Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4738

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
C/16/425638 / HA ZA 16-804
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor schuld commanditaire vennootschap. Personen gehandeld alsof zij beherend vennoot waren?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 11
Wetboek van Koophandel
Wetboek van Koophandel 18
Wetboek van Koophandel 19
Handelsregisterwet 2007
Handelsregisterwet 2007 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0258
JIN 2017/193 met annotatie van E.P.C. Duinkerke

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/425638 / HA ZA 16-804

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. E. Eshuis te Groningen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. A. Achbab te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook wel [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. worden genoemd. Wanneer op gedaagden afzonderlijk wordt gedoeld, zullen zij [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 februari 2017

  • -

    de door [eiseres] ingediende producties 26 en 27

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert een onderneming waarbij zij onder de naam “ [naam] ” agrariërs helpt te vergroenen door asbestdaken te vervangen en zonnepanelen te plaatsen.

2.2.

Omdat zij hiervoor financiering nodig had, is zij in 2014 contact gekomen met de commanditaire vennootschap [naam commanditaire vennootschap] CV (hierna: [naam commanditaire vennootschap] ), die zich naar eigen zeggen toelegt op het tot stand brengen en structureren van alternatieve financieringen (financieringen die niet door een bank worden verstrekt).

2.3.

Bij de Kamer van Koophandel hebben onder meer de volgende (rechts)personen als beherend vennoot van [naam commanditaire vennootschap] geregistreerd gestaan:

- [bedrijfsnaam 1] Ltd (van 29 oktober 2014 tot 17 juli 2015)

- [bedrijfsnaam 2] Ltd (van 1 november 2014 tot 17 juli 2015)

- [gedaagde sub 1] (toegetreden op 17 juli 2015 en uitgetreden op dezelfde datum)

- [gedaagde sub 2] (idem).

2.4.

In een e-mail van 13 november 2014 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiseres] onder meer geschreven:

(…)

Tot slot even kort wie we zijn.

[naam commanditaire vennootschap] is een Nederlandse CV met [gedaagde sub 2] en mij als vennoten.

[voornaam van gedaagde sub 2] is jurist, ex-bankier en vele jaren in advies wereld gewerkt in binnen- en buitenland.

Ik ben econoom, langdurige bancaire ervaring in binnen- en buitenland.

(…)

2.5.

Uit een “certificate of incorporation of a private limited company” van 31 oktober 2014 van de hiervoor in 2.2 genoemde vennootschap [bedrijfsnaam 2] Ltd blijkt dat [gedaagde sub 1] bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap is (althans dat hij dat op de genoemde datum was). Blijkens een “certificate of incorporation of a private limited company” van 29 oktober 2014 van [bedrijfsnaam 1] Ltd is (althans was) [gedaagde sub 2] (op de genoemde datum) bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap.

2.6.

Op 19 november 2014 heeft [eiseres] een door [naam commanditaire vennootschap] verstrekte offerte getekend, waarin onder meer, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

(…)

De financieringsdetails zijn:

Gevraagde minimum lening: Min Euro 15 mio: de eerste tranche betreft euro 2,5 mio en de tweede tranche 12,5 mio.

(…)

Depot bij ING in Nederland op derden rekening: De eerste tranche betreft Euro 0,25 mio. Deze storting zal eind van deze week dienen te zijn geeffectueerd. De verificatie en meeting met de register accountant zal dan naar verwachting komende week dinsdag kunnen geschieden. Dit depot zal na verificatie door de registeraccountant, [naam commanditaire vennootschap] en de cliënt worden aangewend om achterliggende bank garantie te leveren. Deze bank garantie zal de basis zijn voor de te verstrekken lening. Zonder betaling van deze kosten zal er geen bank garantie en dus lening verstrekt kunnen worden. In deze is sprake van terugbetaal garantie indien de lening niet tot stand zou komen. Dit is tot dusver niet eerder voorgekomen. (…)

(…)

Commitment Fee

De ervaring leert dat een financiering tijd en werk met zich meebrengt. Daarnaast vinden wij het belangrijk dat partijen zich committeren ter voorkoming van mogelijke reputatie risico’s aan onze zijde. De “commitment fee” bedraagt € 15.000,=, exclusief 21% BTW op basis van de uit te voeren werkzaamheden. (…) De “commitment fee” dient per voorschotnota te worden voldaan. Het proces start, zodra de voorschotnota ad € 15.000,= is voldaan. (…)

(…)

2.7.

[eiseres] heeft van [naam commanditaire vennootschap] vervolgens een fundingovereenkomst en een depotovereenkomst (deze laatste overeenkomst te sluiten tussen [eiseres] en [naam stichting] ) toegestuurd gekregen. In de kop van de fundingovereenkomst wordt vermeld dat [naam commanditaire vennootschap] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Zij hebben de deze overeenkomst namens [naam commanditaire vennootschap] op 26 november 2014 ondertekend. De fundingovereenkomst bevat, wederom voor zover hier van belang, de volgende bepaling:

(…)

Artikel 13

Bijzondere bepaling(en)

13.1.

Ten behoeve van de terbeschikkingstelling van de hoofdsom zal lener een bedrag ter grootte van € 250.000,- (zegge: twee honderd vijftig duizend euro) op derdenrekening storten van [naam stichting] te [vestigingsplaats] . Ter regulering van de aanwending van dit bedrag wordt tegelijkertijd met de onderhavige overeenkomst een depotovereenkomst gesloten, alsmede een bijlage van toepassing op deze depotovereenkomst, tussen lener en genoemde Stichting. (…)

(…)

2.8.

Op 30 november 2014 heeft [gedaagde sub 2] een e-mail aan [eiseres] gestuurd, waarin hij vermeldt wat de voorwaarden zijn voor (naar de rechtbank begrijpt:) een betaling van het hiervoor genoemde bedrag van € 250.000,- aan de financier:

(…)

Zoals afgesproken hierbij de checklist die door de RA wordt nagelopen alvorens de betaling door ons plaatsvindt:

  1. De Stichting i.c. [A] RA stelt vast dat er een fundingovereenkomst (t.g.v. [naam commanditaire vennootschap] ) is op basis waarvan cliënt onherroepelijk het in de overeenkomst met [naam commanditaire vennootschap] CV genoemde leningbedrag verkrijgt.

  2. De Stichting i.c. [A] RA stelt vast dat het leningbedrag daadwerkelijk beschikbaar is bij de financier en dat deze akkoord is om bij ontvangst van de bankgarantie van Lloyds Bank het leningbedrag onverwijld over te maken.

  3. De Stichting i.c. [A] RA stelt vast dat ter garantie van de financieringsovereenkomst een bankgarantie wordt verstrekt waarvoor [naam commanditaire vennootschap] CV het bedrag van € 250.000 betaalt.

  4. De Stichting i.c. [A] RA stelt vast dat de in de fundingovereenkomst als bijlage toegevoegde tekst van de bankgarantie exact correspondeert met de door betaling van het bedrag te verkrijgen bankgarantie.

  5. Indien aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, zal [naam commanditaire vennootschap] CV het bedrag overmaken ten behoeve van de uitgifte van de bankgarantie zoals omschreven.

(…)

2.9.

Op 1 december 2014 heeft [gedaagde sub 2] [eiseres] per e-mail geschreven:

(…)

Zoals vanochtend telefonisch besproken, bevestig ik je e.e.a. als volgt.

  • -

    De doorbetaling door [naam commanditaire vennootschap] CV van de premie vindt plaats op basis van de checklist zoals ik die gisteren aan je mailde. De heer [A] RA zal daarbij betrokken zijn en je bevestigen, voordat de bedoelde betaling plaatsvindt, dat aan de beschreven voorwaarden is voldaan.

  • -

    Indien [naam commanditaire vennootschap] vandaag je betaling ontvangt kunnen wij zorgen dat uiterlijk 3/12 doorbetaling plaatsvindt.

  • -

    In dat geval is uitbetaling van de lening van € 2.500.000 aan jou nog voor de Kerst mogelijk.

(…)

2.10.

Op 1 december 2014 heeft [eiseres] het bedrag van € 250.000,-, dat in de hiervoor genoemde fundingovereenkomst en e-mails was vermeld, aan [naam commanditaire vennootschap] overgemaakt, en dus niet aan de in de fundingovereenkomst genoemde stichting.

2.11.

Op 10 december 2014 heeft [gedaagde sub 1] het volgende aan [eiseres] laten weten:

(…)

Op basis van de meest recente informatie wordt de betaling verwacht op 23 december.

(…)

Garanties kunnen we niet geven dat moet wel duidelijk zijn. Onze inzet is op basis van best efforts. (…)

2.12.

Op 7 januari 2015 heeft [gedaagde sub 2] aan [eiseres] geschreven:

(…)

Zoals je zelf schrijft, wordt de 12 schijf komende week verwacht.

(…)

2.13.

En [gedaagde sub 1] heeft [eiseres] op 8 januari 2015 laten weten:

(…)

Ontvingen onderstaande laatste update van onze funder:

We have submitted all the documents to funding bank this morning in HK , they will have a final review and if anything else is requierd, I will know tomorrow.

All pieces moving according to plan and timing. Will provide all latest update and closing date by tomorrow or by Friday latest (…)

2.14.

Op 10 januari 2015 heeft hij aan [eiseres] geschreven:

(…)

Zoals je wellicht weet hadden we afgelopen maandag bij onze Amsterdamse notaris de legalisering van de financieringsovereenkomst van [naam commanditaire vennootschap] . Op dinsdag is die per DHL naar Canada gestuurd met afspraak levering donderdag voor 12 u.

Gisteren zagen we dat pakketje op Vancouver ligt. (…) Vanochtend vastgesteld dat het nog steeds niet geleverd is. Heb vanochtend weer gebeld met DHL maar zij weten ook niet waarom het niet bezorgd is. (…)

Maar goed lang verhaal kort dit schuift uitbetaling op naar midden van de week. (…)

2.15.

En op 15 januari 2015:

(…)

Op basis van de bevestiging van onze funding partner hebben wij je aangegeven dat HSBC vandaag, donderdag 15 januari de funding ter beschikking zou stellen.

Vanochtend liet de bank ons weten, na hun creditmeeting dat, alvorens daadwerkelijk de fondsen naar ons over te maken, zij een verklaring van de notaris/law firm willen dat onze vennootschap (nog steeds en op het moment van uitbetaling) in “good standing” is en er in de tussentijd geen eventualiteiten zijn voorgevallen zoals beslag en faillissement.

(…) Dit heeft tot consequentie dat we een vertraging van ca één week oplopen. Alles moet origineel bij de bank worden aangeleverd.

(…)

2.16.

In een door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ondertekende brief van 20 augustus 2015 aan [eiseres] staat:

(…)

Sinds januari 2015 heeft [naam commanditaire vennootschap] CV zich ingespannen om via een van onze fundingpartners een kredietfaciliteit te realiseren ten behoeve van [eiseres] BV.

In april van dit jaar hebben wij vast mogen stellen dat op basis van een door ons gerealiseerde zekerheden structuur een passende faciliteit beschikbaar was. Echter door wijzigingen in het management van onze funding partner en de daarmee gepaard gaande competentiestrijd hebben wij tot op heden geen gebruik kunnen maken van de contractueel overeengekomen faciliteit.

Inmiddels ziet het er naar uit dat wij binnenkort een alternatief ter beschikking hebben. Zekerheid daaromtrent bestaat nog niet; wij verwachten nog 3 a 4 weken nodig te hebben om die zekerheid volledig te kunnen geven.

(…)

2.17.

Op 2 september 2015 heeft [naam commanditaire vennootschap] aan [eiseres] geschreven:

(…)

Wij gaven U aan dat er in het financieringstraject helaas aanzienlijke vertragingen zijn opgetreden die buiten de invloed van [naam commanditaire vennootschap] zijn ontstaan. U bent daarvan op de hoogte gesteld door ons gedurende dit proces. Wij hadden het graag anders gezien. Dat zal duidelijk zijn.

Ondanks alle inspanningen die wij gepleegd hebben om de zaak tijdig te repareren, begrepen wij dat voor U deze reparatie wellicht te laat komt.

Indien het zo mocht zijn dat U van aanspraak op verstrekking van de laatstelijk overeengekomen (voor) financiering afziet, zullen wij ons inspannen om U de ingelegde middelen te retourneren. In Uw geval gaat het om restitutie van € 250.000,-.

Zodra U ons schriftelijk aangeeft geen prijs meer te stellen op genoemde verstrekking zijn wij bereid de procedure in gang te zetten tot vrijgave en restitutie van Uw ingelegde gelden.

Het terugbetalen van cliënten gelden is nog nimmer aan de orde geweest. Immers de gelden zijn, zoals bekend, gecommitteerd aan [naam commanditaire vennootschap] en [naam commanditaire vennootschap] heeft een overeenkomst aangegaan tot verkrijging van de bank garantie en dienovereenkomstige leningen. De € 250.000,- staan dan ook niet op onze rekening.

(…)

Desalniettemin zijn wij bereid om deze restitutie in gang te zetten, zodat de bevestiging van U ontvangen is. Het zal wel tijd vergen, zoals ook u weet. De procedure om uw middelen uit die structuur los te weken gaat naar verwachting 3 maanden duren of zoveel eerder als mogelijk is. Dit gaat dan in vanaf het moment dat we deze procedure opstarten.

(…)

2.18.

Op 2 oktober 2015 heeft [naam commanditaire vennootschap] [eiseres] laten weten:

(…)

Met betrekking tot uw verzoek tot mogelijke terugbetaling van de betaling van EUR 250.000,- destijds door [eiseres] BV, merken we het volgende op. Zoals u weet zijn deze gelden gebruikt voor het arrangeren van de financiering en staan dus ook niet op onze rekening. Financiële transacties in het alternatieve financieringssegment onderscheiden zich door het reguliere financieringscircuit (banken) door het feit dat eventuele betalingen van cliënten om te komen tot financiering niet risicoloos zijn. Daar staat echter tegenover dat de financieringsmogelijkheden ook economisch interessanter zijn dan in het reguliere financieringscircuit zoals bij banken. (…)

Door omstandigheden volledig buiten de invloedssfeer van [naam commanditaire vennootschap] CV heeft onze relatie de heer [B] , CEO van een Canadese kleine beursgenoteerde onderneming, niet kunnen leveren met betrekking tot de gevraagde financiering zoals u ook weet, ondanks al onze inspanningen moeite en kosten die wij gemaakt hebben om dit wel te regelen.

(…) Zodra wij een transactie succesvol afronden zijn wij bereid om de betaling van EUR 250.000 door [eiseres] terug te betalen, hetgeen tevens een beëindiging van onze relatie impliceert.

Het exact aangeven van data hieromtrent is, (…), niet mogelijk. (…)

2.19.

En in een brief van 29 januari 2016, tot slot,:

(…)

We hebben reeds in eerdere schriftelijk communicaties aangegeven dat [naam commanditaire vennootschap] CV op best efforts basis de depot storting van EUR 250.000,- tracht te restitueren. Het geven van exacte data is echter niet mogelijk (…).

(…)

Zonder succesvolle nieuwe transacties welke [naam commanditaire vennootschap] kan doen, is het ook niet mogelijk om een start te maken om uw initiële storting te restitueren. Het een hangt met het ander samen. (…) Zodra zich ontwikkelingen voordoen, die mogelijk nieuwe mogelijkheden voor [naam commanditaire vennootschap] kunnen impliceren, zal [naam commanditaire vennootschap] u hierover informeren. (…)

2.20.

De lening is, zoals uit de hiervoor weergegeven correspondentie blijkt, uiteindelijk niet aan [eiseres] verstrekt. [eiseres] heeft het door haar overgemaakte bedrag van € 250.000,- niet teruggekregen.

2.21.

[naam commanditaire vennootschap] is op 18 mei 2016 uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven wegens opheffing van de onderneming. Tussen de processtukken bevindt zich een (naar de rechtbank begrijpt: bij de Kamer van Koophandel ingediend) opgaveformulier waaruit blijkt dat de onderneming op 30 juni 2016 weer is hersteld en een uittreksel uit het handelsregister van 11 november 2016, waaruit blijkt dat [naam commanditaire vennootschap] op die datum nog stond ingeschreven.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt om een bedrag van € 265.000,- aan haar te voldoen, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 december 2014 en hem veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] althans tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij de overeenkomst met [naam commanditaire vennootschap] heeft ontbonden en dat [naam commanditaire vennootschap] het door haar overgemaakte bedrag van € 250.000,- en de door haar betaalde “commitment fee” van € 15.000,- daarom aan haar moet terugbetalen. Ter comparitie heeft zij aangevoerd dat [naam commanditaire vennootschap] in de nakoming van deze overeenkomst is tekortgeschoten omdat de daarin genoemde lening haar niet is verstrekt. [eiseres] heeft erop gewezen dat het recht op teruggave van de € 250.000,- bovendien uit de in 2.6 genoemde offerte voortvloeit, die volgens haar onderdeel is van de overeenkomst. Volgens haar waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beherende vennoten van [naam commanditaire vennootschap] , althans moesten zij als beherende vennoten worden beschouwd omdat zij zich als zodanig hebben gepresenteerd. Op grond van artikel 19 van het Wetboek van Koophandel zijn zij daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld van in totaal € 265.000,- . Indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen beherende vennoten waren, zullen zij stille vennoten zijn geweest. Doordat zij naar buiten zijn opgetreden, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als stille vennoot een daad van beheer verricht, iets wat zij op grond van artikel 20 van het Wetboek van Koophandel niet hadden mogen doen. Dit brengt mee dat zij, net als de beherende vennoten, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van [naam commanditaire vennootschap] . Subsidiair geldt volgens [eiseres] dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich als bestuurders van hun in Engeland gevestigde vennootschappen (die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als beherende vennoten van [naam commanditaire vennootschap] staan vermeld) onrechtmatig hebben gedragen en daarom voor de door [eiseres] geleden schade aansprakelijk zijn. Zij, dan wel hun vennootschappen, zijn namens [naam commanditaire vennootschap] namelijk een verplichting aangegaan, terwijl zij wisten of behoorden te weten dat deze niet door [naam commanditaire vennootschap] kon worden nagekomen. In ieder geval hebben zij bewerkstelligd dat [naam commanditaire vennootschap] een verplichting niet kon nakomen. Als ook dit niet kan worden vervolgd, is er volgens [eiseres] sprake van bedrog. Zij gelooft niets van de contacten uit Canada, een goedgekeurde kredietlijn uit Hong Kong en al opgestelde conceptakten van een notaris uit Amsterdam, waar [gedaagde sub 1] c.s. het in de hiervoor (onder de feiten) weergegeven correspondentie over heeft.

4.2.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft allereerst aangevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat deze (als zij al bestaat) moet worden ingesteld jegens [naam commanditaire vennootschap] . [naam commanditaire vennootschap] bestaat namelijk nog steeds. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn niet langer bij [naam commanditaire vennootschap] betrokken en de nieuwe eigenaar heeft hun decharge verleend. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat [naam commanditaire vennootschap] zich bezighoudt met financieringen die bijzondere condities kennen en waarbij geen resultaatsverplichting geldt: er zijn geen concrete “oplevertermijnen” en er bestaan hoge risico’s. [naam commanditaire vennootschap] heeft geprobeerd om via een klein beursgenoteerd bedrijf in Canada ( [bedrijfsnaam 3] INC, hierna: [bedrijfsnaam 3] ) een financiering te vinden. Dit bedrijf had een kredietlijn bij HSBC in Hong Kong. Om de financiering te verkrijgen, diende [bedrijfsnaam 3] een bankgarantie te stellen. In dit verband moest [eiseres] een bedrag van

€ 250.000,- betalen. Eerder was het de bedoeling dat dit bedrag op de bankrekening van een stichting zou worden gestort en dat het pas zou worden overgemaakt als duidelijk was dat aan bepaalde voorwaarden was voldaan. Maar [eiseres] had op een gegeven moment haast en heeft er toen zelf voor gekozen om het bedrag direct aan [naam commanditaire vennootschap] over te maken, die het bedrag vervolgens aan [bedrijfsnaam 3] heeft voldaan. Nadien is gebleken dat [bedrijfsnaam 3] haar afspraken niet nakwam: zij heeft het door haar te lenen bedrag nooit ter beschikking gesteld. [bedrijfsnaam 3] heeft dus wanprestatie gepleegd en [naam commanditaire vennootschap] opgelicht. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is er geen afspraak dat het door [eiseres] overgemaakte bedrag van € 250.000,- door [naam commanditaire vennootschap] zou worden terugbetaald indien de lening niet tot stand zou komen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft ter comparitie in dit verband naar voren gebracht dat de offerte waarop [eiseres] zich beroept niet meer van kracht is. Volgens hem zijn de bepalingen uit de later gesloten fundingovereenkomst daarvoor in de plaats gekomen, waarin niets over een terugbetalingsverplichting staat vermeld. Bovendien geldt dat [gedaagde sub 1] c.s. [eiseres] telkens heeft gewezen op het risico van verlies van haar inleg. [naam commanditaire vennootschap] hoeft het bedrag van

€ 250.000,- om deze reden niet terug te betalen. Als dit niet kan worden gevolgd, geldt dat [gedaagde sub 1] c.s. voor deze schuld niet aansprakelijk is. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn namelijk niet zelf beherend vennoot van [naam commanditaire vennootschap] ; dat zijn hun (naar Engels recht opgerichte) vennootschappen (zie 2.3). Weliswaar heeft in het handelsregister vermeld gestaan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedurende één dag ook zélf beherend vennoot waren, maar dat was ten onrechte. [gedaagde sub 1] c.s. heeft in dit verband gewezen op een door hem als productie 3 overgelegde e-mail van een medewerkster van de Kamer van Koophandel. Hierin wordt vermeld dat de Kamer van Koophandel op 6 augustus 2015 een bericht van de bij [naam commanditaire vennootschap] betrokken notaris had ontvangen, waaruit bleek dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] vanaf 17 juli 2015 beherend vennoten van [naam commanditaire vennootschap] waren, maar dat zij een dag later wéér een bericht van de notaris ontving waarin stond vermeld dat de eerder opgave op een vergissing berustte. Zij hebben zich ook niet als beherende vennoten gedragen en zijn geen stille vennoot van [naam commanditaire vennootschap] geweest. Tot slot geldt dat zij ook als bestuurder van de beherende vennoten van [naam commanditaire vennootschap] (de Engelse vennootschappen) niet aansprakelijk zijn voor de schuld en dat zij [eiseres] niet hebben bedrogen.

4.3.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [naam commanditaire vennootschap] het bedrag van

€ 250.000,- aan [eiseres] is verschuldigd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Zoals uit de weergave van de offerte in 2.6 blijkt, is in de offerte letterlijk vermeld dat er ter zake van de storting van € 250.000,- een terugbetalingsgarantie geldt in het geval de lening niet tot stand komt. [gedaagde sub 1] c.s. heeft niet gesteld dat uit de offerte op zichzelf voor partijen geen rechten en verplichtingen voortvloeiden. De rechtbank neemt daarom aan dat dit tussen partijen niet in geschil is. Waarom moet worden aangenomen dat de bepalingen uit de offerte niet langer van kracht zijn omdat die van de later gesloten fundingovereenkomst daarvoor in de plaats zijn gekomen, heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet naar voren gebracht. De offerte bevat afspraken tussen [eiseres] en [naam commanditaire vennootschap] en zolang niet schriftelijk is overeengekomen (bijvoorbeeld middels een entire agreement clausule in de later gesloten fundingovereenkomst) of mondeling is afgesproken dat deze afspraken niet langer gelden, kan [eiseres] hierop een beroep doen. Dat geldt temeer nu het hier om een wezenlijke verplichting van [naam commanditaire vennootschap] gaat. [eiseres] heeft ter comparitie in dit licht verklaard dat zij de offerte niet zou hebben getekend indien niet zou zijn afgesproken dat zij het bedrag van € 250.000,- zou terugkrijgen indien er geen financiering tot stand zou komen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft weliswaar gesteld dat [naam commanditaire vennootschap] [eiseres] erop heeft gewezen dat het een risicovol product betrof en dat de kans bestond dat zij haar “inleg” zou kwijtraken, maar [gedaagde sub 1] c.s. heeft in dit verband gewezen op correspondentie die is gevoerd ruim nadat de offerte (en overigens ook de fundingovereenkomst) was ondertekend, namelijk in de periode augustus-oktober 2015. Deze stelling valt bovendien niet goed te rijmen met dat wat [gedaagde sub 1] c.s. tijdens de comparitie heeft verklaard. Hij heeft toen naar voren gebracht dat hij van [bedrijfsnaam 3] een “promissory note” (door hem overgelegd als productie 7) had ontvangen, waarmee teruggave van het bedrag was gegarandeerd als de lening niet zou worden verstrekt. De tekst van de offerte ligt hiervan in het verlengde: [naam commanditaire vennootschap] garandeert [eiseres] dat zij het bedrag teruggeeft en dat kan zij omdat zij zelf een beroep kan doen op een vergelijkbare garantie.

4.4.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft ter comparitie nog aangevoerd dat de situatie die in de bepaling in de offerte is beschreven, namelijk één waarin (naar de rechtbank begrijpt: door [bedrijfsnaam 3] ) een bankgarantie zou worden gesteld, zich niet heeft voorgedaan en dat zij daarom niet gehouden is het bedrag terug te betalen. De rechtbank kan dit niet volgen. De bepaling houdt in dat indien er geen lening tot stand komt, er een terugbetaalgarantie geldt. Als [gedaagde sub 1] c.s. betoogt dat deze garantie alleen geldt in de situatie waarin er geen lening tot stand komt, maar waarin er door [bedrijfsnaam 3] wél een bankgarantie is gesteld, geldt dat dit niet uit de tekst van de bepaling kan worden afgeleid. Waaruit blijkt dat partijen dit desondanks wél hebben afgesproken, heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet duidelijk gemaakt.

4.5.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft ter zake van de vraag of [naam commanditaire vennootschap] het bedrag van € 250.000,- verschuldigd is, tot slot naar voren gebracht dat [eiseres] er zelf voor heeft gekozen om dit bedrag rechtstreeks aan [naam commanditaire vennootschap] over te maken in plaats van naar de rekening van de stichting derdengelden, die in de fundingovereenkomst is genoemd. Kennelijk bedoelt [gedaagde sub 1] c.s. hiermee te stellen dat [eiseres] daarmee afstand heeft gedaan van bepaalde waarborgen en het verlies van het bedrag van € 250.000,- (in ieder geval: mede) zelf heeft veroorzaakt. Het antwoord op de vraag of [eiseres] het bedrag op eigen initiatief of, zoals zij heeft gesteld, op aandringen van [gedaagde sub 2] rechtstreeks op de rekening van [naam commanditaire vennootschap] heeft overgemaakt, kan in het midden blijven. In een e-mail van 1 december 2014 (zie 2.9.) heeft [gedaagde sub 2] [eiseres] laten weten dat de doorbetaling van het bedrag (aan [bedrijfsnaam 3] , zo begrijpt de rechtbank) zou plaatsvinden op basis van de checklist die [eiseres] een dag eerder per e-mail was toegestuurd. Uit deze e-mail kan worden afgeleid dat de in die eerdere e-mail genoemde heer [A] bij het langslopen van die checklist betrokken zou zijn. Daarnaast volgt uit deze e-mail dat deze heer [A] [eiseres] , voordat de doorbetaling zou plaatsvinden, zou bevestigen dat aan de (naar de rechtbank begrijpt: in de eerdere e-mail) beschreven voorwaarden was voldaan. In de offerte wordt ook melding gemaakt van de tussenkomst van de heer [A] : hierin wordt gesproken van een derdenrekening van de [naam stichting] . Dat het bedrag uiteindelijk niet op deze derdengelden rekening is overgemaakt, maar rechtstreeks op die van [naam commanditaire vennootschap] , acht de rechtbank niet van belang. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat [gedaagde sub 2] de e-mail van 1 december 2014 stuurde nadat voor partijen duidelijk was dat [eiseres] het bedrag rechtstreeks op de rekening van [naam commanditaire vennootschap] zou overmaken. [eiseres] mocht er gezien de genoemde e-mails op vertrouwen dat zou worden nagegaan of er aan de voorwaarden voor doorbetaling was voldaan en dat dit bovendien zou gebeuren door een van [naam commanditaire vennootschap] onafhankelijke persoon. Indien zou vaststaan dat zij het bedrag op eigen initiatief naar de rekening van [naam commanditaire vennootschap] heeft overgemaakt, zou haar dit dus niet kunnen worden tegengeworpen.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat [naam commanditaire vennootschap] op grond van de met [eiseres] gesloten overeenkomst (die deels is vastgelegd in de offerte) verplicht is het bedrag van

€ 250.000,- aan [eiseres] terug te betalen. [eiseres] heeft ter comparitie aangevoerd dat zij de overeenkomst heeft ontbonden omdat [naam commanditaire vennootschap] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om een financiering tot stand te brengen. Uit dat wat hiervoor is overwogen, blijkt dat de in de offerte genoemde terugbetalingsverplichting hiervoor een remedie bood en dat [eiseres] , zoals zij ter comparitie ook heeft bevestigd, nakoming van deze verplichting had kunnen vorderen. De rechtbank begrijpt de stelling van [eiseres] daarom aldus dat zij de overeenkomst heeft ontbonden omdat [naam commanditaire vennootschap] haar terugbetalingsverplichting heeft geschonden. [gedaagde sub 1] c.s. heeft, zoals hiervoor weergegeven, betoogd dat deze verplichting niet gold. Zij heeft niet aangevoerd dat voor zover deze wél op [naam commanditaire vennootschap] rustte, een schending ervan de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt. De rechtbank beschouwt de overeenkomst dan ook als ontbonden. Niet duidelijk is of [eiseres] [naam commanditaire vennootschap] in gebreke heeft gesteld, maar een ingebrekestelling was gezien de hiervoor in 2.18 weergegeven brief ook niet nodig. [eiseres] mocht uit deze brief namelijk afleiden dat [eiseres] in de nakoming van de verplichting (de terugbetaling) zou tekortschieten, zodat het verzuim op grond van artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling is ingetreden. In de hiervoor genoemde brief heeft [naam commanditaire vennootschap] weliswaar geschreven dat zij bereid was om het bedrag van

€ 250.000,- aan [eiseres] terug te betalen, maar die terugbetaling zou volgens haar (pas) plaatsvinden na “een succesvolle transactie” en het “exact aangeven van data” was volgens [naam commanditaire vennootschap] niet mogelijk. In de offerte is over een dergelijke voorwaarde, die [naam commanditaire vennootschap] hier aan de terugbetaling verbindt, echter niets bepaald. [eiseres] mocht dan ook begrijpen dat [naam commanditaire vennootschap] deze ongeclausuleerde verplichting uit de offerte niet zou nakomen en de overeenkomst zonder ingebrekestelling ontbinden. Door de ontbinding van een overeenkomst ontstaat er voor partijen op grond van artikel 6:271 BW een verplichting om de reeds ontvangen prestaties ongedaan te maken. Dat betekent dat [naam commanditaire vennootschap] niet alleen het bedrag van € 250.000,- aan [eiseres] moet terugbetalen (hetgeen zij zoals overwogen ook op grond van de overeenkomst al had moeten doen), maar ook dat van € 15.000,-.

4.7.

De beherende vennoten van een commanditaire vennootschap zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van deze vennootschap. Er is geen wettelijke bepaling die een schuldeiser van een commanditaire vennootschap verplicht om zijn vordering eerst tegen de commanditaire vennootschap in te stellen en pas daarna (in het geval deze vennootschap onvoldoende verhaal biedt) tegen de vennoten (zie Gerechtshof Amsterdam 22 mei 1958, NJ 1958, 493). Deze verplichting is er ook niet als de vennoot inmiddels is uitgetreden. Een uittredende vennoot blijft namelijk aansprakelijk voor de schulden die de vennootschap voor zijn uittreden is aangegaan. [gedaagde sub 1] c.s. kan in zijn betoog dat [naam commanditaire vennootschap] had moeten worden gedagvaard, en niet hij, dus niet worden gevolgd.

4.8.

De vraag is wél of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beherend vennoot van [naam commanditaire vennootschap] waren en of [eiseres] , als dat niet zo is, hen in ieder geval zo kon beschouwen. [eiseres] heeft er in dit verband allereerst op gewezen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als beherend vennoot van [naam commanditaire vennootschap] in het handelsregister vermeld hebben gestaan. Als [eiseres] aan deze vermelding (zoals [gedaagde sub 1] c.s. betoogt) geen rechten kan ontlenen, geldt volgens [eiseres] dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zichzelf richting haar uitdrukkelijk als beherend vennoot hebben gepresenteerd. [eiseres] heeft in dit verband gewezen op de in 2.4 weergegeven e-mail, waarin [gedaagde sub 1] zichzelf en [gedaagde sub 2] aan [eiseres] voorstelt als vennoten van [naam commanditaire vennootschap] en waarin hij hun achtergrond beschrijft. Zij heeft ook gewezen op het feit dat alle brieven van [naam commanditaire vennootschap] door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn ondertekend (waarbij hun Engelse vennootschappen niet worden genoemd) en dat dit ook voor de overeenkomst geldt. [gedaagde sub 1] c.s. heeft zoals hiervoor in 4.2 weergegeven, aangevoerd dat de vermelding in het handelsregister van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als beherend vennoten van [eiseres] op een vergissing van de notaris berustte en dat zij blijkens het handelsregister op de datum van toetreding ook weer zijn uitgetreden. Zij zijn dus geen beherend vennoot geweest. [eiseres] mocht [gedaagde sub 1] c.s. ook niet als beherend vennoot aanmerken, want toen zij de overeenkomst tekende en het bedrag van € 250.000,- overmaakte, wist zij dat de Engelse vennootschappen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de beherende vennoten van [naam commanditaire vennootschap] waren. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. wist [eiseres] dat ook al toen zij de hiervoor genoemde e-mail ontving. [eiseres] had dit namelijk (bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] of één van hen, zo begrijpt de rechtbank deze stelling) aangekaart nadat zij dit zelf in het handelsregister had gezien. Daarnaast is volgens [gedaagde sub 1] c.s. van belang dat [gedaagde sub 1] deze e-mail “in de snelheid” heeft geschreven.

4.9.

De rechtbank overweegt dat het feit dat een persoon als beherend vennoot in het handelsregister staat vermeld, op zichzelf niet meebrengt dat deze persoon ook beherend vennoot ís. Wel is het zo dat de onjuistheid van een inschrijving in het handelsregister op grond van artikel 25 lid 3 van de Handelsregisterwet een derde niet kan worden tegengeworpen als deze derde van deze onjuistheid niet op de hoogte was. Een derde mag afgaan op de inschrijving in het handelsregister, ook als deze derde het register pas naderhand (nadat hij of zij een overeenkomst met de desbetreffende vennootschap heeft gesloten) raadpleegt. De inschrijving moet echter wel al hebben bestaan toen de derde de overeenkomst met de vennootschap sloot. Het genoemde artikel van de Handelsregisterwet heeft namelijk tot doel om derden te beschermen die bij het sluiten van de overeenkomst met de vennootschap afgaan (of hadden kunnen afgaan) op informatie die ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst in het handelsregister was vermeld. In het handelsregister staat vermeld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 17 juli 2015 tot de vennootschap zijn toegetreden en dat zij op dezelfde datum ook weer zijn uitgetreden. Deze vermelding was uiteraard nog niet te zien toen [eiseres] de overeenkomst tekende en vervolgens, op 1 december 2014, het bedrag van € 250.000,- overmaakte. De vermelding kan [eiseres] bij het verrichten van deze rechtshandelingen dus niet hebben beïnvloed en zij kan ter onderbouwing van haar vordering op [gedaagde sub 1] c.s. op deze inschrijving van [gedaagde sub 1] c.s. als beherend vennoot daarom geen beroep doen.

4.10.

Zoals weergegeven, heeft [eiseres] ook aangevoerd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] jegens haar als beherend vennoot moeten worden aangemerkt omdat zij zich als zodanig richting haar hebben gepresenteerd. De rechtbank overweegt dat in dit verband van belang is wat [eiseres] enerzijds en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Vaststaat dat zowel de offerte als de fundingovereenkomst door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in persoon is ondertekend, waarbij hun Engelse vennootschappen niet zijn genoemd. In de kop van de fundingovereenkomst wordt bovendien vermeld dat [naam commanditaire vennootschap] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en ook hier wordt geen melding gemaakt van hun Engelse vennootschappen. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] op 13 november 2014 per e-mail (zie 2.4) geschreven dat [gedaagde sub 2] en hij (de) vennoten van [naam commanditaire vennootschap] waren en heeft hij [eiseres] hierin informatie gegeven over hun achtergrond. Dat deze e-mail snel is geschreven, zoals [gedaagde sub 1] c.s. heeft gesteld, betekent niet dat aan de tekst ervan geen belang kan worden gehecht. Dat zou anders kunnen zijn indien [eiseres] in het licht van de overige verklaringen en gedragingen van [gedaagde sub 1] c.s. had moeten begrijpen dat de inhoud van deze e-mail niet juist was. Maar dat had zij gezien de tekst van de offerte en de overeenkomst juist niet hoeven te begrijpen. Dat geldt temeer nu de Engelse vennootschappen ook nergens worden genoemd in de correspondentie die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] namens [naam commanditaire vennootschap] hebben gevoerd voordat de overeenkomst was gesloten en het bedrag van € 250.000,- was betaald. [eiseres] mocht uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde sub 1] c.s. in beginsel dus afleiden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beherend vennoot van [naam commanditaire vennootschap] waren. Dat [eiseres] had kunnen weten dat dit niet juist was omdat zij dit bij raadpleging van het handelsregister had kunnen zien, is niet relevant. Wat er in het handelsregister is ingeschreven, kan een derde namelijk alleen door de vennootschap zélf worden tegengeworpen. De derde die door zijn verklaringen dan wel gedragingen de schijn heeft opgewekt dat hij beherend vennoot was, kan zich ter afwering van de eigen aansprakelijkheid niet op de inschrijving in het handelsregister beroepen (Hoge Raad

1 november 1991, ECLI:NL:PHR:1991:AB7803).

4.11.

Wat wél van belang is, is of het klopt wat [gedaagde sub 1] c.s.ter comparitie heeft aangevoerd, namelijk dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , dan wel één van hen, [eiseres] hebben (of heeft) verteld dat niet zijzelf de beherend vennoten waren, maar hun Engelse vennootschappen en dat dit gebeurde voordat [eiseres] de overeenkomst (de offerte) ondertekende en het bedrag van € 250.000,- overmaakte. Zoals hiervoor vermeld, had [eiseres] dit volgens [gedaagde sub 1] c.s. zelf bij hem aangekaart nadat zij dit in het handelsregister had gezien. [eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat zij dit inderdaad in het handelsregister had gezien, maar dat zij de offerte en de fundingsovereenkomst toen al had ondertekend en het bedrag al had betaald. De rechtbank overweegt dat het aan [gedaagde sub 1] c.s. is om zijn stelling dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan wel één van hen [eiseres] heeft verteld dat niet zijzelf de beherende vennoten waren, maar hun Engelse vennootschappen, en dat is gebeurd voordat [eiseres] de offerte ondertekende, te bewijzen. [gedaagde sub 1] c.s. beroept zich namelijk op de rechtsgevolgen van dit door hem gestelde feit.

4.12.

Indien [gedaagde sub 1] c.s. het bewijs door middel van het horen van getuigen wenst te leveren, dient hij er bij het oproepen van de getuigen rekening mee te houden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.13.

Indien na bewijslevering komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] [eiseres] pas nadat zij de offerte had ondertekend hebben of heeft laten weten dat niet [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de beherende vennoten waren maar hun Engelse vennootschappen, zal het oordeel zijn dat [eiseres] uit de hiervoor in 4.7 genoemde verklaringen en gedragingen heeft mogen afleiden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beherende vennoten waren van [naam commanditaire vennootschap] . Dit betekent dat zij het bedrag van € 265.000,- dat [naam commanditaire vennootschap] aan [eiseres] verschuldigd is, zullen moeten voldoen. Dat zij inmiddels niet meer bij [naam commanditaire vennootschap] betrokken zijn, maakt dat niet anders. Zoals hiervoor in 4.7 overwogen, blijven uittredende vennoten namelijk aansprakelijk voor schulden die de vennootschap vóór hun uittreden is aangegaan. Dit geldt ook voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , uit wiens verklaringen en gedragingen [eiseres] mocht afleiden dat zij beherend vennoot waren. Dat het nieuwe bestuur van [naam commanditaire vennootschap] de beherende vennoten decharge heeft verleend, doet aan deze betalingsverplichting van [gedaagde sub 1] c.s. ook niet af. Een decharge betreft een interne aangelegenheid van de vennootschap en kan schuldeisers van de vennootschap niet raken.

4.14.

Indien na bewijslevering komt vast te staan dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] [eiseres] voordat zij de offerte had ondertekend hebben of heeft laten weten dat niet [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de beherende vennoten waren, maar hun Engelse vennootschappen, zal het oordeel zijn dat [eiseres] uit de genoemde verklaringen en gedragingen van [gedaagde sub 1] c.s. niet heeft mogen afleiden dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de beherende vennoten van [naam commanditaire vennootschap] waren. Zij kunnen dan niet op grond van artikel 19 van het Wetboek van Koophandel tot betaling worden veroordeeld. [eiseres] heeft gesteld dat zij in dat geval op grond van artikel 21 van het Wetboek van Koophandel aansprakelijk zijn voor de schuld, omdat zij als zij geen beherend vennoten waren, stille vennoten zullen zijn (geweest) en door hun contacten met [eiseres] het beheersverbod van artikel 20 van het Wetboek van Koophandel hebben overtreden. [eiseres] heeft in dit verband aangevoerd dat er verschillende beherende vennoten zijn geweest, dat dit vennootschappen betrof waarover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zeggenschap hadden en dat een nieuwe beherend vennoot telkens een overeenkomst zal moeten sluiten met de stille vennoot of vennoten. Het is volgens [eiseres] niet waarschijnlijk dat een stille vennoot akkoord gaat met dergelijke wisselingen als hij niet telkens bij deze nieuwe beherende vennoten betrokken is. [gedaagde sub 1] c.s. heeft op deze stelling niet gereageerd en heeft volstaan met de blote betwisting dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de stille vennoten zijn. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] c.s. op grond van artikel 22 Rv bevelen om deze stelling toe te lichten en om de overeenkomsten in het geding te brengen die de beherende vennoten met de stille vennoot of vennoten hebben gesloten. Het zal daarbij om de overeenkomsten moeten gaan waarbij [bedrijfsnaam 1] Ltd (de vennootschap van [gedaagde sub 2] ) en [bedrijfsnaam 2] Ltd (de vennootschap van [gedaagde sub 1] ) tot de vennootschap zijn toegetreden. Deze toetredingen vonden blijkens het handelsregister plaats op 29 november 2014 respectievelijk 1 november 2014 en de rechtbank begrijpt dat het eerste contact tussen [eiseres] en [naam commanditaire vennootschap] van rond die tijd dateert. Indien zal blijken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tussen toen en eind januari 2016 (op enig moment) de stille vennoten van [naam commanditaire vennootschap] waren, hebben zij door hun handelingen jegens [eiseres] mogelijk het beheersverbod van artikel 21 van het Wetboek van Koophandel overtreden. In dat geval zullen zij, net als de beherende vennoten, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van [naam commanditaire vennootschap] en het bedrag van € 265.000,- aan [eiseres] moeten voldoen. Als zal worden vastgesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de stille vennoten waren, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om bij akte uiteen te zetten of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het beheersverbod volgens hen hebben overtreden.

4.15.

[eiseres] heeft aan haar vordering subsidiair ten grondslag gelegd dat [naam commanditaire vennootschap] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Volgens [eiseres] zijn de Engelse vennootschappen daarvoor aansprakelijk omdat hun ter zake van de benadeling een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij meent dat deze aansprakelijkheid op grond van artikel 2:11 BW ook op [gedaagde sub 1] c.s. rust. [eiseres] heeft erop gewezen dat zij het bedrag van € 250.000,- op verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. niet op de eerder genoemde derdenrekening heeft overgemaakt, maar op een rekening van [naam commanditaire vennootschap] , zodat [naam commanditaire vennootschap] over het bedrag kon beschikken. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hadden er rekening mee moeten houden dat [eiseres] recht had op teruggave van dit bedrag. Zij hebben er volgens haar echter voor gekozen om het voor andere doeleinden te gebruiken, terwijl zij wisten dat [naam commanditaire vennootschap] niet over voldoende middelen beschikte om het bedrag aan [eiseres] terug te betalen. De rechtbank begrijpt dat waar [eiseres] hier [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] noemt, zij hun Engelse vennootschappen bedoelt en dat de aansprakelijkheid van deze vennootschappen volgens [eiseres] op grond van artikel 2:11 BW tot die van [gedaagde sub 1] c.s. leidt.

4.16.

Op grond van het genoemde artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

Om tot een vaststelling van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. te komen, moet allereerst worden geoordeeld dat de Engelse vennootschappen van [gedaagde sub 1] c.s. aansprakelijk zijn als bestuurder van [naam commanditaire vennootschap] . [eiseres] heeft, zoals weergegeven, aangevoerd dat [gedaagde sub 1] c.s. (waarmee zal zijn bedoeld: de Engelse vennootschappen) ervoor heeft (hebben) gekozen om het bedrag van € 250.000,- voor een ander doel (dan dat van betaling aan de eerder genoemde vennootschap [bedrijfsnaam 3] ) te gebruiken, maar dat dit zo is, is in het licht van de betwisting door [gedaagde sub 1] c.s. niet komen vast te staan. [gedaagde sub 1] c.s. heeft namelijk gesteld dat [naam commanditaire vennootschap] het bedrag, samen met dat van andere “deelnemers” (personen die ook een financiering wilden verkrijgen), aan de eerder genoemde vennootschap [bedrijfsnaam 3] heeft betaald, dat zij probeert om dit bedrag terug te krijgen en dat er in dit verband beslag is gelegd op de woning van de CEO van deze vennootschap. [gedaagde sub 1] c.s. heeft in verband met het eerste een bankafschrift overgelegd (productie 7), waaruit blijkt dat [naam commanditaire vennootschap] op 5 december 2014 een bedrag van € 863.932,43 aan [bedrijfsnaam 3] heeft overgemaakt. [eiseres] heeft hierop ter comparitie niet meer gereageerd en dat [naam commanditaire vennootschap] bezig is om het bedrag van [bedrijfsnaam 3] terug te krijgen en daarvoor rechtsmaatregelen heeft getroffen, heeft zij niet betwist, ook niet bij gebrek aan wetenschap. [eiseres] heeft daarnaast gesteld dat [gedaagde sub 1] c.s. (de Engelse vennootschappen) wist (wisten) dat [naam commanditaire vennootschap] het bedrag van € 250.000,- niet kon terugbetalen, maar dat [naam commanditaire vennootschap] het bedrag niet kan terugbetalen heeft [gedaagde sub 1] c.s. ook betwist en [eiseres] heeft deze stelling niet onderbouwd. Voor zover zij dit heeft willen doen door overlegging van een uittreksel van het Handelsregister van 30 mei 2016, waaruit blijkt dat de inschrijving van [naam commanditaire vennootschap] op 19 mei 2016 wegens opheffing van de vestiging is doorgehaald, is dit onvoldoende. Uit een opgaveformulier dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft ingebracht, blijkt namelijk dat de onderneming van [naam commanditaire vennootschap] weer was hersteld nadat er tegen deze opheffing bezwaar was gemaakt. Blijkens een uittreksel van het handelsregister van 11 november 2016, dat [gedaagde sub 1] c.s. ook heeft overgelegd, bestaat (althans bestond) [naam commanditaire vennootschap] (op de genoemde datum) nog en is (was) de vennootschap [bedrijfsnaam 4] LLC als beherend vennoot geregistreerd, van wie de bestuurder de comparitie van partijen heeft bijgewoond.

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat de door [eiseres] gestelde feiten gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde sub 1] c.s. niet zijn komen vast te staan. Dit betekent dat de rechtbank aan een beantwoording van de vraag of deze gestelde feiten meebrengen dat de Engelse vennootschappen als bestuurder (en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurder van deze vennootschappen) aansprakelijk zijn, niet toekomt.

4.18.

[eiseres] heeft aan haar vordering ten slotte ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] c.s. haar heeft bedrogen. Ook hierin kan zij niet worden gevolgd. Dat [gedaagde sub 1] c.s. haar onwaarheden heeft verteld, kan alleen al vanwege hetgeen over de betaling aan [bedrijfsnaam 3] is overwogen en het feit dat [eiseres] niet heeft betwist dat [naam commanditaire vennootschap] bezig is om het bedrag van € 250.000,- van [bedrijfsnaam 3] terug te krijgen, niet worden vastgesteld.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

draagt [gedaagde sub 1] c.s. op te bewijzen dat hij [eiseres] heeft laten weten dat niet [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de beherende vennoten van [naam commanditaire vennootschap] waren, maar hun Engelse vennootschappen en dat dit is gebeurd voordat [eiseres] de offerte ondertekende;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 oktober 2017 voor uitlating door [gedaagde sub 1] c.s. of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.2.1.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] c.s. indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.2.2.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] c.s., indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met mei 2018 op de dinsdagen, donderdagen en vrijdagen direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.2.3.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A.F. Hermans in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1,

5.2.4.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.3.

beveelt [gedaagde sub 1] c.s. om zijn stelling dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de periode tussen begin november 2014 en eind januari 2016 geen stille vennoten waren bij akte, in te dienen op 18 oktober 2017, toe te lichten en om daarbij de in 4.14 genoemde overeenkomsten in het geding te brengen, waarna [eiseres] in de gelegenheid zal worden gesteld om hierop bij antwoordakte te reageren;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.1

1 Type: AFH/4105 Coll: JvdB/4223