Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4548

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
16/660148-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man probeerde in 2016 in Emmeloord zijn vriendin op gruwelijke wijze van het leven te beroven. Een week voor het steekincident mishandelde hij haar. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 14 jaar.

De man lokte zijn vriendin in het kader van haar verjaardag naar een afgelegen plek. Daar blinddoekte hij haar en stak met een vleesvork op haar in, onder meer in haar hals. Ook kneep hij haar keel dicht. Het slachtoffer overleefde de gruwelijke aanval. Deels omdat zij zich verzette en verdedigde, maar ook omdat ze simpelweg geluk heeft gehad. De vrouw heeft blijvende littekens op haar buik, borsten en hals. Zij voelt zich nog altijd angstig en verdrietig, zoals ook bleek uit haar slachtofferverklaring.

De man is eerder veroordeeld voor meerdere ernstige delicten. Hij werkte niet mee aan onderzoeken en gaf geen verklaring voor zijn daden. De rechtbank kan daarom geen behandeling of maatregel opleggen om de kans op herhaling te verkleinen. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat er rekening is gehouden met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gezien de lengte van de straf ziet de rechtbank geen aanleiding om een contact- of locatieverbod op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0721

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/660148-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te Curaçao

gedetineerd in PI Nieuwegein – Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 december 2016, 22 maart 2017, 7 juni 2017 en 23 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van hetgeen verdachte en mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 23 augustus 2017 gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (primair) op 16 september 2016 te Emmeloord heeft geprobeerd [slachtoffer] te vermoorden dan wel (subsidiair) heeft geprobeerd haar opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: op 11 september 2016 te Emmeloord opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld;

feit 3: op 11 september 2016 te Emmeloord een mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer] heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het door hem op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot moord heeft gepleegd. Tevens acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling en de onder feit 3 ten laste gelegde vernieling.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnotitie, ten aanzien van feit 1 bepleit dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor een poging tot moord op aangeefster [slachtoffer] dan wel een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van die [slachtoffer] . Gelet daarop dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat voornoemd feit wel bewezen kan worden, dan stelt de verdediging dat aan verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat niet wettig en overtuigend kan bewezen dat verdachte meermalen, althans eenmaal met tot vuist gebalde hand, althans met vlakke hand, in/tegen het gezicht van [slachtoffer] heeft gestompt, althans geslagen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging. De rechtbank kan tot een bewezenverklaring komen van het overige deel van de tenlastelegging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat verdachte betwist met opzet de telefoon te hebben vernield. Hij stelt zich op het standpunt dat de telefoon kapot is gegaan tijdens de ruzie met [slachtoffer] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 september 2016 te Emmeloord opzettelijk en wederrechtelijk een zwarte mobiele telefoon van het merk Samsung toebehorende aan aangeefster [slachtoffer] heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt. Uit de feiten en omstandigheden blijkt weliswaar dat de telefoon in een worsteling tussen verdachte en aangeefster kapot is gegaan maar van opzet daarop bij verdachte is onvoldoende gebleken. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 3.

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1 primair

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 16 september 2016 omstreeks 15:00 uur een afspraak had met verdachte bij een park nabij Emmeloord.2 Verdachte zei dat aangeefster cadeaus zou zoeken in het park met zijn dochter. Aangeefster zag verdachte in het park staan. Hij deed heel lief, alsof er niets aan de hand was, terwijl aangeefster de dag daarvoor tegen verdachte had gezegd dat zij de relatie wilde verbreken. Aangeefster gaf verdachte een sjaal, waarmee hij haar vervolgens heeft geblinddoekt. Verdachte pakte aangeefster bij de hand vast en begeleidde haar naar de bosjes. Aangeefster voelde zachte grond onder haar voeten. Zij zag niks door de blinddoek. Opeens werd zij geduwd op de grond. Toen voelde zij steken en een hand bij haar keel. Aangeefster kreeg geen lucht meer en begon te spartelen met haar benen om hem weg te duwen. Aangeefster gaf een trap of een knietje in de buik van verdachte. Daarna liet hij aangeefster los. Zij deed de blinddoek af en zag overal bloed. Zij zag dat het bloed spoot. Zij zag het mes. Het was een raar mes met twee punten eraan, net een vork, maar dan met twee punten; een soort barbecue mes. Zij begon te schreeuwen, maar werd weer vastgepakt omdat zij niet mocht schreeuwen. Zij moest van verdachte rustig blijven zitten en mocht niks zeggen. Aangeefster zou worden doodgemaakt als zij alles zou vertellen. Zij mocht gaan als zij verdachte niet ging verraden. Verdachte zei dat aangeefster eigenlijk wel dood moest.3

Na onderzoek in het ziekenhuis is gebleken dat aangeefster ongeveer 11 keer is gestoken in haar zij, arm, buik en nek. Alle steekwonden bevonden zich aan de zijkant en de voorzijde van haar lichaam.4

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de aard, mogelijke oorzaken en gevaarzetting van de letsels die op 16 september 2016 zijn vastgesteld bij aangeefster [slachtoffer] . Bij aangeefster was sprake van twee soorten letsels en geweldsinwerkingen (18 in totaal, waar onder ook letsel aan de hals en aan de rechter borst).

A. Vele huidbeschadigingen en huidperforaties veroorzaakt door een scherppuntig (en mogelijk ook scherprandig) voorwerp. Uit het medisch dossier blijkt dat inwendige perforaties van de hals reikten tot in de slokdarm. Gezien de relatief geringe afmetingen van de huidperforaties kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van gebruik van een smal scherppuntig voorwerp. Mogelijk is gebruik gemaakt van een voorwerp met twee scherpe punten die een onderlinge afstand hebben van circa 2 tot 2,2 cm, zoals bijvoorbeeld de scherppuntige vork zoals aangetroffen op de plaats delict.

B. Vele bloedinkjes in- en onder de huid van de hals en het gelaat, welke meest waarschijnlijk het gevolg zijn van frictiekrachten op de huid, zoals kunnen optreden bij samendrukkend omsnoerend mechanisch geweld ter plaatste, zoals bijvoorbeeld strangulatie.5

Op de plaats delict aan de Marknesserweg te Emmeloord is sporenonderzoek verricht. Daarbij zijn speurhonden ingezet.

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , is het volgende gebleken. De verbalisant zag dat de plaats delict zich bevond in een bosschage ter hoogte van de Marknesserweg kruising Kuinreweg. Hij zag rondom de ingang van de eerste plaats delict meerdere afgebroken takken, waardoor er een ruimte was gecreëerd. Acht passen in de bosschage zag de verbalisant een afgebroken handvat. Dit handvat is veiliggesteld en bemonsterd. Hierop is een bloedspoor aangetroffen, welke is gekenmerkt met SIN (Sporen Identificatie Nummer) AAJQ5253NL#01.

Veertien meter rechts van de eerste plaats delict werd door een speurhond een vleesvork aangetroffen. De verbalisant zag dat het handvat van de vleesvork was beschadigd en er vermoedelijk een gedeelte ontbrak. De verbalisant zag dat het aangetroffen afgebroken handvat op de eerste plaats delict visueel overeen kwam met de beschadiging van de vleesvork. De vleesvork is veiliggesteld en de metalen uiteinden zijn bemonsterd. Hierop is een bloedspoor aangetroffen, welke is gekenmerkt SIN AAJQ5320NL#01.6

Uit onderzoek van het NFI volgt dat het DNA in het sporenmateriaal met SIN AAJQ5253NL#01 (heft vleesvork), afkomstig kan zijn van verdachte. Voor dit spoor geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.7

Uit onderzoek van het NFI volgt dat het DNA in het sporenmateriaal met SIN AAJQ5320NL#01 (bloedspatjes op metaal vleesvork), afkomstig kan zijn van aangeefster [slachtoffer] . Voor dit spoor geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon overeenkomt met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.8

In het dossier bevindt zich een afdruk van een Facebookgesprek gevoerd op 16 september 2016 tussen verdachte en aangeefster:

[verdachte] schrijft:

11:46 uur: Of ik zit in de bos wacht op jou om te geven geld om ding voor je yarig koop daar is ver nou

12:26 uur: Ik zeg je kom bij de brug we zit praat half uurtje ik en jou daar na je gaat ik geef jou geld dan daar je gaat [naam] of zo je koop 1 telefoon niewe en eten

13:29 uur: Ik kom met [dochter] ook straks is bijna hier ik geef ze ook geld om te geef jou voor je yarig bn en ik ga [dochter] zet plektje niet veer in de bos ik maak je panja op je ogen we loop bij hem bn nou ik ga zo ieks meer koop voor je bn bby nou ik ga begin met je yarig

13:36 uur: Je bruine panja die je heb is groot tg om te zet je ogen dicht met hem

14:30 uur: Ik ben bij de bos

Ik en [dochter]

Gwn loop kijk

14:59 uur: Ik wacht op jou bn bby ik loop achter gwn. In de bos chillll mooi hier achter nooit ik heb gegaan hier9

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte Facebook berichten naar haar heeft verstuurd waarin hij onder meer spreekt over “panja op je ogen”. Panja is kleding. Verdachte doelde hiermee volgens aangeefster op de sjaal.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 16 september 2016 met aangeefster [slachtoffer] in het bos had afgesproken om daar te komen met zijn dochter en aangeefster een cadeau te geven voor haar verjaardag. Hij had geen geld en geen cadeaus voor aangeefster. Hij had ook zijn dochter [dochter] niet meegenomen naar het bos. Hij wilde aangeefster in het bos vertellen dat hij geen cadeaus voor haar had. Verdachte heeft erkend dat hij tot kort voor de ontmoeting met aangeefster berichten naar haar heeft gestuurd over cadeaus en over de aanwezigheid van zijn dochter. Verdachte heeft verklaard dat hij in deze berichten heeft gelogen.11

Bewijsoverweging

Alternatief scenario verdediging

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting -uiteindelijk- verklaard dat er ruzie is ontstaan toen hij aangeefster vertelde dat er geen cadeautjes waren, dat aangeefster zijn telefoon heeft afgepakt en weg gegooid, dat hij zijn telefoon ging zoeken en dat aangeefster hem toen heeft aangevallen met een vleesvork. Deze vleesvork heeft hij in gevecht met aangeefster van haar afgepakt en hij heeft haar hiermee driemaal gestoken in haar buik. Hij zou daarbij niet de opzet hebben gehad om haar van het leven te beroven dan wel haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank overweegt dat het door verdachte geschetste scenario niet aansluit bij de 18 letsels die bij aangeefster zijn geconstateerd en ook niet bij het bij aangeefster geconstateerde verwurgingsletsel. Voorts wijst het dna op het handvat van de vleesvork enkel naar verdachte en het dna op de punten enkel naar aangeefster. De verklaring van aangeefster daarentegen wordt op alle redengevende punten ondersteund door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en volgt om deze reden het door verdachte aangedragen alternatieve scenario niet. Daarom neemt de rechtbank de verklaring van aangeefster als uitgangspunt voor het bewijs en stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft in de ochtend van 16 september 2016, na een nachtelijke ruzie met aangeefster waarin zij aangaf de relatie te willen verbreken, berichten gestuurd naar aangeefster waarin hij zei dat hij met haar wilde afspreken in het bos. Aangeefster is op 18 september jarig en verdachte zei (in die berichten) dat hij haar in het bos geld zou geven voor haar verjaardag. Ook zei hij dat hij haar samen met zijn dochter [dochter] in het bos zou ontmoeten, hij aangeefster dan zou blinddoeken met haar sjaal en dat zij dan de cadeaus moest zoeken. Ook [dochter] zou geld aan aangeefster geven en zij zouden alvast haar verjaardag vieren. Kort voor het afgesproken tijdstip heeft verdachte een bericht gestuurd aan aangeefster waarin hij zei dat hij al in het bos was samen met zijn dochter en dat het een mooie plek was. Toen aangeefster in het bos aankwam werd zij door verdachte geblinddoekt met haar sjaal en door hem begeleid naar een afgelegen plek in het bos waarin een ruimte was gecreëerd door takken af te breken. Verdachte duwde aangeefster op de grond, stak meermalen op haar in met een vleesvork en kneep haar keel dicht waardoor zij geen lucht meer kreeg. Het lukte aangeefster om verdachte van zich af te trappen, waardoor hij zijn handelingen staakte. Verdachte zei dat hij aangeefster wilde doden. Als zij hem niet ging verraden zou hij haar laten gaan.

Opzet (op levensberoving)

Verdachte heeft aangeefster meermalen met een vleesvork gestoken in hals, borst, buik, arm en hand en verdachte heeft haar keel dicht gedrukt. Blijkens de letselbeoordeling van het NFI zijn diverse verwondingen potentieel levensbedreigend geweest. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de handelingen van verdachte er op gericht geweest aangeefster van het leven te beroven.

Voorbedachte raad

Uit deze gang van zaken volgt naar het oordeel van het de rechtbank dat verdachte de intentie heeft gehad om aangeefster van het leven te beroven, dat verdachte zijn daad heeft voorbereid, dat hij planmatig heeft gehandeld en dat deze poging tot levensberoving geen impulsieve daad was. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verdachte vanaf de ochtend bezig is geweest met de voorbereiding van zijn daad. Hij heeft aangeefster meerdere lief klinkende berichten gestuurd over geld en cadeaus die hij voor haar had in verband met haar verjaardag. Hij wilde perse in het bos afspreken en bijvoorbeeld niet bij het busstation, zoals aangeefster kort voor hun afspraak voorstelde. Hij zei dat hij zijn dochter bij zich had, kennelijk om geloofwaardig over te komen bij aangeefster en/of geen argwaan te wekken. Verdachte heeft van tevoren geïnformeerd of de sjaal van verdachte groot genoeg was om daarmee haar ogen te bedekken. Hij heeft van tevoren een ruimte gecreëerd op een afgelegen plek in het bos door takken af te breken. Aangeefster is doelbewust naar het bos gelokt onder valse voorwendselen, alwaar hij haar heeft geblinddoekt met de door aangeefster meegenomen sjaal, haar verder de bosjes in heeft geleid en vervolgens op haar heeft ingestoken met een vleesvork en haar keel heeft dichtgeknepen.

Gelet op de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit stelt de rechtbank vast dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven.

Noodweer(exces)

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte werd aangevallen door [slachtoffer] met een vleesvork en moest zichzelf verdedigen tegen een aanval op zijn lijf. Deze aanval was ook ogenblikkelijk. Om niet gestoken te worden is verdachte op die [slachtoffer] gesprongen. Zij vielen en raakten in gevecht. Verdachte kon niet wegkomen en kon zich ook niet op een andere manier beschermen. Hij had zich niet kunnen onttrekken uit de situatie door weg te lopen. Er was een onmiddellijke aanranding waartegen hij zich direct moest verdedigen voordat hij zelf werd gestoken. Verdachte heeft zich met dezelfde vleesvork beschermd waarmee hij is aangevallen. De verdediging was dan ook proportioneel.

Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte met vrucht een beroep kan doen op noodweerexces. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte meer steekbewegingen heeft gemaakt dan noodzakelijk dan heeft dat te maken met het feit dat hij in een hevige gemoedsbeweging zat en de aanval op zijn lijf niet eindigde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van verdachte dat hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding van zijn lijf niet aannemelijk is. Hieruit volgt ook dat geen sprake kan zijn geweest van noodweer(exces).

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het noodweer(exces) verweer

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden, een en ander zoals hiervoor onder “bewijsoverweging” uitgelegd. Het is aldus niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Reeds om die reden komt de verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe. Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 september 2016 te Emmeloord opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een duw te geven waardoor zij met haar hoofd tegen een muur terecht is gekomen.

Aangezien verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien van dat onderdeel van de tenlastelegging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;12

- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] ;13

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat verdachte meermalen, althans eenmaal met tot vuist gebalde hand, althans met de vlakke hand, in/tegen het gezicht van aangeefster heeft gestompt, althans geslagen. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

primair

op 16 september 2016 te Emmeloord, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] heeft gevraagd naar een parkje te komen en

- ( vervolgens) die [slachtoffer] heeft geblinddoekt en

- ( vervolgens) haar hand heeft vastgepakt en haar naar een bossage geleid en

- ( vervolgens) die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd en

- ( vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt, zodat zij geen

lucht meer kreeg en de ademhaling werd belet, althans belemmerd;

- ( vervolgens) die [slachtoffer] meermalen met een vleesvork in haar nek/hals en buik en borst en zij en arm heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

Op 11 september 2016 te Emmeloord, opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

- een duw heeft gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] met haar hoofd tegen een muur terecht kwam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: poging tot moord;

Feit 2: mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitiarapportage van 28 juni 2017, opgemaakt door C.J. Kerssens, psychiater, en G.M. Jansen, psycholoog, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum. Dit rapport houdt ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte onder meer het volgende in. Verdachte heeft niet willen meewerken aan de gesprekken met de psycholoog en de psychiater. Hij gaf geen toestemming om referenten te spreken of om medische gegevens op te vragen. Ook heeft hij geweigerd deel te nemen aan programmaonderdelen van de afdeling, zoals sport en arbeid. Zijn weigering maakt een weloverwogen indruk en lijkt niet voort te komen vanuit pathologische motieven of beperkte intellectuele capaciteiten. Gedurende de onderzoeksperiode zijn er geen aanwijzingen voor ernstige psychiatrische stoornissen, als psychotische, stemmings- en dwangstoornissen. Verdachte is niet achterdochtig, bizar of op zijn hoede. Voorts zijn er geen hallucinatoire gedragingen waargenomen.

Hoewel op grond van de biografie en de summiere gegevens over verdachtes functioneren een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid vermoed kan worden, kunnen onderzoekers geen diagnose stellen op grond van onderhavig onderzoek en ook niet vaststellen of een eventuele stoornis aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan over een eventuele doorwerking van een eventuele stoornis in het ten laste gelegde.

De rechtbank kan zich met de conclusies van de onderzoekers verenigen, neemt deze over en concludeert dat geen grond bestaat om te oordelen dat het bewezenverklaarde in verminderde mate kan worden toegerekend.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken en subsidiair dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 verzocht verdachte vrij te spreken van een gedeelte van de tenlastelegging, te weten: “meermalen, althans eenmaal met tot vuist gebalde hand, althans met vlakke hand, in/tegen het gezicht heeft gestompt, althans geslagen”. Zij heeft ten aanzien van feit 3 vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank aan strafoplegging toekomen heeft zij verzocht die gelijk te stellen aan het voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft geprobeerd zijn vriendin, die hem vertrouwde, van het leven te beroven. Hij heeft haar in het kader van haar verjaardag onder valse voorwendselen naar een afgelegen plek aan de Marknesserweg in Emmeloord gelokt. Daar heeft hij haar geblinddoekt en heeft hij meermalen met een vleesvork op haar ingestoken, onder meer in haar hals, en heeft hij haar keel dichtgeknepen. Dat aangeefster deze gruwelijke aanval heeft overleefd is niet aan verdachte te danken, maar komt deels doordat aangeefster zichzelf heeft verzet en verdedigd. Daarnaast heeft ze domweg geluk gehad dat ze het heeft overleefd. Aangeefster liep steekverwondingen op aan haar hals, borst en buik. Zij heeft veel pijn ondervonden en veel bloed verloren. Zij ondervindt nu nog steeds last van het steekincident. Zij heeft blijvende littekens in haar hals, op haar buik en borsten. Verdachte heeft de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster zeer ernstig geschonden en heeft haar gevoel van veiligheid en vertrouwen ernstig aangetast. Aangeefster voelt zich nog altijd angstig en verdrietig, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring.

Verder heeft verdachte een kleine week voor dit steekincident aangeefster mishandeld.

Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van deze deskundigen en zij daardoor geen inzicht kregen in de persoon van verdachte is besloten verdachte ter observatie te laten opnemen in het PBC. Uit het rapport van het PBC genoemd onder 7 van dit vonnis, blijkt dat verdachte ook aan dit onderzoek niet heeft meegewerkt. Door deze weigering was het voor de onderzoekers niet mogelijk een onderbouwde uitspraak te doen over het recidiverisico. Doordat voor de onderzoekers niet duidelijk is geworden welke factoren allemaal een rol spelen bij het risico op recidive konden zij ook geen gerichte interventie aanbevelen.

Uit het justitiële verleden van verdachte blijkt dat hij op zijn jonge leeftijd al betrokken is bij meerdere ernstige delicten en een groot deel van zijn volwassen leven gedetineerd heeft gezeten. Hij is in 2009 op Curaçao veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren voor onder meer het plegen van een levensdelict. Verdachte heeft een bejaarde man in zijn slaap doodgeslagen met een pikhouweel. Daarnaast heeft hij meermalen seksuele gemeenschap gehad met een meisje van twaalf jaren oud. Hij was nog maar zeer kort voorwaardelijk in vrijheid gesteld en liep in een proeftijd toen hij onderhavig delict pleegde. Klaarblijkelijk heeft de eerdere veroordeling en de proeftijd verdachte er niet van weerhouden om wederom een zeer ernstig delict te plegen. Gelet op deze opeenvolging van zeer ernstige strafbare feiten ziet de rechtbank een hoge kans op recidive bij verdachte.

Verdachte heeft door zijn weigering mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek en zijn weigering om enig inzicht te geven in de motieven van zijn daden de rechtbank elke mogelijkheid ontnomen om straffen of maatregelen op te leggen waarmee het recidivegevaar kan worden ingeperkt. Nu behandeling van verdachte niet aan de orde is dient beveiliging van de samenleving tegen het gevaar dat verdachte vormt, naast vergelding van het aan aangeefster aangedane leed, voorop te staan.

Het voorgaande overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Rekening houdend met alle voorgaande factoren en met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 14 jaren.

9 BESLAG

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte met gebruikmaking van zijn telefoons aangeefster naar de plaats delict heeft gelokt en via die telefoons de mogelijkheid heeft om contact op te nemen met aangeefster, wat onwenselijk is. Hij vordert daarom de verbeurdverklaring van de in beslag genomen telefoons.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om de teruggave van de inbeslaggenomen telefoons aan verdachte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 1 mobiele telefoon, merk: LG, kleur: zwart en

- 1 mobiele telefoon, merk: Samsung, kleur: wit

verbeurd verklaren.

Met behulp van deze voorwerpen is het onder feit 1 bewezen verklaard feit voorbereid en begaan.

10 BENADEELDE PARTIJ

Aangeefster [slachtoffer] , vertegenwoordigd door raadsvrouw mr. B. Roodveldt, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 13.128,96. Dit bedrag bestaat uit € 3.128,96 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Tevens doet zij het verzoek om aan verdachte een contactverbod en een locatieverbod van minimaal 2 kilometer van haar woning op te leggen.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 11.528,96 met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schademaatregel. Hij vordert dat [slachtoffer] niet ontvankelijk wordt verklaard in het overige deel van de vordering, namelijk de niet onderbouwde schoolkosten.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, nu zij zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft subsidiair verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding omdat de vordering omvangrijk en ingewikkeld is en een zeer onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Meer subsidiair doet de verdediging het verzoek tot matiging van de vordering.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De schade voor zover die betrekking heeft op de materiële schadeposten eigen risico zorgverzekering, medische kosten, ziekenhuisdaggeldvergoeding, reiskosten en kledingschade ter hoogte van in totaal € 1.217,80 komt voor vergoeding in aanmerking. De overige posten zijn onvoldoende onderbouwd of hebben geen betrekking op de tenlastegelegde feiten.

De immateriële schade komt tot een bedrag van € 7.500,- voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 8.717,80 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 september 2016 tot de dag van de volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat meerdere deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [slachtoffer] in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 8.717,80, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 september 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 78 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij € 8.717,80 in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van het verzoek om een contactverbod en een locatieverbod oordeelt de rechtbank als volgt. Bij het slachtoffer bestaat de zorg en angst dat zij met verdachte in contact komt indien hij wordt vrijgelaten. De rechtbank ziet, gelet op de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf, geen aanleiding om aan verdachte een contactverbod en locatieverbod op te leggen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 27, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • -

    1 mobiele telefoon, merk: LG, kleur: zwart;

  • -

    1 mobiele telefoon, merk: Samsung, kleur: wit;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 8.717,80;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 8.717,80 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 78 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 september 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 16 september 2016 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer]

van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg,

- die [slachtoffer] heeft gevraagd naar een parkje te komen en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] heeft geblinddoekt en/of

- ( vervolgens) haar hand heeft vastgepakt en haar naar een bossage geleid en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd en/of

- ( vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt, zodat zij geen

lucht meer kreeg en/of de ademhaling werd belet, althans belemmerd;

- ( vervolgens) die [slachtoffer] meermalen (elf keer), althans eenmaal, met een

(vlees)vork, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in haar nek/hals

en/of buik en/of zij en/of arm, althans in haar lichaam heeft gestoken, zijnde

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 september 2016 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg,

- die [slachtoffer] heeft gevraagd naar een parkje te komen en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] heeft geblinddoekt en/of

- ( vervolgens) haar hand heeft vastgepakt en haar naar een bossage geleid en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd en/of

- ( vervolgens) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt, zodat zij geen

lucht meer kreeg en/of de ademhaling werd belet, althans belemmerd;

- ( vervolgens) die [slachtoffer] meermalen (elf keer), althans eenmaal, met een

(vlees)vork, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in haar nek/hals

en/of buik en/of borst en/of zij en/of arm, althans in haar lichaam heeft

gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

- een duw heeft gegeven, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] met haar hoofd,

althans met haar lichaam tegen een muur terecht kwam en/of

- meermalen, althans eenmaal met tot vuist gebalde hand, althans met de

vlakke hand, in/tegen het gezicht heeft gestompt, althans geslagen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon (merk: Samsung, kleur:

zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar

opzettelijk en wederrechtelijk die mobiele telefoon met zijn handen te breken

en/of die telefoon (vervolgens) op de grond te gooien.

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd 2016288598 opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1420. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 1042.

3 Proces-verbaal van bevindingen verhoor aangeefster [slachtoffer] , pagina 1046-1050.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 1039.

5 NFI rapport betreffende de beoordeling van letsels bij [slachtoffer] d.d. 5 januari 2017.

6 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 1350.

7 NFI rapport DNA-onderzoek d.d. 2 december 2016.

8 NFI rapport DNA-onderzoek d.d. 9 november 2016, pagina 1381-1383.

9 Facebookgesprek gevoerd op 16 september 2016, pagina 1168-1193.

10 Verklaring [slachtoffer] bij de rechter-commissaris d.d. 9 mei 2017.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2017.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2017.

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 1135.