Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4447

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
16/659274-17 en 16/659784-17 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man uit Lelystad heeft in 2017 in Lelystad opzettelijk brand gesticht aan twee voertuigen en een woning. Ook had hij kinderporno in zijn bezit. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Als gevolg van de brandstichtingen zijn er meerdere voertuigen verwoest. Bij de brand in de woning zijn er mensen in levensgevaar gekomen. De politie ontdekte die brand en waarschuwde de bewoners.

De rechtbank bepaalt dat de verdachte een schadevergoeding van 2.500 euro moet betalen aan de man wiens camper is verwoest. Van dat bedrag is 500 euro vergoeding van immateriële schade. De bewoners van het huis hebben ook recht op een schadevergoeding. De verdachte moet hen 750 euro per persoon aan als smartengeld betalen.

Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank wijkt daarom af van de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/659274-17 en 16/659784-17 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]
gedetineerd in de PI Nieuwegein - HvB loc. Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 mei 2017, 14 juli 2017 en 18 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Zeilstra en van hetgeen verdachte en mr. A.W Syrier, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partijen [aangever 2] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [aangever 3] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/659274-17:

1. op 17 maart 2017 in Lelystad brand heeft gesticht aan een bedrijfsauto;

2. op 17 maart 2017 in Lelystad brand heeft gesticht aan een camper;

3. op 17 maart 2017 in Lelystad brand heeft gesticht aan een woning;

16/659784-17:

Op 17 maart 2017 in Lelystad een kinderpornografisch filmpje en/of een telefoon bevattende kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad.

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16.659274-17 en 16.659784-17 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1, 2, 3 en 4.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Hij heeft daarvoor bij de feiten 1, 2 en 3 verwezen naar de aangiftes van de branden, de aanwezigheid van verdachte bij twee van de drie branden, de getuigenverklaring waaruit blijkt dat verdachte bij de eerste brand eerder dan de brandweer ter plaatse is geweest, de constatering door verbalisanten dat hij in de richting van de derde brand is gefietst, het feit dat hij een conflict had met de bewoners van de woning waar de derde brand woedde, de aanwezigheid van een brander bij verdachte in zijn sok, in combinatie met de kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte over zijn wetenschap van de branden, zijn afgelegde route de bewuste nacht, de oorzaak van de verschroeide haren op zijn hand en het feit dat verdachte vers brandletsel heeft op het moment van zijn aanhouding.

Voor feit 4 heeft de officier van justitie verwezen naar het aantreffen van de afbeeldingen op de telefoon van verdachte en het proces-verbaal waarin de afbeeldingen worden geclassificeerd als kinderporno.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

Voor de feiten 1, 2 en 3 heeft hij gesteld dat technisch bewijs voor brandstichting ontbreekt. Bovendien ontbreekt direct bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij brandstichting. De rechtbank kan alleen tot een veroordeling komen als het niet anders kan dan dat verdachte de brandstichter is. Dat is niet het geval. Verdachte heeft een alibi voor de eerste brand, omdat hij toen bij zijn moeder thuis was. Verder heeft verdachte een verklaring gegeven voor de aanwezigheid van schroeiplekken op zijn hand, welke verklaring is bevestigd door zijn vader en broer. Het onderzoek aan de bemonstering van de handen van verdachte levert geen bevestiging van het vermoeden van daderschap op. Dit is een belangrijke contra-indicatie. Ook heeft hij een verklaring gegeven voor het voorhanden hebben van een aansteker, deodorant en parfum. Er is geen verband aangetoond tussen de parfum en deodorant en de op de plaatsen delict aangetroffen brandresten. Verdachte is op de hoogte geraakt van de branden via de app van P2000. Verdachte betwist de deskundigheid van verbalisant [verbalisant 1] met betrekking tot het onderzoek aan zijn telefoon. De verdediging persisteert bij de wens om verbalisant [verbalisant 1] als getuige en deskundige te horen, indien uit de processen-verbaal van deze verbalisant wordt afgeleid dat verdachte niet van de branden op de hoogte kan zijn gekomen via zijn telefoon en hieraan de conclusie wordt verbonden dat verdachte de drie branden heeft gesticht.

Ten aanzien van feit 4 heeft hij gesteld dat onvoldoende vast staat dat de omschreven beelden afkomstig zijn van de telefoon van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen en -overwegingen 1

Feiten 1, 2 en 3

Brand 1

[aangever 1] heeft namens [bedrijfsnaam] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij op 16 maart 2017 een Ford Transit Custom bedrijfsauto op de [adres] in Lelystad heeft geparkeerd en dat hij rond 03.00 uur door de buurman werd wakker gemaakt met de mededeling dat zijn bedrijfsauto in brand stond.2

Uit het proces-verbaal Sporenonderzoek blijkt het volgende: Verbalisant [verbalisant 2] heeft, als forensisch onderzoeker, geconstateerd dat op de parkeerplaats naast de woning [adres] te Lelystad drie voertuigen geparkeerd stonden. Van links naar rechts stonden een personenauto van het merk Skoda, in het midden stond een Ford Transit bedrijfswagen en rechts stond een personenauto van het merk Renault. De Skoda had aan de rechterzijde en de rechterachterzijde schade opgelopen ten gevolge van de inbranding van vuur. De Renault had nagenoeg geen schade, dan wel zeer lichte schade. De bedrijfswagen had de meeste schade ten gevolge van de inbranding van vuur opgelopen aan met name de gehele voorzijde van het voertuig. Het is zeer aannemelijk dat de brand voornamelijk in de bedrijfswagen had gewoed en dat de schade aan de beide personenauto’s hiervan gevolgschade betrof. Het is zeer waarschijnlijk dat de brand aan de rechter voorzijde ter hoogte van de gril is begonnen. Er zijn geen technische gebreken aangetoond. Gelet op de plaats waar de brand is ontstaan en de verspreiding van het vuur is het meest aannemelijk dat sprake is geweest van het opzettelijk vuur brengen in enige vorm op een plaats waar dat niet hoort (brandstichting).3

Brand 2

[aangever 2] heeft aangifte gedaan. Hij had zijn camper van het merk Renault, type T35 op 16 maart 2017 geparkeerd naast de woning aan de [adres] te Lelystad. Op 17 maart 2017 werd hij om 03.50 uur wakker gemaakt door de politie en zag hij dat zijn camper in brand stond. Er was vuur aan de voorzijde van de camper.4

Uit het proces-verbaal Sporenonderzoek blijkt het volgende: Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben, als forensische onderzoekers, op 17 maart 2017 geconstateerd dat de camper, die geparkeerd stond op de openbare weg aan de [adres] ter hoogte van nummer [nummer] te Lelystad, aan de voorzijde was aangetast door brand. De voorruit aan de rechtervoorzijde was nagenoeg geheel door de brand weggesmolten. Onderaan het raam waren geen glasresten meer aanwezig wat een aanwijzing is dat de brand aan de buitenzijde van de camper is begonnen. De brand had met name aan de buitenzijde en onder de motorkap van de camper gewoed. Tussen de stenen op de grond werden met behulp van een gasconcentratiemeter vluchtige koolwaterstoffen gemeten. De metingen geven een aanwijzing voor de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. Een brandstichting is daardoor zeer aannemelijk. Er was gemeen gevaar voor goederen te duchten, omdat naast de camper een andere personenauto geparkeerd stond die schade op had kunnen lopen.5

Brand 3

Aangeefster [aangever 3] , wonende op [adres] te Lelystad, heeft verklaard dat zij op 17 maart 2017 rond 04.30 uur wakker werd door gebonk. De politie en brandweer stonden voor de deur. Zij is met nog vier andere bewoners naar beneden gelopen en zag rookontwikkeling in de hal op de begane grond. Het leek erop alsof de voordeur of meterkast in de brand had gestaan.6

Uit het proces-verbaal Sporenonderzoek blijkt het volgende: Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben, als forensische onderzoekers, op 17 maart 2017 onderzoek verricht aan de woning aan de [adres] te Lelystad. De woning betrof een tussenwoning. Tegenover de ingang stonden houten schoenenkasten en aan de muur hing een kapstok waaraan meerdere jassen hingen. In de voortuin lagen enkele verbrande jassen die door de brandweer uit de gang waren gehaald. Op de vloer nabij het toilet was een inbranding in het laminaat en aan de onderzijde van de toiletdeur. De borstel aan de linkerzijde van de brievenbus was ingebrand. Bij metingen met behulp van een gasconcentratiemeter werden er vluchtige koolwaterstoffen gemeten op de deurmat en aan de linkerzijde van de brievenbus. Dit geeft een indicatie voor de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. Aangezien de brand bij de brievenbus op zichzelf stond kan het niet anders zijn dan dat daar brand werd gesticht. Vermoedelijk werd dit gedaan door een ontbrandbare vloeistof door de brievenbus naar binnen te gieten en het bijbrengen van open vuur in enigerlei vorm. Doordat de ontbrandbare vloeistof ook op de deurmat terecht is gekomen, heeft de brand daar ook gewoed, waarna de jassen vlam hebben gevat. De brandplek bij de toiletdeur is ook geïnterpreteerd als gevolgschade. Een technische oorzaak is uitgesloten omdat er geen elektronische componenten nabij de deur en de brievenbus stonden. Door de brand was er gemeen gevaar voor goederen en personen. Als de brand niet tijdig was ontdekt en geblust bestond de mogelijkheid dat de brand zich verder zou ontwikkelen waarbij er reële kans was dat de gehele woning en de naastgelegen woningen door de brand konden worden verwoest. Tijdens de brandstichting lagen er personen te slapen in de betreffende en naastgelegen woningen.7

Aanwezigheid verdachte

Verbalisant [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij bij de autobrand op [adres] verdachte heeft gezien die op dat moment foto’s aan het maken was. Ook bij de brand op de [adres] trof hij verdachte aan. Rond 04.05 uur zag hij verdachte wegfietsen vanaf de brand op de [adres] in de richting van [adres] , waarna hij afsloeg naar [adres] . Verbalisant is ook richting [adres] en [adres] gelopen om te kijken waar verdachte was gebleven. Hij was geen andere personen tegengekomen. Toen hij rond 04.14 uur terugliep naar de brand op de [adres] zag hij verdachte weer fietsen in de richting van de brand op de [adres] . Verdachte werd door twee verbalisanten staande gehouden om gecontroleerd te worden. Op dat moment meldde verbalisant [verbalisant 6] dat er op [adres] een brand bij de voordeur van een woning woedde. Dit adres is in de richting waar verdachte even daarvoor heen was gefietst. Verdachte werd gefouilleerd en hij bleek in zijn linker sok een horeca aansteker te hebben.8 De haartjes ter hoogte van de rechterduim van verdachte waren weg geschroeid.9

Kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij bij de eerste brand aanwezig was, via de app P2000 een bericht kreeg over een tweede brand. Daar is hij vervolgens naartoe gegaan. Daarna is hij naar het huis van zijn broer gegaan, omdat hij naar het toilet moest. Omdat het donker was bij zijn broer is hij teruggegaan en kwam hij de politie tegen.10

De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen in strijd zijn met de bewijsmiddelen. In de eerste plaats is de verklaring van verdachte in strijd met hetgeen verbalisant [verbalisant 1] heeft geconstateerd met betrekking tot de P2000 melding. Verbalisant [verbalisant 1] heeft vastgesteld dat op de telefoon van verdachte een aantal apps open stond, waaronder de app LiveP2000.nl Free. Het laatste beeld dat deze app liet zien was een melding voor de brandweer op 16 maart om 17:35:00 uur op het [adres] in Lelystad.11 Uit de constatering van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat verdachte niet via zijn app op de hoogte kan zijn gebracht van de tweede brand en verdachte aldus op andere wijze wetenschap moet hebben gehad van de tweede brand. De vaststelling dat op de computer van verdachte en/of zijn moeder op 17 maart 2017 omstreeks 02:50u de website P2000.nl is bezocht (volgens eigen verklaring in verband met de eerste brand), ontbloot de verklaring van verdachte over de app berichten niet van haar leugenachtig karakter.

In de tweede plaats is de verklaring van verdachte in strijd met hetgeen verbalisant [verbalisant 5] heeft waargenomen. Uit onder meer de plattegrond op pagina 1016 blijkt dat deze verbalisant verdachte na de tweede brand heeft gezien op een plek 100 meter van de derde brand12, terwijl verdachte daar niet hoefde te zijn om bij de woning van zijn broer te komen. De verklaring van verdachte dat hij naar zijn broer is gereden en vervolgens weer is teruggereden is hiermee niet in overeenstemming.

Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank de verklaringen van verdachte aan als kennelijk leugenachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen. Deze verklaring draagt als zodanig bij aan het bewijs. De rechtbank is van oordeel dat deze kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte ertoe strekken te verhullen dat verdachte de branden heeft aangestoken.

Verweren

De raadsman heeft betoogd dat het technisch bewijs voor de brandstichting ontbreekt. Hoewel op basis van het NFI rapport van 10 juli 2017 niet kan worden gezegd dat de bij verdachte aangetroffen deodorant en parfum zijn gebruikt bij het aansteken van de branden, sluit het rapport naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat de branden zijn aangestoken. Immers, voor brandstichting zijn geen vluchtige stoffen nodig. Daarbij komt dat in de sporenonderzoeken belangrijke aanwijzingen naar voren komen dat de branden zijn aangestoken en verdachte ter plaatse wordt aangetroffen met een brander.

De raadsman heeft verzocht verbalisant [verbalisant 1] te horen als getuige om zijn deskundigheid te achterhalen indien zijn constatering voor het bewijs gebruikt zou worden. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding en wijst het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] als getuige af. In het aanvullend proces-verbaal heeft [verbalisant 1] aangegeven dat hij het onderzoek heeft verricht met behulp van verbalisant [verbalisant 7] , werkzaam als forensisch medewerker bij team digitale expertise. Bovendien zijn de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] bevestigd door de bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] . De wetenschap over de deskundigheid van verbalisant [verbalisant 1] is door deze bevestiging niet meer van belang.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen zijn.

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door de weinig consistente verklaringen van verdachte over de aanwezigheid van de weggeschroeide haartjes op zijn hand. Verdachte heeft immers in eerste instantie verklaard dat hij begin maart 2017 voor de laatste keer als dakdekker heeft gewerkt. Later heeft verdachte verklaard dat dit 10 maart 2017 was en weer later de dag voor de brandstichting. Op de vraag wie kan bevestigen dat verdachte deze klus heeft verricht, heeft verdachte aanvankelijk verklaard dit niet te weten en later aangeven dat hij deze klus met zijn broer heeft verricht. De verklaring van verdachte en zijn broer over deze klus lopen vervolgens uiteen, in het bijzonder over de tijd die ermee gemoeid was.

Feit 4

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de telefoon van verdachte uitgelezen. In het proces-verbaal 2017080422-32 (pagina 2008) is hij abusievelijk vergeten te vermelden dat hij op de telefoon een filmpje zag met mogelijk kinderporno. Hij heeft dit filmpje veilig gesteld, op een DVD gebrand en deze DVD aan het team kinderporno overhandigd.13

Uit het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal blijkt het volgende. Verbalisant heeft een DVD met daarop één filmpje en één foto bekeken. De DVD was aangeleverd door het team dat zich bezighoudt met het onderzoek tegen verdachte in verband met brandstichting. De verbalisant heeft vastgesteld dat zowel het filmpje als de foto volgens de criteria kinderpornografisch zijn. Op de foto is onder meer een afbeelding zichtbaar van een volledig naakte jongen met een leeftijd tussen 7 en 10 jaar, die op zijn knieën zit. De handen van een naakte man rusten op de heupen van de jongen.

Op het filmpje is een volledig naakte jongen met een leeftijd tussen 7 en 10 jaar te zien. Hij zit op zijn knieën voorovergebogen, leunend op zijn hoofd. Met zijn linkerhand vingert hij zichzelf in zijn anus. Hierna trekt de jongen zijn anus met beide handen uit elkaar. Vervolgens gaat een naakte volwassen man achter de jongen zitten en penetreert de anus van de naakte jongen met zijn penis.14

De rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de afbeelding en het filmpje zoals omschreven in het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, van de telefoon van verdachte afkomstig zijn. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij het onderzoek aan de telefoon van verdachte heeft verricht, de beelden op DVD heeft gebrand en deze aan het team kinderporno heeft overhandigd. Het team kinderporno heeft aangegeven de beelden te hebben ontvangen van het team dat de branden onderzocht. Gelet hierop heeft de rechtbank geen twijfel dat dit om dezelfde beelden gaat. Voorts is gebleken dat het om kinderpornografisch materiaal gaat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook feit 4 wettig en overtuigend bewezen is.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 17 maart 2017 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht aan een bedrijfsauto (Ford Tansit Custom) (geparkeerd op de parkeerplaats gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende (gas)brander in aanraking gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die bedrijfsauto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor andere voertuigen op die parkeerplaats te duchten was;

2.

op 17 maart 2017 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht aan een camper (Renault type T35) (geparkeerd naast een woning gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende (gas)brander in aanraking gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die camper is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3.

op 17 maart 2017 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht aan de voordeur van een woning gelegen aan de [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende (gas)brander in aanraking gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor naastgelegen woningen en levensgevaar voor de bewoners van die woning (gelegen aan de [adres] ) en naastgelegen woningen, te duchten was;

4.

op 17 maart 2017 te Lelystad afbeeldingen, te weten een filmpje en een telefoon bevattende afbeeldingen in bezit gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij een onbekend gebleven persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

- het anaal penetreren van het lichaam met de penis van een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt

en

- het anaal penetreren van het lichaam met de vinger door een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feiten 1 en 2 telkens:

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 3:

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Feit 4:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, niet uitgelaten over de op te leggen straf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht aan twee voertuigen en aan een woning aan de [adres] . Als gevolg van de brandstichtingen zijn meerdere voertuigen verwoest en is schade ontstaan aan de woning. Er is gemeen gevaar voor goederen ontstaan alsook levensgevaar voor de personen in de woning en de naastgelegen woningen. Doordat de brand in de woning tijdig is ontdekt door de politie hebben de gevaren zich maar ten dele verwezenlijkt. Was dit niet gebeurd dan waren de gevolgen, naar mag worden aangenomen, niet te overzien geweest. De branden hebben geleid tot grote onrust in de buurt. Niet in de laatste plaats bij de bewoners van de woning aan de [adres] . Gelet op het voorgaande acht de rechtbank alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf.

Daarnaast heeft verdachte ook een kinderpornografisch filmpje en afbeeldingen in zijn bezit gehad. Op deze wijze levert verdachte een bijdrage aan het in stand houden van seksueel misbruik van kinderen.

Bij haar beslissing is ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 14 augustus 2017, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld maar niet voor soortgelijke feiten;

- een reclasseringsadvies van 18 mei 2017, uitgebracht door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker van Reclassering Nederland;

- een psychologisch rapport van 15 mei 2017, uitgebracht door C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog (supervisor) en P. Fleurkens, GZ-psycholoog (supervisant).

De reclassering heeft geconcludeerd dat een behandeling, gelet op de persoon van verdachte en de ernst van het delict, geïndiceerd is, maar dat zolang verdachte niet meewerkt aan een uitgebreid psychologisch onderzoek geen plan van aanpak kan worden opgesteld. De reclassering adviseert daarom een onvoorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen.

Uit het psychologisch rapport blijkt dat verdachte niet mee heeft willen werken. In het korte contact dat er is geweest zijn geen aanwijzingen voor autisme en evidente psychotische fenomenen zoals achterdocht en een verminderde realiteitstoetsing waargenomen. Er zijn aanwijzingen voor verminderde intellectuele capaciteiten. Er zou sprake kunnen zijn van pathologische trekken binnen de persoonlijkheid en problematisch alcoholgebruik. Vanwege de beperkingen van het onderzoek konden de overige vragen van de rechtbank niet beantwoord worden. De psychologen hebben daarom geen advies gegeven over de strafmaat.

Nu verdachte niet heeft willen meewerken aan de rapportages van de deskundigen, kan geen rekening worden gehouden met mogelijk benodigde behandelingen van verdachte via bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een deel van de straf aan verdachte voorwaardelijk op te leggen.

Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank tevens gekeken naar de straffen die de strafrechter in vergelijkbare gevallen oplegt. De rechtbank zal voor de brandstichtingen aan de auto’s een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden elk opleggen. Voor de brandstichting aan de woning zal de rechtbank een aanzienlijk hogere straf opleggen, omdat hierbij levensgevaar voor de vijf aanwezige personen en voor de personen in de naastgelegen woningen te duchten was. De rechtbank zal hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden opleggen. De rechtbank tekent daarbij aan dat zij voor de brandstichting in de woning een hogere straf opgelegd zou hebben, indien de schade groter geweest zou zijn, ook al is het niet aan verdachte te danken dat deze schade relatief beperkt is gebleven. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het bewezenverklaarde bezit van kinderporno.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden is.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

9 BESLAG

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten de telefoon van het merk Samsung S7, kleur zwart, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot dit voorwerp is bovendien het onder 4 bewezen verklaarde feit begaan.

10 BENADEELDE PARTIJ

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.500,-. Dit bedrag bestaat uit € 2.000,- materiële schade en € 500,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [aangever 3] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit, bedragen van:

  • -

    € 1.250,- immateriële schade en € 17,08 aan proceskosten ( [benadeelde 1] );

  • -

    € 1.358,96 bestaande uit € 108,96 materiële schade en € 1.250,- immateriële schade, en € 154,12 aan proceskosten ( [benadeelde 2] );

  • -

    € 1.461,11 bestaande uit € 211,11 materiële schade en € 1.250,- immateriële schade, en € 166,33 aan proceskosten ( [benadeelde 3] );

  • -

    € 1.635,- bestaande uit € 385,- materiële schade en € 1.250,- immateriële schade ( [aangever 3] ).

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar zijn met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel met uitzondering van de immateriële schade van [aangever 2] . [aangever 2] dient ten aanzien van deze schade niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de immateriële schade van [aangever 2] toewijsbaar is. Ten aanzien van de materiële schade dient [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaard te worden verklaard, omdat deze schade te ingewikkeld is voor het strafproces nu de schade is vergoed door een inzamelingsactie.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de raadsman gesteld dat de reiskosten vergoed kunnen worden, de immateriële schade is door beiden onvoldoende onderbouwd zodat dit niet toegewezen kan worden. Ook de door [benadeelde 2] gevraagde vergoeding voor verlofuren is onvoldoende onderbouwd.

Bij de vordering van [benadeelde 3] zijn de verlofuren onvoldoende onderbouwd en is onvoldoende rechtstreeks verband aanwezig. De immateriële schade is ook onvoldoende onderbouwd en moet worden afgewezen dan wel gematigd worden.

De vordering van [aangever 3] is onvoldoende onderbouwd omdat er nog geen diagnose is en nog niet vast te stellen is of het eigen risico door andere zorgkosten zal worden aangesproken.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

[aangever 2]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. Hij heeft de camper in 2016 gekocht voor € 3.000,-. Niet gebleken is dat hij door de inzamelingsactie volledig schadeloos is gesteld. De rechtbank waardeert de totale schade op € 2.500,-, bestaande uit € 2.000,- materiële schade en € 500,- immateriële schade en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 35 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[benadeelde 1]

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en dat daarom de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank acht een vergoeding van € 750,- passend en zal daarom de vordering toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde afwijzen.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 17,08 aan reiskosten. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 15 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[benadeelde 2]

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en dat daarom de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank acht een vergoeding van € 750,- passend en zal daarom de vordering toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade afwijzen.

De vordering ten aanzien van de materiële schade (verlofuren) is onvoldoende onderbouwd en de behandeling hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 6,- aan reiskosten. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 15 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[benadeelde 3]

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en dat daarom de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank acht een vergoeding van € 750,- passend en zal daarom de vordering toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade afwijzen.

De vordering ten aanzien van de materiële schade (verlofuren) is onvoldoende onderbouwd en de behandeling hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op € 8,- aan reiskosten. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 15 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[aangever 3]

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden en dat daarom de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank acht een vergoeding van € 750,- passend en zal daarom de vordering toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade afwijzen.

De vordering ten aanzien van de materiële schade (het eigen risico) is onvoldoende onderbouwd en de behandeling hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 15 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 57, 157 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

 telefoon van het merk Samsung S7, kleur zwart;

Benadeelde partij

[aangever 2]

- wijst de vordering van [aangever 2] toe tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit € 2.000,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 2.500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 1]

- wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade af;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 17,08;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 750,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 2]

- wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 750,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade af;

- verklaart [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 6,-;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 750,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[benadeelde 3]

- wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 750,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade af;

- verklaart [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 8,-;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 750,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[aangever 3]

- wijst de vordering van [aangever 3] toe tot een bedrag van € 750,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [aangever 3] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade af;

- verklaart [aangever 3] voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] aan de Staat € 750,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter, mrs. C.A. de Beaufort en A.A. Renken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16/659274-17:

1.

hij op of omstreeks 17 maart 2017 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een bedrijfsauto (Ford Tansit Custom) (geparkeerd op de parkeerplaats gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende (gas)brander, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die bedrijfsauto geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die bedrijfsauto en/of andere voertuigen op

die parkeerplaats, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 17 maart 2017 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht aan/in een camper (Renault type T35) (geparkeerd naast een woning gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende (gas)brander, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die camper geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die die camper en/of die naastgelegen woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoners van die woningen (gelegen aan de [adres] ) en/of de naastgelegen woningen,in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 17 maart 2017 te Lelystad, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan (de voordeur en/of de meterkast en/of de centrale hal van) een woning (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende

(gas)brander, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stoffen, ten gevolge waarvan die woning geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning (gelegen aan het [adres] ) en/of naastgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar voor de bewoners van die woningen (gelegen aan de [adres] ) en/of naastgelegen woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

16/659784-17:

hij, op of omstreeks 17 maart 2017, te Lelystad, in elk geval in Nederland, een of meer afbeelding(en), te weten een filmpje en/of een telefoon bevattende een of meer afbeelding(en), heeft verworven, in bezit gehad, heeft verspreid, uitgevoerd, openlijk

tentoongesteld en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

- het anaal penetreren van het lichaam met de penis van een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt

en/of

- het anaal penetreren van het lichaam met de vinger door een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 maart 2017, genummerd 2017080392/2017080422/2017080444, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2121. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , namens [bedrijfsnaam] , pagina 501.

3 Een proces-verbaal Sporenonderzoek, pagina’s 536 en 537.

4 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 1001.

5 Een proces-verbaal Sporenonderzoek, pagina’s 1034 en 1035.

6 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 1501.

7 Een proces-verbaal Sporenonderzoek, pagina’s 1514 en 1515.

8 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1013 en 1014.

9 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1009.

10 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 122 en 123.

11 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2009.

12 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 148.

13 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1700.

14 Een proces-verbaal Beschrijving kinderpornografisch materiaal, pagina’s 1701 en 1702.