Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4671

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
16/659918-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling kweken hennep en diefstal elektra, was vrijspraak bepleit en gevorderd. RB acht verklaring ve over dat anderen de kwekerij in zijn wonignng - waar hij zelf verbleef -opbouwden en onderhielden niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659918-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres]

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] te [woonplaats]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie en van hetgeen verdachte en mr. M. Grinwis-Veldman, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 30 juli 2014 in Hilversum, samen met anderen, hennep heeft gekweekt dan wel 256 hennepplanten voorhanden heeft gehad, dan wel (subsidiair) anderen in de periode van 1 december 2013 tot en met 30 juli 2014 behulpzaam is geweest bij het kweken van hennep of hen daartoe de gelegenheid heeft gegeven;

feit 2 in de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juli 2014 te Hilversum, samen met anderen, elektriciteit heeft gestolen, dan wel (subsidiair) dat verdachte daar anderen behulpzaam bij is geweest;

feit 3 in de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juli 2014 anderen behulpzaam is geweest bij of in de gelegenheid heeft gesteld een woning te vernielen, door deze woning aan hen beschikbaar te stellen terwijl hij wist dat er in die woning een hennepkwekerij zou worden gevestigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft zijn woning daartoe beschikbaar gesteld aan anderen en hen toegang tot zijn woning gegeven.

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft daartoe gesteld dat verdachte een voldoende onderbouwd alternatief scenario heeft gegeven. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zijn woning aan anderen beschikbaar heeft gesteld voor het kweken van hennep. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte zelf ooit enige werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de kwekerij. Verdachte heeft bij de politie een vrij duidelijke omschrijving gegeven van de personen die in zijn woning een hennepkwekerij hadden opgezet en heeft daarbij ook telefoonnummers genoemd.

Verdachte dient vrijgesproken te worden van het onder twee ten laste gelegde feit. Verdachte heeft geen enkele bemoeienis gehad met de hennepkwekerij en heeft nooit kunnen zien dat de elektriciteitsmeter gemanipuleerd was nu het deksel van de elektriciteitsmeter op de juiste plaats zat, waardoor deze manipulatie niet zichtbaar was.

Op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, met name de data op de aangetroffen assimilatielampen, en de verklaring van verdachte, dient de ten laste gelegde periode beperkt te worden van december 2013 tot en met 30 juli 2014. De raadsvrouw heeft voorts aangegeven dat er in de tenlastelegging wordt uitgegaan van 256 hennepplanten, terwijl op de ruimlijst van de hennepkwekerij een aantal van 240 hennepplanten wordt genoemd.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte nimmer het opzet heeft gehad op enige vernieling. Verdachte heeft de ontstane schade niet voorzien.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

vrijspraak feit 3

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan de vernielingen in de door hem gehuurde woning. De rechtbank overweegt daartoe dat naar haar oordeel verdachte een geheel andere rol heeft gehad dan de rol van medeplichtige zoals ten laste is gelegd, te weten de rol van pleger.

Nu enkel medeplichtigheid aan vernieling ten laste is gelegd zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

4.3.2

feit 1 primair en feit 2 primair 1

Bewijsmiddelen

Op 30 juli 2014 stelde verbalisant [verbalisant] een onderzoek in het appartement gelegen aan de [adres] in [woonplaats] in.2 Op de zolderverdieping trof verbalisant een in werking zijnde hennepkwekerij aan. In de ruimte van de kwekerij stonden meerdere planten en er stonden diverse ventilatoren, warmtemeters, circulatiepompen en groeilampen opgesteld. Op de eerste woonlaag van het appartement werden in een kamer onder andere vuilniszakken met hennepafval aangetroffen.3

Van de op zolder aangetroffen planten en op de eerste verdieping aangetroffen plantenresten werden monsters genomen. Beide monsters testten positief op de aanwezigheid van THC, de werkzame stof van hennep en hashish.4

[aangever] heeft namens Liander N.V. aangifte gedaan van diefstal van energie op het adres [adres] in [woonplaats] .5 De zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Aan de bovenzijde van de zekeringshouders was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. De ten behoeve van de hennepplantage afgenomen elektriciteit werd niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.6

Verdachte heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres] te [woonplaats] huurde en dat hij daar woonde. De hennepkwekerij was in december 2013 opgebouwd.7

Bewijsoverweging/Bewijsoverwegingen

Verklaring verdachte

Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat anderen de hennepkwekerij in de door hem gehuurde woning hadden opgebouwd. Voor de verzorging van de hennepkwekerij kwamen telkens twee mannen langs en hij, verdachte, had nooit werkzaamheden ten behoeve van de kwekerij verricht. Ook wist hij niet en had hij niet gezien dat er was geknoeid met de elektriciteitsmeter en dat er een extra aansluiting was aangelegd.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat niet hij, maar anderen de hennepkwekerij in zijn woning hebben opgebouwd en de planten vrijwel dagelijks hebben onderhouden en telkens hebben geoogst en van nieuwe plantjes voorzien, niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe dat het niet aannemelijk is dat:

  • -

    verdachte, behalve de voornamen en een heel algemeen signalement, geen enkele andere concrete en verifieerbare informatie zou hebben over de twee mannen die gedurende een periode van 8 à 9 maanden vrijwel dagelijks in zijn woning zouden zijn geweest;

  • -

    twee mannen vrijwel dagelijks naar de woning van verdachte zouden zijn gekomen voor de verzorging van de hennepkwekerij, terwijl verdachte daar woonde, thuis was en geen werk had, zodat hij alle gelegenheid had om dit soort klusjes te verrichten;

  • -

    verdachte, met name gelet op zijn beroep als elektricien, geen enkele wetenschap zou hebben van de gemanipuleerde elektriciteitsmeter.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen hennep heeft gekweekt en elektriciteit heeft weggenomen. Het dossier bevat daartoe geen enkel aanknopingspunt.

De verklaring van verdachte acht de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, op dat punt ongeloofwaardig. De verdachte heeft, gezien de feiten, de hem ten laste gelegde feiten gepleegd. Niet kan worden vastgesteld dat hij dit samen met anderen heeft gedaan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het bestanddeel medeplegen zoals ten laste is gelegd onder feit 1 primair en feit 2 primair.

aantal planten

De rechtbank gaat uit van 240 planten in plaats van 256 hennepplanten. Het aantal van 256 planten is door de politie geschat/berekend naar aanleiding van het aantal planten op één vierkante meter. Uit de ruimlijst betreffende de kwekerij volgt dat er 240 planten geruimd zijn.

periode diefstal elektra

De rechtbank is, op basis van de verklaring van verdachte en de in het dossier aanwezige stukken, van oordeel dat de diefstal van elektriciteit heeft plaatsgevonden in de periode van van 1 december 2013 tot 30 juli 2014.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigen bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. Primair

op 30 juli 2014 te [woonplaats] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van 240 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2. Primair

in de periode van december 2013 tot en met 30 juli 2014 te [woonplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een grote hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door verbreking.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 primair

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- één maand gevangenisstraf.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden dient te worden met de overschrijding van de redelijke termijn, de ouderdom van het feit en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het kweken van hennepplanten en diefstal van elektriciteit, om de hennepkwekerij van stroom te voorzien. Verdachte heeft de kwekerij professioneel opgezet op de zolder van de door hem gehuurde woning in een appartementencomplex. Het kweken van een softdrug zoals hennep veroorzaakt overlast en levert schade voor de maatschappij op. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Door zijn handelen heeft verdachte een aandeel geleverd in de handel in softdrugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel in softdrugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden hand in hand gaan met geweld, bedreigingen en ripdeals. Aan dergelijke handel medewerking verlenen, op welke wijze dan ook, is laakbaar en kan verdachte worden verweten. Daarbij heeft verdachte gedurende een ruime periode gebruik gemaakt van een illegale stroomvoorziening, hetgeen grote veiligheidsrisico’s met zich brengt, zoals in dit geval waarbij de hennepkwekerij, onder andere in de meterkasten van het appartementencomplex, een lekkage heeft veroorzaakt. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 6 december 2016 waaruit volgt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 9 juni 2016 is veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn is, naar het oordeel van de rechtbank, gaan lopen op het moment dat verdachte voor de eerste keer door de politie werd gehoord, te weten 13 januari 2015.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat wel rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een bedrag gevorderd van € 15.251,15, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit

€ 14.251,15 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde [A] de vordering uitgebreid met een bedrag van € 3.880,00, zijnde vier maanden huurderving, voor de maanden dat het appartement ten gevolge van de schade opgeknapt moest worden en niet verhuurd kon worden, terwijl er wel een huurder beschikbaar was.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering ten dele toe te wijzen, tot een bedrag van € 7.766,00 aan materiële schade (gederfde huurinkomsten, advocaatkosten tot € 2.611,99 en schade benedenbuurman) en € 1.000,00 aan immateriële schade, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Voor het overige dient de benadeelde partij, nu deze kosten reeds door de kantonrechter zijn toegewezen, niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen.

De vordering is voor een overgroot deel aangebracht bij, en voor een groot deel reeds toegewezen door, de kantonrechter, waardoor deze niet opnieuw aangebracht kan worden bij de strafrechter. De advocaatkosten zijn daar ook bij betrokken en beoordeeld en deels toegewezen door de civiele rechter. Dat maakt dat deze resterende advocaatkosten niet nog eens bij de rechter aangebracht kunnen worden. Voorts ontbreekt de dagvaarding in de civiele zaak en is de vordering onvoldoende onderbouwd.

De gevorderde immateriële schade ziet op de persoon van de zaaksgemachtigde. De wet biedt daarvoor geen ruimte en er is sprake van onvoldoende causaal verband. Voorts is de vordering op dat onderdeel onvoldoende onderbouwd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Hetgeen bij vonnis door de kantonrechter is toegewezen, kan niet alsnog in deze procedure aan het oordeel van de rechtbank worden voorgelegd. In zoverre is de benadeelde partij voor dat deel van de vordering waarop reeds door de kantonrechter is beslist, niet-ontvankelijk. Het gezag van gewijsde van dat vonnis staat er echter naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg om posten die toen niet eerder onderwerp van geschil zijn geweest, thans in het kader van deze procedure alsnog te vorderen. In zoverre wordt het verweer verworpen.

De rechtbank zal derhalve de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering verklaren voor die bedragen waarvan verdachte reeds bij vonnis van de kantonrechter van 23 september 2015 tot betaling is veroordeeld, in totaal € 9.364,16 bestaande uit:

€ 3.337,00 opruimen schade wietplantage,

€ 3.960,00 4 maanden onbetaalde huur,

€ 817,16 toegekende kosten door kantonrechter,

€ 500,00 advocaatkosten (reeds toegewezen door de kantonrechter)

€ 750,00 niet betaalde rente over het door de kantonrechter toegewezen bedrag.

De schade, die nog niet aan de kantonrechter was voorgelegd, en voor zover die betrekking heeft op de schadeposten:

gederfde huurinkomsten (€ 3.880,00),

schade benedenbuurman (€ 1.525,00),

diverse eigen kleine kosten (€ 750,00),

advocaatkosten (€ 3.111,99 - € 500,00 = 2.611,99)

ter hoogte van in totaal € 8.766,99 komt – gelet op het voorgaande - voor vergoeding in aanmerking. Bij de advocaatkosten is een bedrag van € 500,00 in mindering, nu reeds bij de kantonrechter dat forfaitaire bedrag voor salaris advocaat al was toegekend. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het handelen van verdachte en acht deze bedragen voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 8.766,99 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Deze wordt berekend over:

het bedrag van € 3.880,00 vanaf 13 januari 2017

het bedrag van € 2.275,00 vanaf 30 juli 2014,

het bedrag van € 2.611,99 vanaf 24 november 2015,

tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade nu niet, althans onvoldoende is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade en het onder 1 bewezen verklaarde feit, nu deze schade betrekking heeft op de zaaksgemachtigde van de benadeelde partij. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    24c, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    11 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 primair

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 8.766,99, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend over:

het bedrag van € 3.880,00 vanaf 13 januari 2017,

het bedrag van € 2.275,00 vanaf 30 juli 2014,

het bedrag van € 2.611,99 vanaf 24 november 2015,

tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] € 8.766,99, te betalen, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend over

het bedrag van € 3.880,00 vanaf 13 januari 2017,

het bedrag van € 2.275,00 vanaf 30 juli 2014,

het bedrag van € 2.611,99 vanaf 24 november 2015,

tot aan de dag der algehele voldoening;

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Akkermans, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en A.R. Creutzberg, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1. Primair

hij op of omstreeks 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitvoering van een bedrijf of beroep, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 256, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

Subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met elkaar, althans een van hen, in de uitvoering van een bedrijf of beroep, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) 316, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2. Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

een of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres] heeft/hebben weggenomen een (grote) hoeveelheid elektriciteit/stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die een of meer onbekend gebleven personen en / of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die een of meer onbekend gebleven personen en / of zijn mededader(s) zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar, opzettelijk gelegenheid, middelen en / of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die (tot op heden) onbekend gebleven personen en/of haar/zijn mededader(s) voornoemd pand aan de [adres] te Hilversum open te stellen en hen in de gelegenheid te stellen

- de verzegeling van de hoofdaansluitkast te verbreken en/of te verwijderen en/of

- de deksel van de hoofdaansluitkast te verwijderen en/of

- een illegale aansluiting aan te brengen, zodat de elektriciteit/stroom niet werd bemeten;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

een of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 30 juli 2014 te Hilversum, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk en wederrechtelijk een woning en/of de bij die/een woning behorende inventaris (bestaande uit onder meer een dakbeschot, wanden, een laminaatvloer, een badkamer en de elektriciteitskast) (behorende bij de woning [adres] te Hilversum), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft/hebben gemaakt,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die (tot op heden) onbekend gebleven persoon/personen (de sleutel van) voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen (in de wetenschap dat daar een hennepkwekerij zou gaan worden gevestigd);

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer PL0900-201409421, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 141. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij [verbalisant] , pagina 7.

3 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij [verbalisant] , pagina 8.

4 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen [verbalisant] , pagina 70.

5 Proces-verbaal van aangifte Liander N.V., pagina 121.

6 Proces-verbaal van aangifte Liander N.V., pagina 122.

7 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2017.