Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4672

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
16/660372-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke ISD opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660372-16; 16/660598-16 (ter terechtzitting gevoegd) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, Huis van Bewaring Nieuwegein

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. F. Visser, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 16/660372-16

feit 1 op 10 november 2016 in Utrecht een portemonnee met inhoud uit een woning heeft weggenomen, dan wel (subsidiair) een portemonnee met inhoud heeft verduisterd;

feit 2 op 10 november 2016 in Utrecht meerdere malen geprobeerd heeft contactloos te betalen met de bankpas van een ander;

parketnummer 16/660598-16

op 16 oktober 2016 in Utrecht heeft ingebroken in een woning en een tas en twee laptops uit die woning heeft weggenomen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en feit 2 van parketnummer 16/660372-16 en het onder parketnummer 16/660598-16 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daar bij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

De officier van justitie acht de verklaring van verdachte ten aanzien van het onder primair van parketnummer 16/660372-16 tenlastegelegde niet aannemelijk.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 van parketnummer 16/660372-16 en onder parketnummer 16/660598-16 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder feit 1 primair van parketnummer 16/660372-16 ten laste gelegde diefstal van de portemonnee gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de portemonnee uit de woning heeft weggenomen. Niet uitgesloten kan worden dat iemand anders de portemonnee uit de woning heeft weggenomen en dat verdachte deze vervolgens gevonden heeft. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij iemand uit haar tuin zag wegfietsen. Kennelijk beschouwt getuige de steeg ook als haar tuin, het is immers niet aannemelijk dat verdachte zijn fiets mee de tuin in zou nemen. Voorts geeft aangeefster aan dat er € 10,00 uit de portemonnee is verdwenen. Bij verdachte is geen € 10,00 aangetroffen en het is niet aannemelijk dat verdachte de € 10,00 in de tijd tussen het vinden van de portemonnee en zijn aanhouding heeft uitgegeven. Het dossier bevat verder geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verdachte in de woning is geweest. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van dit onderdeel van de tenlastelegging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

parketnummer 16/660372-16 feit 1 primair 1

[benadeelde 1] was op 11 november 2016 om 10.00 uur in de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] . Vanaf de eerste verdieping zag zij een man in de tuin van de woning. Het was een Nederlandse man, met een kaal hoofd en een donkere jas. De man reed weg op een zwarte damesfiets. Beneden gekomen zag zij dat haar tas open was en haar witte portemonnee weg was.2 In de portemonnee zaten onder andere een biljet van € 10,00, twee ING bankpasjes en een rijbewijs.3

[getuige] zag op 11 november 2016 een man in de tuin van haar woning aan de [adres 1] in [woonplaats] . Het was een blanke man van ongeveer 1,85 meter lang, met een normaal postuur, een kaal hoofd. De man droeg een leren jas. Hij stapte op een oude damesfiets en reed weg.4

Verbalisant [verbalisant 1] zag, samen met zijn collega [verbalisant 2] , op 11 november 2016 omstreeks 10.15 uur in Utrecht een man op een oude damesfiets fietsen. De man was ongeveer 40/45 jaar, had een kaal hoofd en een blanke huidskleur. De man droeg een zwarte leren jas.5 De man bleek te zijn: [verdachte] .6 Verbalisant [verbalisant 2] zag dat er tussen de jas en het vest van de man een witte dames portemonnee zat. In de portemonnee zat een rijbewijs7 ten name van [benadeelde 1] . In zijn hand had verdachte onder andere een tweetal ING bankpassen ten name van [benadeelde 1] .8

Bewijsoverweging/Bewijsoverwegingen

alternatief scenario

De raadsman heeft bepleit dat niet uit te sluiten is dat iemand anders de portemonnee uit de woning heeft weggenomen, waarna verdachte deze vlakbij de woning heeft aangetroffen.

De rechtbank overweegt dat:

- verdachte zeer kort nadat de portemonnee was weggenomen (na 10.00 uur) om ongeveer 10.07 uur bij de ETOS geprobeerd heeft contactloos te betalen met de pasjes uit de weggenomen portemonnee. Kort daarop werd verdachte omstreeks 10.15 uur aangehouden;

- het signalement van verdachte een zeer grote gelijkenis vertoont met het signalement van de persoon die men in de tuin van de woning zag vlak voor dat men de portemonnee miste;

- aangeefster [benadeelde 1] verklaart dat zij de man in de tuin van de woning had gezien;

- verdachte bij de politie wisselende verklaringen afgelegd. Op 11 november 2016 verklaarde hij dat hij op weg was naar een vriend en de portemonnee had gevonden. Twee dagen later verklaarde verdachte dat hij bij een vriend was geweest en de portemonnee had gevonden, twee of drie minuten voordat hij werd aangehouden. Verdachte werd omstreeks 10.15 uur aangehouden. Op de vraag hoe het dan kan dat hij te zien is op de beelden van de ETOS waar hij om 10.07 uur met de pasjes afkomstig uit de portemonnee probeerde te pinnen geeft verdachte geen antwoord. Voorts gaf verdachte geen verder informatie over de door hem genoemde vriend;

- verdachte op de terechtzitting is voorgehouden dat aangeefster in haar aanvullende verklaring heeft verklaard dat, toen zij beneden kwam, zij zag dat haar tas die eerst op de tafel in de woonkamer lag, daarna in de keuken op de grond lag.

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande en met name de zeer korte tijdspanne tussen het tijdstip waarop de portemonnee is weggenomen en het tijdstip waarop verdachte in de ETOS was, het niet aannemelijk dat iemand anders dan verdachte de portemonnee uit de woning heeft weggenomen.

Het gegeven dat kennelijk een biljet van € 10,00 mist uit de portemonnee en dit niet bij verdachte is aangetroffen, maakt dit niet anders.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de portemonnee met inhoud uit de woning heeft weggenomen

parketnummer 16/660372-16 feit 1 9

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 januari 2017;

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 27 en 28;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [A] , pagina 51.

parketnummer 16/660598-16 10

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , mede namens [bedrijf] , met bijlage, pagina 9 tot en met 11;

  • -

    het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 20;

  • -

    een geschrift, inhoudende een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 november 2016, met bijlage, pagina 22.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

parketnummer 16/660372-16

feit 1 primair

op 11 november 2016 te Utrecht, uit een woning, gelegen aan de [adres 1] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [benadeelde 1] ;

feit 2

op meerdere tijdstippen op 11 november 2016 te Utrecht telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geldbedragen van 21,25 euro, 11,25 euro, 6,25 euro en 21,25 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] , en zich daarbij telkens die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, telkens een bankpas op naam gesteld van die [benadeelde 1] heeft gehouden bij en/of boven een apparaat geschikt om contactloos te betalen, terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven telkens niet is voltooid;

parketnummer 16/660598-16

op 16 oktober 2016 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een zwarte schoudertas met inhoud (waaronder een laptop) en een laptop (merk Packard Bell) toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [bedrijf] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Als gevolg van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder feit 1 primair en 2 van parketnummer 16/660372-16 als datum 10 november 2016 in plaats van 11 november 2016. De rechtbank herstelt deze vergissing. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 16/660372-16

feit 1 primair diefstal;

feit 2 poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

parketnummer 16/660598-16

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- primair: voorwaardelijke plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, met een proeftijd van drie jaar met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij Altrecht Kade 17, plaatsing in Bolksbeek (Tussenvoorziening) en – indien de reclassering dit noodzakelijk acht - een korte klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken;

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de motivatie van verdachte, nu verdachte meer dan ooit bereid is om mee te werken aan behandeling en begeleiding. De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft ingebroken in een woning en goederen uit die woning weggenomen. Ook heeft verdachte een portemonnee uit een woning weggenomen en geprobeerd met een weggenomen bankpas contactloos te betalen. Inbraken en diefstallen uit woningen zorgen voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij. Voorts zorgen dergelijke feiten voor financiële schade en overlast bij de slachtoffers. Verdachte heeft met zijn handelen aangetoond geen enkel respect voor de woningen en eigendommen van anderen te hebben en heeft enkel gehandeld vanuit zijn eigen financiële gewin. Uit het 47 pagina’s tellende strafblad van verdachte is de rechtbank gebleken dat verdachte vele malen is veroordeeld wegens vermogensdelicten tot, al dan niet, forse gevangenisstraffen. Ook is aan verdachte meerdere malen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, of een soortgelijke maatregel, opgelegd. Dit alles heeft verdachte er niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 9 januari 2017. Verdachte is vanaf zijn veertiende jaar verslaafd aan drugs. Verdachte heeft geen vaste woonruimte en geen inkomen/uitkering. Eerder opgelegde reclasseringstoezichten en (ISD)maatregelen hebben niet geleid tot vermindering van de recidive. De reclassering is van mening dat nogmaals een (voorwaardelijke) ISD maatregel zeker een meerwaarde zou kunnen hebben. Verdachte heeft nu aangegeven graag hulp te willen op het gebied van traumaverwerking, verslavingsproblematiek en praktische zaken zoals huisvesting en financiën. Om dit traject vorm te geven en effect te verwachten is tijd nodig en is het passender om, ter voorkoming van recidive en om een stabiele basis te creëren, dit vanuit een ISD afdeling op te zetten. Echter verdachte is zeer gemotiveerd om mee te werken aan een pakket bijzondere voorwaarden om vooral niet weer een onvoorwaardelijke ISD maatregel opgelegd te krijgen. Voorts hebben sinds de afloop van de laatste ISD maatregel in 2015 geen reclasseringsinterventies meer plaatsgevonden. Verdachte weet dat de reclassering een tenuitvoerlegging zal adviseren wanneer hij zich niet aan de bijzondere voorwaarden houdt. De reclassering ziet dit als een kans aan verdachte waarbij echt een beroep wordt gedaan op zijn intrinsieke motivatie en doorzettingsvermogen om echt iets te willen veranderen en niet een (onvoorwaardelijk) ISD traject in te gaan. Bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf acht de reclassering, gelet op de motivatie van verdachte om “niet weer een ISD traject in willen”, niet voldoende als stok achter de deur voor verdachte.

De reclassering adviseert aan verdachte een voorwaardelijke ISD maatregel op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij Altrecht Kade 17, plaatsing in Bolksbeek (Tussenvoorziening) en – indien de reclassering dit noodzakelijk acht - een korte klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn zich aan alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onder 5 bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan voor het opleggen van de ISD-maatregel. Bewezen is verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 december 2016 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank is niet gebleken van redenen om deze maatregel niet op te leggen.

Hoewel verdachte wel aan de voorwaarden voldoet voor oplegging van de ISD-maatregel, acht de rechtbank het onvoorwaardelijk opleggen hiervan op dit moment niet passend. Reden daarvoor is dat de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel een reëel alternatief is dat waarborgen biedt. De ISD maatregel zal daarom voorwaardelijk worden opgelegd. Daarbij acht de rechtbank de door het Leger des Heils geadviseerde voorwaarden passend en noodzakelijk, nu eerder opgelegde ambulante begeleiding/behandeling telkens niet tot resultaat heeft geleid. Gelet op de persoon, de persoonlijkheid en de hardnekkige verslavingsproblematiek van verdachte zal de rechtbank een proeftijd van drie jaren opleggen.

Enkel een voorwaardelijk strafdeel - anders dan een voorwaardelijke ISD maatregel – is, gelet op de persoon van verdachte, onvoldoende om er voor te zorgen dat verdachte zich voor langere tijd aan de op te leggen bijzondere voorwaarden zal houden en zich niet opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten.

Het is geheel aan verdachte zelf om deze laatste kans te benutten en zijn behandeling en

verblijf in een tussenvoorziening naar tevredenheid te laten verlopen en zich aan de regels en afspraken van de instelling en de reclassering te houden.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38m, 38p, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 van parketnummer 16/660372-16 en het onder parketnummer 16/660598-16 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 16/660372-16

feit 1 primair diefstal;

feit 2 poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

parketnummer 16/660598-16

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;

- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van drie jaar de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich binnen drie dagen na de uitspraak van dit vonnis zal melden bij Leger des Heils reclassering op het adres Zeehaenkade 30 te Utrecht en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich verplicht zal laten behandelen bij Altrecht Kade 17 of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    als de reclassering dit noodzakelijk acht, verplicht zal meewerken aan een korte klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal zeven weken, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    verplicht zal mee werken aan een plaatsing in Bolksbeek (Tussenvoorziening) of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, daar te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    verplicht zal mee werken aan dagbesteding bij een project zoals 50/50 Workcentre van het Leger des Heils voor ten minste zestien uren per week zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

voorlopige hechtenis

- Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en E. Akkermans, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

parketnummer 16/660372-16

1. Primair

hij op of omstreeks 10 november 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, (in/uit een woning, gelegen aan de [adres 1] aldaar) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 november 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 10 november 2016 te Utrecht (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (een) geldbedrag(en) van 21,25 euro, 11,25 euro, 6,25 euro en/of 21,25 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, (telkens) een bankpas op naam gesteld van die [benadeelde 1] heeft aangeboden / gehouden bij en/of boven een apparaat geschikt om contactloos te betalen, terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) (telkens) niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

parketnummer 16/660598-16

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een zwarte schoudertas met inhoud (waaronder een laptop) en/of een laptop (merk Packard Bell), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [bedrijf] en/of [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900201635275, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 73. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 27.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , pagina 28.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 30.

5 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 32.

6 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 33.

7 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] , pagina 34.

8 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] , pagina 35..

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900201635275, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 73. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

10 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 december 2016, genummerd Pl0900-2016321788, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 29. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.