Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4670

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
16/659278-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier mannen uit Rotterdam zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor een gewelddadige overval in 2017 in Hoogland. Bij de overval werd bijna 40.000 euro buit gemaakt.

Een 24-jarige man maakte onder valse voorwendselen een afspraak met het slachtoffer. Hij is samen met een 27-jarige man in de woning geweest. De 24-jarige man bedreigde het slachtoffer met de dood. Tijdens de overval heeft de 27-jarige man daadwerkelijk geweld gebruikt. Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de leidende rol van de mannen en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank veroordeelt hen tot een gevangenisstraf van 4 jaar.

Een 34-jarige man hielp bij het plannen van de overval en bestuurde de vluchtauto. In de auto zat een 26-jarige man die ook betrokken was bij het plannen van de overval. Hij had een blanco strafblad. Dit is meegenomen bij het bepalen van de straf. Ook is er gekeken naar de rol van de mannen en naar opgelegde straffen in vergelijkbare zaken. De rechtbank veroordeelt de 34-jarige man tot een gevangenisstraf van 3 jaar. De 26-jarige man is veroordeeld tot een celstraf van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659278-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats] (China),
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 juni 2017, 31 juli 2017 en 30 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van hetgeen verdachte en mr. I.V. Nagelmaker, advocaat te Apeldoorn, alsmede de benadeelde partij en zijn raadsman mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 maart

2017 te Hoogland samen met anderen € 40.000,00 van [slachtoffer] heeft gestolen, door middel

van geweld en bedreiging met geweld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte was samen met medeverdachte [medeverdachte 1] fysiek aanwezig bij de overval en zij hebben daarin beiden een zeer actieve rol gehad. [verdachte] heeft de afspraak gemaakt met het slachtoffer en is als eerste naar binnen gegaan. Nadat hij met iemand contact heeft gehad via zijn telefoon, komt medeverdachte [medeverdachte 1] binnen die het wapen op het slachtoffer richt en het slachtoffer slaat. Terwijl deze het slachtoffer onder controle houdt pakt verdachte het geld en vluchten zij beiden naar de rode Kia.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Verdachte heeft de overval van te voren niet gepland. Hij was bij slachtoffer [slachtoffer] om geld te wisselen en werd verrast door de komst van medeverdachte [medeverdachte 1] . Die heeft kennelijk zelf het plan gevat om [slachtoffer] te overvallen. Verdachte was zo bang voor [medeverdachte 1] , die een wapen had, dat hij het geld heeft meegenomen. Voorts is niet gebleken dat verdachte heeft gebeld met [medeverdachte 2] . Daarom is sprake van doen plegen, maar dat is niet ten laste gelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever [slachtoffer] heeft tegenover de politie het volgende verklaard.

“Hierbij doe ik aangifte van diefstal met geweld cq afpersing vanuit mijn woning aan de [adres] in [woonplaats] . Ik had sinds gisteren contact met een dame via de WeChat, dat is een Chinese variant van Whatsapp. De dame noemde zichzelf [naam] .2

Zij vertelde mij dat ze Chinese valuta wilde omruilen in euro’s. Wij hebben afgesproken dat zij vandaag bij mij langs zou komen. Ik heb haar hierop mijn huisadres gegeven. Omstreeks 13.30 uur werd er aangebeld. Ik kreeg via de WeChat een berichtje binnen van die dame waarin stond dat een man voor de deur stond, om het verder te regelen. Ik zag dat er een man voor de deur stond, dader 1. Ik heb de man binnen gelaten. De man zei dat zijn vriendin buiten in de auto zat te wachten. Hierop heb ik de tuindeur op een kier gelaten. Ik ben samen met de man mijn woning binnengegaan. De man zei dat zijn vriendin ook even binnen zou komen. Hierop zag ik dat er een tweede man mijn woning binnen kwam, dader 2. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een pistool vasthield. Hij richtte de loop van dat wapen in mijn richting.3

Ik werd meerdere malen door dader 2 op mijn hoofd geslagen. Ik viel door de harde klap op de grond. Ik hoorde dader 1 in het Chinees tegen mij roepen: “Hij gaat je dood maken, hij gaat je dood maken!”. Op het moment dat dader 2 mijn woning binnenkwam lag er
€ 40.000,-- op tafel. Ik zag dat dader 1 het geld van de tafel pakte in zijn broekband stopte. Toen dader 1 het geld had gepakt liepen beide mannen richting de deur.4

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft het volgende verklaard.

“Op 17 maart 2017 werd ik opgehaald door [medeverdachte 3] , bijnaam [bijnaam] . Wij gingen bij 2 Chinese vrienden in een rode Kia zitten. [bijnaam] ging rijden. De andere Chinees zat ernaast, dat was [verdachte] . En er zat een Chinees naast mij (de rechtbank begrijpt dat wordt bedoeld de medeverdachte [medeverdachte 2] ). We gingen naar Amersfoort, naar een Chinese man.5 [verdachte] gaf aan dat die man behoorlijk veel geld heeft en aan witwassen doet. We gingen dat geld proberen te pakken. Dat is onderweg besproken.6 [verdachte] vroeg aan [bijnaam] of ik mee wilde doen met een overval. [bijnaam] vroeg toen aan mij of ik mee wilde doen.7 [verdachte] zei dat hij een fors persoon nodig had.8 De rol van [bijnaam] was dat hij de hele tijd heeft gereden en hij heeft [verdachte] aan een forse man geholpen, ik dus.9

[verdachte] is als eerste naar binnen gegaan. Hij heeft tegen mij gezegd dat ik na een paar minuten er achteraan moest komen.10 [medeverdachte 2] werd gebeld. Hij heeft gelijk opgenomen en toen meteen opgehangen. Vooraf had [verdachte] al gezegd dat hij in de woning [medeverdachte 2] zou bellen als ik moest komen. De rol van die andere Chinees, die naast mij zat, was om te wachten op een telefoontje en mij naar binnen te sturen.11

Ik kwam binnen (…). [verdachte] zei: “Sla hem op zijn hoofd”. Dat heb ik toen gedaan.12

Toen de tweede politieauto voorbij kwam en draaide schreeuwde [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ), o shit ze komen. Daarna ging al het geld in de rugzak. [medeverdachte 3] pakte ook een stapeltje.13

[verdachte] zegt tegen mij, geef mij het wapen.14 Ik heb het wapen enkele minuten binnen en in de auto in mijn hand gehad.15 [verdachte] heeft het voor de overval over een bedrag van
€ 60.000,00 gehad. Verder is er niet veel over gezegd. Wel dat we het met z’n allen zouden delen.”16

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft tegenover de politie het volgende verklaard.

“We zaten met 4 mensen in de auto. Ik ken alleen [verdachte] . Ik zat achter de chauffeur in de auto. Ik heb ze wel horen praten over wat er straks ging gebeuren. We gaan straks geld pakken, dat zei iedereen.17

Ik noem [verdachte] altijd [bijnaam] .18 [bijnaam] heeft in de auto gezegd dat we naar Amersfoort moesten. [bijnaam] zei: Voor die overval. Overvallen die man, die Chinees. Hij zei: geld, overvallen en wegwezen.19 Ik bleef in de auto zitten. De bestuurder bleef ook in de auto zitten. Zijn taak was rijden.20

We gingen met z’n vieren weg toen de andere twee terug waren en in de auto stapten. De motor is niet uit geweest. Die chauffeur rijdt gewoon weg.21 Toen zagen we de politie. Die draaide en kwam achter ons aan gereden. De chauffeur wordt gek. Gewoon snel rijden. De chauffeur heeft de auto op het gras gereden. Ik heb toen mijn rugzak gepakt en ben de auto uit gegaan.22

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de rugzak van [medeverdachte 2] in beslag genomen. Hij trof daarin in totaal 362 briefjes van 50 euro aan.23

Verbalisant [verbalisant 2] trof tijdens de insluitingsfouillering in de achterzak van de broek van verdachte tweehonderd briefjes van vijftig euro aan.24

Op 17 maart 2017 achtervolgde verbalisant een rode Kia Picanto.25 Het voertuig reed het gras op. Hij zag dat er vier verdachten uit het voertuig stapten en wegrenden. Hij zag dat de achterste verdachte achter een geparkeerde, zwarte bestelbus sprong en daar bleef liggen. Hij zag dat deze verdachte achter of onder de bestelbus vandaan was gekomen. Hij trof bij het linker achterwiel van de zwarte bestelbus een stapel briefjes van 50 euro aan.26 Verdachte bleek te zijn: [medeverdachte 3] .27

Getuige [getuige] heeft het volgende verklaard. Ik reed op 17 maart 2017 met mijn auto op de Outputweg. Er reed een rode Kia achter mij. De Kia haalde mij in en ik zag dat ze iets uit de auto gooiden.28

Verbalisant [verbalisant 3] trof op de Outputweg een wapen aan.29 Het betreft een vuurwapen.30

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij onder de naam [naam] contact had met aangever [slachtoffer] via WeChat en dat hij het wapen uit het raam van de auto heeft gegooid.31

Bewijsoverweging

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 2] bij de politie niet betrouwbaar zijn, omdat [medeverdachte 2] slecht Nederlands spreekt en bij de politie zonder tolk is gehoord. Ook de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie en de rechter-commissaris zijn niet betrouwbaar, omdat hij tegenstrijdig verklaard en hij voor zichzelf ontlastend heeft verklaard. Genoemde verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank verwerpt deze verweren. [medeverdachte 2] heeft voorafgaand aan zijn eerste verklaring overleg gehad met zijn advocaat. [medeverdachte 2] heeft vervolgens verklaard dat zijn advocaat niet bij het verhoor aanwezig hoefde te zijn, dat hij tot niveau 2 Nederlands heeft gehad en zichzelf goed in staat acht om in het Nederlands met de politie te praten. De verhoren geven ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen. Uit niets blijkt dat [medeverdachte 2] de vragen van de politie niet goed heeft begrepen of moeite had met het beantwoorden van vragen. De verklaring van [medeverdachte 2] bij de politie acht de rechtbank dan ook betrouwbaar. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat deze verklaring van [medeverdachte 2] bevestigd wordt door hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard.

De verklaring die [medeverdachte 2] nadien bij de rechter-commissaris heeft afgelegd vindt de rechtbank wel onbetrouwbaar, omdat [medeverdachte 2] in deze verklaring – in tegenstelling tot eerdere verklaringen – een ontlastende verklaring heeft afgelegd voor zichzelf en voor verdachte die hij – zo blijkt uit het dossier – als vriend beschouwt.

Ook de verklaringen van [medeverdachte 1] vindt de rechtbank betrouwbaar. Op de punten die worden gebruikt voor het bewijs heeft [medeverdachte 1] consistent verklaard. Zijn verklaring over het bespreken van de overval in de auto is bovendien in lijn met hetgeen [medeverdachte 2] bij de politie heeft verklaard en wordt voorts wat betreft hetgeen binnen in de woning is gebeurd ondersteund door de verklaring van aangever. [medeverdachte 1] heeft ook allerminst ontlastend voor zichzelf verklaard, nu hij heeft bekend dat hij degene is geweest die met [verdachte] in de woning was en het geweld tegen aangever [slachtoffer] heeft toegepast.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte heeft onder een valse naam en identiteit contact gelegd met aangever [slachtoffer] . Hij heeft een afspraak gemaakt met [slachtoffer] om geld te wisselen. In de auto op weg naar Amersfoort is besproken dat aangever [slachtoffer] overvallen zou worden. Verdachte was bij dat gesprek betrokken en uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte daarin een leidende rol had. De buit zou tussen verdachte en zijn medeverdachten verdeeld worden. Verdachte is als eerste naar binnen gegaan en heeft contact met [medeverdachte 2] opgenomen, die vervolgens medeverdachte [medeverdachte 1] naar binnen heeft gestuurd. [medeverdachte 1] heeft vervolgens met geweld het slachtoffer onder controle gehouden, waarna verdachte het geld heeft gepakt. Intussen stond [medeverdachte 3] klaar met de auto. De motor stond nog aan, zodat de verdachten na de overval snel konden wegrijden. Hij is vervolgens ook nog op de vlucht geslagen voor de politie. Toen bleek dat er niet verder gereden kon worden is verdachte met zijn medeverdachten weggerend voor de politie heeft daarbij, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , een deel van het gestolen geld meegenomen.

Door betrokken te zijn bij het plannen van de overval en deze samen met [medeverdachte 1] uit te voeren, is sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering. Verder was sprake van een duidelijke taakverdeling en een intensieve samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Dit maakt dat ten aanzien van verdachte sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking met zijn drie medeverdachten. Het verweer dat geen sprake was van medeplegen maar van doen plegen, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Op 17 maart 2017 te Hoogland, gemeente Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer veertigduizend euro), toebehorende aan [slachtoffer] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het richten van een vuurwapen p die [slachtoffer] en;

- het slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en;

- het meermalen slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] toen hij op de grond lag en;

- het roepen van de woorden "hij gaat je dood maken, hij gaat je dood maken",

althans woorden van gelijke aard of strekking;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld of

bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en gemakkelijk te maken.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Vijf jaar is meer dan gebruikelijk in dit soort zaken. Zelfs als er geschoten wordt, wordt er doorgaans een lagere straf opgelegd. Een gevangenisstraf van vijf jaar staat ook niet in verhouding tot de rol die verdachte heeft gehad.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval in een woning.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun handelen grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij het slachtoffer. Temeer omdat dit het slachtoffer is overkomen in zijn eigen woning, bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet voelen. Omdat de overval overdag plaatsvond waren een aantal buurtbewoners getuige. Ook voor hen moet dit schokkend zijn geweest. Door een feit als het onderhavige wordt de rechtsorde geschokt. Verdachte en zijn mededaders waren alleen uit op eigen geldelijk gewin en hebben zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen van hun daden voor het slachtoffer. Zij hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.

Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer] komt onder meer naar voren dat hij fysiek en psychisch letsel heeft overgehouden aan de overval. Hij voelt zich angstig en onveilig en beseft hoe kwetsbaar hij is als mens.

De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk. De rechtbank rekent het verdachte ook zwaar aan dat hij degene is geweest die onder valse voorwendselen contact heeft opgenomen met [slachtoffer] , de overval daadwerkelijk heeft gepleegd en [slachtoffer] heeft bedreigd door te roepen dat [medeverdachte 1] hem zou doodmaken. Dit zal in het nadeel van verdachte worden meegenomen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het de verdachte betreffende reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 7 augustus 2017, opgemaakt door H. van der Woude, reclasseringswerker. Het advies is om (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een verplichting om mee te werken aan een zinvolle dagbesteding en een contactverbod.

De rechtbank heeft ook gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 april 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de opgelegde straffen in soortgelijke zaken, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van deze straf in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen. De rechtbank gaat ervan uit dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zullen worden meegenomen de zogenoemde voorwaardelijke invrijheidstelling.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 44.250,00. Dit bedrag bestaat uit € 40.000,00 materiele schade en € 4.250,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk is. Het onder verdachten in beslag genomen bedrag van in totaal € 39.800,- is teruggegeven aan het slachtoffer (en in beslaggenomen). Gelet op de omstandigheden is een bedrag van € 3.000,-- aan immateriële schade passend.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de vordering van € 40.000,- aan materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren. Het geld is door justitie in beslag genomen. Het is dus niet aan verdachte om dat aan [slachtoffer] terug te geven. De vordering tot immateriële schadevergoeding moet worden gematigd. Het psychisch letsel is niet onderbouwd en de voorbeeld casussen zijn zwaarder dan deze zaak.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De schade voor zover die betrekking heeft op de materiële schadepost ter hoogte van in totaal € 40.000,-- zal worden afgewezen. Door de raadsman is niet betwist dat het onder verdachten in beslag genomen bedrag van € 39.800,- aan het slachtoffer is teruggegeven. Dat verdachten meer dan dat bedrag hebben gestolen van [slachtoffer] volgt niet uit het dossier. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal deels worden toegewezen. Gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en de schadevergoedingen die doorgaans voor soortgelijke feiten plegen te worden toegewezen, zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor wat betreft het meer gevorderde, te weten € 1.750,-, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 35 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.500,00;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het gevorderde bedrag van € 40.000,-- aan materiële schadevergoeding af;

- verklaart de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het gevorderde bedrag van
€ 1.750,- aan immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed;

- wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en R.C. Moed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Völkers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 september 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 maart 2017 te Hoogland, gemeente Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer veertigduizend euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- het tonen van en/of het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan/op die [slachtoffer] en/of

- het meermalen, althans eenmaal, slaan tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] (waardoor die [slachtoffer] ten val kwam) en/of

- het meermalen, althans eenmaal, slaan tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] toen hij op de grond lag en/of

- het roepen van de woorden "hij gaat je dood maken, hij gaat je dood maken",

althans woorden van gelijke aard of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 juli 2017 genummerd MD3R017028, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 501. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 maart 2017, p. 78.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 maart 2017, p. 79.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 maart 2017, p. 80.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 337.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 338.

7 Het proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris van 17 augustus 2017, p. 3.

8 Het proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris van 17 augustus 2017, p. 4.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 338.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 337.

11 Het proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris van 17 augustus 2017, p. 4.

12 Het proces-verbaal verhoor van getuige [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris van 17 augustus 2017, p. 5.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 339.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 340.

15 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, p. 341.

16 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris van 17 augustus 2017, p. 4.

17 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 17 maart 2017, p. 118.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 18 maart 2017, p. 131.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 18 maart 2017, p. 131.

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 18 maart 2017, p. 133.

21 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 18 maart 2017, p. 134.

22 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 18 maart 2017, p. 135.

23 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 17 maart 2017, p. 38.

24 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 17 maart 2017, p. 58.

25 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 17 maart 2017, p. 18.

26 Een los proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 1 augustus 2017, p. 1 en 2.

27 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 17 maart 2017, p. 27.

28 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 17 maart 2017, p. 90.

29 Het proces-verbaal van sporenonderzoek van verbalisant [verbalisant 3] van 18 maart 2017, p. 70.

30 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] van 3 april 2017, p. 383.

31 De verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd op de zitting van 30 augustus 2017.