Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4745

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
UTR - 17 _ 333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak, toeslagen, zorgtoeslag, kindgebonden budget, huurtoeslag, bijzondere omstandigheden, buiten toepassing laten artikel 9, tweede lid, Awir, belang van het kind

Artikel 9, tweede lid, Awir, artikel 14 EVRM

Samenvatting:

Tussenuitspraak: Aan de hand van de aangevoerde omstandigheden moet worden beoordeeld of de uitsluiting van de in geding zijnde tegemoetkomingen in een redelijke, proportionele verhouding staat tot het hiervoor omschreven legitieme doel. Het onthouden van toeslagen aan een Nederlander kan onder zeer bijzondere omstandigheden in een concreet geval in strijd zijn met artikel 14 van het EVRM, in welk geval artikel 9, tweede lid, van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten. In dit geval heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zo zeer bijzonder zijn dat deze in het concrete geval er niet toe dienen te leiden dat artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten. Daarbij merkt de rechtbank op dat het te meer van belang is dat een beoordeling van eisers concrete situatie plaatsvindt, aangezien de vraag voorligt of van hem gevergd kan of kon worden om zijn echtgenote het huis uit te zetten om aanspraak te blijven maken op toeslagen. In dat verband is zowel zijn eigen psychische situatie als de situatie en het belang van zijn zoon relevant, die gelet ook op zijn medische situatie een belang heeft om in aanwezigheid van beide ouders op te groeien. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/333-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),

en

Belastingdienst / Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. L.H.E. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers toeslagen over 2015 (opnieuw) berekend en het voorschot zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag vastgesteld op nihil en het teveel betaalde voorschot van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eisers toeslagen over 2016 (opnieuw) berekend en het voorschot zorgtoeslag vastgesteld op nihil, het voorschot kindgebonden budget op € 260,- en het voorschot huurtoeslag op € 442,-. Verder heeft verweerder het teveel betaalde voorschot van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Met het besluit van 22 maart 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen A. Matti, tolk.

Overwegingen

  1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat eisers beroep op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking heeft op het bestreden besluit 2. Op grond van artikel 6:19 van de Awb heeft een ingesteld beroep immers mede betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit.

  2. Eiser voert aan dat het door verweerder met het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2 (de bestreden besluiten) gemaakte onderscheid tussen aanvragers van toeslagen met een rechtmatig in Nederland verblijvende partner en aanvragers van toeslagen met een partner die niet rechtmatig in Nederland verblijft geen redelijk doel dient en niet voldoet aan de eis van proportionaliteit. Daarmee zijn de bestreden besluiten genomen in strijd met het discriminatieverbod van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Eiser wijst daarbij op de omstandigheid dat toeslagen worden verstrekt voor betalingsverplichtingen die onafhankelijk zijn van de omstandigheid of de aanvrager een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner heeft. Wat betreft de proportionaliteit wijst eiser erop dat hij door de bestreden besluiten in ernstige financiële problemen is gekomen. Hierdoor is een reëel risico ontstaan dat hij niet langer kan voorzien in de kosten voor de primaire levensbehoeften van zijn zeer jonge en kwetsbare minderjarige kind [minderjarige] . Eiser is van mening dat de door hem aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn ernstige psychische problemen en de aanwezigheid van een jong, kwetsbaar kind, die er een sterk belang bij heeft om in aanwezigheid van beide ouders op te groeien, dusdanig bijzonder zijn dat de bestreden besluiten ook strijd opleveren met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM. Van eiser kon gelet hierop niet worden gevergd zijn niet rechtmatig in Nederland verblijvende echtgenote het huis uit te zetten om alsnog aanspraak te maken op toeslagen. Eiser wijst in dit kader onder meer op de in bezwaar overgelegde brief van kinderpsychiater [A] van 18 augustus 2014, het verslag van orthopedagoog drs. [B] van 6 maart 2015 en het verslag van [C] van 27 november 2012, medewerker van het kindercentrum Sherpa voor jongeren met een ontwikkelingsachterstand. Eiser verwijst verder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3788). Daarbij merkt eiser op dat verweerder in de bestreden besluiten geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt zodat al daarom sprake is van een motiveringsgebrek.

  3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het in artikel 26 IVBPR neergelegde discriminatieverbod. Er bestaan volgens verweerder namelijk gelet op het doel van de regeling redelijke en objectieve gronden voor het gemaakte onderscheid. Verweerder verwijst in dit verband naar de jurisprudentie van de ABRvS, waaronder de uitspraak van 22 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ3425). Evenmin is volgens verweerder sprake van strijd met artikel 14 van het EVRM, in samenhang gelezen met artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder is geen sprake van een met de situatie in de uitspraak van de ABRvS van 22 oktober 2014 vergelijkbaar geval zoals door eiser gesteld. Dat eiser lijdt aan ernstige psychische problemen en daarom niet kan voldoen aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning van zijn echtgenote en het feit dat [minderjarige] nog zeer jong, kwetsbaar en voor het eerste levensonderhoud volledig afhankelijk is van zijn ouders, vindt verweerder niet zo zeer bijzonder. Ter zitting heeft verweerder in dit kader nog opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser of zijn echtgenote niet afzonderlijk voor [minderjarige] kunnen zorgen. Deze omstandigheden leiden er volgens verweerder in dit concrete geval na afweging van de betrokken belangen niet toe dat artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) buiten toepassing moet worden gelaten. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraken van de ABRvS van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3347 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ3350).

  4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de echtgenote van eiser in de periode van 1 februari tot en met 30 april 2015 en van 1 juni tot en met 31 december 2016 geen rechtmatig verblijf had. In geschil is of verweerder daaraan de conclusie heeft mogen verbinden dat eiser over die periodes op grond van artikel 9, tweede lid, van de Awir, geen recht heeft op toeslagen.

  5. De rechtbank overweegt dat de ABRvS in de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:699) heeft overwogen dat voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus dat uit artikel 10, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), als uit artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt, in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Met dit onderscheid wordt volgens de ABRvS een legitiem doel gediend. Met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie of de schijn hiervan, dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Met dat wat in artikel 9, tweede lid, van de Awir is neergelegd, is in zoverre hierop aangesloten, dat deze bepaling ertoe strekt daarenboven te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vw worden toegekend. De rechtbank ziet in het door eiser aangevoerde geen aanleiding voor een andere conclusie. Dat eiser niet inziet dat en in hoeverre zijn partner kan meeprofiteren van de door hem te ontvangen toeslagen is geen omstandigheid die ertoe leidt dat er voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Eisers betoog slaagt niet.

  6. Uit de uitspraak van de ABRvS van 15 maart 2017 kan verder worden afgeleid dat aan de hand van de aangevoerde omstandigheden moet worden beoordeeld of de uitsluiting van de in geding zijnde tegemoetkomingen in een redelijke, proportionele verhouding staat tot het hiervoor omschreven legitieme doel. Het onthouden van toeslagen aan een Nederlander kan onder zeer bijzondere omstandigheden in een concreet geval in strijd zijn met artikel 14 van het EVRM, in welk geval artikel 9, tweede lid, van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten.

  7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden niet zo zeer bijzonder zijn dat deze in het concrete geval er niet toe dienen te leiden dat artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten. Verweerder heeft slechts overwogen dat eisers situatie niet overeenkomt met de situatie in onder meer de uitspraak van de ABRvS van 22 oktober 2014, terwijl het op de weg lag van verweerder om de aangevoerde omstandigheden op hun eigen merites te beoordelen. De enkele overweging van verweerder dat de aangevoerde omstandigheden niet zo zeer bijzonder zijn, onder verwijzing naar de uitspraken van de ABRvS van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3347 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ3350), kan in ieder geval niet als zodanig gelden. Daarbij merkt de rechtbank op dat het te meer van belang is dat een beoordeling van eisers concrete situatie plaatsvindt, aangezien de vraag voorligt of van hem gevergd kan of kon worden om zijn echtgenote het huis uit te zetten om aanspraak te blijven maken op toeslagen. In dat verband is zowel zijn eigen psychische situatie als de situatie en het belang van [minderjarige] relevant. Wat betreft [minderjarige] kan uit het verslag van drs [B] een belang om in aanwezigheid van beide ouders op te groeien worden afgeleid. Zij schrijft dat het belangrijk is dat [minderjarige] niet gescheiden gaat worden van de mensen met wie hij een hechtingsrelatie heeft opgebouwd. Wanneer de hechting nog meer verstoord raakt doordat hij gescheiden zal worden van een van zijn ouders, ontwikkelt hij volgens haar mogelijk een reactieve hechtingsstoornis die een verhoogd risico geeft op het ontwikkelen van persoonlijkheidsstoornissen. Daarnaast schrijft zij dat wanneer er iets in de gezinssituatie verandert, dit van invloed zal zijn op de voorspelbaarheid en structuur waar hij baat bij heeft, en dus nadelige gevolgen kunnen hebben voor zijn ontwikkeling. Dit belang van [minderjarige] bij aanwezigheid van zijn beide ouders heeft verweerder ten onrechte niet (kenbaar) meegewogen. Anders dan verweerder lijkt te veronderstellen is dus niet uitsluitend de vraag van belang of beide ouders afzonderlijk in staat zijn voor [minderjarige] te zorgen. De beroepsgrond slaagt.

  8. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de bestreden besluiten op een ondeugdelijke motivering berusten. Nu aan deze besluiten een gebrek kleeft, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid stellen dit gebrek te herstellen, met inachtneming van dat wat hiervoor onder 7 is overwogen. Verweerder kan het gebrek herstellen met een aanvullende motivering, of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de hier voorliggende bestreden besluiten. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank daarom een tussenuitspraak.

  9. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze uitspraak.

  10. Verweerder deelt de rechtbank, op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, mede of hij overgaat tot herstel van het gebrek.

11.
Indien verweerder wel gebruik maakt van de gelegenheid tot herstel van het gebrek, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren. In beide gevallen en indien verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

12.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit laatste betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.