Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4732

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
444518 / HA RK 17-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Wrakingskamer

Locatie: Utrecht

Zaaknummer: 444518 / HA RK 17-191

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 15 september 2017

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] , (verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    Het wrakingsverzoek van verzoeker van 28 augustus 2017;

  • -

    De aanvulling op het wrakingsverzoek van verzoeker van 1 september 2017;

  • -

    De schriftelijke reactie van de rechter mr. P.W.G. de Beer;

  • -

    De schriftelijke reactie van de rechter mr. P.J.G. van Osta van 6 september 2017.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 12 september 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P.W.G. de Beer (mr. De Beer) en mr. P.J.G. van Osta (mr. Van Osta) als behandelend rechters in de meervoudige kamer, in de zaken met zaaknummers C/16/397818/JE RK 15-1437 en C/16/409578/FA RK 16-900.

2.2.

Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend naar aanleiding van de zitting bij de meervoudige kamer van 28 augustus 2017. In zijn wrakingsverzoek voert hij – zakelijk weergegeven – aan dat de twee rechters tot wie het wrakingsverzoek zich richt steeds een actieve rol spelen bij alle procedures betreffende omgang met en gezag over zijn kinderen. Mr. De Beer heeft op de zitting van 21 augustus 2015 de uitspraak gedaan dat hij rigoureus zou ingrijpen als hij zou constateren dat zijn kinderen belast zouden worden met volwassenen zaken en nu mr. De Beer dat heeft nagelaten, maakt dit dat [verzoeker] hem vooringenomen vindt.

Ten aanzien van mr. Van Osta heeft verzoeker verwezen naar een eerder door hem ingediend wrakingsverzoek naar aanleiding van de zitting van 18 april 2016.

Met betrekking tot de zitting van 28 augustus 2017 heeft verzoeker gesteld dat naar aanleiding van de vraagstelling op de zitting en het niet toelaten van het voordragen van zijn pleitnota door mr. De Beer bij hem de indruk is ontstaan dat de uitspraak al was kortgesloten voor aanvang van de zitting. Verder wijst verzoeker op de omstandigheid dat mr. De Beer tijdens het kinderverhoor van zijn zoon [minderjarige] , onvoldoende heeft doorgevraagd. Ook heeft het er volgens verzoeker de schijn van dat de GI reeds op de hoogte is van de eventuele uitspraak van de rechtbank aangezien zij nog niet om verlenging van de ondertoezichtstelling heeft verzocht. Het verzoek van de GI had daarom radicaal van tafel geveegd moeten worden. Uit het feit dat de rechters voorbij gaan aan het ontbreken van een grondslag voor begeleide omgang, ontstaat bij verzoeker voorts de indruk dat de GI klakkeloos door de rechtbank gevolgd gaat worden.

2.3.

De rechters hebben niet berust in de wraking.

In de schriftelijke reactie stelt mr. De Beer zich – kort gezegd – op het standpunt dat de door verzoeker aangevoerde gronden niet voldoende zijn om te concluderen dat sprake is van vooringenomenheid of de schijn daarvan bij hem als voorzitter van de meervoudige kamer. Hij betwist dat hij zich op de zitting van 21 augustus 2015 heeft uitgelaten als door verzoeker gesteld. Ook ziet mr. De Beer de relevantie van het door verzoeker over deze zitting aangevoerde niet in.

In de schriftelijke reactie stelt mr. Van Osta zich op het standpunt dat de omstandigheden die verzoeker naar voren brengt geen aanleiding geven voor de conclusie dat sprake is van de (schijn van) vooringenomenheid. Mr. Van Osta constateert verder dat verzoeker verwijst naar een eerder wrakingsverzoek dat reeds is afgedaan.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. In artikel 37, eerste lid, Rv is bepaald dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Aangezien verzoeker niet gesteld heeft dat er sprake is van enig persoonlijke

vooringenomenheid van de rechters jegens verzoeker, zal slechts worden onderzocht of

verzoeker in objectieve zin reden heeft te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid

ontbreekt.

3.5.

Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek en in zijn toelichting daarop ter zitting verwezen naar omstandigheden die zich tijdens eerdere zittingen of op eerdere momenten hebben voorgedaan. De wrakingskamer laat deze omstandigheden voor zover deze als afzonderlijke wrakingsgrond zijn bedoeld bij haar beoordeling buiten beschouwing nu ten aanzien daarvan niet wordt voldaan aan de in artikel 37, eerste lid, Rv neergelegde eis dat het verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.

De gronden die verzoeker ter zitting van 12 september 2017 naar voren heeft gebracht en die niet volgen uit zijn wrakingsverzoek van 28 augustus 2017 of de aanvulling van 1 september 2017 laat de wrakingskamer, gelet op artikel 37, derde lid, Rv, eveneens buiten beschouwing. Uit dit artikellid volgt dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.

De wrakingskamer zal een oordeel geven over de gronden die verzoeker tijdig naar voren heeft gebracht en die zien op de behandeling op de voornoemde zitting van 28 augustus 2017. Het betreft de voortdurende betrokkenheid van de gewraakte rechters, de stelling van verzoeker dat het hem niet is toegelaten zijn pleitnota voor te dragen, de vraagstelling van mr. De Beer in het kader van het kinderverhoor, de stelling dat de GI al op de hoogte was van de uitspraak omdat er nog geen verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling was gedaan en de gestelde omstandigheid dat voorbij wordt gegaan aan het ontbreken van een grondslag voor de begeleide omgang, waaruit verzoeker afleidt dat de gewraakte rechters klakkeloos de GI zullen volgen, hetgeen dramatische gevolgen voor zijn kinderen zal hebben.

3.6.

De wrakingskamer overweegt allereerst dat uit het enkele feit dat de gewraakte rechters eerder betrokken zijn geweest bij procedures betreffende de omgang met en het gezag over de kinderen van verzoeker niet kan worden afgeleid dat er sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid dan wel van de objectief bezien te rechtvaardigen (subjectieve) vrees daarvoor. Een eerder wrakingsverzoek of het in de ogen van de verzoeker niet nakomen van een belofte door mr. De Beer, wat daar verder ook van zij, maken dat oordeel niet anders.

3.7.

Anders dan verzoeker stelt, levert de omstandigheid dat mr. De Beer tijdens de behandeling ter zitting verzoeker niet zijn gehele pleitnota heeft laten voordragen geen omstandigheid op die leidt tot de conclusie dat sprake is van een gebrek aan onpartijdigheid of van vooringenomenheid jegens een procespartij bij deze rechter. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze hij de zitting leidt. Voorts blijkt uit de schriftelijke reactie van mr. De Beer dat verzoeker - nadat zijn raadsvrouw het woord had gevoerd - in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren. Verzoeker heeft dit niet betwist.

3.8.

Het verwijt van verzoeker aan mr. De Beer dat ziet op het kinderverhoor, het volgens verzoeker onvoldoende doorvragen bij de zoon van verzoeker, geeft evenmin grond voor het oordeel dat bij mr. De Beer sprake zou zijn van een gebrek aan onpartijdigheid.

3.9.

De omstandigheid dat de GI geen verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling heeft gedaan, terwijl de ondertoezichtstelling reeds op 23 september 2017 afloopt, zodat volgens verzoeker het verzoek van tafel geveegd had moeten worden, rechtvaardigt niet de conclusie dat één van de rechters vooringenomen of partijdig zou zijn. Die enkele omstandigheid is immers onvoldoende om aan te nemen dat de uitspraak van de rechtbank reeds vast stond, zoals verzoeker meent, en/of dat de GI daarvan op de hoogte was. Op dit punt heeft verzoeker zijn stellingen niet onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling van verzoeker dat voorbij wordt gegaan aan het ontbreken van een grondslag voor begeleide omgang en zijn daaruit voortvloeiend gevoel dat de rechters klakkeloos de GI zullen volgen. Verzoeker heeft immers niet het verweer van mr. De Beer weersproken dat de behandeling in het teken stond van onbegeleide omgang.

3.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat sprake is van feiten en omstandigheden die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechters in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking daarom ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechters, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de Afdeling Straf-, familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummers C/16/397818/JE RK 15-1437 en C/16/409578/FA RK 16-900 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, en mr. A. van Dijk en mr. S.C. Hagedoorn als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A.L. de Gier, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.