaan als ware hij vol eigenaar van de garageboxen.

Het resultaat van dit gesprek was dat de Belastingdienst met terugwerkende kracht tot en met het belastingjaar 2006 naheffingsaanslagen heeft vastgesteld voor [erflater] uitgaande van het vruchtgebruik van de garageboxen van [erflater]

2.7.

De Belastingdienst heeft [eiser] naar aanleiding van de in 2.6 gemelde bevindingen met terugwerkende kracht tot en met 2006 navorderingsaanslagen opgelegd. Naar aanleiding van de aanslagen over de jaren 2006 tot en met 2009 heeft [eiser] een procedure bij de Rechtbank Noord-Holland gevoerd tegen de Inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden. De Rechtbank heeft daarin op 2 juli 2013 uitspraak gedaan. Het beroep van [eiser] is verworpen. In die uitspraak is onder meer het volgende overwogen:

“4. Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt omtrent het geschil

Uit de notariële akte van levering van de garageboxen volgt dat eiser per 1 januari 1998 de volle eigendom van het onroerende zaken heeft verkregen. Gelet hierop diende eiser met ingang van die datum de waarde van de volle eigendom als bezitting in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen aan te geven. Niet in geschil is dat eiser dit niet heeft gedaan. Gelet hierop heeft verweerder de navorderingsaanslagen dan ook terecht opgelegd.

4.2.

Verweerder is bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet uitgegaan van de waarde van de volle eigendom, maar van de blote eigendom van de onroerende zaken. De berekening van deze waarde is, naar ter zitting is gebleken, tussen partijen niet in geschil. Nu eiser ook nog stelt dat zijn vader ten nadele van hem ongerechtvaardigd is verrijkt, zou ook enige vordering tot de rendementsgrondslag kunnen behoren. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat de navorderingsaanslagen voor te hoge bedragen zijn opgelegd.”

2.8.

[eiser] heeft in de loop van 2014 de huurders van de garageboxen laten weten dat hij het beheer van de garageboxen zou voortzetten. De huurpenningen dienden aan hem te worden betaald. Sindsdien zijn de huuropbrengsten niet meer aan [gedaagde] en [erflater] afgedragen, maar aan [eiser] .

Met betrekking tot de woning [adres 3] in [woonplaats]

2.9.

[eiser] woont sinds medio de jaren ’90 van de vorige eeuw in de woning aan [adres 3] in [woonplaats] (hierna: de woning). Naast de woning woont [gedaagde] op het adres [adres 4] in [woonplaats] . [gedaagde] is eigenaresse van beide woningen.

2.10.

[eiser] betaalt geen vergoeding voor de bewoning van de woning.

2.11.

Tussen partijen heeft de afgelopen jaren regelmatig overleg plaatsgevonden over het gebruik van de woning door [eiser] , over het afsluiten van een huurovereenkomst en over ontruiming door [eiser] .

2.12.

In een brief aan [echtgenoot] de echtgenoot van [zus 2] , van 30 augustus 2015 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] , mr. R.G.N. le Roy uit Haarlem, onder meer geschreven:

“(…)

U heeft cliënte drie opties gegeven. Cliënt zich echter, gezien alle spanningen en toestanden, genoodzaakt zijn woning aan het [adres 3] te verlaten. Bij voorkeur doet hij dat overigens niet maar ziet op dit moment geen andere oplossing. U kunt zich voorstellen dat dergelijke beslissingen niet in twee weken kunnen worden genomen.

(…)

In verband met dit gegeven heeft cliënt een aantal zaken moeten uitzoeken, waaronder het op korte termijn verkrijgen van nieuwe passende woonruimte. Dit heeft enige tijd gevergd. Cliënt heeft zijn financiële situatie in verband daarmee op een rijtje gezet en een financieel adviseur gesproken. Conclusie is dat het op dit moment niet haalbaar is voor cliënt een hypotheek te verkrijgen of een huurwoning te betrekken. De financieel adviseur zal in verband daarmee nog meer lijnen uitzetten maar dat neemt tijd in beslag. Op dit moment moeten partijen er dan ook vanuit gaan dat de garageboxen verkocht dienen te worden. Anders heeft cliënt geen mogelijkheid de woning aan het [adres 3] te verlaten. Uiteraard zal cliënt in dat geval de garageboxen eerst aan zijn moeder, tegen marktconforme prijzen, aanbieden.

(…)”

2.13.

Bij brief van 17 januari 2016 aan [eiser] heeft [gedaagde] de overeenkomst op grond waarvan [eiser] de woning bewoont, opgezegd tegen 1 februari 2016.

2.14.

[gedaagde] heeft in een kort geding tegen [eiser] gevorderd kort gezegd om de woning te ontruimen. Dit kort geding is mondeling behandeld op 15 maart 2016. De mondelinge behandeling is voorgezet op 15 december 2016. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in zijn vonnis van 30 december 2016 de vordering van [gedaagde] afgewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  1. voor recht zal verklaren dat [eiser] de volle eigendom van de garageboxen heeft,

  2. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een voorschot van € 250.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juni 2017,

  3. [gedaagde] zal veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de exploitatie van de garageboxen vanaf januari 1998 tot en met augustus 2014, op straffe van een dwangsom,

  4. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over het geheel.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat – dat de rechtbank [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen:

  1. tot betaling aan [gedaagde] van € 133.980,00, te vermeerderen met wettelijke rente,

  2. tot betaling aan haar van € 4.620,00 per maand vanaf 1 februari 2017 tot aan de datum van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente,

  3. tot betaling aan haar van € 4.620,00 per maand vanaf de datum van het vonnis, gedurende het leven van [gedaagde] , tenzij de huurders de huurpenningen rechtstreeks aan [gedaagde] overmaken, vermeerderd met de wettelijke rente,

  4. tot het afleggen van rekening en verantwoording wie vanaf 1 september 2015 tot en met de dag van het vonnis de garageboxen heeft gehuurd en welke bedragen [eiser] heeft geïncasseerd, op straffe van en dwangsom,

  5. de woning binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, de sleutels af te geven en aan [gedaagde] ter beschikking te stellen met de machtiging aan [gedaagde] om nakoming van deze veroordeling af te dwingen met de hulp van de sterke arm,

  6. te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat op de achtergrond van dit geschil een diepergaande familieaangelegenheid speelt. Dit blijkt onder meer uit hetgeen tijdens de comparitie van partijen is besproken en uit een aantal schriftelijke verklaringen van familieleden over hun visie op hetgeen tussen partijen speelt. De rechtbank zal deze verklaringen onbesproken laten. Voorts overweegt de rechtbank dat het oordeel in deze zaak geen oplossing biedt voor de achterliggende familieaangelegenheid. De rechtbank zal ook daarop niet ingaan.

4.2.

De vordering in conventie en de eerste vier onderdelen van de vordering in reconventie zien op de juridische status van de garageboxen (eigendom, vruchtgebruik) en de eventuele consequenties die daaruit voortvloeien met betrekking tot wie over welke periode gerechtigd is tot de huurpenningen. Het tweede deel van de vordering in reconventie ziet op het gebruik van [eiser] van de woning. De rechtbank zal ten eerste al hetgeen behandelen wat in verband staat tot de garageboxen, zowel in conventie als in reconventie. Daarna zal de rechtbank de gevorderde ontruiming bespreken.

De garageboxen

De eigendom en het vruchtgebruik

4.3.

[eiser] legt aan het eerste onderdeel van zijn vordering ten grondslag dat uit de akte blijkt dat hij vanaf 25 juni 1988 bloot eigenaar is van de garageboxen en vanaf 1 januari 1998 vol eigenaar. Hij is eigenaar geworden doordat hij de garageboxen van zijn vader met instemming van [gedaagde] heeft gekocht.

4.4.

[gedaagde] voert hiertegen aan dat de koopovereenkomst die ten grondslag heeft gelegen aan de levering is komen te vervallen, omdat [eiser] geen interesse meer had in het overnemen van het agrarische bedrijf van zijn ouders (punt 7 cva/cve). Voorts voert zij aan dat het de bedoeling van partijen was dat het vruchtgebruik ook na 1 januari 1998 zou doorlopen en dat zij daarover met haar echtgenoot en [eiser] (mondelinge) afspraken heeft gemaakt. De koopprijs is nooit betaald, aldus [gedaagde] .

4.5.

De rechtbank verwerpt het verweer. Ten eerste blijkt uit de akte dat de levering heeft plaatsgevonden op basis van een koopovereenkomst, terwijl uit de akte verder blijkt dat de koopprijs door [eiser] aan [erflater] is betaald. Uit de akte blijkt niet van enige voorwaarde die tot vervallenverklaring van de levering kan leiden, zo dat al zou kunnen. Voorts blijkt uit de akte met zoveel woorden dat het vruchtgebruik van de garageboxen zou eindigen per 1 januari 1998. Gesteld noch gebleken is dat een nieuw vruchtgebruik op de garageboxen is gevestigd. Dat kan uitsluitend door middel van een notariële akte. Als er al een mondelinge afspraak, zoals door [gedaagde] is gesteld, is gemaakt heeft die niet geleid tot voortzetting en hervestiging van het zakenrechtelijke vruchtgebruik.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat het vruchtgebruik is voortgezet nog een beroep gedaan op de artikelen 6 en 7 van akte. Dit beroep verwerpt de rechtbank. De rechtbank verwijst naar 2.2 van dit vonnis. In het geheel van de akte kan niet anders worden geconcludeerd dan dat deze bepalingen zien op de uitoefening van het in de akte vastgelegde vruchtgebruik. Er is, anders dan [gedaagde] stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat met deze bepalingen is bedoeld te zeggen die deze twee artikelen hun werking ook na het beëindigen van het vruchtgebruik zouden behouden.

De conclusie luidt dat [eiser] vanaf 1 januari 1998 de volle eigendom van de garageboxen heeft en dat het vruchtgebruik per die datum is geëindigd. De gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

De gevolgen van het einde van het vruchtgebruik

4.6.

Partijen hebben over en weer afdracht van geïnde huurpenningen gevorderd. Ook hebben zij over en weer gevorderd dat de andere partij rekening en verantwoording aflegt van al hetgeen zij heeft ontvangen. [gedaagde] wil daarnaast dat [eiser] de huurpenningen aan haar zal blijven betalen tot aan haar overlijden.

4.7.

[eiser] vordert bij vermeerderde eis dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van alle huurpenningen aan hem sinds 1 januari 1998. Doordat het vruchtgebruik is geëindigd per 1 januari 1998 had [erflater] (en daarmee [gedaagde] ) vanaf die datum geen recht op het zich toe-eigenen van de huurpenningen. De garageboxen dienden per die datum door [eiser] te worden geëxploiteerd. Dat betekent dat vanaf deze datum de huurpenningen aan [eiser] toekwamen en ook dat hij de exploitatiekosten voor zijn rekening diende te nemen. Dat is echter niet gebeurd. [erflater] is doorgegaan met het exploiteren van de garageboxen en [eiser] heeft dat zo gelaten. [erflater] en [eiser] hebben dit zo door laten gaan totdat in gesprekken met de Belastingdienst in 2011 ook voor die dienst duidelijk werd dat beide heren vanaf 1998 in strijd met de akte aangiften inkomstenbelasting hadden ingediend. [erflater] had namelijk ook na 1 januari 1998 gehandeld als ware hij vol eigenaar van de garageboxen. Daardoor werd ook duidelijk dat [eiser] geen enkele fiscale verantwoording had afgelegd over het feit dat hij vanaf 1 januari 1998 vol eigenaar was van de garageboxen en daarvoor bloot eigenaar.

Beroep op verjaring door [gedaagde]

4.8.

heeft ten aanzien van de vordering tot betaling van huuropbrengsten aan [eiser] en het afleggen van rekening en verantwoording een beroep gedaan op verjaring. Zij heeft geen exacte data gegeven. Op de vorderingen is de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing. Uit de stukken blijkt niet op welk tijdstip [eiser] de huurpenningen heeft opgeëist, anders dan bij de akte vermeerdering van eis van 20 juni 2017. De rechtbank zal het beroep op verjaring honoreren met ingang van 20 juni 2012. De vordering met betrekking tot alle daarvoor gelegen huurpenningen is daardoor komen te vervallen en wordt afgewezen. Datzelfde geldt dan vanzelfsprekend ook voor het gevorderde afleggen van rekening en verantwoording.

De vordering vanaf 20 juni 2012

4.9.

De rechtbank moet dan ook nu nog oordelen over de vraag of tussen partijen in de periode vanaf 20 juni 2012 met betrekking tot de huurpenningen enige betaling verricht moet worden. De rechtbank overweegt het volgende.

4.10.

Wat [eiser] exact aan zijn vordering ten grondslag legt is niet geheel duidelijk. De rechtbank gaat er vanuit dat hij meent dat zijn vader en [gedaagde] jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld door de exploitatie van de garageboxen voort te zetten, terwijl hem de opbrengst van die exploitatie toekwam. De grondslag kan ook aldus worden begrepen dat [eiser] meent dat zijn vader en [gedaagde] na 1 januari 1998 in strijd met hetgeen zij in de akte waren overeengekomen de exploitatie niet aan [eiser] hebben teruggeven. In beide gevallen oordeelt de rechtbank dat de grondslag de vordering niet kan dragen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.11.

[eiser] heeft vanaf 1 januari 1998 en ook na 2011/2012 tot augustus 2014 de situatie in stand gehouden, waarin zijn ouders de huurpenningen incasseerden. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zijn ouders of één van hen ooit heeft gesommeerd de huurpenningen aan hem toe te laten vloeien. Voor zover de vordering is ingesteld op de grondslag dat de vader en [gedaagde] een onrechtmatige daad hebben gepleegd, moet deze worden afgewezen, omdat [eiser] daartoe te weinig feiten en omstandigheden heeft gesteld. Voor zover de grondslag betreft het niet nakomen van de afspraken uit de akte, moet de vordering worden afgewezen omdat er geen sprake is geweest van een ingebrekestelling noch van verzuim.

Ten aanzien van beide (vermoedelijke) grondslagen geldt dat hetgeen is gebeurd dat verklaard wordt uit de familieverhoudingen van partijen. De rechtbank verwijst naar de verklaring van [eiser] tijdens de comparitie van partijen: feitelijk is steeds gedaan alsof het vruchtgebruik doorliep en de zaak is aan het rollen gegaan toen de Belastingdienst heeft ingegrepen. in 2011/2012 (de punten 4 en 5 van de proces-verbaal).

4.12.

[gedaagde] baseert haar vordering tot afdracht van de huurpenningen vanaf augustus 2014 op de stelling dat het (zakenrechtelijk) vruchtgebruik na 1 januari 1998 in stand is gebleven. Hiervoor is al geoordeeld dat dat standpunt onjuist is. Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat haar vordering voortvloeit uit een afspraak tussen haar en haar echtgenoot enerzijds en [eiser] anderzijds, welke afspraak naar de rechtbank begrijpt zou moeten leiden tot het aannemen van een verbintenisrechtelijk vruchtgebruik met betrekking tot de garageboxen, heeft [gedaagde] tegenover de gemotiveerde betwisting van het bestaan van een dergelijke afspraak onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die het aannemelijk makten dat een dergelijke afspraak is gemaakt. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen aan het slot van 4.11 met betrekking tot de familieverhoudingen van partijen. Er is geen plaats voor het geven van een bewijsopdracht. De reconventionele vordering met betrekking tot de huurpenningen moet dan ook worden afgewezen.

De woning aan het [adres 3] in [woonplaats]

4.13.

[gedaagde] vordert dat [eiser] de woning binnen twee weken na de betekening van dit vonnis dient te ontruimen. Hij bewoont de woning zonder recht of titel en betaalt geen enkele vergoeding. Zij onderbouwt haar vordering, kort gezegd, als volgt. Tussen [gedaagde] en [eiser] is de relatie dermate slecht geworden dat van [gedaagde] niet kan worden gevergd deze toestand te laten voortduren. De spanningen zijn te hoog opgelopen. De woning is aangepast voor minder valide personen, terwijl haar eigen woning niet geschikt is voor personen met handicaps, zoals zijzelf. Daardoor heeft [gedaagde] ook een belang bij ontruiming door [eiser] . Een ander belang is dat [zus 2] mantelzorg verleent aan haar moeder en het voor de dochter veel (reis)tijd zou schelen als zij na de verhuizing van haar moeder in de huidige woning van [gedaagde] kan gaan wonen. Bovendien heeft [eiser] in augustus 2015 toegezegd de woning te zullen verlaten, terwijl hij deze toezegging niet is nagekomen. Ook stelt zij dat zij na het vertrek van [eiser] inkomen uit de woning kan genereren.

4.14.

[eiser] voert verweer. Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst. Er is over het bestaan van een huurovereenkomst tussen partijen onderhandeld, via een taxatie is de huurprijs bepaald. [eiser] heeft betaald door middel van verrekening van de door [gedaagde] en [erflater] ontvangen huur van de garageboxen. In de aangifte erfbelasting is vermeld dat de woning is verhuurd. Dit alles bijeen rechtvaardigt niet het standpunt van [gedaagde] dat er (slechts) sprake is van een bruikleenovereenkomst, aldus [eiser] .

Subsidiair voert [eiser] aan dat tussen partijen een bruikleenovereenkomst bestaat. Er is niet voldaan aan de eisen die zijn gesteld aan het opzeggen van de bruikleenovereenkomst, met name nu niet vast staat dat [gedaagde] de woning zelf dringend nodig heeft voor eigen verbruik, noch dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.15.

Er is geen sprake van een huurovereenkomst. Partijen hebben weliswaar met elkaar gesproken over het sluiten van een huurovereenkomst, maar tot overeenstemming heeft dat niet geleid. Er is geen overeenstemming over de huurprijs ontstaan. Van betaling door verrekening is geen sprake. Immers de door [eiser] gestelde vordering, waarbmee de huurpenningen zouden zijn verrekend (namelijk het vorderen van de huurpenningen met betrekking tot de garageboxen, is in dit vonnis afgewezen.

4.16.

Er is echter wel sprake van een bruikleenovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7a:1777 BW. De woning is door [erflater] (en door [gedaagde] ) om niet aan [eiser] in bruikleen gegeven met het doel dat hij in de woning zou wonen. [gedaagde] en [eiser] waren toen in de veronderstelling dat [eiser] het boerenbedrijf zou overnemen en voortzetten, zo begrijpt de rechtbank van partijen waarom het gebruik door [eiser] is begonnen. [erflater] en [gedaagde] hebben hun bedrijf beëindigd nadat [bedrijf] bij brieven van 31 oktober 2000 en 14 maart 2001 (productie 11 van [eiser] ) een advies aan hen had gegeven, om het bedrijf per 1999 te beëindigen. Ook nadat duidelijk werd dat [eiser] het boerenbedrijf niet zou overnemen is de bruikleen voortgezet. De overeenkomst is ook voortgezet na de echtscheiding van [eiser] en zijn ex-echtgenote (ten behoeve van wie de woning op kosten van de ouders was verbouwd). Gesteld noch gebleken is dat [erflater] en [gedaagde] de bruikleenovereenkomst na de echtscheiding hebben willen beëindigen. In 2015 hebben partijen overleg gehad over het verlaten van de woning door [eiser] , wat niet tot een oplossing heeft geleid. Ook daarna is de bruikleen voortgezet. Beoordeeld moet worden of er nu gronden bestaan om de bruikleenovereenkomst nu te beëindigen. De rechtbank overweegt het volgende.

4.17.

De rechtbank oordeelt ten eerste dat de stelling van [gedaagde] , dat [eiser] zonder recht of titel in de woning verblijft, onjuist is. Aan het verblijf ligt immers de bruikleenovereenkomst ten grondslag.

4.18.

[gedaagde] stelt dat [eiser] in 2015 heeft toegezegd de woning te zullen verlaten en dat hij zich niet aan die toezegging heeft gehouden. Deze stelling wordt verworpen. De toenmalige advocaat van [eiser] heeft in de in 2.12 vermelde brief een door de rechtbank als voorwaardelijk te beschouwen aanbod gedaan: [eiser] wilde woning verlaten onder de voorwaarde dat hij door verkoop van de garageboxen voldoende middelen kon vrijmaken een woning te kopen. Aan die voorwaarde is niet voldaan, mede omdat tussen partijen in discussie was aan wie de garageboxen en met name de vruchten ervan toekwamen. De rechtbank zal [eiser] dan ook niet aan de door [gedaagde] gestelde toezegging uit de hier bedoelde brief houden, omdat aan die voorwaarde niet is voldaan.

4.19.

[gedaagde] stelt vervolgens dat zij de bruikleenovereenkomst heeft opgezegd in haar brief van 17 januari 2016 en wel per 1 februari 2016. Aan deze opzegging is geen uitvoering gegeven. In het kort geding is ontruiming mede op basis van die opzegging afgewezen. De rechtbank zal onderzoeken wat [gedaagde] in deze procedure, naast de hiervoor reeds verworpen stellingen, heeft aangevoerd en vervolgens beoordelen of die gronden de beslissing om [eiser] te doen ontruimen rechtvaardigen. De brief is niet overgelegd, dus de rechtbank kan de inhoud ervan niet beoordelen. De rechtbank zal de opzegging dan ook beoordelen aan de hand van de in de processtukken aangevoerde gronden.

4.20.

In artikel 7a:1787 BW is geregeld dat de uitlener de in bruikleen gegeven zaak niet kan terugvorderen dan na verloop van de overeengekomen bepaalde tijd van de uitleen, of, indien geen bepaalde tijd bestaat, nadat de zaak ”tot het gebruik waartoe zij gediend heeft, of heeft kunnen dienen”.

Daarvan is geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat een bepaalde tijd is afgesproken. Het doel waarvoor de bruikleenovereenkomst was aangegaan (bewoning door [eiser] ), is mede vanwege de voortzetting na gewijzigde omstandigheden, niet uitgewerkt.

4.21.

Artikel 7a:1788 BW bepaalt dat de “uitleener, gedurende dat tijdsverloop, of voor dat de behoefte van den gebruiker opgehouden heeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts opkomende redenen, zelf benoodigd heeft, kan de regter, naar gelang der omstandigheden, den gebruiker noodzaken het geleende aan den uitleener terug te geven.”

De rechtbank oordeelt dat ook deze situatie zich niet voordoet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.22.

De rechtbank vermag niet in te zien hoe [gedaagde] inkomsten zal genereren indien [eiser] de woning verlaat, als zij daar zelf in gaat wonen. De onder a en e genoemde gronden kunnen de vordering niet dragen. Voor zover [gedaagde] met deze stelling bedoelt dat zij door verhuur aan haar dochter van de woning [adres 4] inkomen kan genereren, kan deze omstandigheid niet worden beoordeeld los van de gestelde noodzaak van mantelzorg, waarover hierna meer.

4.23.

De rechtbank oordeelt dat de overige gronden op zichzelf en in hun onderlinge samenhang bezien niet kunnen leiden tot toewijzing van de reconventionele vordering tot ontruiming. [gedaagde] heeft immers niet, althans voldoende onderbouwd dat zij is aangewezen op een aangepaste woning. Uit de verklaringen van de huisarts en van Careyn blijkt dat niet. [gedaagde] heeft ook overigens geen door een deskundige derde (bijvoorbeeld een revalidatiearts) geobjectiveerd stuk overgelegd waaruit die noodzaak zou blijken. Dat had wel op haar weg gelegen, omdat [eiser] deze stellingen gemotiveerd heeft betwist.

4.24.

[gedaagde] heeft evenmin voldoende onderbouwd dat het noodzakelijk is dat haar dochter naast haar komt wonen. Dat blijkt immers niet uit de verklaringen van de huisarts of de verklaringen van Careyn. Laatstgenoemde verklaart namelijk dat Careyn sinds 2013 ongeveer twee keer per week bij [gedaagde] langs komt gedurende ongeveer dertig minuten. Inmiddels komt de wijkverpleegkundige dagelijks. Careyn biedt hulp bij het verzorgen van de stoma van [gedaagde] en het bestellen van materialen daarvoor. Ook controleert Careyn de benen van [gedaagde] in verband met het dragen van steunkousen. Voorts staat te lezen dat [gedaagde] extra hulp afhoudt en de regie graag zelf houdt. De dagelijks hulp wordt verleend in verband met een in omvang toenemende breuk, waarbij Careyn [gedaagde] dagelijks helpt bij het aandoen van een breukband. Met dochter [dochter] is afgesproken dat zij dagelijks beschikbaar is om haar moeder te ondersteunen wanneer er zich problemen voordoen met de breukband en of de stoma. Van een noodzaak dat de dochter ‘om de hoek’ woont blijkt hier niet uit. Er is geen sprake van een dringende en onverwacht opgekomen reden.

4.25.

Tijdens de comparitie van partijen heeft [zus 2] verklaard dat haar reistijd om bij haar moeder te komen is verlengd vanwege werkzaamheden aan de Geinbrug. . Hierdoor is, aldus [zus 2] mede de noodzaak gegeven dat zij in het ouderlijk huis moet gaan wonen nadat [gedaagde] in de woning zal zijn getrokken. Uit de overgelegde folder van de Provincie Noord-Holland blijkt dat die werkzaamheden zijn begonnen op 6 juni 2017 en eind augustus zullen eindigen. De rechtbank stelt vast dat de “omrijdtijd” ten tijde van de uitspraak van dit vonnis niet meer bestaat. Er is ook in dit opzicht geen sprake van een dringende en onverwacht opgekomen reden.

4.26.

Resteren de gestelde opgelopen spanningen. Op zichzelf staan deze spanningen wel vast (de rechtbank heeft dat tijdens de comparitie van partijen kunnen vaststellen), maar deze kunnen niet worden gezien als dringende en onverwacht opgekomen gronden, omdat deze al geruime tijd bestaan. De spanningen zijn ontstaan, in ieder geval voor een belangrijk deel als gevolg van een onjuiste interpretatie van de akte uit 1988 en de fiscale en anderszins financiële gevolgen daarvan.

4.27.

[gedaagde] heeft nog een verklaring van de orthopedagoog/GZ psycholoog drs. P.L. Wentzel van 30 augustus 2016 (productie 18 bij cva/cve) overgelegd, die op basis van een gesprek met [gedaagde] en [zus 2] een aantal conclusies trekt over de ontstane familieproblemen en [eiser] als veroorzaker aanwijst. De rechtbank laat de waarde van die verklaring in het midden en stelt slechts vast dat uit deze verklaring niet blijkt van een dringende en onverwacht opgekomen spanning, zodanig dat daarin een grond voor beëindiging van de bruikleenovereenkomst kan worden aangenomen.

4.28.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij met wijlen haar echtgenoot ten behoeve van [eiser] hypotheken is aangegaan, waarvan zij de kosten betaalt en [eiser] niets betaalt. Uit de stukken blijkt niet dat tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en [erflater] anderzijds ooit enige afspraak is gemaakt over betalingen door [eiser] . Dat strijdt ook met het uitgangspunt dat bruikleen om niet is. Het is bovendien geen dringende en onverwacht opkomende reden, omdat deze situatie al vele jaren bestaat. Datzelfde geldt voor de gestelde financiële problemen van [gedaagde] . Die zijn niet opeens nu door toedoen van [eiser] ontstaan.

4.29.

De gevorderde ontruiming zal op voorgaande gronden worden afgewezen.

De kosten

4.30.

Gezien de familierelatie van partijen zal de rechtbank de kosten van de procedure zowel in conventie als in reconventie tussen partijen op de hierna te vermelden wijze compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [eiser] vanaf 1 januari 1998 de volle eigendom van de 36 garageboxen gelegen bij de [adres 1] te [woonplaats] heeft,

5.2.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

5.3.

compenseert de kosten van de procedure, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af,

5.5.

compenseert de kosten van de procedure, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.1

1 type: LP (4213) coll: MS (4221)