Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4380

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
413070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen twee zussen over nalatenschap moeder. Eiseres is onterfd en vordert vaststelling van haar legitieme portie. In geschil is de wijze van waardering van een onroerende zaak die erflaatster bij leven al aan erfgenaam heeft verhuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0221

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/413070 / HA ZA 16-267

Vonnis van 6 september 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.G. Hees te Huizen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 13 juli 2016 (waarin onder “1 De procedure” ten onrechte niet is vermeld de akte van [eiseres] van 25 mei 2016)

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie

  • -

    de akte houdende uitlating producties van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn beide kinderen van de heer [A] (hierna te noemen: erflater) en [B] (hierna te noemen: erflaatster). Beide laatstgenoemden waren met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Erflater is overleden op [2013] en erflaatster op [2015] .

2.2.

Erflater en erflaatster hebben beide bij (vrijwel gelijkluidende) testamenten van 19 september 2007 over hun nalatenschap beschikt (producties 1 en 9 bij dagvaarding). In beide testamenten staat dat [eiseres] en haar afstammelingen zijn uitgesloten als erfgenaam van de nalatenschap. Verder volgt uit beide testamenten dat de echtgenoot/echtgenote en de andere dochter ( [gedaagde] ) erfgenaam zijn voor gelijke delen van de nalatenschap en dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Tenslotte is [gedaagde] in beide testamenten als executeur benoemd. [gedaagde] heeft beide nalatenschappen en beide benoemingen tot executeur aanvaard.

2.3.

Bij brief van 8 november 2013 heeft [eiseres] aanspraak gemaakt op haar legitieme portie ter zake van de nalatenschap van erflater (productie 2 bij dagvaarding).

2.4.

Bij brief van 3 december 2015 is namens [eiseres] tevens aanspraak gemaakt op haar legitieme portie ter zake van de nalatenschap van erflaatster (productie 10 bij dagvaarding). In deze brief is namens [eiseres] tevens aanspraak gemaakt op de wettelijke rente ter zake van beide vorderingen.

2.5.

[gedaagde] heeft op 16 en 17 december 2015 € 65.037,87 betaald aan [eiseres] uit hoofde van de legitieme portie ter zake van de nalatenschap van erflater.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat –

I. vaststelling van de hoogte van de legitieme portie van [eiseres] uit hoofde van zowel de nalatenschap van erflater als van erflaatster;

II. voor zover de hoogte van de legitieme portie uit hoofde van de nalatenschap van erflater meer bedraagt dan € 65.037,87, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van dit meerdere aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [2015] ,

III. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen het onder I. vast te stellen bedrag aan legitieme portie uit hoofde van de nalatenschap van erflaatster, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2016,

IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag als vergoeding voor verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden,

V. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 920,47 zijnde het teveel betaalde in het kader van de nalatenschap van erflater, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2016, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.5.

[eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde] in haar vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze hierna gezamenlijk in de beoordeling worden betrokken.

4.2.

Het geschil van partijen betreft de vaststelling van de aanspraken van [eiseres] uit hoofde van haar legitieme portie (artikel 4:63 lid 1 BW) ter zake van zowel de nalatenschap van erflater als die van erflaatster. Volgens artikel 4:65 BW worden de legitieme porties berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f. Laatstbedoelde schulden betreffen, kort gezegd, de schulden van erflater/erflaatster die niet bij het overlijden teniet zijn gegaan (sub a), de uitvaartkosten (sub b), de vereffeningskosten (sub c) en de – in deze zaak zich niet voordoende – schulden voortvloeiend uit afdeling 4.3.2 BW.

4.3.

Voor wat betreft de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt daaronder verstaan de waarde daarvan op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater/erflaatster (artikel 4:6 BW). De laatstbedoelde peildatum voor de waarde betreft voor de nalatenschap van erflater [2013] en voor die van erflaatster [2015] .

4.4.

Uit artikel 4:64 lid 1 BW volgt dat de legitieme portie van een kind van erflater/erflaatster de helft bedraagt van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend (artikel 4:65 BW), gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 onder a genoemde door de erflater/erflaatster achtergelaten personen.

Nu erflater als eerste is overleden, geldt dat erflater als laatstbedoelde personen heeft achtergelaten erflaatster, [gedaagde] en [eiseres] , zodat ten aanzien van de nalatenschap van erflater voor de berekening van de legitieme van [eiseres] het breukdeel 1/6e dient te worden gehanteerd. Ten aanzien van de laatstoverleden erflaatster geldt dat zij heeft achtergelaten [gedaagde] en [eiseres] , zodat voor de nalatenschap van erflaatster het breukdeel voor de legitieme 1/4e bedraagt.

4.5.

Partijen hebben in de processtukken uitvoerig gedebatteerd over de voor de berekening van de legitieme aanspraken van [eiseres] in aanmerking te nemen waarde van de goederen en de omvang van de schulden en de giften. Op basis van dit partijdebat stelt de rechtbank vast dat tussen partijen over het volgende overeenstemming, dan wel nog een verschil van mening bestaat. Hierbij neemt de rechtbank de laatste door ieder van partijen ingediende opstellingen tot uitgangspunt en de daarop gegeven toelichtingen. Voor [eiseres] zijn dit producties 39 en 40 en voor [gedaagde] producties 43 en 44.

4.6.

Betreffende de door het overlijden van erflater (op [2013] ) ontbonden huwelijksgemeenschap waarin beide erflaters waren gehuwd (en waarvoor geldt dat de onverdeelde helft daarvan de nalatenschap van erflater betreft):

goederen waarde

1. de woning ( [adres] , [woonplaats] ) in geschil

2. inboedel € 500,--

3. bankrekeningen

RABO […] … […] € 13.708,27

Regio […] … […] € 103.785,32

rente € 762,82

Regiobank […] … […] € 3.325,57

Regiobank […] … […] € 73.321,91

rente € 393,47

4. vordering op [gedaagde] in geschil

5. auto € 7.500,--

6. nagekomen baten in geschil

schulden

1. hypothecaire schuld € 64.500,--

2. overige schulden € 7.471,07

3. nagekomen schulden ( […] , IB 2013 , […] , […] ) € 617,68

4. uitvaartkosten (€ 5.814,-- en € 323,56) € 6.137,56

giften

1. giften € 16.200,--.

4.7.

Betreffende de nalatenschap van erflaatster: (per [2015] ):

goederen waarde

1. de woning ( [adres] , [woonplaats] ) in geschil

2. inboedel in geschil

3. bankrekeningen

Regiobank, […] … […] € 103.785,32

rente € 606,00

Regiobank, […] … […] € 40.402,--

rente € 237,00

SNS participaties € 19.953,93

ING betaalrekening […] … […] € 7.040,15

4. vordering op [gedaagde] in geschil

5. nagekomen baten € 1.515,07

schulden

1. hypothecaire schuld € 64.500,--

2. schuld aan [gedaagde] (erfdeel in nalatenschap erflater) in geschil

3. schuld aan [eiseres] (uit legitieme portie nalatenschap erflater) in geschil

4. overige schulden in geschil

5. nagekomen schulden in geschil

6. uitvaartkosten € 4.590,--

giften

1. giften aan [gedaagde] in geschil

4.8.

De rechtbank zal hierna de onder 4.6. en 4.7. aangeduide geschilpunten beoordelen. Voor zover samenhang bestaat tussen geschilpunten ten aanzien van posten die vermeld zijn bij beide nalatenschappen, zullen deze gezamenlijk beoordeeld worden. Hierna worden achtereenvolgens beoordeeld: de waarde van a. de woning, b. de inboedel, c. de vordering op [gedaagde] , d. de nagekomen baten van erflater, e. de overige schulden van erflaatster, f. de nagekomen schulden van erflaatster en g. de giften van erflaatster aan [gedaagde] .

a. De woning

4.9.

Ten aanzien van de woning geldt dat deze bij leven gemeenschappelijk eigendom was van erflater en erflaatster. Ten aanzien van de nalatenschap van erflater geldt dat de woning voor de onverdeelde helft behoort tot zijn (per [2013] opengevallen) nalatenschap. Ten gevolge van de wettelijke verdeling (die van toepassing is op de nalatenschap van erflater) is de woning per [2013] in zijn geheel gaan behoren tot het vermogen van erflaatster en daarmee ook tot haar (per [2015] opengevallen) nalatenschap. Daarmee is van belang de waarde van de woning op beide data.

4.10.

[gedaagde] stelt dat (uit de voorafgaand aan deze procedure gevoerde correspondentie blijkt dat) partijen reeds overeenstemming hebben bereikt over de voor de berekening van de legitieme te hanteren waarde voor de woning. [eiseres] heeft dit betwist.

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de namens [eiseres] geschreven brief van 3 december 2015 (productie 40 van [gedaagde] ) blijkt enkel dat [eiseres] uitbetaling wenst van haar legitieme aanspraak ter zake van de nalatenschap van erflater. [eiseres] heeft in die brief haar aanspraak becijferd op € 65.940,75 kennelijk – zo blijkt ook uit de reactie namens [gedaagde] van 21 december 2015 (productie 41 van [gedaagde] ) – op basis van de door [gedaagde] ter beschikking gestelde aangifte erfbelasting waarin (zoals gebruikelijk) de WOZ-waarde van de woning is gehanteerd. Deze brief is geschreven in het kader van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen en sluit bovendien af met de woorden: “Onder voorbehoud van alle rechten en weren”. Uit deze brief blijkt niet dat [eiseres] afstand heeft gedaan van haar eerst later ingenomen en in deze procedure gehandhaafde standpunt betreffende de waarde van de woning. In deze brief komt de waarde van de woning bovendien niet rechtstreeks ter sprake. [gedaagde] kon aan deze brief dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat [eiseres] zich definitief wilde binden ter zake van de WOZ-waarde van de woning. Hier komt bij dat de van [gedaagde] afkomstige berekening van de erfbelasting (waarop [eiseres] haar aanvankelijke berekening van de legitieme heeft gebaseerd) in de onderhavige procedure door [gedaagde] zelf ook als een “voorlopige” is aangeduid (conclusie van antwoord in conventie, nr. 30).

4.12.

Partijen verschillen van mening wat de waarde is van de woning op [2013] en [2015] . [gedaagde] verwijst naar de door haar (als productie 5 en 6 in het incident) overgelegde WOZ-beschikkingen, waarin waarden van € 467.000,-- (waarde-peildatum 1 januari 2014) en € 469.000,-- (waarde-peildatum 1 januari 2015) staan vermeld. Volgens [eiseres] dient de woning te worden getaxeerd naar de waarde in het vrije economische verkeer.

Verder is tussen partijen in geschil of bij het waarderen van de woning ter zake van de nalatenschap van erflaatster rekening dient te worden gehouden met de op 14 juli 2014 ondertekende huurovereenkomst tussen erflaatster enerzijds en [gedaagde] en haar partner anderzijds. [gedaagde] stelt dat deze huurovereenkomst met het overlijden van erflaatster niet teniet is gegaan. [eiseres] betoogt dat bij de waardering uitgegaan dient te worden van de woning in niet-verhuurde staat. In haar visie is door het overlijden van erflaatster de huurovereenkomst teniet gegaan doordat de hoedanigheid van huurder en verhuurder in één persoon is verenigd, waarbij ook van belang is dat geen sprake is van een onverdeeldheid omdat [eiseres] enig erfgenaam is van erflaatster.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt voor de waardering van de woningen op beide peildata ( [2013] en [2015] ) ten behoeve van de legitieme portie is de onderhandse verkoopwaarde in het economisch verkeer. [gedaagde] wijst op zichzelf terecht erop dat in de Successiewet 1956 voor de bepaling van de waarde in het economisch verkeer de WOZ-waarde ook het uitgangspunt is (artikel 21 lid 1 en 5 Successiewet 1956). Dit neemt niet weg dat de WOZ-waarde niet altijd een accurate weergave is van de waarde in het economisch verkeer van een onroerende zaak. De WOZ-waarde is dan ook niet zonder meer bruikbaar voor de waardering in een civiele procedure. Nu de WOZ-waarde door [eiseres] gemotiveerd is betwist, is de rechtbank voornemens een makelaar als deskundige te benoemen voor de waardering van de woning op beide peildata.

4.14.

Verder is de rechtbank (anders dan [eiseres] ) van oordeel dat voor de waardering van de woning op [2015] (datum overlijden erflaatster) rekening dient te worden gehouden met de verhuurde staat van de woning. [eiseres] heeft niet betwist dat [gedaagde] (en haar partner), zoals in de schriftelijke huurovereenkomst vermeld, per 1 juni 2014 bij erflaatster zijn ingetrokken en een deel van de woning hebben gehuurd. Daarmee staat vast dat op het moment van overlijden van erflaatster tot haar nalatenschap behoort de woning in (deels) verhuurde staat. Een woning in verhuurde staat zal veelal op een lager bedrag gewaardeerd dienen te worden dan een woning vrij van huur. Deze waardevermindering van de woning (voortvloeiend uit de verhuurde staat) bestond dus al ruim een jaar voor het overlijden van erflaatster. Sindsdien bestond voor erflaatster bij leven ook niet meer de mogelijkheid om over de onroerende zaak vrij van huur te beschikken, zodat geen reden bestaat voor de waardering van haar nalatenschap (per datum van haar overlijden; artikel 4:6 BW) een ander uitgangspunt te hanteren (vgl. HR 20 juni 1975, NJ 1976, 414 met noot WMK).

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat – anders dan [eiseres] stelt – niet gebleken is dat de huurovereenkomst met geen ander doel is gesloten dan ter benadeling van [eiseres] als toekomstig legitimaris. [gedaagde] heeft uitvoerig toegelicht (conclusie van dupliek in conventie, nr. 33-43) dat zij (samen met haar partner) in 2014 – na het overlijden van erflater – bij de steeds hulpbehoevender erflaatster is ingetrokken om de zorg voor haar op zich te nemen. Volgens de huurovereenkomst (productie 25 van [gedaagde] ) wordt een (in artikel 1) nader omschreven deel van de woning verhuurd aan [gedaagde] en haar partner, tegen een huurprijs van € 580,-- en € 220,-- voor bijkomende leveringen en diensten, waarbij bij de huurprijs is vermeld dat deze mede is gebaseerd “op basis van woonkosten huis dat [door [gedaagde] ] is verlaten ten behoeve van de zorg voor moeder” en “door overlijden vader gedwongen verhuizing naar directe omgeving van moeder”. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de overeengekomen bedragen, in het licht van de vaststaande zorg die [gedaagde] op zich nam, niet als een reële vergoeding kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat zowel erflaatster en [gedaagde] bij het sluiten van deze huurovereenkomst reeds een toekomstig conflict voorzagen met [eiseres] , kan op zichzelf niet de gevolgtrekking dragen dat deze overeenkomst is gesloten met als enig doel de rechten van [eiseres] als legitimaris aan te tasten.

4.15.

Uitgangspunt is dan ook enerzijds de waarde van de woning in het economisch verkeer (de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik) per [2013] en anderzijds de waarde in het economisch verkeer (de onderhandse verkoopwaarde, in verhuurde staat) per [2015] . Zoals gezegd dient ter bepaling van beide waarden een deskundige te worden benoemd. De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:

1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, per [2013] van de woning ( [adres] , [postcode] [woonplaats] )?

2. Wat is de onderhandse verkoopwaarde, in (deels) verhuurde staat, per [2015] van de woning ( [adres] , [postcode] [woonplaats] )?

3. Heeft u eventueel opmerkingen die anderszins voor de waardering van de woning van belang kunnen zijn?

4.16.

Partijen krijgen gelegenheid om zich bij akte uit te laten over deze vraagstelling en over de persoon van de te benoemen deskundige.

4.17.

Ten aanzien van de kosten van dit deskundigenbericht overweegt de rechtbank het volgende. De kosten gemoeid met de vaststelling van de legitieme – waartoe ook kunnen worden gerekend de hier aan de orde zijnde deskundigenkosten – betreffen kosten die voortvloeien uit de vereffening van beide nalatenschappen, zodat deze kosten kunnen worden aangemerkt als vereffeningskosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub c, BW. Deze kosten komen ten laste van beide nalatenschappen, zodat deze door [gedaagde] (als enige en zuiver aanvaard hebbende erfgenaam van beide nalatenschappen) dienen te worden gedragen. Hierbij is wel van belang dat de deskundigenkosten als vereffeningskosten in mindering komen op de legitimaire massa (zie artikel 4:65 BW). In zoverre geldt dat zowel [eiseres] als [gedaagde] belang hebben bij zo laag mogelijke kosten voor het deskundigenbericht.

4.18.

Gelet op dit wederzijds belang geeft de rechtbank partijen in overweging om – in plaats van het gelasten van een deskundigenbericht in de onderhavige procedure – in onderling overleg een makelaar aan te wijzen voor het tussen partijen bindend vaststellen van beide waarden. Een praktische oplossing is bijvoorbeeld dat [eiseres] drie makelaars opgeeft ter vaststelling van voornoemde waarden, waarna [gedaagde] één daarvan uitkiest om in haar opdracht de waarden vast te stellen. De kosten hiervan dienen dan door [gedaagde] te worden voldaan, waarna voor de vaststelling van de legitieme aanspraken van [eiseres] de kosten in mindering komen op de legitimaire massa.

4.19.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het gelijktijdig uitlaten door partijen of zij (i) eensluidend kiezen voor laatstgenoemde mogelijkheid – partijen wijzen conform rov. 4.17. zelf een makelaar aan – waarna de zaak zal worden aangehouden in afwachting van deze taxatie, ofwel (ii) partijen laten zich uit over de persoon van de door de rechtbank te benoemen deskundige (en de aan deze voor te leggen vragen).

b. De inboedel

4.20.

Partijen verschillen van mening over de waarde van de inboedel van erflaatster. [eiseres] heeft deze gewaardeerd op € 500,--, terwijl [gedaagde] uitgaat van een waarde nihil.

4.21.

De rechtbank zal met [gedaagde] ervan uitgaan dat de nog aanwezige inboedel van erflaatster ten tijde van haar overlijden geen waarde meer vertegenwoordigt. [gedaagde] heeft (onderbouwd met verklaringen) – die door [eiseres] niet zijn betwist – uiteengezet dat de nog resterende inboedel van erflaatster naar de kringloop is gegaan en dat zij daarvoor geen geld heeft gekregen.

c. De vordering op [gedaagde]

4.22.

Vast staat dat [gedaagde] volgens een door ( [gedaagde] , erflater en erflaatster ondertekende) onderhandse akte gedateerd 31 december 2004 met als opschrift “schuldbekentenis” € 200.000,-- heeft geleend van erflaters tegen een rente van 4,6 procent. [gedaagde] stelt dat (rekening houdend met door haar verrichte aflossingen) de schuld per datum overlijden van erflater ( [2013] ) € 170.434,-- bedroeg en per datum overlijden erflaatster ( [2015] ) € 156.934,--.

[eiseres] heeft laatstgenoemde omvang van de schuld per datum van het openvallen van beide nalatenschappen betwist. Zij heeft (uitgaande van de eind 2004 geleende geldsom) aan de hand van de door [gedaagde] aangetoonde aflossingen berekend wat de stand van de schuld was per beide bedoelde overlijdensdata, namelijk € 263.841,28 (op [2013] ) en

€ 271.625,18 (op [2015] ).

4.23.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de vordering van erflaters op [gedaagde] de door [eiseres] gestelde omvang heeft. [gedaagde] heeft als productie 42 een deel van de belastingaangiften (inkomstenbelasting) vanaf 2008 van erflaters overgelegd. Daaruit blijkt dat erflater in de aangifte voor 2012 – dus het laatste volle jaar voor zijn overlijden op [2013] – de vordering op [gedaagde] heeft vermeld voor een bedrag van € 174.834,--. In de aangifte van erflaatster voor 2014 (het laatste volle jaar voor haar overlijden) staat de vordering vermeld voor € 164.036,--. Kennelijk gingen erflater respectievelijk erflaatster uit van voornoemde omvang van hun vordering op [gedaagde] per 1 januari van bedoeld kalenderjaar (zie het destijds geldende artikel 5.2, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001). [gedaagde] heeft bij productie 42 onderbouwd gesteld – hetgeen door [eiseres] in zoverre niet is betwist – wat de aflossingen en de verschuldigde rente in de jaren 2008-2015 zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde] berekende omvang van de schuld een reëler beeld geeft dan de door [eiseres] opgestelde berekening waarvan duidelijk is dat deze door erflaters als schuldeisers niet werd onderschreven. De rechtbank zal dan ook ervan uitgaan dat de vordering van erflaters op [gedaagde] per datum overlijden erflater ( [2013] )

€ 170.434,-- bedroeg en per datum overlijden erflaatster ( [2015] ) € 156.934,--.

d. De nagekomen baten van erflater

4.24.

Aanvankelijk heeft [gedaagde] (onder verwijzing naar haar productie 18 bij conclusie van antwoord in conventie) de post ‘nagekomen baten’ van de nalatenschap van erflater gesteld op € 5.549,98. [eiseres] heeft deze berekening betwist. Volgens (de door haar overgelegde productie 39 bij conclusie van repliek in conventie) dient het totaal van de afzonderlijke post te worden gesteld op € 7.412,43 (de som van € 683,--, € 1.868,--, € 299,--, € 1.302,82 en € 3.259,61). Vervolgens heeft [gedaagde] een bijgesteld overzicht in het geding gebracht (productie 43), waaruit zij afleidt dat de post nagekomen baten € 3.034,50 bedraagt. (Het tussen partijen gevoerde debat over deze post is te vinden in dagvaarding, nr. 44; conclusie van antwoord in conventie, nr. 59-62 en productie 18; conclusie van repliek in conventie, nr. 35-38; conclusie van dupliek in conventie, nr. 24-28; conclusie van dupliek in reconventie, nr. 27)).

4.25.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt de rechtbank voorop dat (vanwege de tussen erflaters bestaande huwelijksgemeenschap) de per datum overlijden van erflater ( [2013] ) bestaande vorderingen van erflaters (maar die eerst daarna zijn uitgekeerd) voor de helft dienen te worden toegerekend aan de huwelijksgemeenschap van erflaters. Voor zover het gaat om een vordering van erflaters die kan worden toegerekend aan geheel 2013 (bijvoorbeeld een teruggave IB of vakantiegeld), acht de rechtbank het redelijk om deze – gelet op de overlijdensdatum van erflater van [2013] en de ook per die datum ontbonden huwelijksgemeenschap – voor 262/365ste deel toe te rekenen aan de huwelijksgemeenschap van erflaters. Aan de hand van de hiervoor genoemde overzichten van partijen (productie 18 van [gedaagde] en productie 39 van [eiseres] ) overweegt de rechtbank als volgt.

4.26.

De rechtbank komt op basis van het partijdebat en voornoemde uitgangspunten tot het volgende overzicht. Tot de (per [2013] ) ontbonden huwelijksgemeenschap van erflaters behoren:

- teruggave IB 2012 erflaatster € 683,--

- teruggave IB 2012 erflater € 1.868,--

- teruggave IB 2013 erflaatster € 1.815,-- x 262/365ste € 1.302,82

- teruggave IB 2013 erflater € 299,-- x 262/365ste € 214,62

- AOW september 2013 tnv erflaatster € 708,51

- AOW september 2013 ten name van erflater € 708,51

- AOW-uitkering ten name van erflater € 218,47

- AOW-vakantiegeld 2013 erflaatster € 539,41 x 262/365ste € 387,19

- AOW-vakantiegeld 2013 erflater € 316,31 x 262/365ste € 227,05

- […] € 221,94

- […] € 25,66

- […] € 353,46

- gemeentelijke belastingen € 82,86

- polis € 35,77

- pensioen € 248,39

TOTAAL: € 7.286,25

4.27.

De rechtbank stelt de post ‘nagekomen baten’ van de huwelijksgemeenschap per [2013] vast op € 7.286,25.

4.28.

Voor het overige hebben partijen geen geschilpunten ten aanzien van de samenstelling en waarde van de nalatenschap van erflater. Nadat de waarde van de woning is vastgesteld (overeenkomstig hetgeen is overwogen onder 4.9. tot en met 4.19.), staat vast wat de waarde is van (alle bestanddelen van) de nalatenschap van erflater.

Aan de hand daarvan kan ook worden vastgesteld wat de omvang is van de (onder 4.7. genoemde) schuld van erflaatster aan [gedaagde] (het erfdeel van [gedaagde] in de nalatenschap van erflater) en de schuld van erflaatster aan [eiseres] (de vordering van [eiseres] betreffende de legitieme portie uit de nalatenschap van erflater). Beide laatstgenoemde posten behoeven nu geen afzonderlijke beoordeling.

e./f. De overige en nagekomen schulden van erflaatster

4.29.

[eiseres] noemt in de dagvaarding (nr. 78) de post “andere schulden”, die volgens opgave van [gedaagde] € 19.337,-- bedraagt en bestaat uit de onderdelen a. tot en met e. Deze is gebaseerd op de eerdere opgave door [gedaagde] aan [eiseres] (van de bestanddelen van de nalatenschap van erflaatster) (zie dagvaarding, nr. 23).

a. Dit betreft (volgens [gedaagde] ) een schuld van erflaatster van € 3.820,--. [eiseres] stelt deze schuld niet te kunnen plaatsen. [gedaagde] stelt dat dit bedrag 25 procent is van de door haar van erflaatster ontvangen schenkingen van € 15.277,--. De rechtbank is (met [eiseres] ) van oordeel dat zonder nadere toelichting van [gedaagde] niet inzichtelijk is waar deze gestelde schuld van erflaatster op is gebaseerd. Nu [gedaagde] ter zake van deze schuld onvoldoende heeft gesteld, zal de rechtbank daar aan voorbij gaan.

b. Partijen zijn het eens dat de IB-schuld 2014 van erflaatster € 6.083,-- bedraagt.

c. Ten aanzien van de IB-schuld 2015 geldt dat [eiseres] – die aanvankelijk de omvang van deze schuld heeft betwist – inmiddels akkoord is met een schuld van € 3.966,-- (conclusie van repliek in conventie, nr. 76c).

d. [eiseres] heeft de factuur van [C] betwist, waarna [gedaagde] heeft erkend (conclusie van antwoord in conventie, nr. 113) dat deze niet tot de schulden van erflaatster behoort.

e. Dit betreft twee facturen van Schildersbedrijf [naam] van in totaal € 4.174,--. Uit productie 35 bij dagvaarding blijkt dat beide facturen ten name van erflaatster zijn gesteld. [eiseres] heeft niet gemotiveerd betwist dat erflaatster nog zelf voor haar overlijden de opdracht voor deze schilderwerkzaamheden heeft gegeven. De verschuldigde aanneemsom voor deze (deels na het overlijden van erflaatster) uitgevoerde werkzaamheden vloeit immers voort uit deze door erflaatster gegeven opdracht, zodat dit een schuld betreft van de nalatenschap (en niet een schuld van [gedaagde] ). De omstandigheid dat ten tijde van het overlijden van erflaatster een deel van de aanneemsom nog niet opeisbaar was (omdat een deel van de opgedragen werkzaamheden op dat moment nog moest worden uitgevoerd), kan aan het voorgaande niet afdoen.

De rechtbank leidt uit het voortgezette partijdebat af dat volgens [gedaagde] (onder verwijzing naar haar productie 31) nog een aantal “nagekomen schulden” tot de nalatenschap van erflaatster behoren. [eiseres] erkent (conclusie van repliek in conventie, nr. 79) deze schulden tot een bedrag van € 2.135,67. In reactie hierop stelt [gedaagde] enkel dat [eiseres] ten onrechte geen rekening houdt met twee voorschotten inkomstenbelasting van elk € 147,-- (conclusie van dupliek in conventie, nr. 50). Aangezien deze “voorschotten” in productie 31 van [gedaagde] betrekking hebben op de IB-schuld van 2015 en deze schuld hiervoor onder c. al in aanmerking is genomen, valt niet in te zien waarom voorschotten ter zake van deze schuld nogmaals afzonderlijk in aanmerking genomen dienen te worden. Nu [gedaagde] niet nader heeft toegelicht dat de gestelde post “nagekomen schulden” meer bedraagt dan het door [eiseres] erkende bedrag van € 2.135,67, zal de rechtbank van laatstgenoemd bedrag uitgaan.

4.30.

Uit het voorgaande volgt dat de overige en nagekomen schulden van erflaatster in totaal bedragen € 16.358,67 (IB-schuld 2014 € 6.083,--, IB-schuld 2015 € 3.966,--, facturen [naam] € 4.174,-- en nagekomen schulden € 2.135,67).

g. De giften van erflaatster aan [gedaagde]

4.31.

Partijen zijn het eens dat de door beide erflaters verrichte schenkingen aan [gedaagde] (tot de datum van overlijden van erflater op [2013] ) € 16.200,-- bedragen. Verder zijn partijen het eens dat erflaatster nadien nog in totaal € 15.277,-- aan [gedaagde] heeft geschonken.

Tussen partijen is in geschil of daarnaast nog sprake is van giften van erflaatster aan [gedaagde] . [eiseres] wijst in dit verband naar diverse onttrekkingen aan de bankrekening van erflaatster. In de dagvaarding (nr. 71) heeft [eiseres] deze onttrekkingen nader gespecificeerd (in totaal € 33.596,88). [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat het hier niet gaat om giften aan haar, maar om normale persoonlijke uitgaven van en ten behoeve van erflaatster. Vervolgens heeft [eiseres] haar stelling (dat sprake is van giften) beperkt tot de uitgaven die betrekking hebben op kosten paardenstalling, een betaling aan […] (de onderneming van [gedaagde] ), autokosten en hotelkosten, in totaal € 2.228,02. [gedaagde] heeft (onderbouwd met producties 32-36 en 45) een uitvoerige toelichting gegeven op deze uitgaven.

4.32.

De rechtbank is van oordeel dat de door [eiseres] bedoelde uitgaven niet als giften aan [gedaagde] kunnen worden beschouwd. [gedaagde] heeft toegelicht dat zij, in de laatste levensjaren van erflaatster de zorg voor haar op zich heeft genomen, en dat zij daarom van Amersfoort naar [woonplaats] is verhuisd. Erflaatster heeft [gedaagde] gecompenseerd omdat zij haar paard voortaan duurder moest stallen. Verder heeft [gedaagde] toegelicht dat zij een uitgave van € 170,-- ten behoeve van erflaatster heeft voorgeschoten vanaf haar zakelijke rekening en dat ditzelfde bedrag vanaf de bankrekening van erflaatster weer op de zakelijke rekening is gestort. Ook heeft [gedaagde] aangegeven dat de auto- en hotelkosten verband houden met uitstapjes en vakantiereizen die [gedaagde] met erflaatster heeft ondernomen. Voor zover in deze uitgaven ten behoeve van erflaatster tevens een gift aan [gedaagde] besloten ligt, geldt dat deze voldoen aan het criterium van gebruikelijke niet bovenmatige giften, zodat deze ook om die reden niet meetellen voor de berekening van de legitieme (artikel 4:69 lid 1 sub b BW).

4.33.

Ten aanzien van de giften van erflaatster aan [gedaagde] is de slotsom dat erflaatster (tezamen met erflater) € 16.200,-- heeft geschonken en daarnaast (na het overlijden van erflater) nog € 15.227,--.

Voortzetting van de procedure

4.34.

De slotsom van het voorgaande is dat in het vervolg van deze procedure de waarde van de woning (zoals hiervoor omschreven onder 4.15.) dient te worden vastgesteld. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het gelijktijdig nemen door beide partijen van de onder rechtsoverweging 4.19. bedoelde akte.

4.35.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 4 oktober 2017 voor het gelijktijdig nemen door beide partijen van de onder rechtsoverweging 4.19. bedoelde akte,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op

6 september 2017.