Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4775

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
C/16/406771 / HL ZA 16-9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wie is de fonogrammenproducent in de zin van de wet op de naburige rechten? (zie r.o 5.34 ev)

Vernietiging op grond van dwaling ter zake de managementovereenkomsten en productieovereenkomsten (zie r.o. 5.56 ev).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/406771 / HL ZA 16-9

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaten mrs. O. Düzgün en J.A. Zee te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPINNIN RECORDS B.V.,

gevestigd te Hilversum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUSICALLSTARS MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Hilversum,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procesadvocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,

behandelend advocaat mr. P.J. Kreijger te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , Spinnin en MAS worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 maart 2017;

- het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2017;

- de faxen van 6 juni 2017 van partijen met opmerkingen over het proces-verbaal van 8 mei 2017, waarbij Spinnin en MAS ook zijn ingegaan op de opmerkingen van [eiser] ;

- de fax van 7 juni 2017 van [eiser] waarbij is gereageerd op de fax van 6 juni 2017 van Spinnin en MAS;

- de fax van 13 juli 2017 van Spinnin en MAS waarbij verzocht is de door haar bij conclusie

van antwoord tevens eis in reconventie overgelegde producties 10 en 11 in te trekken

alsook productie 12 voor zover dit de e-mail van 25 juni 2015 van de raadsman van

[eiser] betreft;

- de fax van 19 juli 2017 van [eiser] waarbij wordt ingestemd met voormeld verzoek tot

intrekking.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Naar aanleiding van het verzoek van Spinnin en MAS en de instemming van [eiser] zullen de bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventies in het geding gebrachte producties 10 en 11, alsmede productie 12 voor zover het de e-mail van 25 juni 2017 betreft, bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

2. De feiten in conventie en in rec onventie

2.1. [eiser] , nu 21 jaar oud, is onder de naam [artiestennaam] een wereldberoemde deejay. De op 17 juni 2013 uitgebrachte track Animals zorgde voor de grote doorbraak van [eiser] en in 2016 is [eiser] als nummer 1 deejay van de wereld gekozen door DJ MAG.

2.2. Spinnin is een onderneming die zich sinds 1999 bezig houdt met het vermarkten c.q. exploiteren van muziek van deejays.

2.3. MAS is een in 2007 opgerichte onderneming die zich richt op het boeken, managen, exploiteren en vermarkten van personen, diensten en rechten in de entertainmentbranche.

2.4. De heren [A] (verder: [A] ) en [B] (verder: [B] ) zijn (indirect) eigenaren en (indirect) bestuurders van Spinnin en MAS.

2.5. Spinnin en MAS zijn op hetzelfde kantooradres gevestigd. Op dat kantooradres zijn onder meer ook gevestigd: MusicAllstars Publishing B.V., Rodeo Media B.V. (tevens (sub)licentienemer van Spinnin) en Spinnin Sessions B.V.

2.6. [A] en [B] zijn aandeelhouders van onder meer Rodeo Media B.V. (verder: Rodeo Media).

2.7. Op 21 mei 2012 heeft [eiser] , vertegenwoordigd door zijn vader [eiser] (hierna: [vader eiser] ) voor de duur van drie jaar, ingaande op 1 juni 2012, een exclusieve auteursrechtovereenkomst met Universal Music Publishing gesloten (verder: Universal).

2.8. In 2012 zijn [eiser] , Spinnin en MAS in gesprek gekomen over het sluiten van een managementovereenkomst en een productieovereenkomst. [eiser] , toen beginnend artiest, wilde graag dat zijn muziek door Spinnin zou worden uitgebracht. Namens de destijds minderjarige [eiser] , was [vader eiser] als zijn wettelijk vertegenwoordiger betrokken bij deze gesprekken. Op 20 juni 2012 heeft [A] de eerste conceptovereenkomsten toegestuurd.

2.9. In een e-mail van 3 juli 2012 heeft [vader eiser] het door [C] , bedrijfsjuriste van Universal, gegeven advies over de door Spinnin en MAS opgestelde conceptovereenkomsten ontvangen. In dit als productie 41 bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie overgelegde advies staat onder meer:

“Ik vraag mij eerlijk gezegd af waarom [eiser] nu, in de fase waar hij nu in zit, een management contract zou moeten sluiten.”

en:

“Voor het vervaardigen van opnamen kan hij een produktie/artiesten/licentie overeenkomst met Spinning afsluiten. Ook daar heeft het management contract geen toegevoegde waarde, sterker nog, dat lijkt eerder belangenverstrengeling. Je kan moeilijk verwachten dat het management namens [eiser] stevig met zichzelf gaat onderhandelen over de voorwaarden van de produktie/artiesten/licentie overeenkomst, en, ingevolge die overeenkomst, is er al sprake van begeleiding van zijn carriere als artiest/dj/producer.”

en:

“Als ik het goed lees dan verwacht Spinning dat [eiser] een klant en klare master aanlevert en ook hoesontwerpen e.d. Hij maakt de opnamen dus volledig voor eigen rekening en risico maar draagt wel alle rechten op die opnamen vervolgens over, zonder dat daar enige vergoeding tegenover staat (voorschot). [eiser] is dan in feite de fonogrammenproducent en niet Spinning, en hij heeft dus ook recht op dat deel van Sena. Ook is hij in deze overeenkomst zelf verantwoordelijk voor de contractuele afwikkeling m.b.t. andere medewerkenden aan de opnamen, sample clearances etc.”

en:

“In feite kan hij onder de voorgestelde voorwaarden beter een licentie overeenkomst sluiten. Dan draagt hij zijn volledige rechten niet over maar verleent hij voor een beperkte duur het exploitatierecht aan Spinning.”

2.10. [vader eiser] heeft de onder 2.8 bedoelde conceptovereenkomsten ook aan entertainment advocaat mr. [N] ter beoordeling (quickscan) voorgelegd. Dit laatste heeft geresulteerd in een telefonisch consult van ongeveer een uur.

2.11. Op 11 juli 2012 heeft [eiser] , toen 16 jaar oud en vertegenwoordigd door [vader eiser] , een managementovereenkomst met MAS gesloten (hierna: managementovereenkomst 2012).

2.11.1. Artikel 2 van de managementovereenkomst 2012 luidt:

“Artikel 2 - Duur van de Overeenkomst:

2. Deze overeenkomst vangt aan op 11 juli 2012 en wordt aangegaan voor de duur van 2 (twee) jaar en zal dus lopen tot 11 juli 2014. Het Management (lees:MAS,rb) heeft het recht om deze overeenkomst te verlengen met nog 1 jaar. Een en ander door Management schriftelijk te bevestigen 1 (één) maand voor het einde van betreffende jaar. Indien de eerste 2 jaren succesvol zijn geweest, zal de vergoeding voor het 3e jaar helzelfde zijn of maximaal 10% lager zijn, dus 18% in plaats van 20%. Is dat niet het geval geldt dezelfde vergoeding, of maximaal 10% meer, 22% in plaat van 20%.”

2.11.2. Artikel 3 leden 1 en 2 van de managementovereenkomst 2012 luiden:

“Artikel 3 - Rechten en Plichten van het Management:

3.1 Management verplicht zich jegens Artiest (lees: [eiser] , rb) na ondertekening van deze overeenkomst zo goed als mogelijk de zakelijke en artistieke belangen van Artiest te behartigen met betrekking tot diens carrière als uitvoerend Artiest in de entertainmentsector, zoals maar niet beperkt tot dj, producer, componist, tekstdichter, arrangeur, presentator, etc.

3.2. Hiervoor zal het management de volgende werkzaamheden in goed overleg met Artiest verrichten”:

  • het begeleiden van de Artiest in zijn carrière als uitvoerend artiest;

  • Het voeren van onderhandelingen met derden met als doel Artiest te voorzien van werk dat aansluit op de artistieke mogelijkheden van Artiest, waarbij honorering, aard en frequentie van deze werkzaamheden in goed onderling overleg worden bepaald;

  • het adviseren van Artiest bij en het voeren van contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royaltyvergoedingen;

  • het controleren van boekingen van optredens, het bemiddelen van overeenkomsten met derden ten behoeve van muziekopdrachten. (doen) opstellen van overeenkomsten en afrekeningen;

  • opzetten, uitvoeren en/of begeleiden van Artiest bij social media activiteiten

  • begeleiden bij aanmelden van werken van Artiest bij Buma Stemra en Sena

2.11.3. Artikel 5 leden 1 tot en met 4 van de managementovereenkomst 2012 luiden:

“5.1 Als vergoeding voor diens werkzaamheden ontvangt het Management een vergoeding van 20% (twintig procent) van de aan de Artiest toekomende netto inkomsten. De inkomsten worden verhoogd met de door het management verschuldigde BTW. Kosten die van de inkomsten af gaan zijn onder andere reis en verblijfkosten gemaakt om te draaien als dj, en studio huur in verband met de producties.

5.2 Onder de in artikel 5.1 genoemde netto inkomsten wordt verstaan: alle vergoedingen (excl. BTW) waarop de Artiest aanspraak kan maken wegens uit te voeren of reeds uitgevoerde werkzaamheden of wegens aan Artiest toekomende betalingen uit hoofde van verleende diensten en rechten van intellectueel eigendom, welke werkzaamheden en rechten een gevolg zijn van overeenkomsten die tijdens de duur van deze overeenkomst zijn afgesloten.

5.4 Inkomsten die ontstaan tot een periode van 10 jaren na beëindiging van deze overeenkomst, maar die gegenereerd zijn tijdens de duur van deze overeenkomst, of waarvan een overeenkomst is aangegaan tijdens de duur van deze overeenkomst worden geacht deel uit te maken van deze overeenkomst..”

2.11.4. Artikel 6 van de managementovereenkomst 2012 luidt:

“Artikel 6— Territorium:

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de gehele wereld.”

2.11.5. Artikel 7 van de managementovereenkomst 2012 luidt:

“Artikel 7— Beëindiging van de Overeenkomst:

7.1. Deze overeenkomst betreft een overeenkomst voor een bepaalde tijd en eindigt

derhalve van rechtswege zoals bepaald in artikel 2 van deze overeenkomst.

“7.2. Indien één der partijen zijn verplichtingen uit deze overeenkomst jegens de andere partij niet nakomt en strijdig met de bepalingen van deze overeenkomst handelt, kan de andere partij hem per aangetekend schrijven in gebreke stellen. Dit dient te gebeuren met een gedetailleerde opsomming van de feiten hieromtrent. De andere partij heeft dan maximaal 8 weken (acht weken) de kans om alsnog zijn verplichtingen uit deze overeenkomst correct na te komen, dan wel zijn gedragingen ongedaan te maken. Geeft de betreffende partij hieraan geen gehoor, dan zal zij per aangetekend schrijven in verzuim worden gesteld en is daarmee de andere partij gerechtigd deze overeenkomst, zonder tussenkomst te beëindigen.”

2.11.6. Artikel 10 lid 3 (Slotbepalingen) van de managementovereenkomst 2012 luidt:

“10.3 De Artiest verklaart hierbij dat het management hem heeft geadviseerd om onafhankelijk advies in te winnen alvorens tot ondertekening van deze overeenkomst over te gaan.”

2.12. Op 20 juli 2012 hebben Spinnin en [eiser] , waarbij [vader eiser] zijn zoon vertegenwoordigde, een productieovereenkomst gesloten (hierna: productieovereenkomst 2012). Deze productieovereenkomst bestaat uit een “exclusieve producers-overeenkomst”, in navolging van partijen hierna aan te duiden als “briefovereenkomst” en een daaraan verbonden en onlosmakelijk onderdeel uitmakende “Produktie Overeenkomst” met bijlage.

2.12.1. In de briefovereenkomst is onder meer bepaald:

‘3) De duur van deze exclusieve producers-overeenkomst is 2 (twee) jaar vanaf heden.’

‘4) Spinnin’ Records B.V. wordt eigenaar van de produkties, releases, remixen e.d. die je produceert. Voor de produkties die je maakt gelden de condities zoals weergegeven in de produktieovereenkomst zoals gehecht aan en onlosmakend onderdeel van deze briefovereenkomst, inclusief de genoemde royalty en doorbetalings bepalingen. Echter voor zover nog niet overgedragen, draag je reeds hierbij bij voorbaat onherroepelijk en volledig over aan Spinnin’ Records B.V. alle rechten, onbeperkt, eeuwigdurend en wereldwijd, van de te maken en gemaakte produkties tijdens de duur van deze overeenkomst inclusief verlengingen conform de bepalingen uit deze overeenkomst, inclusief bijlagen, zonder dat daarvoor een aparte produktieovereenkomst nodig is.’

‘6) Als jij produkties en releases met anderen maakt, krijg jij van de royalties als

vermeld in productieovereenkomst maar dan gedeeld door het aantal mensen met

hoeveel de produkties zijn gemaakt. Jij zult alles doen om te bewerkstelligen dat die anderen voor betreffende produkties op dezelfde basis onderbrengen met Spinnin’ Records B.V. als jij hebt.’

‘7) Spinnin’ Records B.V. heeft het recht om deze overeenkomst te verlengen met 1 (een) jaar, op basis van dezelfde condities als in de producers en produktie

overeenkomst, een en ander door Spinnin’ Records B.V. schriftelijk te bevestigen

uiterlijk 1 (een) maand voor het einde van betreffende periode. Echter, voor de

royalties als genoemd in de produktieovereenkomst geldt een opslag van 10%, dat

wil zeggen van 18% naar 19,8% (en 33%). Echter, indien het succes tegenvalt,

geldt een deductie van 10%, dat.wil zeggen van 18% naar 16,2% (en 27%).’

2.12.2. Artikel 2 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

‘Artikel 2 - Rechten

De Producer (lees: [eiser] , rb) draagt bij ondertekening van deze Overeenkomst aan SR (lees: Spinnin ,rb) over het volledige eigendomsrecht en het exclusieve recht om van de geluidsband en de opname(n) daarop reprodukties te vervaardigen en de aldus vervaardigde reprodukties in het gebied te verkopen of de geluidsband anderszins te exploiteren (inclusief transmissie/download, ringtone, streaming, kopieren, beeldrecht, en internet) in de ruimste zin des woords, met dien verstande echter dat genoemd recht beperkt zal zijn tot het gebruik van de geluidsband als vermeld in de Bijlage, inclusief alle (re)mixen vocals en afgeleiden daarvan. De Producer verklaart tevens geen her-opnames, remakes of covers voor derden te vervaardigen van de geluidsband(en) als vermeld in de Bijlage.’

2.12.3. Artikel 3 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

“Artikel 3 - Vrijwaring

De Producer verklaart en garandeert dat zij ten tijde van ondertekening van deze Overeenkomst eigenaar is, bevoegd en gerechtigd is om de in deze overeenkomst omschreven rechten aan SR over te dragen. De Producer vrijwaart SR tegen alle aanspraken welke derden tegen SR zullen doen gelden of instellen - waaronder ten deze onder meer met name verstaan moeten worden de uitvoerende kunstenaar(s), sessiemuziekanten, sessiezangers(essen) producer(s) en alle anderen die hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de geluidsopnamen alsmede eventuele gemaakte of te maken studiokosten, alsmede copyright-owners van auteursrechtelijk beschermd materiaal door de Producer aangeleverd onder de overeenkomst ten behoeve van hoesontwerpen, affiches, streamer audio samples, video/beeld samples etc.”

2.12.4. Artikel 4 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

‘Artikel 4- Productiekopie e.d.

De Producer zal na een daartoe strekkend verzoek van de zijde van SR de geluidsopnamen kosteloos aan SR ter beschikking stellen in de vorm van een productiekopie (CD-r, ftp, digitaal audiofile of in overleg anderszins) welke aan de gebruikelijke kwaliteitseisen zal voldoen, alsmede -Indien overeengekomen- dia’s en/of hoesontwerpen en/of litho’s. Bij levering van eerdergenoemde productiekopie zal de Producer al die informatie verschaffen welke SR nodig heeft, o.a. de titel(s) en tijd(en) van de opgenomen werken, de namen en biografische bijzonderheden van de uitvoerend artiest, producer(s), auteur(s), componist(en). uitgever(s), e.d.’

2.12.5. Artikel 5 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

‘Artikel 5 - Vergoedingen

Als vergoeding voor de aan haar ingevolge deze overeenkomst verleende rechten, zal SR aan de Producer verschuldigd worden:

  1. I (i) een royalty vergoeding als vermeld in de Bijlage over 100% SR verkopen van alle ingevolge deze overeenkomst afgerekende en niet geretourneerde en aan SR afgerekende reprodukties te berekenen over de door SR netto ontvangen PPD.

    • (ii) Ingeval van in-house compilaties uitgebracht door SR zal SR 50% van het onder (i) bedoelde percentage verschuldigd worden

II Voor wat betreft het verlenen van (sub) licentierechten aan derden en overige exploitatie in binnen- of buitenland bedraagt de royalty 30% (dertig procent) van de netto ontvangen royalties ontvangen door SR.

III In geval de ingevolge deze overeenkomst vervaardigde reprodukties worden verkocht in het kader van de uitverkoop, tegen de kostprijs of minder (dit is de prijs welke 40% of minder is dan de gangbare verkoopprijs van SR) (inbegrepen verschuldigde auteursrechten), zal SR een vergoeding verschuldigd zijn van 50% van de normale royalty.

IV Indien SR of haar licentienemer(s) een radio/tv campagne of club promotie initieert ten behoeve van de bevordering van de verkoop van cd(maxi)singles/vinyl danwel volledig project/artiesten albums, zijn deze kosten 50% verrekenbaar met royalties te betalen aan de Producer.

V SR is tevens gerechtigd tot een reservering van 25% van de totale opbrengsten, een en ander te vertekenen met eerst volgende statement, tenzij er reden is om daar van af te wijken.

VI Voor YouTube zal de aankomende 2 jaar geen doorbetaling van inkomsten van toepassing zijn. Daarna geldt dat indien de inkomsten voor onderhavige titels substantieel zijn, en er een effieciente afrekening kan worden geproduceerd op titel nivo, zullen partijen een doorbetaling overeenkomen voor audio met een maximum percentage zoals vermeld op de Bijlage voor Digitaal.

Genoemde royalty zal proportioneel worden berekend op basis van het aantal titels dat op de respectievelijke reprodukties voorkomt.’

2.12.6. Artikel 6 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

‘Artikel 6 – Naburige rechten

SR zal als enige gerechtigd zijn tot de incasso van de vergoeding en deze te houden welke betrekking hebben op de naburige rechten (o.a. Sena) als platenmaatschappij.’

2.12.7. Artikel 10 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

“Artikel 10 - Garantie en vrijwaring

De ingevolge artikel 5 door SR verschuldigde vergoeding wordt geacht in te houden een vergoeding voor de door de Producer te betalen uitvoerende kunstenaar(s) en co-producer(s) die aan de op de geluidsband voorkomende geluidsopnamen hebben meegewerkt, studiokosten, alsmede eventuele (sessie) zangers(essen), door Producer, SR of derden ingehuurd. Dat geldt tevens voor kosten voor eventuele audio of video samples gebruikt. De Producer verklaart dat hij zorg draagt respectievelijk zal zorgdragen voor betaling en vrijwaart SR voor alle aanspraken ter dier zake.”

2.12.8. Artikel 13 van de Productie Overeenkomst 2012 luidt:

‘Artikel 13 – Duur

Deze overeenkomst treedt in werking op de in de Bijlage vermelde ingangsdatum en duur.’

2.12.9. In een bijlage behorende bij de Productie Overeenkomst is opgenomen dat ten aanzien van de (nog nader overeen te komen) geluidsbanden, in alle versies en mixen uitgevoerd onder de projectnaam [artiestennaam] , de exploitatierechten van Spinnin en duur onbeperkt en eeuwigdurend is. Tevens is daarin bepaald dat aan [eiser] een royaltyvergoeding van 18% toekomt over de door Spinnin verkochte reprodukties (o.a. vinyl / cd(maxi)singles / artist-albums / video’s / in-house compilaties).

2.13. In 2013 hebben [eiser] en MAS besloten dat het management van [eiser] zou worden uitgebreid met [naam mediabedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam mediabedrijf] ).

2.14. Op 30 juli 2013 heeft [eiser] , waarbij [vader eiser] de toen nog steeds minderjarige [eiser] vertegenwoordigde, ter uitvoering van voormeld besluit een managementovereenkomst met MAS en [naam mediabedrijf] ondertekend (hierna managementovereenkomst 2013).

2.14.1. Artikel 2 van de managementovereenkomst 2013 luidt:

“Artikel 2 — Duur van de Overeenkomst:

2 Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract, vangt aan op 30 juli 2013 en wordt aangegaan voor de duur van 2 (twee) jaar en zal dus lopen tot 30 juli 2015. Het Management (lees: MAS en [naam mediabedrijf] , rb.) heeft het recht om deze overeenkomst eenmalig te verlengen met 2 (twee) jaar, een en ander door Management schriftelijk te bevestigen 1 (één) maand voor 30 juli 2015.”

2.14.2. Artikel 3.1 en 3.2 van de managementovereenkomst 2013 luiden:

“Artikel 3— Rechten en Plichten van het Management:

3.1 Management verplicht zich tegenover Artiest (lees: [eiser] ) na ondertekening van deze overeenkomst zo goed als mogelijk de zakelijke en artistieke belangen van Artiest te behartigen met betrekking tot diens carrière als uitvoerend Artiest in de entertainmentsector, zoals maar niet beperkt tot dj, producer, componist, tekstdichter, arrangeur, presentator, etc.

3.2. Hiervoor zal het management de volgende werkzaamheden in goed overleg met Artiest verrichten”:

• het begeleiden van de Artiest in zijn carrière als uitvoerend artiest;

• Het voeren van onderhandelingen met derden met als doel Artiest te

voorzien van werk dat aansluit op de artistieke mogelijkheden van Artiest,

waarbij honorering, aard en frequentie van deze werkzaamheden in goed

onderling overleg worden bepaald;

  • het adviseren van Artiest bij en het voeren van contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royaltyvergoedingen;

• het controleren van boekingen van optredens, het bemiddelen van overeenkomsten met derden ten behoeve van muziekopdrachten, (doen) opstellen van overeenkomsten en afrekeningen;

• opzetten, uitvoeren en/of begeleiden van Artiest bij social media activiteiten

• begeleiden bij aanmelden van werken van Artiest bij Buma Stemra en Sena”

2.14.3. Artikel 5.1 tot en met 5.3 van de managementovereenkomst 2013 luiden:

“Artikel 5— Vergoedingen:

5.1 Als vergoeding voor diens werkzaamheden ontvangt het Management een vergoeding van:

20% (twintig procent) van de aan Artiest toekomende netto inkomsten uit dj boekingen in Europa en United Kingdom, en over alle auteursinkomsten door Artiest ontvangen van Buma Stemra (o.a. gelden van uitvoerings-, mechanische en synchronisatie-inkomsten).

20% (twintig procent) van de aan Artiest toekomende bruto inkomsten uit dj boekingen in de rest van de wereld

40% (veertig procent) van de aan de Artiest toekomende bruto inkomsten uit overige opbrengsten, voor onder andere endorsements en merchandise.

5.2 Bruto inkomsten zijn de aan derden in rekening gebrachte opbrengsten voor/namens Artiest minus eventueel redelijke reis en verblijfkosten en redelijke kosten gemaakt voor licht, geluid en show attributen zoals C02 en confetti, tenzij die kosten worden vergoed door promotors/opdrachtgevers, en bij merchandise in eigen beheer de productie kosten daarvan. Netto inkomsten zijn de door Artiest ontvangen inkomsten. Een en ander exclusief BTW.

5.3 Inkomsten die ontstaan tot een periode van 10 jaar na beëindiging van deze overeenkomst, maar die gegenereerd zijn tijdens de duur van deze overeenkomst, of waarvan een overeenkomst is aangegaan tijdens de duur van deze overeenkomst worden geacht deel uit te maken van deze overeenkomst.”

2.14.4. Artikel 6 van de managementovereenkomst 2013 luidt:

“Artikel 6— Territorium:

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de gehele wereld.”

2.14.5. Artikel 7 van de managementovereenkomst 2013 luidt:

“Artikel 7— Beëindiging van de Overeenkomst:

7.1. Deze overeenkomst betreft een overeenkomst voor een bepaalde tijd en eindigt

derhalve van rechtswege zoals bepaald in artikel 2 van deze overeenkomst.

“7.2. Indien één der partijen zijn verplichtingen uit deze overeenkomst tegenover de andere partij niet nakomt en strijdig met de bepalingen van deze overeenkomst handelt, kan de andere partij hem per aangetekend schrijven in gebreke stellen. Dit dient te gebeuren met een gedetailleerde opsomming van de feiten hieromtrent. De andere partij heeft dan maximaal 8 weken (acht weken) de kans om alsnog zijn verplichtingen uit deze overeenkomst correct na te komen, dan wel zijn gedragingen ongedaan te maken. Geeft de betreffende partij hieraan geen gehoor, dan zal zij per aangetekend schrijven in verzuim worden gesteld en is daarmee de andere partij gerechtigd deze overeenkomst, zonder tussenkomst te beëindigen.”

2.14.6. Artikel 10 (Slotbepalingen) lid 3 en 4 van de managementovereenkomst 2013 luiden:

“10.3 De Artiest verklaart hierbij dat het management hem heeft geadviseerd om

onafhankelijk advies in te winnen alvorens tot ondertekening van deze overeenkomst over te gaan.

10.4 Deze overeenkomst gaat per heden in en is aanvullend/vervangt de voorgaande overeenkomst zoals getekend dd. 20 juli 2012.”

2.15. Op 30 juli 2013 hebben [eiser] en Spinnin, waarbij [vader eiser] de minderjarige [eiser] vertegenwoordigde, een nieuwe productieovereenkomst gesloten (hierna productieovereenkomst 2013). Deze bestaat eveneens uit een “exclusieve producers-overeenkomst”, in navolging van partijen hierna aan te duiden als “briefovereenkomst”, en een daaraan verbonden en onderdeel uitmakende “Produktie Overeenkomst” met bijlage.

2.16. De productieovereenkomst 2013 is inhoudelijk nagenoeg gelijkluidend aan de productieovereenkomst 2012, met dien verstande dat ten aanzien van YouTube inkomsten is bepaald dat [eiser] een deel van deze inkomsten uitbetaald zal krijgen.

2.17. In de briefovereenkomst is onder punt 10 bepaald:

“Deze overeenkomst gaat per heden in en is aanvullend/vervangt de voorgaande overeenkomst zoals getekend d.d. 20 juli 2012.”

2.18. Spinnin heeft met betrekking tot bepaalde tracks van [eiser] sublicentieovereenkomsten gesloten met onder meer Rodeo Media.

2.19. Op 19 juni 2014 heeft [vader eiser] met [D] van [naam mediabedrijf] in Frankrijk (Nice) een bespreking gehad. Van dit gesprek is door [vader eiser] een verslag gemaakt dat als productie 57 bij conclusie van repliek in conventie en conclusie van antwoord in reconventie is overgelegd.

2.20. Op 25 juni 2014 heeft [vader eiser] namens [eiser] een e-mail aan [A] en [E] gezonden. Het onderwerp van de e-mail is ‘Management’. In de e‑mail wordt onder meer het volgende meegedeeld:

“- I have been informed that if this agreement would have been dealt in the best interest of the artist/producer, Management should and would have negotiated with Spinnin’Records a different, arms length, deal and thus would never have agreed on behalf of [eiser] to an exclusive 2 years producers agreement with a one sided renewal option for Spinnin’: why would, without even payment of any big signing fee or substantial advance, [eiser] sign away all his masters rights (including Sena monies paid by collecting right society on neighbouring rights)??? In the given circumstances there was and is no reason to sign anything else than a license agreement while master rights should definitely remain with [eiser] . Please consider seriously how this can be redressed asap.

(…).

‑ I am convinced that proper management of the artist would be in constant discussion with Spinnin’Records in order to pursue [eiser] best interest (compare clause 3.1 Management Agreement) and I can not other than conclude that there is a clear conflict of interest which refrains Management from doing so”.

(…).

I have for the time being chosen to send you this by mail, rather than a formal notice, in the expectation that the above matters can be solved quickly in a mutually satisfactory manner and I look forward hearing from you in reaction to the above at your earliest convenience.”

2.21. In een e-mail van 30 juni 2014 heeft [A] namens Spinnin en MAS gereageerd op de e-mail van 25 juni 2014 van [vader eiser] . In de e-mail van 30 juni 2014 wordt het volgende meegedeeld:

“In 2012 we had long meetings and discussions about the deals we offered to sign and represent [eiser] . You had a list with comments on the agreements we sent you and we negotiated. These comments also came from a legal counselor who was advising you you told us. And in the end we worked out deals with mutual approval with Spinnin’ Records and MusicAllStars Management, starting and signed on the same date. We offered you an advance but you were not interested. During the meetings you informed had legal. In 2013 we started duscussions again because [E] was becoming partner of the management. You started re-negotiate the deals which were in place and these improved conditions were included in the new agreement. Again you told us you did not want an advance, and you were advise by a legal counselor. If MusicAllStars Manegement deal was signed before the Spinnin’ Records deal, MusicAllStars supposed to negotiate the terms of the Spinning’ deal together with you. However, the deals were signed at the same date, and you on behalf of [eiser] together with your legal counselor negotiated both agreements, first in 2012, and again improved in 2013.”

en

“The guys from Spinnin Records, [B] , [F] , [G] , [H] , [I] , have almost daily contact with [eiser] via phone, email/whatsapp. 2 weeks ago they had a long meeting with [eiser] , about the new tracks, the new releases, collabs, etc. [eiser] confirmed to the team he is happy and even in interviews he is expressing how happy he is with Spinnin’ Records. Also [J] , legal department of Spinnin’, has contact with you about synchs and addenda on a regular basis.”

en

“Although you say this email is not a formal notice, we feel this as a complaint and a formal notice, and we feel this notice is without any introduction by yourselfs or [eiser] or certain (unsolved) situations which lead to this notice. But do inform us in detail about your complaint so we can consider these and try to satisfy you and [eiser] even better, although we were under the impression we were and are doing already. At least that is what you and [eiser] tell us all the time.”

2.22. In een e-mail van 4 juli 2014 heeft [vader eiser] aan MAS en [naam mediabedrijf] een ‘formal notice of default’ gezonden. In de e-mail wordt onder meer gemeld:

“You therefore leave me no choice than to send you a new formal notice of deafult, under reservation of all rights, by this registered letter asking you to send me copies of all offers received from third parties in this calendar year with respect to [eiser] .

I want to receive all this information within 8 weeks from now (see clause 7.2 Management Agreement) and of course as from now onwards I want to receive all future offers without any exception and ask to be consulted before any decision is taken.

(…).

This of course still leaves open my other concerns such as on of the (non-)alignment within Management and the conflict of interest between Management and Spinnin’ Records.”

2.23. In een brief van 26 januari 2015 heeft MAS een beroep gedaan op de in artikel 2 van de managementovereenkomst 2013 vastgelegde mogelijkheid tot verlenging van de overeenkomst met twee jaar.

2.24. Op 10 april 2015 en 24 april 2015 hebben gesprekken tussen partijen plaatsgevonden over een mogelijke aanpassing van de productieovereenkomst 2013. Op 10 april 2015 is er gesproken tussen [vader eiser] , vergezeld door zijn toenmalige raadsman mr. Keyzer, en [A] en [B] en op 24 april 2015 heeft het gesprek plaatsgevonden tussen mr. Keyzer en [A] . Deze gesprekken hebben niet geresulteerd in concrete afspraken.

2.25. In een brief van 19 mei 2015 heeft mr. Düzgün namens [eiser] aan Spinnin en MAS meegedeeld voornemens te zijn om over te gaan tot de algehele vernietiging c.q. ontbinding van alle overeenkomsten met Spinnin en MAS. In de brief worden de gronden genoemd die tot voormeld voornemen aanleiding zijn geweest. Verder is in de brief aangegeven dat bepaalde bepalingen uit de productieovereenkomsten op grond van een beroep op de Wet auteurscontractenrecht voor vernietiging in aanmerking komen.

2.25.1. In de brief van 19 mei 2015 is ook geschreven dat [eiser] bereid is om een en ander minnelijk op te lossen.

2.26. Partijen hebben vervolgens getracht tot overeenstemming te komen over de afwikkeling van de bestaande overeenkomsten en over het sluiten van nieuwe overeenkomsten.

2.27. In een brief van 29 juli 2015 heeft mr. Düzgün namens [eiser] aan Spinnin en MAS onder meer het volgende meegedeeld:

“In onze brief d.d. 19 mei 2015 kondigden wij reeds aan dat cliënt voornemens was de tussen hem enerzijds en Spinnin Records B.V. (“SR”) en Musicallstars B.V. (“MAS”) anderzijds gesloten productie- en managementovereenkomsten te vernietigen althans te ontbinden althans te beëindigen.

Cliënt heeft het voor dat moment bij dat voornemen gelaten, omdat er een mogelijkheid leek tot een minnelijke oplossing. Die mogelijkheid is niet door u aangegrepen.

Cliënt vernietigt althans ontbindt althans beëindigt door dezen de volgende overeenkomsten:

- De “Produktie Overeenkomt” d.d. 20 juli 2012 tussen cliënt en SR

- De “Produktie Overeenkomst” d.d. 30 juli 2013 tussen cliënt en SR

- De “exclusieve producers-overeenkomst” d.d. 20 juli 2012 tussen cliënt en SR

- Het “Management Contract” d.d. 11 juli 2012 tussen cliënt en MAS

- Het “Management Contract” d.d. 30 juli 2013 tussen cliënt en MAS

- Alle overeenkomsten die voortvloeien uit bovenstaande overeenkomsten

Voor de gronden daarvan verwijzen wij naar de brief van 19 mei 2015, die voor de volledigheid ook hieraan gehecht is.”

2.28. Partijen hebben vervolgens nog met elkaar gesproken op 17 augustus 2015.

2.29. In een brief van 21 augustus 2015 is namens Spinnin en MAS aan [eiser] meegedeeld dat Spinnin en MAS ‘niet akkoord gaan met de vernietiging, ontbinding en/of beëindiging van welke overeenkomst dan ook’ en dat zij [eiser] zullen houden aan de rechten en verplichtingen die uit de diverse overeenkomsten volgen.

2.29.1. Verder is in de brief van 21 augustus 2015 onder meer het volgende meegedeeld:

“Namens cliënten verzoek ik u dan ook vriendelijk - en voor zover nodig - sommeer ik u hierbij om alle hierboven aangehaalde overeenkomsten met onmiddellijke ingang edoch uiterlijk op 28 augustus 2015 volledig, onbeperkt en onvoorwaardelijk na te komen. Verder verzoek ik u vriendelijk - en voor zover nodig - sommeer ik u hierbij om mij binnen diezelfde termijn te bevestigen per email dat u alle hierboven aangehaalde overeenkomsten met onmiddellijke ingang volledig, onbeperkt en onvoorwaardelijk na zult komen.

Deze brief kunt u beschouwen als een formele ingebrekestelling.

Voor zover u niet, niet volledig dan wel niet tijdig voldoet aan bovenstaande sommatie, dan houden cliënten het erop dat u in verzuim bent en ook blijft om aan de gemaakte afspraken tussen partijen te voldoen en u voorts ook in verzuim bent zich redelijk en billijk op te stellen richting cliënten, gegeven alle belangen en strakke deadlines die alle betrokken partijen kennen die voortvloeien uit alle afspraken met derden.

Voor zover u niet, niet tijdig en/of onvolledig voldoet aan de hierboven weergegeven sommaties, ontbinden cliënten reeds nu voor alsdan de voornoemde overeenkomsten (waaronder tevens de managementovereenkomst, mede namens [naam mediabedrijf] ). Dat u ervoor gekozen heeft de ontbinding in te (willen) roepen jegens MusicAllStar Management BV en niet jegens [naam mediabedrijf] , zal u verder op geen enkele wijze baten.

U laat tot slot cliënten verder dan ook helaas geen keuze om u hierbij aansprakelijk te houden voor alle schade die zij tot op heden heeft geleden, nu lijdt en nog zal lijden in verband met de weigerachtige nakoming van de overeenkomsten aan uw kant alsmede wegens elke onrechtmatige gedraging die u heeft gedaan jegens cliënten.”

2.30. Partijen hebben nadien opnieuw met elkaar overlegd.

2.31. In een e-mail van 27 oktober 2015 is door [naam mediabedrijf] aan mr. Zee onder meer het volgende meegedeeld:

“No, we dit not authorize MAS to extend the management agreement on our behalf at any time. As soon as we saw their letter to [eiser] (lees: [eiser] , rb), I informed [A] (lees [A] ) over the telephone they were not authorized to do so. And we never authorized them to offer a settlement that would reduce [naam mediabedrijf] commissions (…). They did not contact us to communicate their proposal that we reduce and we saw it fort he first time in that letter.”

2.32. Nadat [eiser] Spinnin in kort geding had gedagvaard en de zaak na de mondelinge behandeling op 9 november 2015 is aangehouden, hebben [eiser] en Spinnin op 1 december 2015 een overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over voortgaande exploitatie voor de duur van zeven jaar door Spinnin van de in bijlage 2 van die overeenkomst genoemde tracks. Verder zijn door Spinnin aan [eiser] alle rechten terug overgedragen van de in de bijlage 1 genoemde geluidsbanden en opname(n) daarop, die [eiser] op basis van de productieovereenkomst 2012 en 2013 aan Spinnin had overgedragen. Uitdrukkelijk is bepaald dat deze (werk)afspraken volledig los staan van de beslechting van de geschillen van partijen in deze bodemprocedure. Het kort geding is vervolgens doorgehaald.

2.33. Op 29 augustus 2016, 9 september 2016 en 12 september 2016 is bij deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor gehouden in het door [eiser] gevraagde voorlopig getuigenverhoor (410506 / HL RK 16-25). Spinnin en MAS waren de belanghebbenden bij dit verhoor. Gehoord zijn de heer [F] , A&R manager bij Spinnin, [A] , [B] , de heer [K] (vader van een collega DJ van [eiser] ), de heer [L] (DJ-manager) en [vader eiser] .

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert ‑ na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. Ten aanzien van Spinnin:

  1. Te verklaren van recht dat de productieovereenkomsten 2012 en/of 2013 vernietigd zijn op grond van dwaling althans bedrog, althans misbruik van omstandigheden; en

  2. Spinnin te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bedrag van € 3.718.438,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juli 2012 dan wel 30 juli 2013, te betalen althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; althans

  3. Te verklaren van recht dat de productieovereenkomsten 2012 en/of 2013 vernietigd zijn op grond van art. 25f Aw althans dat zij wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing dienen te blijven; en

  4. Spinnin te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bedrag van € 3.718.438,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juli 2012 dan wel 30 juli 2013, te betalen althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; althans

  5. Te verklaren van recht dat de volgende bepalingen vernietigd zijn op grond van dwaling althans bedrog althans misbruik van omstandigheden althans art. 25f Aw althans dat zij buiten toepassing blijven wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid:

a. Productie Overeenkomst d.d. 20 juli 2012:

i. Artikel 2; en/of

ii. Artikel 3; en/of

iii. Artikel 4; en/of

iv. Artikel 5; en/of

v. Artikel 6; en/of

vi. Artikel 9; en/of

vii. De bijlage bij deze overeenkomst;

b. “exclusieve producers-overeenkomst” d.d. 20 juli 2012:

i. Artikel 1; en/of

ii. Artikel 2; en/of

iii. Artikel 3; en/of

iv. Artikel 4; en/of

v. Artikel 5; en/of

vi. Artikel 6; en/of

vii. Artikel 7; en/of

c. Productie Overeenkomst d.d. 30 juli 2013:

i. Artikel 2; en/of

ii. Artikel 3; en/of

iii. Artikel 4; en/of

iv. Artikel 5; en/of

v. Artikel 6; en/of

vi. Artikel 7; en/of

vii. De bijlage bij deze overeenkomst;

d. “exclusieve producers-overeenkomst d.d. 30 juli 2013:

i. Artikel 1; en/of

ii. Artikel 2; en/of

iii. Artikel 3; en/of

iv. Artikel 4; en/of

v. Artikel 5; en/of

vi. Artikel 6; en/of

vii. Artikel 7; en

6. Spinnin te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bedrag van € 3.718.438, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juli 2012 dan wel 30 juli 2013, te betalen althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; althans

7. Te verklaren van recht dat Spinnin toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de productieovereenkomst 2012 en/of 2013 en dat Spinnin gehouden is aan [eiser] de daardoor geleden schade te vergoeden, begroot op € 3.718.438.- en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juli 2012 dan wel 30 juli 2013, dan wel nader op te maken en te vereffenen bij staat; en

8. verklaren van recht dat [eiser] fonogrammenproducent is in de zin van de Wet op de naburige rechten van:

a. alle tracks die hij heeft geproduceerd in de periode tussen 20 juli 2012 en 21 augustus 2015; althans

b. de track Animals, voor 100%;

c. de track Backlash, voor 33%;

d. de track BFAM, voor 50%;

e. de track Can’t You See, voor 48%;

f. de track Cracked, voor 50%;

g. de track Crackin, voor 50%;

h. e track Don’t Look Down, voor 100%;

i. e track Dragon, voor 50%;

j. de track Error 404, voor 50%;

k. de track Forbidden Voices, voor 75%;

l. de track Gamer, voor 50%;

m. de track Gold Skies, 25%;

n. track Helicopter, 50%;

o. de track Just Some Loops, 50%;

p. e track Keygen, voor 100%;

q. de track Proxy, voor 50%;

r. de track Set Me Free, voor 50%;

s. de track Torrent, voor 50%;

t. de track Tremor, voor 67%;

u. de track Turn up the Speakers, voor 50%;

v. de track Virus, voor 50%;

w. de track Wizard, voor 50%

x. de track Sazinga, voor 50%; en

9. Spinnin te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] opgave te doen van de inkomsten die zij heeft ontvangen uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent voor elk van voornoemde tracks; en

10. Spinnin te veroordelen om binnen twee weken na het doen van voornoemde opgave de op die opgave vermelde bedragen te betalen aan [eiser] ; en

11. Spinnin op grond van art. 25d Aw ten aanzien van de door haar ontvangen inkomsten uit de exploitatie van de track Animals te veroordelen tot betaling van 2 miljoen euro dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; en

B. Ten aanzien van MAS

  1. Te verklaren van recht dat de managementovereenkomsten 2012 en/of 2013 vernietigd zijn op grond van dwaling althans bedrog althans misbruik van omstandigheden; en

  2. MAS te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bedrag te betalen van € 649.217,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 juli 2012 dan wel 30 juli 2013 althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; althans

  3. Te verklaren van recht dat de managementovereenkomsten 2012 en/of 2013 vernietigd zijn op grond van art. 25f Aw althans dat zij wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing dienen te blijven; en

  4. MAS te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bedrag van € 649.217,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 juli 2012 dan wel 30 juli 2013 te betalen althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; althans

  5. Te verklaren van recht dat de managementovereenkomst 2013 geëindigd is per 30 juli 2015 althans dat deze overeenkomst niet is verlengd; althans

  6. Te verklaren van recht dat de volgende bepalingen vernietigd zijn op grond van dwaling althans bedrog althans misbruik van omstandigheden althans art. 25f Aw althans dat zij buiten toepassing blijven wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid:

a. De managementovereenkomst 2012:

i. Artikel 2; en/of

ii. Artikel 4; en/of

iii. Artikel 5; en/of

iv. Artikel 7;

b. De managementovereenkomst 2013:

i. Artikel 2; en/of

ii. Artikel 4; en/of

iii. Artikel 5; en/of

iv. Artikel7;en

7. MAS te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] een bedrag van € 649.217,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 11 juli 2012 dan wel 30 juli 2013 te betalen althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; althans

8. Te verklaren van recht dat MAS toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de managementovereenkomst d.d. 11 juli 2012 en/of 30 juli 2013 en dat MAS gehouden is aan [eiser] de management fees ad € 649.217,- terug te betalen en aan [eiser] de daardoor geleden schade te vergoeden, begroot op € 3.720.000,- dan wel een bedrag nader op te maken en te vereffenen bij staat dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

C. Ten aanzien van Spinnin en MAS:

Spinnin en MAS hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen onder meer - kort gezegd en zakelijk weergegeven - dat de managementovereenkomsten 2012 en 2013 en de productieovereenkomsten 2012 en 2013 beschouwd dienen te worden als samenhangende overeenkomsten en dat deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen als gevolg van bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling en dat aldus alle met Spinnin en MAS aangegane overeenkomsten vernietigbaar zijn ex de artikelen 3:44 BW en 6:228 BW.

3.2.1. [eiser] stelt verder dat de overeenkomsten strijdig zijn met de Wet Auteurscontractenrecht waardoor, met name op grond van het bepaalde in art. 25f Auteurswet (Aw), de overeenkomsten vernietigbaar zijn, althans dat de in de vordering nader omschreven artikelen op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moeten blijven.

3.2.2. Ook stelt [eiser] dat Spinnin en MAS op diverse punten toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de productieovereenkomsten respectievelijk managementovereenkomsten. Deze tekortkomingen rechtvaardigen volgens [eiser] ontbinding van de overeenkomsten.

3.2.3. Mede gelet op de omstandigheid dat Spinnin ten onrechte door Spinnin en MAS is aangemerkt als fonogrammenproducent heeft [eiser] niet de volledig aan hem toekomende Sena-vergoeding ontvangen.

3.2.4. Op grond van de handelwijze van Spinnin en MAS en de gevolgen van de vernietiging althans ontbinding van de overeenkomsten stelt [eiser] recht op betaling van de gevorderde (schade)bedragen te hebben.

3.3. Spinnin en MAS hebben verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van het gevorderde en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, inclusief de nakosten en wettelijke rente daarover.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschi l in reconventie

4.1. Spinnin en MAS vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. ten behoeve van MAS

i. dat [eiser] wordt veroordeeld tot nakoming van zijn waardevergoedingsverbintenis ex art. 6:272 lid 2 BW jegens MAS met betrekking tot de door MAS op basis van de managementovereenkomst 2013 aan [eiser] geleverde diensten in de periode van 1 januari 2015 - 28 augustus 2015 althans tot 30 juli 2015;

ii. dat [eiser] wordt veroordeeld om, voor zover door de Rechtbank niet reeds daartoe bevel op de voet van art. 22 Rv zal zijn gegeven, op de voet van art. 843a Rv inzage en afschrift te geven aan MAS van (i) de opgaven die [eiser] had moeten verstrekken op basis van art. 5.5 van de managementovereenkomst 2013 over de periode van 1 januari 2015 - 30 juli 2015 althans (ii) die bescheiden op basis waarvan alsnog kan worden vastgesteld hoe de opgaven op basis van art. 5.5 van de managementovereenkomst 2013 over de periode van 1 januari 2015 - 28 augustus 2015 althans tot 30 juli 2015 zouden hebben moeten luiden;

iii. dat wordt bepaald dat [eiser] aan MAS een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 10.000,- per dag dat hij niet voldoet aan de veroordeling onder i. en ii;

iv. dat voor recht wordt verklaard dat [eiser] jegens MAS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de managementovereenkomst 2013 en derhalve voor de periode tot 28 augustus 2015 (datum ontbinding door MAS) op grond van art. 6:74 lid 1 BW en na 28 augustus 2015 op grond van art. 6:277 lid 1 BW aansprakelijk is jegens MAS;

v. primair dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding aan MAS van een bedrag van € 2.697.000,- alsmede de wettelijke rente daarover, althans subsidiair dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding van alle door de onder iv genoemde tekortkomingen en daaropvolgende ontbinding door MAS geleden en te lijden schade, waaronder redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW en de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

vi. dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan MAS van een bedrag van € 35.266,- aan interne kosten, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie passend zal oordelen, zijnde redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

vii. dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan MAS van een bedrag van € 11.300,- althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie passend zal oordelen, aan kosten deskundige zijnde redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

B. Ten behoeve van Spinnin

viii. dat voor recht wordt verklaard dat [eiser] jegens Spinnin toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de productieovereenkomst 2013 (bestaande uit een in briefvorm opgestelde “exclusieve producers-overeenkomst” en een daaraan gehechte “Produktie Overeenkomst”) en derhalve op grond van art. 6:74 lid 1 BW en, na ontbinding door Spinnin op 28 augustus 2015, op grond van art. 6:277 lid 1 BW, jegens Spinnin aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van deze tekortkoming geleden schade;

ix. primair dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding aan Spinnin Records B.V. van een bedrag van € 3.720.000,- alsmede de wettelijke rente daarover, althans subsidiair dat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding van alle door de onder viii. genoemde tekortkoming en daaropvolgende ontbinding door Spinnin Records 8.V. geleden en te lijden schade, waaronder redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW en de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

x. dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan Spinnin van een bedrag van € 47.300,- aan interne kosten, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie passend zal oordelen, zijnde redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

xi. dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan Spinnin van een bedrag van € 20.987,50 aan kosten deskundige, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie passend zal oordelen, zijnde redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder b en c BW voor de vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

C. Ten behoeve van MAS en Spinnin

xii. dat [eiser] wordt veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie, inclusief de nakosten en de wettelijke rente daarover.

4.2. Ter onderbouwing van haar vorderingen stellen Spinnin en MAS - kort gezegd en zakelijk weergegeven - onder meer dat [eiser] jegens hen tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomsten, waardoor zij genoopt waren deze overeenkomsten te ontbinden. Spinnin en MAS hebben daardoor schade geleden en [eiser] dient deze schade te vergoeden.

4.2.1. MAS stelt verder dat [eiser] sinds januari 2015 zijn verplichtingen uit hoofde van de managementovereenkomst niet is nagekomen om opgave te doen van zijn inkomsten. Hierdoor heeft MAS schade heeft geleden, omdat zij niet in staat was te factureren. [eiser] dient haar daartoe in staat te stellen en [eiser] dient vervolgens de facturen te voldoen.

4.3. [eiser] heeft verweer gevoerd met conclusie, primair, Spinnin en MAS niet‑ontvankelijk te verklaren in hun reconventionele vorderingen dan wel de vorderingen af te wijzen en, subsidiair, de vordering te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Een en ander met veroordeling van Spinnin en MAS in de proceskosten.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordel ing in conventie

Inleidende opmerkingen

5.1. In dit vonnis zal allereerst worden ingegaan op de volgende formele verweren van Spinnn en MAS:

  1. bij [eiser] ontbreekt een procesbelang (5.4.);

  2. de vordering tot vernietiging van de managementovereenkomst 2012 is verjaard (5.5. t/m 5.13.);

  3. [eiser] is zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW niet nagekomen (5.14. t/m 5.17.);

  4. Het recht om de overeenkomsten te vernietigen is vervallen op grond van het bepaalde in artikel 3:55 lid 1 BW (5.18. t/m 5.19.);

  5. Het recht om de overeenkomsten te vernietigen is vervallen op grond van het bepaalde in artikel 3:54 BW (5.20. t/m 5.23.).

5.2. Na het behandelen van deze formelen verweren worden een drietal (juridische) vragen beantwoord die van belang zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] , te weten:

6. Is de managementovereenkomst 2013 een nieuwe overeenkomst of een voortzetting van de managementovereenkomst 2012 en is de productieovereenkomst 2013 een nieuwe overeenkomst of een voortzetting van de productieovereenkomst 2012 (5.24. t/m 5.27.)?

7. Hoe zijn de managementovereenkomsten te kwalificeren (5.28. t/m 5.33.)?

8. Welke (zorg)verplichtingen vloeien voor MAS/Spinnin voort uit de verschillende gesloten overeenkomsten? (5.30. t/m 5.33.)?

5.3. Vervolgens worden de volgende vorderingen van [eiser] beoordeeld:

9. De gevorderde verklaring voor recht over het fonogrammenproducentschap (5.34. t/m 5.55.)

10. Het beroep op dwaling (5.56 t/m 5.101.)

11. De vordering van € 2.000.000,- ingevolge het bepaalde in artikel 25d Auteurswet (5.102. t/m 5.105.)

12. Overige geldvorderingen (5.106. t/m 5.120.)

Procesbelang (zie 5.1. onder 1.)

5.4. Spinnin en MAS voeren het verweer dat [eiser] geen procesbelang (meer) heeft bij zijn vorderingen, nu op grond van de tussen partijen op 1 december 2015 getroffen regeling de overdracht uit hoofde van de productieovereenkomsten van de eigendomsrechten van zijn muziekopnames (verder ook “tracks”) inmiddels zijn teruggedraaid (zie 2.32.). Dit verweer treft geen doel. Aan het door [eiser] gedane beroep op vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling en de ontbinding van de overeenkomsten op grond van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten is, zoals hierna zal blijken, meer ten grondslag gelegd dan alleen de in de productieovereenkomsten genoemde rechtenoverdracht. Hiermee is het procesbelang van [eiser] al gegeven.

Verjaring (zie 5.1. onder 2.)

5.5. Spinnin en MAS stellen dat het beroep van [eiser] op vernietiging van de managementovereenkomst 2012 ‘hoe dan ook’ afstuit op de korte verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 aanhef en onder sub c BW.

5.6. Over dit beroep op verjaring wordt het volgende overwogen. Ingevolge het bepaalde in genoemd artikel verjaart ‑ voor zover hier van belang - een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling in geval van bedrog en dwaling drie jaar nadat het bedrog respectievelijk de dwaling is ontdekt.

5.7. Door [eiser] is gemotiveerd gesteld dat niet eerder dan na het gesprek op 19 juni 2014 tussen [vader eiser] en [naam mediabedrijf] (zie 2.19) er bij [eiser] gerede twijfel is ontstaan over de wijze van totstandkoming van de overeenkomsten in 2012 en 2013, de (daadwerkelijke) inhoud van deze tussen partijen gesloten overeenkomsten en de wijze waarop Spinnin en MAS uitvoering hebben gegeven aan deze overeenkomsten. [vader eiser] heeft dit omschreven als het moment waarop bij hem en bij [eiser] ‘de schellen van de ogen’ vielen. Het gesprek was, aldus [eiser] , een ‘eye-opener’. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [vader eiser] de e‑mail van 25 juni 2014 aan [A] en [E] gezonden (zie 2.20), waarna partijen verder in overleg zijn getreden. Nadat [eiser] in de brief van 19 mei 2015 aan Spinnin en MAS onder meer heeft meegedeeld voornemens te zijn om over te gaan tot de algehele vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling en bedrog, heeft [eiser] in de brief van 29 juli 2015 daadwerkelijk de vernietiging van genoemde overeenkomsten ingeroepen (zie 2.27.).

5.8. Spinnin en MAS voeren het verweer dat aan het gesprek van 19 juni 2014 tussen [vader eiser] en [naam mediabedrijf] niet de door [eiser] gestelde betekenis kan worden toegekend. Over het moment dat [eiser] dan wel op de hoogte is gekomen van de naar zijn mening gestelde dwalingsomstandigheden, zeggen Spinnin en MAS niet veel. Uit hetgeen in het vervolg van dit vonnis zal worden overwogen staat vast dat de omstandigheden waarnaar [eiser] ter onderbouwing van zijn beroep op dwaling verwijst, zich ruim na het sluiten van de overeenkomsten in 2012 hebben voorgedaan. Hij heeft dus ook pas ruim na juli 2012 daar wetenschap van gekregen. Al daarom kan het beroep van Spinnin en MAS op verjaring niet slagen.

5.9. Daar komt bij dat uit de e-mail van 25 juni 2014 (zie 2.20) en de overgelegde brief van 4 juli 2014, zijnde een ingebrekestelling, (zie 2.22) van [vader eiser] , onmiskenbaar blijkt dat het gesprek van [vader eiser] met [naam mediabedrijf] op 19 juni 2014 directe aanleiding is geweest om [A] en [E] van [naam mediabedrijf] op de hoogte te stellen van de naar aanleiding van het gesprek bij hem ontstane zorgen over de wijze waarop MAS uitvoering gaf aan haar taken als management van [eiser] . In de e-mail van 25 juni 2014 wordt ook duidelijk gesteld dat het gesprek met [naam mediabedrijf] bij [vader eiser] grote zorg heeft doen ontstaan over de verhouding betreffende MAS en Spinnin. In de brief is onder meer vermeld:

“- I also have now great concerns about the relation between Management and Spinnin’Records and the consequences for the Producers agreement that [eiser] has signed with Spinnin’Records”

5.10. Gelet op de gemotiveerde stellingen van [eiser] , de e-mail van 25 juni 2014 en de brief van 4 juli 2014 van [vader eiser] moet het gesprek op 19 juni 2014 worden aangemerkt als het moment waarop [eiser] de eerste omstandigheden ontdekte die later mede de aanleiding vormden om een beroep te doen op dwaling en bedrog.

5.11. Uit de stelling van Spinnin en MAS dat (vader) [eiser] al op 12 juni 2014, dus kort voor het gesprek van 25 juni 2014, bezig was met het zoeken naar mogelijke gronden voor ontbinding van de overeenkomsten, kan, indien deze stelling voor juist wordt genomen, hooguit worden afgeleid dat [vader eiser] al niet meer tevreden was met de inhoud van de gesloten overeenkomsten. Dit verzet zich echter niet (voldoende) tegen voormeld uitgangspunt dat het gesprek op 19 juni 2014 met [naam mediabedrijf] moet worden aangemerkt als het feitelijke moment dat [eiser] de eerste omstandigheden ontdekte van het/de door hem thans gestelde bedrog en dwaling.

5.12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het gesprek op 19 juni 2014 tussen [vader eiser] en [E] van [naam mediabedrijf] te worden aangemerkt als het moment van ontdekking van de eerste omstandigheden die voor [eiser] de aanleiding vormden een beroep te doen op dwaling en bedrog. Nu de vernietiging van de overeenkomsten is ingeroepen in de brief van 29 juli 2015, zijnde dertien maanden en tien dagen na de ontdekking op 19 juni 2014 van deze omstandigheden, is dit op tijd gebeurd. Het beroep van Spinnin en MAS op verjaring als bedoeld in artikel 3:52 lid 1 aanhef onder c. BW betreffende de managementovereenkomst 2012 wordt daarom verworpen.

5.13. Het vermoeden van Spinnin en MAS dat bij [eiser] in de zomer van 2015 paniek is ontstaan omdat men meende dat de korte verjaringstermijn van drie jaar toen al op het punt van voltooiing stond, brengt in het vorenstaande geen verandering.

Klachtplicht (zie 5.1. onder 3.)

5.14. Spinnin en MAS voeren als verweer dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd ex artikel 6:89 BW. Dit verweer ziet zowel op het dwalingsberoep van [eiser] als op de door [eiser] gestelde gebrekkige nakoming van de overeenkomsten door Spinnin en MAS. [eiser] voert daartegen aan dat hij, na het bewuste gesprek op 19 juni 2014 met [naam mediabedrijf] , op 25 juni 2014 - en daarmee ook tijdig - jegens Spinnin en MAS heeft geklaagd in de zin van art. 6:89 BW. Omdat er steeds meer informatie beschikbaar kwam, zijn er nadien ook nieuwe klachten geuit, maar hier geldt - aldus [eiser] - niet steeds weer de klachtplicht van art. 6:89 BW.

5.15. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:89 BW kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar daarover heeft geprotesteerd. Niet-nakoming van deze klachtplicht leidt tot verval van alle rechten en bevoegdheden die de schuldeiser op grond van de gebrekkigheid ten dienste stonden. Hoewel de klachtplicht van artikel 6:89 BW zich richt op de gebrekkige nakoming van een overeenkomst, moet worden aangenomen dat dwaling ook onder de werking van de klachtplicht valt (vgl. TM, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1,7, 9 en 14 1991, p.146 (nr2) en Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617).

5.16. Ter beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Ook is van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechtbank rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 6:89 BW vermeld - te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend (zie r.o. 4.25 en 4.26 Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600).

5.17. Uit het hiervoor omschreven juridisch kader volgt dat bij de beoordeling of op tijd is geklaagd (ook) moet worden gekeken naar het nadeel dat de schuldenaar door het gestelde “te late klagen” leidt. Spinnin en MAS hebben hierover niets gesteld. Aangezien het de rechtbank niet vrij staat om ambtshalve te onderzoeken of Spinnin en MAS nadeel hebben gehad van het tijdsverloop totdat door [eiser] is geklaagd (zie r.o. 5.7. Hoge Raad 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593), speelt het mogelijke nadeel van Spinnin en MAS bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht geen rol van betekenis. In het licht hiervan en gelet op de omstandigheid dat [eiser] vrijwel direct na het gesprek met [naam mediabedrijf] van 19 juni 2014 zijn eerste klachten aan Spinnin en MAS heeft geuit en honorering van het beroep van Spinnin en MAS op art. 6:89 BW ingrijpende rechtsgevolgen voor [eiser] heeft, moet worden geconcludeerd dat [eiser] voldaan heeft aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht. Het beroep van Spinnin en MAS op artikel 6:89 BW wordt daarom verworpen.

Rechtshandeling bevestigen (zie 5.1. onder 4.)

5.18. Ingevolge het bepaalde in art. 3:55 lid 1 BW vervalt de bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen. Spinnin en MAS stellen dat de in artikel 3:55 BW bedoelde omstandigheid zich in deze zaak heeft voorgedaan. Volgens Spinnin en MAS heeft [eiser] de overeenkomsten bevestigd door ze gewoon uit te voeren en te blijven uitvoeren.

5.19. De rechtbank volgt Spinnin en MAS niet in dit standpunt. In deze procedure wordt ervan uit gegaan dat [eiser] pas vanaf 19 juni 2014 de door hem gestelde omstandigheden die een beroep op een wilsgebrek rechtvaardigen is gaan ontdekken. Vervolgens zijn partijen met elkaar in gesprek gegaan over de kritiek en zorgen die (vader) [eiser] in zijn e-mail van 25 juni 2014 aan Spinnin en MAS had geuit. Hoewel partijen toen over en weer op diverse momenten hebben verklaard dat het gerezen conflict wel onderling geregeld zou kunnen worden, is er uiteindelijk nooit finale overeenstemming bereikt. Vervolgens heeft [eiser] de overeenkomsten in de brief van 29 juli 2015 vernietigd dan wel ontbonden (zie 2.27). [eiser] heeft nooit gezegd of op een andere manier laten blijken dat hij, in het besef dat hij de overeenkomsten zou (kunnen) vernietigen, toch definitief aan de geldigheid van die overeenkomsten wenste vast te houden. Aan de enkele omstandigheid dat [eiser] vanaf het moment van het ontdekken van de wilsgebreken tot aan de vernietiging dan wel de ontbinding van de overeenkomsten de overeenkomsten is blijven nakomen, hebben MAS en Spinnin deze conclusie in ieder geval niet mogen verbinden. Bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

Opheffen nadeel (zie 5.1. onder 5.)

5.20. Op grond van het bepaalde in artikel 3:54 BW vervalt de bevoegdheid om een beroep te doen op misbruik van omstandigheden indien de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt die het nadeel op afdoende wijze opheft. Artikel 6:230 lid 1 BW geeft een soortgelijke regeling met betrekking tot het beroep op dwaling.

5.21. Spinnin en MAS stellen dat [eiser] geen bevoegdheid meer had om op 29 juli 2015 de vernietiging van de overeenkomsten in te roepen op grond van misbruik van omstandigheden en dwaling, omdat Spinnin op 15 juni 2015 al een aanbod had gedaan om het beweerdelijke nadeel op te heffen, namelijk het na een bepaalde periode terugdraaien van de overdracht van de eigendomsrechten van de tracks, de aanpassing van de royaltyvergoeding en het door MAS genoegen nemen met een lagere managementvergoeding.

5.22. [eiser] voert daartegen aan dat partijen weliswaar redelijk ver zijn gekomen met een oplossing, maar dat partijen uiteindelijk geen overeenstemming hebben bereikt omdat Spinnin en MAS steeds nieuwe voorwaarden stelden.

5.23. De rechtbank volgt Spinnin en MAS niet in hun stelling dat er sprake is geweest van een wijzigingsvoorstel als bedoeld in art. 3:54 BW en art. 6:230 BW. Het voorstel van 15 juni 2015 had immers geen betrekking op de productieovereenkomst 2012 en/of de managementovereenkomst 2012 en compenseerde dan ook geen enkel nadeel voortvloeiende uit deze overeenkomsten. Het voorstel van 15 juni 2015 had evenmin betrekking op de eerste twee jaar van de productieovereenkomst 2013 en de managementovereenkomst 2013. Het voorstel zag namelijk uitsluitend op de toekomst en stelde bepaalde veranderingen voor vanaf 31 juli 2015. Bij deze stand van zaken moet geconcludeerd worden dat het voorstel van 15 juni 2015, wat daar verder inhoudelijk ook van zij, in ieder geval niet gekwalificeerd kan worden als een afdoende aanbod om het nadeel aan de zijde van [eiser] op te heffen. Het beroep van Spinnin en MAS op art. 3:54 BW en art. 6:230 BW wordt daarom afgewezen.

Nieuwe overeenkomsten of voortzetting (zie 5.2. onder 6.)

5.24. De volgende vraag die de rechtbank zal bespreken is of de productieovereenkomst getekend op 20 juli 2012 in 2013 is verlengd en daardoor één overeenkomst vormt of dat deze in 2013 opnieuw is aangegaan en dus de productieovereenkomst van 2012 heeft vervangen. Diezelfde vraag doet zich voor bij de managementovereenkomst van 2012. Is deze overeenkomst verlengd in 2013 of in 2013 opnieuw aangegaan? [eiser] stelt hierover het volgende. De productieovereenkomst en de managementovereenkomst van 2012 zijn in 2013 voortgezet, ondanks enkele inhoudelijke aanpassingen. Het zijn dus geen nieuwe overeenkomsten. Dit volgt uit artikel 10 van de briefovereenkomst die een onderdeel vormt van de productieovereenkomst 2013, waarin staat: “Deze overeenkomst gaat per heden in en is aanvullend/vervangt de voorgaande overeenkomst zoals getekend dd. 20 juli 2012” (zie 2.17.). Voor de managementovereenkomst volgt dit uit artikel 10 lid 4 waarin dezelfde bepaling staat. Verder voert [eiser] aan dat de overeenkomsten uit 2013 feitelijk dezelfde zijn omdat ze zien op dezelfde onderwerpen en dezelfde rechten en plichten bevatten als de overeenkomsten uit 2012. Ook dit toont aan dat de overeenkomsten in 2013 zijn verlengd en niet opnieuw zijn aangegaan. Er is sprake van één productieovereenkomst (aangegaan in juli 2012 en verlengd in 2013) en één managementovereenkomst (aangegaan in juli 2012 en verlengd in 2013). Het beroep op de vernietiging op grond van dwaling, bedrog, misbruik van omstandigheden en artikel 25f Auteurswet, alsmede het beroep op ontbinding als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen treft derhalve de gehele (verlengde) productieovereenkomst respectievelijk de gehele (verlengde) managementovereenkomst, aldus steeds [eiser] .

5.25. Spinnin en MAS betwisten dat de productieovereenkomst en de managementovereenkomst in 2013 zijn verlengd. Zij stellen dat de overeenkomsten uit 2012 in 2013 zijn vervangen door nieuwe zelfstandige overeenkomsten met deels een andere inhoud. Ten aanzien van de managementovereenkomst geldt dat er naast MAS een nieuwe partij is toegetreden ( [naam mediabedrijf] ). En voor beide overeenkomsten geldt dat de condities in het voordeel van [eiser] zijn veranderd. Er zijn hogere royalty’s overeengekomen alsmede een doorbetaling van inkomsten van YouTube. Ook zijn de met de royalty’s te verrekenen kosten voor remixen en video’s in de nieuwe productieovereenkomst naar beneden bijgesteld. Daarnaast hebben de overeenkomsten uit 2012 andere looptijden dan de overeenkomsten uit 2013. Er zijn dus twee productieovereenkomsten (één uit 2012 en één uit 2013) en twee managementovereenkomsten (één uit 2012 en één uit 2013).

5.26. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat partijen bedoeld hebben in juli 2013 de op dat moment lopende productieovereenkomst en managementovereenkomst te verlengen. De bewoordingen van de productieovereenkomst en de managementovereenkomst geven daarvoor geen duidelijke aanwijzing. Een bepaling waarin staat dat de overeenkomst van 2013 een (onlosmakelijk) onderdeel vormt van de overeenkomst uit 2012, ontbreekt bijvoorbeeld. Artikel 10 van de briefovereenkomst 2013 en artikel 10 lid 4 van de managementovereenkomst 2013 geven ook geen steun aan de stelling van [eiser] . Deze bepalingen spreken, naast het “aanvullen”, ook over het “vervangen” van de overeenkomst van 2012 (“Deze overeenkomst … is aanvullend/vervangt de voorgaande overeenkomst”). Daaruit blijkt dus niet duidelijk dat partijen de overeenkomsten uit 2012 hebben willen verlengen. Daarentegen spreekt artikel 2 van de managementovereenkomst van 2013 wel nadrukkelijk van het “vervangen” van de eerder afgesloten overeenkomst (“Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract”). Dit vormt een duidelijke aanwijzing om ervan uit te gaan dat in 2013 een nieuwe managementovereenkomst is aangegaan. Verder staat vast dat de overeenkomsten uit 2012 en die uit 2013 een verschillend aanvangsmoment hebben, hetgeen een belangrijk argument vormt om aan te nemen dat partijen destijds bedoeld hebben een nieuwe overeenkomst aan te gaan. De eerste productieovereenkomst liep van 20 juli 2012 en eindigde twee jaar later (20 juli 2014; met een verlengingsoptie van één jaar). De tweede productieovereenkomst ving aan op 30 juli 2013 en eindigde twee jaar later op 30 juli 2015 (met een verlengingsoptie van twee jaar). Zowel het aanvangsmoment als het beëindigingsmoment (alsmede de duur van de verlengingsoptie) verschillen dus. Als de tweede productieovereenkomst een verlenging zou zijn geweest van de eerste productieovereenkomst, zou het voor de hand hebben gelegen in ieder geval de aanvangsdatum ongewijzigd te laten. Dit is echter niet gebeurd. De managementovereenkomsten hebben ook verschillende aanvangsdatums, verschillende beëindigingsdatums alsmede een verschillende duur van de verlengingsopties. Speciaal met betrekking tot de managementovereenkomst valt verder op dat een derde partij tot de overeenkomst is toegetreden, namelijk [naam mediabedrijf] , hetgeen eveneens een aanwijzing vormt om ervan uit te gaan dat partijen toen een nieuwe overeenkomst hebben willen sluiten. Verder merkt de rechtbank op dat een verlenging van een bestaande overeenkomst, al dan niet met inhoudelijke aanpassingen, veelal wordt vastgelegd in een allonge of addendum dat aan de bestaande overeenkomst wordt gehecht, zoals artikel 10 lid 1 van de managementovereenkomst van 2012 ook voorschrijft. Dit is echter niet gebeurd.

5.27. Op grond van de hierboven besproken argumenten, zal de rechtbank ervan uitgaan dat partijen op 20 juli 2012 een productieovereenkomst hebben gesloten die heeft gelopen tot 30 juli 2013 en dat zij op die datum een nieuwe productieovereenkomst zijn aangegaan. Met betrekking tot de managementovereenkomst zal ervan uitgegaan worden dat deze is aangegaan op 11 juli 2012 en heeft gelopen tot 30 juli 2013, waarna partijen én [naam mediabedrijf] een nieuwe managementovereenkomst zijn aangegaan.

Kwalificatie managementovereenkomsten (zie 5.2. onder 7.)

5.28. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de kwalificatie van de diverse tussen hen gesloten overeenkomsten. De rechtbank acht voor de kwalificatie van de managementovereenkomsten het volgende van belang.

5.29. Op 11 juli 2012 heeft [eiser] , vertegenwoordigd door zijn vader, de managementovereenkomst 2012 met MAS gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat MAS zo goed als mogelijk de zakelijke en artistieke belangen van [eiser] zal gaan behartigen met betrekking tot diens carrière als uitvoerend artiest in de entertainmentsector (zie artikel 3.1 managementovereenkomst 2012). Als vergoeding voor deze werkzaamheden had MAS recht op een in de overeenkomst nader omschreven deel van de aan [eiser] toekomende inkomsten (zie artikel 5 managementovereenkomst 2012). De onderhandelingen over de in het kader van de managementovereenkomst 2012 te sluiten deals met derden, werden gedaan door [A] in zijn hoedanigheid als manager van [eiser] . Tussen [A] en (de vader van) [eiser] was overleg over de inhoud van de te sluiten deals. De overeenkomsten met deze derden werden door [eiser] zelf gesloten. Gelet op deze afspraken en de uitvoering daarvan is de managementovereenkomst 2012 te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 lid 1 BW, waarbij MAS als opdrachtnemer zich jegens [eiser] (de opdrachtgever) verbindt om tegen een bepaalde vergoeding managementwerkzaamheden te verrichten. Voor de managementovereenkomst 2013 geldt hetzelfde. Hetgeen waartoe MAS (samen met [naam mediabedrijf] ) zich in deze overeenkomst jegens [eiser] heeft verplicht wijkt namelijk niet wezenlijk af van de inhoud van de managementovereenkomst 2012.

(Zorg)plichten (zie 5.2. onder 8.)

5.30. Nu de managementovereenkomsten 2012 en 2013 zijn te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht en MAS als de opdrachtnemer moet worden aangemerkt, rust op MAS de wettelijke plicht om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (art. 7:401 BW). Deze bijzondere zorgplicht betekent voor MAS onder meer de volgende verplichtingen: 1) de verplichting tot het vooropstellen van het belang van de opdrachtgever, 2) waarborgingsverplichtingen 3) de verplichting tot ongevraagd (spontaan) handelen ten behoeve van de opdrachtgever, 4) de verplichting tot het opvolgen van aanwijzingen van de opdrachtgever, 5) waarschuwingsverplichtingen mogelijk uitmondend in een weigeringsplicht, 6) de verplichting tot het vermijden van belangentegenstellingen 7) informatieverplichtingen en 8) postcontractuele verplichtingen (zie Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/93). Voor de productieovereenkomsten, die niet zijn te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht, geldt (in ieder geval) de algemene zorgplicht van artikel 6:2 lid 1 BW. In het licht van het feit dat partijen uiteindelijk een viertal overeenkomsten hebben gesloten, waren de hiervoor vermelde zorgplichten ook in de precontractuele fase van toepassing. Deze zorgplicht in die fase vloeit voort uit hetgeen waartoe de eisen van de redelijkheid en billijkheid partijen verplichten.

5.31. Verder is van belang dat MAS en Spinnin professionele (markt)partijen zijn die zich jegens [eiser] verplicht hebben om ‑ kort gezegd - ‘zo goed als mogelijk’ als manager de zakelijk en artistieke belangen van [eiser] te behartigen alsook zijn muziek te exploiteren. Voor dergelijke beroepsbeoefenaren wordt de norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot gehanteerd. De vraag of gehandeld is als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

5.32. Voor de management- en productieovereenkomsten wordt de zorgplicht nog verder ingekleurd door de omstandigheid dat [A] en [B] (indirect) eigenaren en (indirect) bestuurders zijn van zowel Spinnin als MAS en dat [A] en [B] aandeelhouders zijn/waren van onder meer Rodeo Media.

5.33. Schending van de zorgplicht kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst(en) en soms ook op grond van onrechtmatig daad. Daarnaast kan de zorgplicht aan de orde komen bij een beroep op dwaling.

Fonogrammenproducentschap (zie 5.3. onder 9.)

De stellingen van [eiser]

5.34. [eiser] stelt dat hij met betrekking tot de bij 3.1 (A.) onder 8a. tot en met x. genoemde tracks als fonogrammenproducent in de zin van de wet op de naburige rechten (verder ook: de WNR) is aan te merken. Ter onderbouwing van deze stelling voert [eiser] onder meer het volgende aan. Hij (en niet Spinnin) heeft de kosten voor de vervaardiging van iedere track op zich genomen. Dit wordt bevestigd door de productieovereenkomsten waaruit volgt dat [eiser] alle kosten voor uitvoerende kunstenaars, co-producers, studiokosten en andere kosten die verband houden met de productie van een track dient te dragen (zie 2.12.3 en 2.16). [eiser] heeft dat ook gedaan. Hij heeft de tracks namelijk gemaakt op zijn zolderkamer, of in een studio die hij zelf had gehuurd, met apparatuur die hij zelf had gekocht en betaald. Dit geldt ook voor zijn doorbraak-hit “Animals’. Die track, en ook de andere, zijn bovendien origineel (niet een combinatie van bestaande tracks) en zijn ook door [eiser] zelf of op zijn kosten gemasterd.

5.35. Volgens [eiser] betekent dit alles (1) dat het bepaalde in artikel 6 van de productieovereenkomsten (zie 2.12.6, inhoudende dat Spinnin als fonogrammenproducent is te beschouwen, onjuist is, (2) dat Spinnin bij de Stichting ter Exploitatie van Naburige rechten (verder: Sena) ten onrechte als fonogrammenproducent is geregistreerd en (3) dat Spinnin ten onrechte vergoedingen van Sena heeft ontvangen. [eiser] vordert daarom een verklaring voor recht dat hij als fonogrammenproducent is aan te merken voor zover het de tracks betreft die hij in de periode 20 juli 2012 tot en met 21 augustus 2015 (met anderen) heeft gemaakt (vordering 8.), Spinnin te veroordelen opgave te doen van de inkomsten die zij heeft ontvangen voor elk van deze tracks uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent (vordering 9.) en Spinnin te veroordelen tot betaling van het bedrag dat volgt uit deze opgave (vordering 10.).

De stellingen van Spinnin

5.36. Primair voert Spinnin aan dat [eiser] geen belang heeft bij een beoordeling van zijn vorderingen 8., 9. en 10. Daartoe is namens Spinnin bij pleidooi het volgende gesteld. Spinnin en [eiser] hebben in de productieovereenkomsten afgesproken dat aan Spinnin de Sena-vergoedingen toekomen, ongeacht het antwoord op de vraag wie de fonogrammenproducent is. Voor de periode na 1 december 2015 tot aan 1 januari 2023 hebben partijen in artikel 16 van de vaststellingsovereenkomst een afspraak gemaakt over een verdeling van die vergoedingen (zie 2.32.). Tot aan 1 januari 2023 heeft [eiser] dus geen (geldelijk) belang bij zijn vorderingen 8. en 9. Voor de periode na 1 januari 2023 hebben partijen in de vaststellingingsovereenkomst afgesproken dat Spinnin zal meewerken aan de aanmelding van [eiser] als fonogrammenproducent bij Sena als in de bodemprocedure onherroepelijk komt vast te staan dat [eiser] de fonogrammenproducent is. Tijdens het pleidooi heeft Spinnin evenwel aangegeven dat, omdat de verwachting is dat in 2023 de genoemde 23 nummers niet meer veel zullen opbrengen, Spinnin geen beroep zal doen op deze voorwaarde, maar wel onder het voorbehoud dat het beroep van [eiser] op vernietiging, ontbinding of beeindiging van de productieovereenkomsten in de onderhavige procedure wordt verworpen. Door dit onherroepelijke (voorwaardelijke) aanbod is de situatie simpel: tot 1 januari 2023 heeft Spinnin contractueel aanspraak op de ‘fonogrammengelden” en daarna [eiser] . De vraag wie juridisch de fonogrammenproducent is, kunnen partijen verder bij de borrel uitvechten, aldus steeds Spinnin.

5.37. Subsidiair stelt Spinnin het volgende. Met betrekking tot de door [eiser] genoemde tracks - en in tegenstelling tot wat [eiser] hierover aanvoert - is Spinnin aan te merken als fonogrammenproducent in de zin van de naburige rechten. Daarom heeft Spinnin zich ook bij Sena als fonogrammenproducent mogen (doen) registreren en zijn de vergoedingen die Spinnin uit hoofde van die registratie heeft ontvangen terecht aan haar gedaan. Dat zij als fonogrammenproducent moet worden aangemerkt, wordt bevestigd door de handboeken ‘Auteursrecht’ (Spoor/Verkade/Visser, Kluwer 2005) en ‘Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht’ (Gielen (red.) Kluwer 2014). In die handboeken is over dit onderwerp onder meer geschreven: “Als producent wordt aangemerkt het bedrijf dat het fonogram maakt of laat maken (…). Bepalend is niet wie het fonogram feitelijk tot stand brengt, maar wie de financiële verantwoordelijkheid draagt.” en “Uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak volgt dat het dragen van de financiële verantwoordelijkheid (het exploitatierisico) dan vooropstaat.” Omdat het Spinnin was die de financiële eindverantwoordelijkheid droeg voor de exploitatie van iedere track van [eiser] , zoals onder meer kosten van de daadwerkelijke exploitatie en alle daarvoor benodigde activiteiten, is Spinnin de fonogrammenproducent. En voor zover [eiser] initieel de kosten van de feitelijke productie van de door hem aangeleverde geluidsbanden heeft gedragen, werden deze ingevolge art. 10 van de Productie Overeenkomst 2012 (zie 2.12.7) en art. 8 van de Productie Overeenkomst 2013 (zie 2.16) volledig gecompenseerd door de royalty’s die hij voor deze werkzaamheden ontving. Verder was Spinnin, door tussenkomst van haar werknemer [F] , nauw betrokken bij de (creatieve) totstandkoming van de 23 tracks. Dit alles brengt mee dat Spinnin eigen naburige rechten heeft, die rechtsreeks aan de wet zijn ontleend (artikel 6 WNR). Ten aanzien van die rechten kom dus alleen Spinnin een vergoedingsrecht toe, wat de conclusie rechtvaardigt dat de vorderingen 8., 9. en 10. moeten worden afgewezen.

Belang

5.38. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of [eiser] een belang heeft bij zijn vorderingen 8., 9. en 10. Daartoe wordt het volgende overwogen. De toezegging van Spinnin om na 1 januari 2023 mee te werken aan een registratie van [eiser] als fonogrammenproducent bij Sena heeft zij gedaan, zoals hiervoor al onder 5.36. is overwogen, onder de voorwaarde dat de rechtbank het beroep van [eiser] op vernietiging, ontbinding of beëindiging van de productieovereenkomsten verwerpt (zie randnummer 42 pleitaantekeningen). Nu deze voorwaarde zich niet voordoet, zoals uit de latere overwegingen uit dit vonnis blijkt, geldt tussen partijen nog steeds de afspraak dat Spinnin pas zal meewerken aan de registratie van [eiser] als fonogrammenproducent bij SENA als onherroepelijk vaststaat dat hij als zodanig moet worden aangemerkt. Hiermee is het belang van [eiser] bij de beoordeling van de vorderingen 8., 9. en 10. al gegeven.

Inleiding

5.39. Voordat een oordeel wordt gegeven over de vorderingen 8., 9. en 10. van [eiser] , moet een analyse worden gemaakt van wat de WNR onder een fonogrammenproducent verstaat. Bij die analyse zal de rechtbank de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur betrekken en ook kijken naar hetgeen de door partijen naar voren geschoven deskundigen over dit onderwerp hebben geschreven. Door partijen zijn de volgende deskundigeberichten in het geding gebracht:

a) Joint Legal Opinion in de case of [eiser] v. Spinnin Records of Prof. Dr. P. Bernt Hugenholtz and Prof. Dr. Thomas Dreier (overgelegd door [eiser] bij repliek);

b) Legal Opinion van 8 november 2016 in de case Spinnin Records B.V. v [eiser] by Brigitte Lindner, rechtsanwältin (Bar of Berlin) and Registered European Lawyer (BSB, Engeland &Wales) van 8 november 2016 (overgelegd door Spinnin bij dupliek);

c) Legal Opinion Spinnin Records t. [eiser] : de kwalificatie als “producent van fonogram” door Prof. Dr. F. Brison (overgelegd door Spinnin bij dupliek);

d) Legal Opinion van 8 november 2016 in de case Spinnin Records B.V. /. [eiser] by Prof. Dr. Jan Bernd Nordemann L.L.M. (Cambridge), German attorney-at-law, Berlin, Honorary Professor at the Humboldt-University Berlin and Dr. Martin, German attorney-at-law, Berlin (overgelegd door Spinnin bij dupliek);

e) Opinie Spinnin Records B.V. / [eiser] van 8 november 2016 door Prof. mr. J.H. Spoor (overgelegd door Spinnin bij dupliek);

f) Additional Joint Legal Opinion in de case of [eiser] v. Spinnin Records of Prof. Dr. P. Bernt Hugenholtz and Prof. Dr. Thomas Dreier (overgelegd door [eiser] bij akte uitlating producties).

De verdragen en wetten

5.40. De eerste internationale regeling waarin aandacht wordt besteed aan naburige rechten van (onder meer) een fonogrammenproducent betreft het Internationale Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961 (hierna: Verdrag van Rome). In artikel 3 wordt onder het begrip ‘fonogram’ respectievelijk ‘producent van fonogrammen’ verstaan:

“iedere uitsluitend hoorbare vastlegging van klanken van een uitvoering of van andere klanken;”

“de natuurlijke- of rechtspersoon die de klanken van een uitvoering of andere klanken voor het eerst vastlegt;

5.41. Het naburig recht van de producent van fonogrammen is in de Europese Unie ingevoerd bij richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (verder: Richtlijn 92/100). Deze richtlijn is inmiddels vervangen door richtlijn 2006/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (verder: Richtlijn 2006/115). In richtlijn 92/100 noch in richtlijn 2006/115 worden definities gegeven van de begrippen ‘fonogram’ of ‘producent van fonogrammen’.

5.42. In 1996 is het Verdrag van de Wereldorganisatie voor intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen tot stand gekomen, dat vervolgens in 2002 in werking is getreden (verder: WPPT). In artikel 2 van dit verdrag zijn de begrippen ‘fonogram’ en ‘producent van fonogrammen’ geherformuleerd. Verder is het begrip ‘vastlegging’ aan de begrippenlijst toegevoegd. Deze drie begrippen luiden in WPPT als volgt:

“fonogram: de vastlegging van geluiden van een uitvoering of van een andere geluiden, of van een weergave van geluiden anders dan in de vorm van een vastlegging, opgenomen in een cinematografisch werk of een ander audiovisueel werk;”

“vastlegging: de opname van geluiden of van de weergave daarvan, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, geproduceerd of medegedeeld door middel van een toestel;”

“producent van een fonogram: de natuurlijke of rechtspersoon die het initiatief neemt tot en verantwoordelijk is voor de eerste vastlegging van de geluiden van een uitvoering of andere geluiden, of van de weergave van geluiden;”

5.43. De WNR is op 1 juli 1993 in werking getreden en is in 1995 in overeenstemming gebracht met Richtlijn 92/100. Later is nog een aantal wijzigingen van de WNR doorgevoerd, dit naar aanleiding van andere Europese richtlijnen die op het onderwerp van naburige rechten betrekking hebben. In artikel 1 van de WNR zijn onder meer de definities van ‘opnemen’, ‘fonogram’ en producent van fonogrammen’ omschreven. Die luiden als volgt:

“opnemen: geluiden, beelden of een combinatie daarvan voor de eerste maal vastleggen op enig voorwerp dat geschikt is om deze te reproduceren of openbaar te maken;”

fonogram: iedere opname van uitsluitend geluiden van een uitvoering of andere geluiden;”

“producent van fonogrammen: de natuurlijke of rechtspersoon die een fonogram voor de eerste maal vervaardigt of doet vervaardigen;”

5.44. Uit overweging 7 van richtlijn 2006/115 blijkt dat die richtlijn ertoe strekt de wetgeving van de lidstaten zodanig te harmoniseren dat zij niet in strijd komt met de internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd. Dit betekent dat de begrippen van richtlijn 2006/115, maar ook die uit de WNR, tegen de achtergrond van die internationale verdragen moeten worden uitgelegd, waaronder begrepen het Verdrag van Rome en WPPT. Dit moet gebeuren op een wijze dat de uitleg van de respectieve begrippen met elkaar verenigbaar blijft, ook rekening houdend met de context waarin die begrippen passen en met het door de relevante verdragsbepalingen beoogde doel (zie in die zin HvJ 16 februari 2017, zaak C-641/15 ‘Hotel Edelweiss). Kort gezegd: nu de WNR (thans) voortvloeit uit verschillende Europese richtlijnen, dient deze Nederlandse wet en de daarin opgenomen definities richtlijnconform te worden uitgelegd. Ook Hugenholz/Dreier (zie 5.39 onder a) en f)), en Lindner (zie 5.39 onder b)) en Brison (zie 5.39 onder c)) komen tot deze conclusie.

Doel van de bescherming van een fonogrammenproducent

5.45. Voor de uitleg van de begrippen ‘fonogram’, ‘producent van fonogrammen’, ‘vastlegging’ en ‘opnemen’ is dus (ook) het met de relevante verdragsbepalingen beoogde doel van belang. In Richtlijn 92/100 en Richtlijn 2006/115 wordt in de considerans over het doel van de bescherming van fonogrammenproducenten - onder meer - overwogen dat:

“de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen (…) vereist zijn, bijzonder hoog en riskant zijn en dat de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, alleen dan daadwerkelijk kan worden gegarandeerd door een passende en juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.”

5.46. In de memorie van toelichting bij het Nederlandse wetvoorstel van de WNR is over de definitie ‘fonogrammenproducent’ onder meer het volgende geschreven:

Centraal in de definitie staat het vervaardigen. Dit begrip moet zodanig worden uitgelegd dat de persoon die de organisatie van de eerste opname op zich neemt en die daarvoor de financiële verantwoordelijkheid heeft, als fonogrammenproducent wordt aangemerkt. (…)”

Uitleg betekenis definitie ‘fonogrammenproducent’ in de WNR

5.47. Uit de algemene beschouwingen die hiervoor zijn gegeven kan worden vastgesteld dat de Europese wetgever met het naburig recht van de fonogrammenproducent bescherming heeft willen bieden aan de partij die de investeringen doet voor de eerste vastlegging van een opname. Of anders gezegd: degene die het financiële risico draagt van de kosten die gemoeid zijn met de eerste vastlegging van een opname, komt dat naburig recht toe. Dit risico betekent dat de partij die in de eerste vastlegging van een opname investeert, zijn geld kwijt is als die opname geen succes wordt of die investering niet terugverdient als de platenmaatschappij besluit niet tot exploitatie over te gaan. Dit betekent dat alle andere kosten die gemoeid gaan met het tot stand komen van een muzieknummer en de promotie en exploitatie daarvan in beginsel geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde partij als fonogrammenproducent moet worden aangemerkt.

5.48. Zowel in de processtukken als ter comparitie hebben partijen zich uitgelaten over de wijze van totstandkoming van een bepaalde track en de vraag wie de kosten van de opnames van de eerste vastlegging van de verschillende tracks heeft gefinancierd. Uit de in dit verband door partijen verwoorde stellingen, die veelal op de doorbraak-hit ‘Animals’ betrekking hebben, kunnen de volgende feiten en omstandigheden als onbetwist en dus als vaststaand worden aangenomen:

  1. [eiser] begint met het componeren van een track vaak vanuit een op zijn gitaar gespeeld melodietje of bepaalde akkoorden of een bepaalde songtekst. Soms wordt daaraan een geluidseffect door hem toegevoegd. De instrumenten worden door [eiser] zelf bespeeld en direct opgenomen en soms wordt er ook een muzikant ingehuurd. Met betrekking tot het nummer Animals geldt meer specifiek dat hij op enig moment (liggend in bed) een bepaald melodietje in zijn hoofd had en dat hij dit melodietje via een midi-keyboard op zijn computer heeft opgenomen. De op de computer vastgelegde (midi)noten zijn via plug-ins door hem verder bewerkt en afgespeeld. Aan de aanvankelijk eerste laag van de synthesizer zijn door [eiser] meerdere lagen en geluidseffecten toegevoegd en bewerkt. De percussie in het nummer is zelf door hem opgenomen door middel van een drumkit. In het nummer Animals zijn geen bestaande nummers gebruikt. Naast eigen gecompenseerde geluidseffecten heeft hij gebruik gemaakt van toevoegingen afkomstig van bepaalde sampletracks (o.a. de drop, kicks, sweeps en build-ups).

  2. Tijdens het creatieproces van een nummer liet [eiser] de ruwe versie vaak aan een aantal derden horen en ook aan Spinnin. De feedback van Spinnin kreeg [eiser] met name van [F] (creatief werknemer bij Spinnin). Het geven van feedback gebeurde onder meer tijdens telefoongesprekken en meetings bij Spinnin die iedere maand of om de maand plaatsvonden. De inbreng tijdens deze feedback-sessies combineerde [eiser] met de inbreng van anderen, waaronder bijvoorbeeld ook [M] . Daarna paste [eiser] het nummer zelf op zijn computer aan en ontstond er weer een nieuwe versie. Soms maakte [eiser] ook gebruik van een opnamestudio waarvan hij de kosten zelf betaalde of leende hij van de studio professionele microfoons voor eigen opnames bij hem thuis. Na verloop van tijd heeft [eiser] meer apparatuur zelf aangeschaft.

  3. Als [eiser] van mening was dat een bepaalde track af was, masterde hij de track zelf of liet hij dat op eigen kosten door een derde doen (masteren (of afmixen) houdt in dat de verschillende geluiden en instrumenten in een nummer op elkaar worden afgestemd zodat die allemaal voldoende tot hun recht komen). Hierna maakte [eiser] van de track een mp3-bestand en stuurde dat naar Spinnin. Soms was dat nog niet de uiteindelijke versie, omdat er naar aanleiding van een opmerking van Spinnin of van een derde door [eiser] nog een aanpassing aan het nummer werd gedaan.

  4. Als Spinnin het nummer goedkeurde, ging Spinnin aan de slag met de exploitatie van de finale versie van dat nummer. Deze exploitatie hield in dat Spinnin (1) onderhandelde en contracten sloot met derden als die een (auteursrechtelijke) bijdrage aan het nummer hadden geleverd, (2) een remix van het nummer ten behoeve van de radio maakte, (3) (verdere) promotie ten behoeve van televisie en radio uitvoerde, (4) haar best deed om het nummer op allerlei playlisten op internet en spotify te krijgen, (5) de content van het you-tube kanaal/videokanaal van Spinnin (17 miljoen volgers) aanvulde met de platenhoes, songteksten, video’s etc. van het nummer (6) contacten in het buitenland aanboorde en (7) allemaal andere werkzaamheden uitvoerde die van het nummer in kwestie een succes zou kunnen maken.

5.49. Deze feitelijke gang van zaken in samenhang met het hiervoor omschreven algemeen juridisch kader rechtvaardigt de conclusie dat [eiser] als fonogrammenproducent van de 23 tracks is aan te merken. Het is namelijk [eiser] geweest die de eerste vastlegging van zijn nummers heeft verzorgd en de kosten daarvan heeft gedragen. Of in de woorden van het Verdrag van Rome en WPPT te spreken: [eiser] verzorgde de eerste vastlegging van zijn nummers, nam het initiatief daarvoor en was daarvoor verantwoordelijk. Dit volgt al uit het feit dat de gehele opname (vastlegging) van een nummer door [eiser] zelf werd gedaan. Hij deed dat thuis op zijn eigen apparatuur en met zijn eigen instrumenten. Ook de uiteindelijke mastering van de finale versie van het nummer werd door hemzelf of op zijn kosten gedaan. Met dit gehele opnameproces, dat wil zeggen de feitelijke vastlegging van het nummer, had Spinnin geen bemoeienis. Ook volgens de definities van de WNR, die dus conform het bepaalde in het verdrag van Rome en WPPT moeten worden uitgelegd, is [eiser] als producent van zijn fonogrammen te beschouwen. Hij nam de geluiden van de nummers immers op en vervaardigde de finale versie van het nummer, welke finale versie vervolgens kon dienen om gereproduceerd en openbaar gemaakt te worden.

5.50. Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] ook de investeringen voor de eerste vastlegging van zijn nummers op zich nam. Hij droeg het financiële risico daarvan. [eiser] gebruikte bij de vervaardiging en opname van zijn nummer immers eigen apparatuur en instrumenten en droeg de kosten daarvan. Ook huurde hijzelf een opnamestudio als hij die nodig had en betaalde hij derden als die een bijdrage aan een nummer leverde. Dit wordt bevestigd door artikel 3 van de productieovereenkomst 2012 en artikel 8 van de productieovereenkomst 2013, waaruit volgt dat [eiser] alle kosten die verband houden met de vastlegging van een nummer dient te dragen en Spinnin daarvoor dient te vrijwaren. De stelling van Spinnin dat de kosten die [eiser] maakte volledig werden gecompenseerd door de royalty’s die hij van Spinnin ontving, maakt dit alles niet anders. Die royalty’s werden namelijk alleen betaald als het nummer een succes werd en daardoor inkomsten werden gegenereerd. Met andere woorden: als het nummer geen succes zou worden, ontving [eiser] niets en bleef hij met de kosten zitten. Dit toont aan dat het financiële risico van de eerste vastlegging (opname) bij [eiser] rustte. Dat was ook het geval als [eiser] een track opnam en Spinnin daarin geen toekomst zag. Spinnin kon in dat geval besluiten niet tot exploitatie van de track over te gaan, zonder dat zij de door [eiser] gemaakte kosten in verband met de vastlegging van die track hoefde te vergoeden. Ook dit toont aan dat het financiële risico bij [eiser] lag en niet bij Spinnin.

5.51. De vraag of de bemoeienissen van [F] bij de totstandkoming van de finale versie van een nummer meebrengt dat (ook) Spinnin als (gedeeld) fonogrammenproducent heeft te gelden, beantwoordt de rechtbank negatief. De tips en adviezen die [F] aan [eiser] gaf hebben wellicht bijgedragen aan het creatieve proces en het ontstaan van de uiteindelijke finale compositie van het nummer, maar dat betreft niet de daadwerkelijke vastlegging of opname van de geluiden waarop de WNR ziet. Die daadwerkelijke vastlegging werd, zoals hiervoor al is overwogen, door [eiser] zelf gedaan. Als overigens wordt aangenomen dat de adviezen en tips van [F] wel (mede) op werkzaamheden zien die verbandhouden met de eerste vastlegging van een track, is de conclusie ook dat [eiser] fonogrammenproducent van zijn nummers is (gebleven). Niet aannemelijk is namelijk geworden dat de adviezen en tips van [F] van zodanige substantiële betekenis waren dat het initiatief en de verantwoordelijkheid van de vastlegging van de finale versie van een nummer (gedeeltelijk) van [eiser] naar Spinnin is verschoven en/of dat Spinnin de financiële risico’s hiervoor (gedeeltelijk) van [eiser] heeft overgenomen.

5.52. Het feit dat de door [eiser] gemaakte kosten in verband met de eerste vastlegging van iedere nummer mogelijk niet kunnen worden gekenmerkt als bijzonder hoog en riskant, waarover wel in de considerans van Richtlijn 92/100 en Richtlijn 2006/115 wordt gesproken, brengt in het vorenstaande evenmin verandering. Hiervoor zijn diverse redenen. Ten eerste blijkt nergens uit dat in de aan de orde gekomen richtlijnen, verdragen en wetgeving een minimum is gesteld aan de kosten die een partij moet maken om als fonogrammenproducent aangemerkt te kunnen worden. Ten tweede is het een feitelijk gegeven dat het naburig recht van de fonogrammenproducent een wettelijke grondslag heeft gekregen waartegenover een recht op vergoeding staat (artikel 7 WNR). Ieder muzieknummer wordt vastgelegd/opgenomen en in de regel zal daarom bij ieder muzieknummer een fonogrammenproducent bij Sena worden geregistreerd, ongeacht de vraag welk financieel risico precies is gelopen. Ten derde is de technische ontwikkeling er de oorzaak van dat tegenwoordig ook met een kleine investering muziekwerken kunnen worden geproduceerd. Het is bijvoorbeeld niet altijd meer nodig om een kostbare studio te huren en andere kosten te maken die de vastlegging van een fonogram financieel riskant maakt. Deze stand van zaken leidt er echter niet toe dat daarom een andere partij, die niet het financiële risico draagt van de eerste opname, zoals Spinnin, als fonogrammenproducent heeft te gelden. Daarvoor is geen wettelijke grondslag.

5.53. Ter comparitie is namens Spinnin bevestigd dat voor het ontstaan van het nummer ‘Animals’ geen andere werkzaamheden/investeringen zijn verricht dan de adviezen en tips van [F] . Dat Spinnin voor (de vastlegging van) andere tracks van [eiser] meer of andere investeringen heeft gedaan, is niet gesteld en is de rechtbank ook anderszins niet gebleken. Dit neemt niet weg dat Spinnin in verband met de promotie en exploitatie van de tracks van [eiser] veel heeft geïnvesteerd. Dit betreffen echter allemaal kosten en risico’s die met de eerste vastlegging van de opnames en “het zijn” van fonogrammenproducent in de zin van de WNR niets te maken hebben. Deze inspanningen en kosten heeft Spinnin verricht respectievelijk gemaakt op grond van haar uit de productieovereenkomsten jegens [eiser] voortvloeiende exploitatierechten. Daarvoor zijn partijen in de productieovereenkomsten een vergoedingsstructuur overeengekomen, die ervoor moest zorgen dat Spinnin die investeringen kon terugverdienen.

Conclusie

5.54. Uit alles wat hiervoor is overwogen volgt dat [eiser] fonogrammenproducent is van de door hem gemaakte tracks. Hierdoor heeft [eiser] het in artikel 1a WNR omschreven bewijsvermoeden ontzenuwt. Ook volgt hieruit dat het bepaalde in artikel 6 van de productieovereenkomsten geen (bewijs)waarde heeft. Zoals Brison in haar legal opinion omschrijft, is het wel of niet worden beschouwd als “producent van fonogrammen” namelijk een rechtsfeit waarvan de kwalificatie niet aan de beoordeling van partijen in een overeenkomst kan worden overgelaten. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] als fonogrammenproducent is aan te merken voor zover het de tracks betreft die hij in de periode 20 juli 2012 tot en met 21 augustus 2015 (met anderen) heeft gemaakt, wordt daarom toegewezen. Nu uit de formulering van vordering 8. en de stellingen onder randnummer 526 van zijn conclusie van repliek volgt dat [eiser] zichzelf ten aanzien van bepaalde tracks slechts ten dele als fonogrammenproducent beschouwd, wordt de vordering toegewezen met inachtneming van de door [eiser] zelf aangegeven percentages.

5.55. In de vorderingen 9. en 10. verzoekt [eiser] aan de rechtbank - kort gezegd - om Spinnin te veroordelen om opgave te doen van de inkomsten die Spinnin heeft genoten uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent voor elk van de genoemde tracks (vordering 9.) en om Spinnin te veroordelen om deze inkomsten aan [eiser] te betalen (vordering 10.). Op deze vorderingen zal nog niet worden beslist. Het komt de rechtbank wenselijk voor om alle geldvorderingen van [eiser] gezamenlijk te behandelen en daarop, met inachtneming van het onderlinge verband, indien aanwezig, te beslissen. Op de overige geldvorderingen zal in dit vonnis niet worden beslist, zodat de rechtbank haar oordeel over de onderhavige geldvordering ook zal aanhouden. Daarbij komt, zoals hieronder nader zal worden toegelicht (zie 5.119.) dat [eiser] allereerst in de gelegenheid wordt gesteld een nadere toelichting te geven op de daar vermelde onderdelen van zijn geldvorderingen. Een van die onderdelen houdt in dat [eiser] dient toe te lichten wat het verschil is tussen de onder 10. bedoelde geldvordering en het bedrag van € 597.542,- dat als onderdeel van vordering 2. wordt gevorderd en waarover [eiser] zelf heeft gesteld dat het is gebaseerd op de door Spinnin geïncasseerde Sena- en SoundExchange-gelden. Het is de rechtbank onduidelijk of deze vorderingen verschillend zijn of feitelijk op hetzelfde betrekking hebben, in welk geval deze gelden twee keer van Spinnin worden gevorderd. Indien het hier gaat om hetzelfde, namelijk de inkomsten die Spinnin heeft ontvangen uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent, valt niet zonder verdere toelichting van [eiser] in te zien welk belang [eiser] heeft bij de onder vordering 9. verzochte opgave. [eiser] heeft de omvang van haar vordering op dit punt immers kennelijk al exact kunnen opmaken (hetgeen ook lijkt te volgen uit productie 70 waarin een specificatie wordt gegeven van de gevorderde gelden). Ook dient [eiser] een nadere toelichting te geven op de (juridische) grondslag waarop hij de Sena- en SoundExchange-gelden van Spinnin vordert. Ten slotte dient [eiser] nader toe te lichten waarom en met welk belang de vorderingen 9. en 10. onbeperkt in tijd worden gevorderd, terwijl partijen op 1 december 2015 afspraken hebben gemaakt over een verdeling van de Sena-inkomsten vanaf 1 januari 2016. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar de door haar geformuleerde vragen 5 en 6 onder 5.119. van dit vonnis.

Dwaling (zie 5.3. onder 10.)

Inleidende opmerkingen

5.56. In de brief van 29 juli 2015 heeft [eiser] de productieovereenkomsten 2012 en 2013 en de managementovereenkomsten 2012 en 2013 met een beroep op de wilsgebreken dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden vernietigd (zie 2.27).

5.57. Op grond van het bepaalde in art. 6:228 lid 1 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

5.58. Over het beroep op dwaling stelt [eiser] dat de overeenkomsten gesloten zijn op grond van de door [A] / [B] namens Spinnin en MAS gedane mededelingen (art. 6:228 lid 1 onder a BW) dan wel wegens het juist verzwijgen van relevante informatie (art. 6:228 lid 1 onder b BW).

5.59. Bij de beoordeling van het beroep op een wilsgebrek als bedoeld in artikel 6:228 BW komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij het aangaan van de overeenkomsten. Niet is vereist dat degene die zich op vernietiging beroept door het aangaan van de overeenkomst is benadeeld; wel is vereist dat hij zonder het wilsgebrek de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854).

Stellingen van partijen over dwaling managementovereenkomst 11 juli 2012 en productieovereenkomst 20 juli 2012

5.60. [eiser] voert ter onderbouwing van zijn standpunt dat de managementovereenkomst en de productieovereenkomst in 2012 tot stand zijn gekomen onder invloed van dwaling - kort samengevat - het volgende aan. [A] en [B] hebben namens Spinnin en/of MAS onjuiste mededelingen gedaan aan [vader eiser] , te weten:

- dat de voorwaarden in de productieovereenkomst en de managementovereenkomst marktconform zijn;

- dat het volstrekt gebruikelijk is dat een artiest zowel het management als het uitbrengen van de producties in handen van dezelfde partij geeft;

- dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om het gevaar van belangenverstrengeling tegen te gaan.

5.61. Daarnaast hebben [A] en [B] namens Spinnin en/of MAS ten onrechte relevante informatie verzwegen, te weten:

  • dat er innige verwevenheid is tussen Spinnin en MAS, maar ook tussen Spinnin, Rodeo Media, Doorn Music en hun aandeelhouders [A] , [F] en [B] ;

  • dat [eiser] wellicht als de fonogrammenproducent beschouwd kon worden van de door hem gemaakte muzieknummers;

  • dat Spinnin zelf geen cd’s maakte, maar dat liet doen door (sub)licentienemers Rodeo Media en Doorn Music, waarvan [A] , [B] en [F] zelf aandeelhouder waren/zijn;

  • dat de overeengekomen royalty van 30% in de productieovereenkomst in werkelijkheid aanzienlijk minder bedroeg door de (sub)licenties voor exploitatie van tracks in het buitenland, dat door Spinnin aan derden werd overgelaten;

  • dat de YouTube-inkomsten (enige aanspraak daarop was door Spinnin contractueel uitgesloten) een aardige inkomstenbron zouden kunnen vormen;

  • dat er risico’s, zoals het risico van faillissement, verbonden waren aan de overdracht van de muziekopnames;

  • dat MAS in 2012 geen team van werknemers had;

  • dat de werknemers van Spinnin de (door [A] in zijn e-mail van 16 juli 2012 beschreven) managementtaken van MAS zouden verrichten;

  • dat deze managementtaken al behoorden tot de contractuele taken van Spinnin.

5.62. Als [A] en [B] namens Spinnin en/of MAS niet de onder 5.60 genoemde onjuiste mededelingen hadden gedaan en/of niet de onder 5.61 genoemde informatie hadden verzwegen, zou [eiser] niet de productieovereenkomst en de managementovereenkomst in 2012 zijn aangegaan, althans niet op de overeengekomen voorwaarden, aldus steeds [eiser] .

5.63. Spinnin en MAS betwisten dat [vader eiser] heeft gedwaald. Er zijn namens Spinnin en/of MAS namelijk geen onjuiste mededelingen gedaan en er is geen mededelingsplicht geschonden. Ook kan er geen sprake zijn van dwaling aan de zijde van [vader eiser] omdat hij en [eiser] al voor de ondertekening van beide overeenkomsten ervaren “dealmakers” waren en [vader eiser] zich voorafgaand aan de ondertekening van de overeenkomsten in 2012 heeft laten adviseren door [C] en [N] . Verder hebben Spinnin en MAS gesteld dat [eiser] zich beroept op een louter toekomstige omstandigheid, hetgeen zich ingevolge het bepaalde in artikel 6:228 lid 2 BW verzet tegen vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling.

Verwijt belangenverstrengeling (algemeen)

5.64. Naar de rechtbank begrijpt betreft het hoofdverwijt van [eiser] dat Spinnin en MAS bij het aangaan van de overeenkomsten 2012 de indruk hebben gewekt dat zij professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] , ook als er zich een belangenverstrengeling zou voordoen tussen MAS in haar hoedanigheid van manager van [eiser] en Spinnin als platenmaatschappij, en dat deze indruk niet juist is gebleken.

5.65. De rechtbank zal allereerst beoordelen of Spinnin en MAS bij [eiser] de indruk hebben gewekt dat zij professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] bij een belangenverstrengeling tussen MAS en Spinnin. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank van het volgende uit.

5.66. Op 20 juni 2012 heeft [A] aan [eiser] zowel een productieovereenkomst met Spinnin als een managementovereenkomst met MAS via e-mail in concept voorgelegd. Na een daaropvolgende e-mailwisseling tussen [vader eiser] en [A] vond er op 26 juni 2012 een gesprek plaats tussen [vader eiser] enerzijds en [A] en [B] namens Spinnin/MAS anderzijds. In dat gesprek is een aantal hoofdpunten uit de conceptcontracten besproken, waarna [vader eiser] de conclusie heeft getrokken dat hij juridisch advies wilde inwinnen omdat het hem iets teveel werd. [vader eiser] heeft vervolgens over beide conceptovereenkomsten advies ingewonnen van [C] , zijnde de bedrijfsjuriste van Universal (zie 2.9.), en een quickscan gevraagd aan advocaat [N] (zie 2.10.). Het commentaar van de adviseurs kwam er onder meer op neer dat zich een onwenselijke belangenverstrengeling zou kunnen voordoen tussen Spinnin en MAS, nu [A] zowel directeur van Spinnin alsook directeur van MAS was. [vader eiser] heeft vervolgens de inhoud van de door hem ingewonnen adviezen van [C] en [N] besproken met [A] . [A] zei ten aanzien van het door de adviseurs gesignaleerde gevaar van belangenverstrengeling aan [vader eiser] dat “zij professioneel genoeg waren om dat goed van elkaar te scheiden” en wees erop dat het hier om twee aparte bedrijven ging. Daarna is op 11 juli 2012 de managementovereenkomst getekend. Nadat [A] in een e-mail van 16 juli 2012 aan [vader eiser] nog wees op de voordelen van “alle 3 in 1 hand”, zijnde publishing, management en platencontract (zie productie 30 conclusie van antwoord in conventie), heeft [vader eiser] de productieovereenkomst op 20 juli 2012 getekend.

5.67. De door [eiser] gestelde mededeling van [A] dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om de belangenverstrengeling tussen beide bedrijven goed van elkaar te scheiden, waarbij bovendien nog is meegedeeld dat het ook om twee aparte bedrijven ging, is door Spinnin en MAS niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan. Nu deze mededeling is gedaan in reactie op het nadrukkelijk door [vader eiser] uiten van zorgen over het gevaar van belangenverstrengeling, welk gevaar was gesignaleerd door de door hem ingeschakelde adviseurs, is expliciet door Spinnin en MAS de indruk gewekt dat zij professioneel genoeg waren om op een voor [eiser] goede wijze om te gaan met zijn belangen bij een belangenverstrengeling tussen MAS als manager van [eiser] en Spinnin als de platenmaatschappij. Dat [eiser] deze indruk kon en mocht krijgen, volgt ook uit de bijzondere zorgplicht van MAS, zoals omschreven onder punt 5.30 van dit vonnis. Die zorgplicht bracht onder meer mee dat MAS gehouden was de belangen van [eiser] voorop te stellen en maatregelen te nemen tot het vermijden van belangenverstrengeling.

5.68. Vervolgens zal de vraag worden behandeld of de door Spinnin en MAS gewekte indruk onjuist is gebleken. Daarvoor voert [eiser] diverse argumenten aan, die de rechtbank ‑ voor zover nodig ‑ hieronder zal bespreken.

Verwijt belangenverstrengeling (geen werknemers MAS)

5.69. Allereerst stelt [eiser] dat Spinnin en MAS hem in de gesprekken over de contracten een onjuiste voorstelling van zaken heeft voorgespiegeld door hem te doen geloven dat MAS een eigen team van mensen had dat zich zou bezighouden met het management voor [eiser] . Volgens [eiser] is hem pas later gebleken dat MAS geen eigen personeel had en MAS werd bemand door werknemers van Spinnin en dat er dus een risico op loyaliteitsconflicten bij die werknemers bestond, en ook bij [A] zelf. [eiser] stelt dat als [A] hem dat verteld had, hij zou hebben aangedrongen op het opnemen van waarborgen in de managementovereenkomst voor conflict-of-interest situaties.

5.70. Spinnin en MAS betwisten dat MAS bij het aangaan van de overeenkomsten geen werknemers in dienst had. De rechtbank begrijpt het standpunt van Spinnin en MAS op dit punt aldus dat [O] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten 2012 in dienst was van MAS (zie randnummer 163 van de akte uitlating producties 8 mei 2017). Uit de eigen verklaring van [A] blijkt anders (zie getuigenverklaring van 29 augustus 2016). Volgens [A] was [O] (tourmanager) destijds namelijk officieel in dienst van Spinnin. Gesteld noch gebleken is dat er andere werknemers in dienst waren van MAS ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten in 2012.

5.71. Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als juist aan dat MAS geen eigen werknemers in dienst had ten tijde van het aangaan van de managementovereenkomst en de productieovereenkomst 2012. Dit had [A] wel aan [eiser] moeten meedelen. [eiser] heeft een managementovereenkomst gesloten met een onderneming zonder werknemers, waarbij de namens MAS uitgevoerde werkzaamheden werden verricht door werknemers van Spinnin. De mededeling van [A] dat Spinnin en MAS twee aparte bedrijven waren, op grond waarvan [eiser] ervan uit mocht gaan dat deze ondernemingen in de uitvoering van de diverse werkzaamheden niet met elkaar verstrengeld zouden zijn, is dan ook niet juist gebleken. Er was juist wel sprake van een verstrengeling omdat alle werknemers formeel in dienst waren van Spinnin. In die situatie ligt besloten dat de werknemers die de managementtaken moesten uitvoeren voor [eiser] zich mogelijk niet in alle gevallen vrij zouden voelen uitsluitend de belangen van [eiser] te dienen. Zij bleven immers in dienst van Spinnin en kenden ook de (mogelijke) tegenstrijdige belangen die hun werkgever in de contractuele relatie met [eiser] had. Deze situatie had [A] moeten melden, te meer omdat [eiser] nadrukkelijk de verstrengeling van belangen aan de orde had gesteld en deze zorg voor [A] kenbaar was of had moeten zijn.

Verwijt belangenverstrengeling (Rodeo Media)

5.72. [eiser] voert als tweede argument aan dat [A] bij het aangaan van de overeenkomsten ten onrechte heeft verzwegen dat Spinnin zelf geen cd’s uitbrengt en dat hij, samen met [B] en [F] - als aandeelhouder - financiële belangen heeft in Rodeo Media, de onderneming die de compilatie cd’s wel uitbrengt. Deze informatie was voor [eiser] van belang omdat de vergoeding die [eiser] ontving voor zijn via een dergelijke sublicentie geëxploiteerde tracks lager was dan in het geval Spinnin zelf de compilatie cd’s zou uitbrengen.

5.73. Spinnin erkent dat zij geen compilatie cd’s heeft verkocht, maar als verweer heeft zij gevoerd dat zij contractueel ook niet gehouden was zelf cd’s uit te brengen. Het feit dat in de productieovereenkomst een royalty van 18% voor het uitbrengen van cd’s is bedongen, wil volgens Spinnin niet zeggen dat zij ook daadwerkelijk cd’s zou uitbrengen, maar geeft alleen aan wat het percentage is, áls Spinnin dat zou doen. Spinnin bevestigt dat er compilatie cd’s zijn uitgebracht via Rodeo Media en dat Rodeo Media daar ook speciaal voor is opgericht, maar stelt dat de verkoop van compilatie cd’s in Nederland een onbeduidende activiteit betrof in vergelijking met de overige activiteiten van Spinnin.

5.74. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geïnformeerd had moeten informeren dat Spinnin zelf geen compilatie cd’s uitbracht maar dat dit gebeurde door Rodeo Media en dat [A] en [B] daarvan (mede) aandeelhouder waren. Hiervoor geldt ten eerste dat in de bijlage van de productieovereenkomst expliciet is opgenomen dat [eiser] een royalty vergoeding krijgt van 18% over de door Spinnin verkochte compilatie cd’s (zie 2.12.9). Deze bepaling wekt nadrukkelijk de verwachting dat Spinnin zelf compilatie cd’s op de markt brengt. Daarnaast geldt dat door de uitgifte van compilatie cd’s via Rodeo Media de royalty vergoeding waar [eiser] recht op heeft lager uitvalt. Dit terwijl de aandelen van Rodeo Media (mede) worden gehouden door [A] en [B] en zij dus een direct financieel belang hadden bij Rodeo Media. In deze omstandigheid had [A] in zijn rol van manager en belangenbehartiger van [eiser] kritisch moeten zijn op het recht dat Spinnin aan Rodeo Media gaf om compilatie-cd’s uit te brengen en [eiser] hier nadrukkelijk over moeten informeren. Dit geldt te meer omdat [eiser] nadrukkelijk de verstrengeling van belangen aan de orde had gesteld en deze zorg voor [A] kenbaar was of had moeten zijn. Bovendien hadden Spinnin en MAS de informatie over de positie van Rodeo Media makkelijk kunnen geven, nu zij - zoals zij zelf hebbengesteld - de conceptovereenkomst met [eiser] uitvoerig hebben besproken en toegelicht. Dat uiteindelijk is gebleken dat [eiser] door de (verzwegen) constructie met Rodeo Media slechts beperkt is benadeeld, doet aan deze conclusie niet af.

Verwijt belangenverstrengeling (delen exploitatie inkomsten met [naam mediabedrijf] )

5.75. Als derde argument waaruit zou blijken dat Spinnin en MAS bij het aangaan van de overeenkomsten 2012 ten onrechte de indruk hebben gewekt dat zij professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] bij een belangenverstrengeling tussen MAS en Spinnin, beroept [eiser] zich op een door [A] op 5 juli 2013 aan hem gedane mededeling dat Spinnin haar exploitatie inkomsten uit hoofde van de productieovereenkomst 50-50 met [naam mediabedrijf] zou gaan delen. Op 19 juni 2014 heeft [vader eiser] echter van [naam mediabedrijf] vernomen dat [A] aan [naam mediabedrijf] had beloofd dat de exploitatie inkomsten zouden worden gedeeld, maar dat Spinnin deze belofte niet is nagekomen. Over dit punt voert [eiser] aan dat de mededeling van [A] dat [naam mediabedrijf] 50-50 zou meedelen in de exploitatieopbrengst voor hem aanleiding was om af te zien van een verhoging van zijn royalty alsook om een verlenging van de productieovereenkomst te accepteren. [eiser] verwijst ter onderbouwing van deze stellingen naar zijn eigen verklaring, de verklaringen van [A] en [D] , alsook het e-mailbericht van [A] aan [eiser] van 23 juli 2013. In deze e-mail staat: “Tijdens onze meeting in Amstelveen hebben wij gesproken over co-management, waarbij wij onze management fee en onze platenopbrengst delen met [naam mediabedrijf].”.

5.76. Spinnin en MAS betwisten dat [A] aan [vader eiser] heeft meegedeeld dat Spinnin haar inkomsten 50/50 zou delen met [naam mediabedrijf] . Volgens Spinnin en MAS blijkt dit niet uit de gedingstukken en de verschillende getuigenverklaringen. Over de e-mail van 23 juli 2013 verklaart [A] dat hij abusievelijk heeft gesproken over het met [naam mediabedrijf] verdelen van de platenopbrengsten.

5.77. De rechtbank volgt [eiser] in zijn standpunt dat [A] hem in juli 2013 heeft meegedeeld dat Spinnin haar inkomsten uit de exploitatie 50/50 zou delen met [naam mediabedrijf] en overweegt daartoe het volgende. Uit de correspondentie tussen [D] en [A] die heeft plaatsgevonden voor en na voornoemd gesprek tussen [vader eiser] en [A] van 5 juli 2013, blijkt dat [A] met [naam mediabedrijf] expliciet een “50/50 split” had afgesproken (behalve waar het de track “Animals” betrof). In de e-mail van 26 juni 2013 schreef [D] , dus voor het gesprek tussen [A] en [vader eiser] , aan [A] onder meer: “Income from Records: 50/50 split”. Op 16 juli 2013, dus na het gesprek van 5 juli 2013, mailde [D] aan [A] : “Hi [A] , Good speaking to you earlier today. We just wanted to reaffirm our agreement on management as we await the formal paperwork (…). 50% Records Excluding ‘Animals’ which [naam mediabedrijf] is to receive 20% of Spinnin’s share (70%)”. Een dergelijke afspraak volgt ook uit de verklaring van [D] van 23 september 2016: “At the time the co-management deal was executed, [naam mediabedrijf] believed we had an agreement in principle with Spinnin Records to share recording income 50/50, with the exception of “Animals” which would be 80/20 in Spinnin’s favor.” Uit de e-mail correspondentie en de verklaring van [D] blijkt duidelijk dat ook [naam mediabedrijf] de overtuiging had dat er met Spinnin een afspraak was gemaakt voor een 50-50 split. In dit licht is het zeer aannemelijk, zoals ook door [vader eiser] als getuige is verklaard, dat [A] zich in gelijke zin heeft uitgelaten jegens [eiser] en dat hij dit niet “abusievelijk” heeft gedaan.

5.78. De mededeling van [A] aan [vader eiser] dat de exploitatie opbrengst 50/50% met [naam mediabedrijf] zouden worden gedeeld, was onjuist. Deze verdeling heeft namelijk nooit plaatsgevonden. [A] was hiervan op de hoogte, zowel als betrokkene bij Spinnin als in zijn functie van manager van [eiser] . Dat hierdoor een belangenverstrengeling ontstond tussen Spinnin en MAS is evident. Spinnin had namelijk een goot belang bij het behouden van de volledige exploitatieopbrengst. MAS op haar beurt had de verplichting de zakelijke en artistieke belangen van [eiser] zo goed mogelijk te behartigen en als opdrachtnemer haar bijzondere zorgtaken jegens [eiser] naar beste kunnen in te vervullen (zie 5.30.). Binnen die taak paste uiteraard het informeren van [eiser] over de eerder gedane onjuiste mededeling ter zake de verdeling van de royaltyopbrengsten met [naam mediabedrijf] en de mogelijke zakelijke gevolgen daarvan voor [eiser] (bijvoorbeeld aanpassing productieovereenkomst ten gunste van [eiser] ). Temeer, omdat MAS ( [A] ) wist, althans behoorde te weten, dat de aangekondigde verdeling van de royaltyopbrengsten met [naam mediabedrijf] een belangrijke omstandigheid voor [eiser] was om de nieuwe productie- en managementovereenkomst (en de gewijzigde duur en voorwaarden daarin) aan te gaan. Nu [A] hierover niets aan (vader) [eiser] heeft gezegd, staat vast dat [A] de belangen van Spinnin heeft laten prevaleren boven de belangen van [eiser] . De door [A] gewekte indruk dat deze belangenverstrengeling zich niet voor zou doen en in ieder geval niet nadelig zou zijn voor [eiser] , is dus (ook) op dit punt onwaar gebleken.

Verwijt belangenverstrengeling (zorgplicht)

5.79. In het kader van de stelling van [eiser] dat Spinnin en MAS niet professioneel genoeg waren om de belangenverstrengeling tussen MAS als manager van [eiser] en Spinnin als platenmaatschappij tegen te gaan en de belangen van [eiser] voorop te stellen, voert [eiser] als vierde argument het volgende aan. De tegenstrijdige belangen tussen Spinnin en MAS hebben ervoor gezorgd dat MAS zich als manager van [eiser] nooit kritisch richting Spinnin heeft opgesteld. Zo heeft MAS nooit kritische vragen gesteld of opmerkingen gemaakt over de wijze waarop Spinnin de productieovereenkomst uitvoerde. Zij is ook nooit kritisch geweest over het licentiecontract van Spinnin met Rodeo Media, de belangen van [A] en [B] in Rodeo Media, de aangekondigde (onjuist gebleken) verdeling van de exploitatie inkomsten door Spinnin en [naam mediabedrijf] , de verhoging van de vergoeding voor endorsements en merchandising (van 20% naar 40%) en de personele banden tussen Spinnin en MAS. Evenmin heeft MAS [eiser] daar volledig en juist over geïnformeerd, terwijl [A] , die zowel directeur van Spinnin was als van MAS, wel van alles op de hoogte was. Meer in het bijzonder verwijt [eiser] MAS dat zij nooit heeft onderhandeld met Spinnin over het belangrijkste contract voor [eiser] : de productieovereenkomst. Dit geldt ook voor de onderhandelingen over de nieuwe productieovereenkomst 2013. Daarbij heeft MAS het volledig laten afweten, terwijl het op de weg van de manager had gelegen om ten behoeve van [eiser] zo gunstig mogelijke voorwaarden te bedingen. Gezien de belangenverstrengeling met Spinnin zou het professioneel geweest zijn van MAS om aan [eiser] voorgesteld te hebben dat een onafhankelijke partij ten behoeve van [eiser] met Spinnin zou onderhandelen over de nieuwe productieovereenkomst.

5.80. Spinnin en MAS wijzen op de e-mail van [vader eiser] van 22 juli 2013 waarin hij schrijft: “…gezien de verwevenheid van SR en MAS denk ik dat het meer op mijn weg ligt met externe begeleiding over condities na te denken.” Daaruit blijkt dat [eiser] bewust onder ogen zag dat hij zelf met externe begeleiding over condities zou moeten nadenken. Verder wijzen Spinnin en MAS erop dat [eiser] door ondertekening van de managementovereenkomst ervoor heeft getekend (artikel 10.3) dat hem is geadviseerd onafhankelijk advies in te winnen.

5.81. De rechtbank acht bij dit punt van belang dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen het sluiten van de managementovereenkomst 2013 en de productieovereenkomst 2013. Gelet op de toetreding tot het management van [naam mediabedrijf] in 2013 was er een noodzaak tot het sluiten van een nieuwe managementovereenkomst. Dit was echter niet het geval bij de productieovereenkomst: een noodzaak om ook die overeenkomst opnieuw te sluiten was er niet. Tijdens de comparitie heeft [A] desgevraagd bevestigd dat er geen noodzaak was om een nieuwe productieovereenkomst te sluiten maar dat hij dit graag wilde omdat ‘alles goed ging’.

5.82. In het kader van de onderhandelingen over een nieuwe productieovereenkomst, die dus op zichzelf niet nodig was, had van MAS, als manager van [eiser] , een meer actieve en kritische houding verwacht mogen worden. Op dat moment was [A] zowel directeur van MAS als van Spinnin. Gezien deze twee petten van [A] was het voor hem in feite onmogelijk om als de contractuele manager en belangenbehartiger van [eiser] (MAS), te onderhandelen met Spinnin. [A] zou dan met zichzelf moeten onderhandelen, waarbij hij als manager van [eiser] diens belangen zou moeten behartigen en als directeur van Spinnin de belangen van de platenmaatschappij. Dat MAS nooit heeft onderhandeld namens [eiser] met Spinnin, zoals onbetwist is gesteld, verbaast dan ook niet. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waarbij de belangenverstrengeling tussen Spinnin en MAS gezien de dubbele petten van [A] evident was, had vorenbedoelde actieve en kritische houding ertoe moeten leiden dat MAS maatregelen had genomen om deze belangenverstrengeling tegen te gaan, bijvoorbeeld door het inschakelen van een onafhankelijk derde die [eiser] zou bijstaan in de onderhandelingen met Spinnin over de nieuwe productieovereenkomst. Dat MAS hiertoe gehouden was geldt te meer, nu uit de getuigenverklaring van Langras (zie 2.33), volgens Spinnin en MAS zelf een van de grootste DJ-managers in Nederland, blijkt dat het inschakelen van een externe partij bij een dergelijk belangenconflict niet ongebruikelijk is. Niet gesteld of gebleken is dat MAS (of Spinnin) enige maatregel in het kader van de belangenverstrengeling tussen Spinnin en MAS heeft genomen. Dit alles wordt niet anders als Spinnin en MAS gevolgd worden in hun stelling dat [eiser] zelf al bewust was van het belang om ‘met externe begeleiding’ over de condities van de productieovereenkomst ‘na te denken’ (uit het door Spinnin en MAS aangehaalde citaat blijkt niet meer dan dat [eiser] dacht dat het meer op zijn weg lag om met externe begeleiding over condities na te denken). Van een professionele partij als MAS had namelijk - gezien de indruk die zij over haar professionaliteit bij [eiser] had gewekt en de op haar rustende bijzondere zorgplicht - verwacht mogen worden dat zij zich actiever en kritischer had opgesteld ten behoeve van de belangen van [eiser] . Binnen deze professionaliteit/zorgplicht paste de verplichting van Spinnin en MAS om [eiser] expliciet (op eigen initiatief) (1) te informeren over de belangenverstrengeling die zich voordeed en/of (2) te adviseren tot het inschakelen van een onafhankelijke derde, althans de verplichting om zich ten tijde van het sluiten van de nieuwe productieovereenkomst te vergewissen of [eiser] zich daadwerkelijk van een voldoende gekwalificeerde externe begeleiding had voorzien. Dat Spinnin en MAS aan deze verplichtingen hebben voldaan is door hen niet gesteld en is ook niet gebleken. Het beroep van Spinnin en MAS op het bepaalde in artikel 10.3 van de managementovereenkomst 2013 kan hen ook niet baten. Ten eerste ziet dit artikel alleen op de managementovereenkomst en daarnaast doet dit artikel niet af aan de verkeerde voorstelling van zaken die Spinnin en MAS hebben gewekt over hun professionaliteit in geval van een belangenconflict.

Verwijt belangenverstrengeling (fonogrammenproducent)

5.83. Het vijfde verwijt dat [eiser] maakt is dat hij door Spinnin en MAS niet goed is voorgelicht over de vraag wie juridisch gezien als fonogrammenproducent van de door [eiser] gecomponeerde tracks moet worden aangemerkt en over de mogelijkheid van verdeling van de Sena-inkomsten tussen partijen. Over dit onderwerp is nooit gesproken of gecorrespondeerd, wat volgens [eiser] ook niet gek is omdat [A] als manager van [eiser] nooit voornemens is geweest om met zichzelf (Spinnin) te onderhandelen. Spinnin en MAS voeren hiertegen onder meer aan dat het geen twijfel lijdt dat Spinnin de producent van de fonogrammen is (zie ook 5.37.). Dit standpunt leidt er volgens Spinnin en MAS ook toe dat de (terug)overdracht van de rechten aan [eiser] in de overeenkomst van 1 december 2015 (zie 2.32.) geen betrekking heeft op de naburige rechten op de tracks. Die rechten waren namelijk van Spinnin en zijn ook bij haar gebleven.

5.84. De rechtbank overweegt over dit geschilpunt het volgende. Zoals al eerder is overwogen rustte op MAS in haar contractuele relatie tot [eiser] een bijzondere zorgplicht. Die zorgplicht hield onder meer in dat MAS de verplichting had om [eiser] (ook ongevraagd) te adviseren over alle onderwerpen die zakelijke en artistieke belangen van [eiser] betroffen. Een van die (zakelijke) belangen had betrekking op de vraag wie als fonogrammenproducent moest worden aangemerkt en wie de daarmee verband houdende Sena-inkomsten toekwam. De verplichting om [eiser] hierover te adviseren is ook expliciet in de managementovereenkomst bepaald (zie 2.14.2.): “Hiervoor zal het management de volgende werkzaamheden in goed overleg met de Artiest verrichten (…): het adviseren van Artiest bij en het voeren van contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royaltyvergoedingen.” In het licht van deze contractuele verplichting en als professionele partij in de muziekwereld mocht van MAS worden verwacht dat zij zich als manager van [eiser] kritisch ten opzichte van dit onderwerp zou opstellen en [eiser] hierover - ook in de precontractuele fase - (ongevraagd) zou adviseren. In ieder geval had van MAS gevraagd mogen worden dat zij [eiser] er nadrukkelijk op had gewezen dat goed verdedigbaar was dat hij heeft te gelden als de fonogrammenproducent en niet Spinnin. Zeker omdat het niet voor de hand lag aan te nemen dat Spinnin de naburig rechthebbende van de door [eiser] gemaakte tracks zou zijn. Dit blijkt niet alleen uit wat de rechtbank hierover onder 5.34. t/m 5.55. heeft overwogen, maar ook uit een e-mail van de jurist van Universal die op 3 juli 2012 onder meer schrijft: “ [eiser] is dan in feite de fonogrammenproducent en niet Spinnin (…)” (zie 2.9.). Wat tijdens de uitvoering van de verschillende overeenkomsten in ieder geval zonder twijfel vaststond, is dat Spinnin een (groot) belang had om als fonogrammenproducent te boek te (blijven) staan. Hierdoor kwamen haar namelijk de op grond hiervan uit te keren Sena-vergoedingen toe, die zeer substantieel waren; volgens [eiser] een totaalbedrag van € 597.542,-. Met het oog hierop had [A] als directeur van Spinnin een evident tegenstrijdig belang met zijn rol van manager van [eiser] en directeur van MAS en zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen. Ook op dit punt verbaast het daarom niet dat MAS als ter zake deskundig manager, zo mag worden aangenomen, de vraag over het fonogrammenproducentschap niet ter discussie heeft gesteld

Verwijt belangenverstrengeling (conclusie)

5.85. De rechtbank concludeert op grond van de hierboven besproken argumenten in onderlinge samenhang bezien dat Spinnin en MAS bij het aangaan van de overeenkomsten in 2012 ten onrechte de indruk hebben gewekt dat zij professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] , indien er zich een belangenverstrengeling zou voordoen tussen MAS als manager van [eiser] en Spinnin als platenmaatschappij. Want als Spinnin en MAS zich wel professioneel hadden gedragen, hadden zij [eiser] :

  • geïnformeerd over het feit (i) dat MAS geen eigen werknemers in dienst had ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten in 2012 maar dat haar werkzaamheden werden verricht door werknemers van Spinnin, (ii) dat Spinnin zelf geen compilatie cd’s uitbrengt maar dat dit gebeurde door Rodeo Media, (iii) dat [eiser] mogelijk als fonogrammenproducent zou moeten worden beschouwd;

  • (iv) expliciet geadviseerd om in de onderhandelingen met Spinnin over de productieovereenkomst 2013 zich te laten begeleiden door een onafhankelijke derde;

  • niet medegedeeld (v) dat Spinnin haar exploitatieopbrengst zou delen met [naam mediabedrijf] .

5.86. Het voorgaande betekent dat het beroep van [eiser] dat hij heeft gedwaald over de indruk die Spinnin en MAS bij hem hadden gewekt bij het aangaan van de overeenkomsten 2012 wordt gehonoreerd.

5.87. Het verweer van Spinnin en MAS dat er geen sprake kan zijn van dwaling omdat [vader eiser] zich heeft laten bijstaan door (juridisch) adviseurs, maakt dit niet anders. Vaststaat namelijk dat [A] namens Spinnin/MAS juist ná die adviezen [vader eiser] heeft verzekerd dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om de belangenverstrengeling tegen te gaan en de belangen van [eiser] voorop te stellen. De rechtbank passeert ook het verweer dat [eiser] en [vader eiser] reeds voor ondertekening van de overeenkomsten in 2012 ervaren “dealmakers” waren waardoor er geen sprake kan zijn van dwaling. Ook indien deze stelling juist zou zijn, hetgeen door [eiser] wordt betwist, dan doet dat niet af aan de onjuiste indruk die Spinnin en MAS bij [eiser] hebben gewekt. Het verweer van Spinnin en MAS dat het beroep van [eiser] op dwaling moet worden afgewezen, nu er sprake is van een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft (zie 5.63, laatste volzin) wordt evenmin gehonoreerd. Immers het beroep van [eiser] op dwaling is gebaseerd op de indruk die Spinnin en MAS hebben doen ontstaan bij de aanvang van de overeenkomsten 2012, waarmee hij dus niet een beroep op dwaling doet op grond van een uitsluitend toekomstige omstandigheid.

5.88. Zoals hiervoor onder 5.57 al is overwogen, is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar indien de dwaling te wijten is aan een mededeling van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze mededeling zou worden gesloten. Voor vernietiging is niet vereist dat de dwalende, indien hij wel een juiste voorstelling van zaken had gehad, in het geheel geen overeenkomst zou zijn aangegaan. Voldoende is dat hij niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gecontracteerd.

5.89. [eiser] stelt dat indien [vader eiser] wel een juiste voorstelling van zaken had gehad - en dus geweten had dat Spinnin en MAS niet professioneel genoeg waren om op een goede wijze met de belangen van [eiser] om te gaan in geval van een belangenverstrengeling - hij niet, althans niet op dezelfde voorwaarden de overeenkomsten had afgesloten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.90. Niet in geschil is dat [eiser] in 2012 niets liever wilde dan het sluiten van een productieovereenkomst met Spinnin. In de beleving van [vader eiser] was het afsluiten van de managementovereenkomst een voorwaarde voor [A] om de productieovereenkomst te kunnen afsluiten. Onder deze omstandigheid is het niet aannemelijk dat [eiser] geen overeenkomsten met Spinnin en MAS zou zijn aangegaan. [eiser] heeft echter gemotiveerd gesteld dat als [A] namens MAS en Spinnin niet de onjuiste mededeling had gedaan dat zij professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] indien zich een belangenverstrengeling zou voordoen tussen MAS als manager van [eiser] en Spinnin als platenmaatschappij, andere afspraken zouden zijn gemaakt. In dat geval zou [vader eiser] namelijk (met een ander dan [A] ) over de productieovereenkomst en de managementovereenkomst (verder) hebben onderhandeld en zou hij de overeenkomsten in dat geval niet onder dezelfde voorwaarden zijn aangegaan, maar meer in lijn met de opmerkingen die [vader eiser] had gekregen van [C] en [N] , waaronder de opmerkingen over de belangenverstrengeling. Nu Spinnin en MAS op dit punt geen, althans onvoldoende gemotiveerd, verweer hebben gevoerd acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken niet op dezelfde voorwaarden de overeenkomsten had afgesloten. Dit betekent dat [eiser] de overeenkomsten van 2012 terecht heeft vernietigd.

5.91. Gelet op het vorenstaande behoeven alle overige stellingen van [eiser] ter onderbouwing van zijn beroep op dwaling en de daarop betrekking hebbende weren van Spinnin en MAS geen bespreking meer. De gevorderde verklaring voor recht dat de managementovereenkomst van 11 juli 2012 en de productieovereenkomst van 20 juli 2012 vernietigd zijn op grond van dwaling worden dan ook toegewezen. Gelet hierop kunnen ook de stellingen en weren van partijen met betrekking tot de wilsgebreken bedrog en misbruik van omstandigheden, de gevolgen van het bepaalde in artikel 25f Aw, het beroep op de redelijkheid en de gestelde wanprestatie, onbesproken blijven. Die stellingen zijn door [eiser] namelijk alle (meer) subsidiair aangevoerd.

Dwaling managementovereenkomst 30 juli 2013 en productieovereenkomst 30 juli 2013

5.92. [eiser] voert ter onderbouwing van zijn standpunt dat de managementovereenkomst en de productieovereenkomst in 2013 tot stand zijn gekomen onder invloed van dwaling (ongeveer) dezelfde argumenten aan als vermeld onder 5.60 en 5.61. In aanvulling op deze argumenten stelt [eiser] dat voor de overeenkomsten 2013 verder nog specifiek geldt dat [A] en [B] namens Spinnin en/of MAS de onjuiste mededeling aan [vader eiser] hebben gedaan dat [naam mediabedrijf] een verhoging wilde van de commissie voor endorsements en merchandise (van 20% in 2012 naar 40% in 2013) en dat dit een voorwaarde was van [naam mediabedrijf] om co-manager van [eiser] te worden. Ook voor de overeenkomsten 2013 concludeert [eiser] uiteindelijk dat als [A] en [B] namens Spinnin en/of MAS niet alle gestelde onjuiste mededelingen hadden gedaan en/of niet alle genoemde informatie hadden verzwegen, [eiser] niet de productieovereenkomst en de managementovereenkomst in 2013 zou zijn aangegaan (op de overeengekomen voorwaarden).

5.93. Spinnin en MAS voeren hetzelfde verweer als zij met betrekking tot de overeenkomsten 2012 hebben gedaan, onder meer inhoudende dat [vader eiser] niet heeft gedwaald omdat er namens Spinnin en/of MAS geen onjuiste mededelingen zijn gedaan en er geen mededelingsplicht is geschonden en dat [eiser] zich ter ondersteuning van zijn beroep op dwaling baseert op een louter toekomstige omstandigheid, waartegen 6:228 lid 2 BW zich verzet. Daarnaast stellen zij over de in 2013 gesloten overeenkomsten nog aanvullend dat [eiser] zijn beroep op dwaling niet kan baseren op de gestelde onjuiste mededeling over het delen van de exploitatie opbrengsten door Spinnin met [naam mediabedrijf] (50%-50%), omdat dit onderwerp voor [eiser] niet van wezenlijk belang was: pas op 28 september 2016, zijnde de datum van de conclusie van repliek in conventie en conclusie van antwoord in reconventie, wordt hier een punt van gemaakt, terwijl deze gestelde onjuiste mededeling hem al bekend was geworden tijdens het gesprek op 19 juni 2014 tussen [vader eiser] en [naam mediabedrijf] .

5.94. De rechtbank begrijpt dat [eiser] ook met betrekking tot de overeenkomsten van 2013 als voornaamste reden voor het beroep op dwaling aanvoert dat deze overeenkomsten zijn afgesloten op grond van de door Spinnin en MAS in 2012 gewekte indruk dat zij professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] , ook als er zich een belangenverstrengeling zou voordoen tussen MAS als manager van [eiser] en Spinnin als platenmaatschappij, en dat deze indruk niet juist is gebleken. Die onjuist gebleken indruk bestond nog steeds bij het aangaan van de overeenkomsten van 2013, aldus steeds [eiser] .

5.95. Onder 5.67. heeft de rechtbank al overwogen dat bij [eiser] , op grond van de mededeling van [A] en de op MAS rustende zorgplicht, de indruk was gewekt - en dat [eiser] daarvan uit mocht gaan - dat Spinnin en MAS professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] (ook bij een belangenverstrengeling). Hiervoor is ook geoordeeld dat deze indruk die Spinnin en MAS hadden gewekt, niet juist is gebleken, dat [eiser] in zoverre heeft gedwaald en dat dit niet een louter toekomstige omstandigheid betrof (zie 5.85. t/m 5.88). Dat de indruk die Spinnin en MAS hadden gewekt niet juist was, is [eiser] gebleken ná het sluiten van de overeenkomsten van 2013, zodat ervan uit kan worden gegaan, zoals door [eiser] ook gesteld, dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomsten van 2013 nog de indruk had dat Spinnin en MAS (ook bij een belangenverstrengeling) professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] . Het beroep van [eiser] op dwaling wordt daarom ook gehonoreerd voor zover dat beroep betrekking heeft op het sluiten van de overeenkomsten van 2013. Het verweer van Spinnin en MAS dat [eiser] zijn beroep op dwaling niet kan baseren op de gestelde onjuiste mededeling over het delen van de exploitatie opbrengsten door Spinnin met [naam mediabedrijf] , omdat dit onderwerp voor [eiser] niet van wezenlijk belang was, maakt wat hiervoor is overwogen niet anders en kan verder ook onbesproken blijven. [eiser] beroept zich immers als grondslag voor de dwaling niet (uitsluitend) op de verkeerde mededeling over het delen van de exploitatie opbrengsten, maar op de verkeerde voorstelling van zaken (de verkeerde indruk) over de professionaliteit van Spinnin en MAS bij het aangaan van de overeenkomsten 2013.

5.96. Daarbij komt nog het volgende. [eiser] voert aan dat [A] namens Spinnin en MAS voorafgaand aan het sluiten van de managementovereenkomst 2013 tegen [vader eiser] heeft gezegd dat [naam mediabedrijf] een verhoging van de managementvergoeding voor endorsements en merchandising deals - van 20% naar 40% - als voorwaarde stelde om toe te treden tot het management. Later bleek [eiser] dat [naam mediabedrijf] dit helemaal niet als voorwaarde had gesteld. [eiser] verwijst ter onderbouwing van deze stellingen onder meer naar een conceptcontract dat [D] op 1 juli 2013 toestuurde aan [A] ten behoeve van het aangaan van de managementovereenkomst 2013 met [eiser] . In dit concept, dat [A] nooit aan [eiser] heeft voorgelegd, stelde [naam mediabedrijf] een vergoeding van 20% voor (en dus helemaal niet een vergoeding van 40%). Verder wijst [eiser] er op dat [naam mediabedrijf] nooit met haar heeft onderhandeld over de voorwaarden van de managementovereenkomst, omdat die onderhandelingen altijd werden gevoerd door [A] , zoals blijkt uit de verklaring van Scott Manson: “During the course of negotiating the co-management deal, [A] was exclusively communicating with [artiestennaam] and his representatives about the business terms. [A] would then relay updates to SB Projects, including what terms he improved from the draft co-management template that we circulated.”

5.97. Spinnin en MAS betwisten dat zij [eiser] verkeerd hebben geïnformeerd. Spinnin en MAS verwijzen op dit punt naar de correspondentie tussen [A] en [naam mediabedrijf] . Daaruit blijkt dat [naam mediabedrijf] aanvankelijk 30% en vervolgens 40% ‘onderschreef’ (zie randnummer 83 pleitnotitie Spinnin en MAS).

5.98. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Spinnin en MAS de stelling van [eiser] dat [A] tegen hem heeft gezegd dat [naam mediabedrijf] een verhoging voor endorsement en merchandising naar 40% als voorwaarde stelde om toe te treden tot het management, onvoldoende betwist. Spinnin en MAS stellen immers uitsluitend dat [naam mediabedrijf] een verhoging naar 40% had voorgesteld (zie randnummer 198 conclusie van dupliek in conventie). Maar uit die stelling blijkt niet dat [naam mediabedrijf] een verhoging naar 40% als voorwaarde stelde om toe te treden tot het management. Dat [naam mediabedrijf] de verhoging naar 40% als voorwaarde stelde om toe te treden tot het management, blijkt ook niet uit de getuigenverklaring van [A] op dit punt: “Mr. Düzgün vraagt mij of de verhoging van twintig naar veertig procent commissie op verzoek is gegaan van [E] . Ik antwoord daarop dat we dit samen hebben besloten, in overleg met [D] , ik weet dit echter niet meer zeker.” Dat [naam mediabedrijf] als voorwaarde voor toetreding tot de managementovereenkomst een verhoging naar 40% had gesteld, is verder niet aannemelijk omdat dit tegenstrijdig is met het eigen conceptcontract van [naam mediabedrijf] waarin zij een vergoeding van 20% voorstelt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de mededeling van [A] aan ( [vader eiser] ) dat [naam mediabedrijf] een verhoging naar 40% als voorwaarde stelde voor toetreding tot het management, onjuist was. De onjuiste mededeling levert ook een zelfstandige grond op voor een beroep op dwaling.

5.99. [eiser] stelt dat indien [vader eiser] wel een juiste voorstelling van zaken had gehad - en dus geweten had (1) dat Spinnin en MAS niet professioneel genoeg waren om op een goede wijze met de belangen van [eiser] om te gaan in geval van een belangenverstrengeling en (2) dat [naam mediabedrijf] geen verhoging van de endorsement- en merchandisingvergoeding naar 40% als voorwaarde stelde - hij niet, althans niet op dezelfde voorwaarden de overeenkomsten had afgesloten.

5.100. De rechtbank overweegt het volgende. In 2013 bestond er geen noodzaak om een nieuwe productieovereenkomst af te sluiten. Er was immers al een productieovereenkomst tussen Spinnin en [eiser] gesloten. Onder die omstandigheid is het aannemelijk dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken in het geheel geen nieuwe overeenkomst met Spinnin zou zijn aangegaan. Voor de managementovereenkomst ligt dit anders. Deze overeenkomst moest wel opnieuw worden aangegaan doordat [naam mediabedrijf] tot het management toetrad. Onder deze omstandigheid is het niet aannemelijk dat [eiser] geen managementovereenkomst zou zijn aangegaan. [eiser] heeft echter gemotiveerd gesteld dat als [A] niet de onjuiste mededeling had gedaan dat Spinnin en MAS (ook bij een belangenverstrengeling) professioneel genoeg waren om op een goede wijze om te gaan met de belangen van [eiser] , hij de overeenkomst niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. Ook geldt in dit verband dat [vader eiser] akkoord is gegaan met de overeengekomen voorwaarden in de managementovereenkomst 2013 door de (onjuist gebleken) mededeling van [A] namens MAS dat [naam mediabedrijf] een verhoging van de commissie voor endorsements en merchandise als voorwaarde stelde om toe te treden tot het management. In het licht van deze omstandigheden is voldoende aannemelijk dat [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken geen nieuwe productieovereenkomst en niet op dezelfde voorwaarden een nieuwe managementovereenkomst had afgesloten. Dit betekent dat [eiser] de overeenkomsten van 2013 terecht heeft vernietigd.

5.101. Gelet op het vorenstaande behoeven alle overige stellingen van [eiser] ter onderbouwing van zijn beroep op dwaling en de daarop betrekking hebbende verweren van Spinnin en MAS geen bespreking meer. De gevorderde verklaring voor recht dat de managementovereenkomst van 30 juli 2013 en de productieovereenkomst van 30 juli 2013 vernietigd zijn op grond van dwaling worden dan ook toegewezen. Gelet hierop kunnen ook de stellingen en weren van partijen met betrekking tot de wilsgebreken bedrog en misbruik van omstandigheden, de gevolgen van het bepaalde in artikel 25f Aw, het beroep op de redelijkheid, de gestelde wanprestatie, het beroep op het eindigen van de managementovereenkomst per 30 juli 2015 onbesproken blijven. Die stellingen zijn door [eiser] namelijk alle (meer) subsidiair aangevoerd.

Betaling 2 miljoen euro op grond van art. 25d Auteurswet (zie 5.3. onder 11.)

5.102. [eiser] vordert een bedrag van € 2.000.000,- op grond van artikel 25d Aw. Hij voert daarvoor aan dat de track Animals een bestseller is. Die track heeft sinds de release op 17 juni 2013 tot aan 30 juli 2015 € 2.384.000,- opgebracht. Spinnin heeft daarvoor niet veel extra’s behoeven te doen, anders dan haar normale werkzaamheden. [eiser] meent dus dat hij recht heeft op een “aanvullende billijke vergoeding” als bedoeld in artikel 25dAw. Een billijke vergoeding zou in elk geval betekenen dat [eiser] meer dan 50% van de exploitatieopbrengsten ontvangt. Gezien de wanpraktijken van Spinnin vordert [eiser] 100%.

5.103. Spinnin verweert zich tegen de vordering van [eiser] . Zij wijst er op dat artikel 25d Aw niet van toepassing is op de productieovereenkomsten van 2012 en 2013. Indien de vordering van [eiser] betrekking heeft op de overeenkomst van 1 december 2015 (zie 2.32.), dan meent Spinnin dat artikel 25d Aw geen toepassing kan vinden omdat in die overeenkomst een hogere royalty is afgesproken (50% en daarnaast een kickback in de vorm van doorbetaling van de helft van de door Spinnin geïncasseerde gelden voor fonogrammenproducenten). Er is derhalve niet sprake van een ernstige onevenredigheid.

5.104. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het feit dat [eiser] de vordering van € 2.000.000,- onderbouwt met een verwijzing naar de opbrengst van de track Animals in de periode 17 juni 2013 tot 30 juli 2015, begrijpt de rechtbank dat deze vordering ex artikel 25d Aw gebaseerd is op de - in zijn ogen te lage - vergoeding die hij onder de producentenovereenkomsten 2012 en 2013 heeft ontvangen. Dit blijkt ook uit de onderbouwing die [eiser] geeft van wat hij een billijke vergoeding vindt. Bij die onderbouwing verwijst [eiser] namelijk onder meer naar het percentage (50%) dat in de overeenkomst van 1 december 2015 is afgesproken en stelt hij dat een redelijke vergoeding dus tenminste 50% zou moeten zijn. Ook hieruit lijdt de rechtbank af dat [eiser] een bedrag van € 2.000.000,- vordert op grond van de productieovereenkomsten van 2012 en 2013 (en dus niet ook ingevolge de overeenkomst 1 december 2015). Dat dit anders gelezen zou moeten worden, is door [eiser] niet gesteld en evenmin gebleken.

5.105. Voor zover nodig (de vernietiging van de productieovereenkomsten is hierboven al vastgesteld) oordeelt de rechtbank dat uit artikel III lid 1 Wet auteurscontractenrecht volgt dat artikel 25d Aw slecht van toepassing is op overeenkomsten die zijn gesloten ná 1 juli 2015. Genoemd artikel bepaalt immers dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wet auteurscontractenrecht (1 juli 2015) van toepassing blijft op overeenkomsten die voor dat tijdstip zijn gesloten. Nu de productieovereenkomsten 2012 en 2013 al waren gesloten voor 1 juli 2015, is artikel 25d Aw daarop niet van toepassing. Deze vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

Overige geldvorderingen

Inleiding

5.106. Hiervoor is geoordeeld dat [eiser] een succesvol beroep heeft gedaan op het tot stand komen van de productieovereenkomsten en de managementovereenkomsten onder invloed van dwaling (6:228 BW) en dat deze overeenkomsten zijn vernietigd. De vernietiging van een rechtshandeling heeft gelet op artikel 3:53 lid 1 BW terugwerkende kracht. Dat betekent dat de overeenkomsten geacht moeten worden niet tot stand te zijn gekomen. De gevolgen van de verbintenissen uit de overeenkomsten die al zijn nagekomen, moeten worden teruggedraaid op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203-6:211 BW). Hieraan kan uitvoering worden gegeven door bijvoorbeeld het terugbetalen van ontvangen gelden of de teruggave van geleverde goederen. Indien prestaties naar hun aard niet ongedaan gemaakt kunnen worden, treedt daarvoor in beginsel een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats, voor zover dit redelijk is. Als bepaalde gevolgen wel ongedaan gemaakt kunnen worden, maar dit bezwaarlijk is, kan onder omstandigheden artikel 3:53 lid 2 BW worden toegepast.

Stellingen [eiser]

5.107. [eiser] vordert van Spinnin, na wijziging van eis, in totaal een bedrag van € 3.718.348,- met wettelijke rente (vordering 2). Uit de punten 525 en 526 van de conclusie van repliek volgt dat een bedrag van € 3.120.896,- wordt gevorderd als gevolg van de vernietigde productieovereenkomsten en een bedrag van € 597.542,- op grond van de door Spinnin geïncasseerde Sena-gelden.

5.108. Over de vordering van € 3.120.896,- als gevolg van de vernietigde productieovereenkomsten voert [eiser] het volgende aan. Door de vernietiging van de productieovereenkomsten ontvalt ook de grondslag voor de exploitatie van de

tracks door Spinnin alsmede de grondslag voor de aanspraken van Spinnin op de exploitatieopbrengsten. De hoogte van de vordering (€ 3.120.896,-) is gebaseerd op de inkomsten die hij heeft ontvangen van Spinnin. Deze betalingen van Spinnin aan hem bedroegen 30% van de totale exploitatieopbrengsten. Dat betekent dat Spinnin 70 % van de exploitatieopbrengsten heeft behouden, wat gelijk staat aan een bedrag van € 3.120.896,-. Voor een verdere specificatie van de vordering verwijst [eiser] naar productie 70 waarin de verschillende onderdelen van de vordering zijn opgesomd:

Royaltyinkomsten Spinnin t/m 2015Q3 (70%) 2.358.882

Royaltyinkomsten 2015Q4 210.941

2016Q1 135.612

2016Q2 326.460

Schade i.v.m. sublicenties Rodeo Media 33.000

7UP en Tag Heuer 72.000

5.109. De vordering van € 597.542,- uit hoofde van de door Spinnin geïncasseerde Sena- gelden is verder in de processtukken niet toegelicht, anders dan met een verwijzing naar productie 70. Daaruit volgt dat de hoogte van dit bedrag is samengesteld uit een bedrag van € 554.815,- met de aanduiding “Sena t/m 23-09-2016” en een bedrag van € 42.727,- met de aanduiding “SoundExchange 2016”.

5.110. [eiser] vordert van MAS, na wijziging van eis, een bedrag van € 649.217,- te vermeerderen met wettelijke rente. Hij voert daarvoor het volgende aan. De managementovereenkomsten zijn vernietigd waardoor MAS de management fees die zij van [eiser] heeft ontvangen, dient terug te betalen. De hoogte van de vordering (€ 649.217,-) volgt uit de bedragen genoemd in productie 70 waarin is opgenomen:

Commercial Dior 56.000,-

MAS 556.025,-

MAS publishing en kick back 21.192,-

5.111. Verder stelt [eiser] dat Spinnin en MAS aanspraak kunnen maken op een redelijke vergoeding van kosten. Zij moeten volgens [eiser] dan wel aantonen welke kosten zij in het verleden hebben gemaakt. Het beroep van Spinnin c.s. op artikel 3:53 lid 2 BW vindt [eiser] “bangmakerij”.

Verweer Spinnin en MAS

5.112. Spinnin verweert zich tegen de vordering van [eiser] . Spinnin stelt dat [eiser] geen aanspraak kan doen gelden op de exploitatieopbrengsten van Spinnin. Deze exploitatieopbrengsten komen voort uit de afspraken die zij in het kader van de exploitatie met derden maakt (licentienemers, radiostations, online platforms etc.) en die door de vernietiging van de productieovereenkomsten niet worden geraakt. De omzet van Spinnin

is niet een prestatie van [eiser] aan Spinnin waaraan door vernietiging de rechtsgrond is komen te ontvallen. Die omzet kan door hem dan ook niet als onverschuldigd betaald teruggevorderd worden. De prestatie van [eiser] is het aanleveren van muziek; de daar tegenover staande prestatie van Spinnin is de betaling van een royalty.

5.113. Verder wijst Spinnin erop dat zij investeringen en kosten heeft gemaakt die zij uit haar bedrijfsvoering moet zien terug te verdienen. Het op de been houden van een A&R-team, promotie en marketingteam, administratie etc. moet zij dekken uit de exploitatieopbrengsten.

5.114. Ook stelt Spinnin dat [eiser] zich niet uitlaat over de vraag wat de consequentie is van de vernietiging van de productieovereenkomsten voor de royalty-betalingen die Spinnin aan [eiser] heeft verricht. Spinnin vraagt zich af of deze royalty’s niet door [eiser] aan Spinnin terugbetaald moeten worden.

5.115. Tot slot maakt Spinnin bezwaar tegen de gevorderde rente. Volgens haar is niet in te zien waarom wettelijke rente verschuldigd zou zijn en waarom die wettelijke rente dan zou zijn gaan lopen op 20 juli 2012 en/of 30 juli 2013, ook ten aanzien van opbrengsten die op die data nog helemaal niet waren gegenereerd.

5.116. MAS heeft de vordering van [eiser] eveneens weersproken. Zij meent dat [eiser] geen financiële aanspraak jegens MAS kan doen gelden. Naar het oordeel van MAS verliest [eiser] uit het oog dat de prestaties van MAS eveneens als onverschuldigd betaald ongedaan gemaakt moeten worden en nu dat uit de aard van de zaak niet gaat, treedt daarvoor een waardevergoedingsverbintenis in de plaats ex art. 6:210 lid 2 BW. Aan de eisen van artikel 6:210 lid 2 BW is voldaan. De waarde van de prestatie van MAS kan worden begroot op hetgeen [eiser] daarvoor betaald heeft nu hij geen argumenten heeft aangevoerd waarom deze prestaties minder waard waren dan hetgeen is overeengekomen. Dit betekent dat de vordering van [eiser] op MAS verrekend moet worden met de vordering van MAS op [eiser] uit hoofde van de waardevergoedingsverbintenis en als gevolg daarvan wegvalt.

5.117. Evenmin is in te zien waarom wettelijke rente verschuldigd zou zijn over deze vordering en waarom die wettelijke rente dan zou zijn gaan lopen op 20 juli 2012 en/of 30 juli 2013, ook ten aanzien van commissies die op die data nog helemaal niet waren gegenereerd, aldus MAS.

5.118. Tot slot hebben Spinnin en MAS beide een beroep gedaan op artikel 3:53 lid 2 BW en onder verwijzing naar dat artikel verzoeken zij aan de vernietiging van de overeenkomsten haar werking te ontzeggen, omdat de gevolgen bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt nu aan de overeenkomsten lange tijd uitvoering is gegeven en diverse rechtshandelingen zijn aangegaan met derden.

Beoordeling

5.119. De rechtbank overweegt ten aanzien van de geldvorderingen van [eiser] als volgt. Partijen hebben in deze procedure hun stellingen en standpunten buitengewoon uitgebreid toegelicht en hebben eveneens uitvoerig op elkaars processtukken gereageerd. In totaal hebben zij meer dan 700 pagina’s (exclusief producties) tekst geproduceerd. Deze uitgebreidheid had echter geen betrekking op de door [eiser] gevorderde geldbedragen en het verweer van Spinnin en MAS daartegen. [eiser] heeft zijn vorderingen slechts beperkt onderbouwd en toegelicht en hetzelfde kan gezegd worden van het verweer van Spinnin en MAS, terwijl de gevorderde bedragen toch omvangrijk zijn en een uitgebreider debat tussen partijen rechtvaardigt. Door de beperkte aandacht die partijen aan de geldvorderingen van [eiser] hebben besteed, is er op een aantal punten voor de rechtbank onduidelijkheid ontstaan, waarover de rechtbank behoefte heeft aan opheldering respectievelijk een nadere toelichting. De rechtbank zal dan ook iedere beslissing over de geldvorderingen van [eiser] aanhouden en partijen allereerst in de gelegenheid stellen om nadere informatie te verschaffen over dit onderdeel van hun geschil. Zij zal allereerst [eiser] de gelegenheid geven bij akte haar vordering van € 3.718.348,- nader toe te lichten, waarbij [eiser] in ieder geval ook dient in te gaan op de stellingen die Spinnin en MAS tegen deze vordering en de begroting daarvan hebben ingebracht. Spinnin en MAS zullen in de gelegenheid worden gesteld daar bij antwoordakte op te reageren. De onderwerpen/vragen waaraan in ieder geval aandacht moet worden besteed zijn de volgende:

1) De vordering van € 3.120.896,- is begroot op basis van de door Spinnin gerealiseerde exploitatieopbrengsten. Is het voor de beoordeling van deze vordering wel of niet van belang dat deze exploitatieopbrengsten voortvloeien uit overeenkomsten tussen Spinnin met derden (en volgens Spinnin als zodanig niet gekwalificeerd kunnen worden als prestaties van [eiser] en dus niet als onverschuldigd betaald kunnen worden teruggevorderd)?

2) Waar bestaan de posten “schade i.v.m. sublicenties Rodeo Media” (€ 33.000,-) en “7UP en Tag Heuer” (€ 72.000,-) uit, zoals opgenomen in productie 70? Betreffen het hier exploitatie-inkomsten die Spinnin heeft ontvangen?

3) Heeft [eiser] een ongedaanmakingsverplichting jegens Spinnin als gevolg van de vernietiging van de productieovereenkomsten (volgens Spinnin de door haar aan [eiser] betaalde royalty bedragen)?

4) Heeft Spinnin recht op een redelijke vergoeding in het kader van de uitvoering van de productieovereenkomsten (zie onder meer randnummer 81 pleitnota [eiser] )? Zo ja welke (type) vergoeding komt daarvoor in aanmerking?

5) Wat is het verschil tussen het bedrag van € 597.542,- dat als onderdeel van vordering 2. van Spinnin wordt gevorderd en is gebaseerd op de door Spinnin geïncasseerde Sena- en SoundExchange 2016-gelden en de onder vordering 10. gevraagde veroordeling van Spinnin om aan [eiser] betaling te doen van het bedrag dat Spinnin heeft ontvangen uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent? Of wordt twee keer hetzelfde bedrag gevorderd?

6) Wat is de grondslag waarop [eiser] betaling door Spinnin vordert van de inkomsten die Spinnin heeft ontvangen uit hoofde van haar registratie als fonogrammenproducent voor de tracks en de percentages genoemd onder vordering 8. Welke rol speelt het bepaalde in artikel 6 van de productieovereenkomst 2012 bij het beantwoorden van deze vraag en/of vraag 4 hiervoor? Op welke periode heeft vordering 9 betrekking?

7) In hoeverre dient bij de begroting van de vordering van [eiser] op MAS rekening te worden gehouden met de waarde van de door MAS onder de vernietigde managementovereenkomsten verrichte prestaties (die volgens MAS niet ongedaan gemaakt kunnen worden)? Is het nodig voor de waardebepaling van de door MAS verrichte prestaties in de periode 1 januari 2015 tot 30 juli 2015 respectievelijk 28 augustus 2015 te beschikken over de opgave ex artikel 5.5 van de managementovereenkomst 2013?

8) Zijn er verplichtingen die door partijen bij de uitvoering van de respectievelijke overeenkomsten al zijn uitgevoerd en bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt in de zin van artikel 3:53 lid 2 BW, mede omdat diverse rechtshandelingen zijn verricht met derden? Indien de rechtbank zou komen tot toepassing van artikel 3:53 lid 2 BW, zou dit dan moeten leiden tot gehele of gedeeltelijke ontzegging van de werking van de vernietiging van de productieovereenkomsten en/of de managementovereenkomsten?

5.120. Pas na een nader debat van partijen over de door [eiser] ingestelde geldvorderingen, waaronder begrepen de beantwoording van de hiervoor vermelde vragen, is de rechtbank in staat hierover (verder) te oordelen. De beoordeling van de geldvorderingen in conventie wordt in dit vonnis daarom aangehouden.

6. De beoordeling in reconventie

In reconventie

Vorderingen MAS

6.1. MAS heeft haar vorderingen in reconventie (i tot en met vii) als volgt toegelicht. Op grond van de managementovereenkomst 2013 had MAS recht op een vergoeding. Die vergoeding betrof een bepaald percentage van de inkomsten van [eiser] en werd berekend aan de hand van de maandelijkse overzichten die [eiser] van zijn inkomsten verstuurde. [eiser] heeft evenwel vanaf januari 2015 geen overzichten meer gestuurd waardoor MAS ook geen factuur heeft kunnen opmaken voor de aan haar toekomende vergoeding. Door de ontbinding van de managementovereenkomst door MAS per 28 augustus 2015 is de rechtstreekse betalingsverplichting (en de opgaveplicht) voor [eiser] komen te vervallen en kan MAS dus geen nakoming meer vorderen. Dat laat echter onverlet dat MAS van [eiser] een bedrag kan vorderen dat strookt met hetgeen hij op basis van de managementovereenkomst verschuldigd was. Immers, de ontbinding laat onverlet dat MAS diensten heeft verleend die onder de ongedaanmakingsverplichting van art. 6:271 BW vallen. Deze diensten laten zich evenwel naar hun aard niet ongedaan maken, zodat [eiser] in plaats daarvan de waarde op de voet van art. 6:272 lid 1 BW zal moeten vergoeden. MAS begroot de omvang van deze waardevergoedingsverbintenis op hetgeen [eiser] onder de managementovereenkomst voor deze diensten zou hebben moeten betalen. Dit is - aldus MAS - immers de beste benadering van de waarde die in het economische leven normaal aan deze dienst wordt toegekend. MAS vordert de maandelijkse overzichten van [eiser] op grond van 843a Rv., zodat zij de omvang van de waardevergoedingsverbintenis kan vaststellen.

6.2. Verder voert MAS aan dat zij het recht had de managementovereenkomst op 28 augustus 2015 te ontbinden. [eiser] is gehouden de schade te vergoeden die MAS heeft geleden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van [eiser] onder de managementovereenkomst tot aan 28 augustus 2015 en [eiser] is gehouden de schade te vergoeden die MAS heeft geleden doordat zij de managementovereenkomst op 28 augustus 2015 heeft ontbonden. De schade die zij heeft geleden stelt MAS, aan de hand van een rapportage van een deskundige (SMAN), op ten minste € 2.697.000,-. MAS vordert tot slot, op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder c BW de kosten die zij heeft moeten maken door het inschakelen van de deskundige SMAN. Deze kosten bedragen € 11.300,-. Ook vordert zij de interne kosten die zij heeft moeten maken door de deskundige SMAN van informatie te voorzien, voor een bedrag van € 35.266,-.

Vorderingen Spinnin

6.3. Spinnin heeft haar vorderingen (viii tot en met xii) als volgt toegelicht. Op grond van de toerekenbare tekortkomingen van [eiser] onder de productieovereenkomst 2013 had zij het recht deze bij brief van 28 augustus 2015 te ontbinden. Aan het verzuimvereiste was op dat moment al voldaan. Voor wat betreft de periode tot aan 28 augustus 2015 voert Spinnin artikel 6:74 lid 1 BW als grondslag voor de aansprakelijkheid van [eiser] aan en voor wat betreft de periode na 28 augustus 2015 is de grondslag gelegen in artikel 6:277 lid 1 BW, op grond waarvan [eiser] gehouden is de schade te vergoeden die Spinnin lijdt doordat geen wederzijdse nakoming heeft plaatsgevonden maar ontbinding van de productieovereenkomst.

6.4. De schade die Spinnin heeft geleden stelt zij, aan de hand van een rapportage van een deskundige (SMAN), op ten minste € 3.720.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente. Spinnin vordert tot slot, op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder c BW de kosten die zij heeft moeten maken door het inschakelen van de deskundige SMAN. Deze kosten bedragen € 20.987,-. Ook vordert zij de interne kosten die zij heeft moeten maken door de deskundige SMAN van informatie te voorzien, voor een bedrag van € 47.300,-.

Beoordeling

6.5. De rechtbank oordeelt als volgt. De vorderingen van MAS zijn gebaseerd op de managementovereenkomst 2013 en de gevolgen van de ontbinding van deze overeenkomst. In de conventie is echter geoordeeld dat de managementovereenkomst 2013 in de brief van 28 juli 2015 is vernietigd. De vernietiging heeft terugwerkende kracht. Dit betekent dat de overeenkomst met terugwerkende kracht nietig is en dus geacht moet worden nooit te hebben bestaan. Vorderingen gebaseerd op de managementovereenkomst, zoals de vordering i tot en met iii, die volgen uit de ontbinding van de overeenkomst (vordering i betreft immers de waardevergoedingsverbintenis ex artikel 6:272 lid 2 BW die voortvloeit uit de ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de ontbinding van de managementovereenkomst door MAS op 28 augustus 2015) hebben daardoor geen grondslag meer. Dit betekent dat de vorderingen i tot en met iii op die grondslag voor afwijzing gereed liggen. Voor de vorderingen iv en v geldt ook dat deze geen grondslag (meer) hebben. Deze zijn immers gebaseerd op het bestaan van de managementovereenkomst, de gestelde tekortkomingen aan de zijde van [eiser] en de gevolgen van de ontbinding van die overeenkomst. Hetzelfde geldt voor de kosten die MAS vordert onder vi en vii. Die zijn namelijk ook gebaseerd op de aansprakelijkheid van [eiser] uit hoofde van de ontbonden managementoverenkomst en ontberen daardoor een grondslag.

6.6. De vorderingen van Spinnin zijn gebaseerd op de productieovereenkomst 2013 en de gevolgen van de ontbinding van deze overeenkomst door Spinnin op 28 augustus 2015. Ook hier geldt dat in conventie is geoordeeld dat de productieovereenkomst 2013 in de brief van 28 juli 2015 is vernietigd. Dit betekent dat deze overeenkomst met terugwerkende kracht geacht moet worden nooit te hebben bestaan. De vorderingen viii en ix die gebaseerd zijn op de stelling dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten onder de productieovereenkomst en aansprakelijk is voor de daardoor - en door de daarop gebaseerde ontbinding - geleden schade, zullen dan ook worden afgewezen. Ook de kosten die Spinnin vordert onder x en xi worden afgewezen omdat die zijn gebaseerd op de aansprakelijkheid van [eiser] uit hoofde van de (ontbonden) productieoverenkomst.

6.7. Gelet op het bovenstaande zullen de vorderingen van MAS en Spinnin in reconventie worden afgewezen. Dit geldt echter niet voor de vorderingen van MAS onder i tot en met iii. Hoewel de grondslag van deze vorderingen de waardevergoedingsverplichting is voortvloeiende uit de ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de ontbinding, welke grondslag, zoals hierboven vermeld, niet bestaat, acht de rechtbank zich ingevolge artikel 25 Rv gehouden de rechtsgrond voor deze vorderingen ambtshalve aan te vullen en gaat zij er in het vervolg van uit dat de waardevergoedingsverplichting ex artikel 6:210 lid 2 BW de rechtsgrond vormt voor deze vorderingen. MAS heeft gedurende de periode 1 januari 2015 tot en met 30 juli 2015 respectievelijk 28 augustus 2015 immers wel managementactiviteiten verricht en MAS heeft de mogelijkheid deze prestatie als onverschuldigd terug te vorderen. Nu dat uit de aard van de zaak niet gaat, treedt daarvoor een waardevergoedingsverplichting in de plaats. De beslissing op de vorderingen i tot en met iii zullen worden aangehouden. Zoals onder 5.119. is geoordeeld heeft de rechtbank er namelijk behoefte aan dat partijen zich over dit onderwerp bij akte nader uitlaten. Voor zover het gaat om de beoordeling van de vorderingen in reconventie dienen partijen te reageren op en aandacht besteden aan onder 5.119. geformuleerde vraag 7 en dan in het bijzonder over de periode van 1 januari 2015 tot 30 juli 2015 respectievelijk 28 augustus 2015.

6.8. Om praktische redenen bepaalt de rechtbank dat de akte die partijen dienen te nemen als bedoeld in 5.119 ook zal gelden als een akte in reconventie. Dit betekent dat [eiser] allereerst een akte zal nemen als bedoeld in 5.119, die dus zowel zal gelden als een akte in conventie als een akte reconventie en dat Spinnin en MAS daarop een antwoordakte zullen mogen nemen.

7. In conventie en in reconventie

Openstellen hoger beroep

7.1. De rechtbank zal bepalen dat tegen dit tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

7.2. Nu terughoudendheid dient te worden betracht bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van tussenvonnissen en partijen (in conventie en reconventie) ook niet ten aanzien van een tussenvonnis uitdrukkelijk uitvoerbaarheid bij voorraad hebben gevorderd, zal dit tussenvonnis niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Het treffen van een regeling

7.3. Uit al het vorenstaande volgt dat op dit moment nog niet op alle punten een eindvonnis kan worden gewezen. Met het oog hierop en gegeven het feit dat op veel van de geschilpunten al is beslist, geeft de rechtbank partijen uitdrukkelijk in overweging om het geschil verder in onderling overleg op te lossen. Hiertoe wordt nog het volgende overwogen. Zoals blijkt uit de door de rechtbank aan partijen gestelde vragen in conventie en in reconventie, brengt de honorering van het beroep van [eiser] op de vernietiging van de productieovereenkomsten en de managementovereenkomsten, niet zonder meer mee dat [eiser] (aanzienlijk) nadeel heeft geleden door het aangaan van die overeenkomsten. Benadeling is ook geen vereiste voor een beroep op artikel 6:228 BW. Ook is duidelijk dat Spinnin en/of MAS in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het succes van [eiser] . Dit is door [eiser] in de processtukken ook niet betwist. Het is dan ook goed denkbaar dat bij de beoordeling van de geldvorderingen zullen meewegen (1) de inspanningen die Spinnin en MAS hebben geleverd onder de productieovereenkomsten en de managementovereenkomsten en (2) de mate waarin die inspanningen hebben bijgedragen aan het succes van [eiser] .

7.4. Mocht geen schikking worden bereikt, dan zal de onder 5.119. en 6.8. genoemde aktewisseling moeten plaatsvinden, waarna vonnis zal worden gewezen en/of een nieuwe comparitie van partijen zal worden gelast en/of een deskundige zal worden benoemd ten behoeve van het bepalen van de hoogte van de over en weer gestelde geldvorderingen. Om partijen voldoende tijd te geven om schikkingsonderhandelingen te voeren, zal [eiser] zijn akte - indien geen schikking wordt bereikt en/of geen hoger beroep tegen dit vonnis wordt ingesteld - op de rol van woensdag 15 november 2017 moeten indienen. Mocht wel een schikking worden bereikt, dan kunnen partijen op deze datum op eenstemmig verzoek om doorhaling vragen.

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

ten aanzien van Spinnin

8.1. verklaart voor recht dat de productieovereenkomsten 2012 en 2013 zijn vernietigd op grond van dwaling,

8.2. verklaart voor recht dat [eiser] fonogrammenproducent is in de zin van de Wet op de naburige rechten op:

b. de track Animals, voor 100%;

c. de track Backlash, voor 33%;

d. de track BFAM, voor 50%;

e. de track Can’t You See, voor 48%;

f. de track Cracked, voor 50%;

g. de track Crackin, voor 50%;

h. de track Don’t Look Down, voor 100%;

i. de track Dragon, voor 50%;

j. de track Error 404, voor 50%;

k. de track Forbidden Voices, voor 75%;

l. de track Gamer, voor 50%;

m. de track Gold Skies, 25%;

n. de track Helicopter, 50%;

o. de track Just Some Loops, 50%;

p. de track Keygen, voor 100%;

q. de track Proxy, voor 50%;

r. de track Set Me Free, voor 50%;

s. de track Torrent, voor 50%;

t. de track Tremor, voor 67%;

u. de track Turn up the Speakers, voor 50%;

v. de track Virus, voor 50%;

w. de track Wizard, voor 50%

x. de track Sazinga, voor 50%,

ten aanzien van MAS

8.3. verklaart voor recht dat de managementovereenkomsten 2012 en 2013 zijn vernietigd op grond van dwaling,

in reconventie

8.4. wijst de onder 4.1 onder A. sub iv tot en met vii genoemde vorderingen van MAS af,

8.5. wijst de onder 4.1 onder B sub viii tot en met xi genoemde vorderingen van Spinnin af,

in conventie en reconventie

8.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 november 2017 voor het nemen van een akte in conventie en in reconventie aan de zijde van [eiser] , waarin hij uitsluitend zijn vorderingen op Spinnin en MAS nader toelicht en ingaat op de vragen en onderwerpen, zoals verwoord in 5.119. en 6.8.,

8.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

8.8. tegen dit vonnis wordt hoger beroep opengesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman, mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en mr. F.H. Schormans, bijgestaan door mr. T. Stokvis, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.