Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4379

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
427418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen zeven erfgenamen van in 2007 overleden vader. Na eerdere uitspraken (rechtbank 25 april 2012 en hof Arnhem van 9 december 2014), stelt de rechtbank nu zelf verdeling vast na beoordeling van diverse geschilpunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0220

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/427418 / HA ZA 16-878

Vonnis van 6 september 2017

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. T.A.D. Luijten te IJsselstein,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

advocaat mr. R.G.J. Booij te De Meern,

4 [gedaagde sub 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.E.A.T. Oude Luttikhuis te Waalwijk.

Eisers in conventie zullen hierna tezamen als [eiseres sub 2] c.s. worden aangeduid en afzonderlijk als respectievelijk [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] . Gedaagden in conventie sub 1-3 zullen tezamen worden aangeduid als [gedaagde sub 2] c.s. Gedaagden in conventie zullen afzonderlijk worden aangeduid als respectievelijk [voornaam van gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] (waarbij opmerking verdient dat laatstgenoemde partij in de eerdere tussen partijen gevoerde procedures is aangeduid als [voornaam van gedaagde sub 5] ).

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 15 februari 2017

  • -

    de comparitie van partijen, zoals die heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017, waarbij van het verhandelde ter zitting aantekening is gehouden

  • -

    de akte mededeling overlijden procespartij en voortzetting procedure van [eiseres sub 2] c.s.

  • -

    het B16-formulier namens [eiseres sub 2] c.s. met productie 2

  • -

    de akte rectificatie en aanvulling namens [voornaam van gedaagde sub 4] en [X]

  • -

    de akte overlegging producties (19 en 20) van [eiseres sub 2] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [2007] is overleden de heer [A] (hierna te noemen: erflater). Erflater heeft als zijn enige erfgenamen achtergelaten zijn kinderen [B] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 3] , [voornaam van eiser sub 3] en [voornaam van gedaagde sub 1] alsmede zijn kleinkinderen [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] (die de plaats van hun aan erflater vooroverleden vader vervullen). [gedaagde sub 2] is de echtgenoot van [voornaam van gedaagde sub 1] en geen erfgenaam van erflater.

2.2.

Na het overlijden van erflater in 2007 is tussen partijen een geschil ontstaan over de afwikkeling van zijn nalatenschap. [B] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 3] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] enerzijds hebben in 2008 [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard voor de rechtbank Utrecht. [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben in die procedure vorderingen in reconventie ingesteld. Bij eindvonnis van 25 april 2012 (zaak- / rolnummer 253834 / HA ZA 08-1742) heeft de rechtbank in conventie voor recht verklaard dat:

- de aan [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verstrekte geldlening voor een bedrag van € 46.739,36, verhoogd met de wettelijke rente, een vordering van de nalatenschap betreft;

- dat [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de nalatenschap van erflater dienen te betalen een bedrag van € 171.862,47, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking;

- [voornaam van gedaagde sub 1] van de aan haar verstrekte geldlening een bedrag van € 74.873,74 dient te betalen aan de nalatenschap, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking;

In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat:

  • -

    [B] aan de nalatenschap dient te betalen een bedrag van € 40.840,22, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1999;

  • -

    [voornaam van gedaagde sub 3] aan de nalatenschap dient te betalen een bedrag van € 67.705,66, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking, alsmede een bedrag van € 12.252,-- verhoogd met een rente vanaf 7 procent vanaf 1997;

Voor het overige heeft de rechtbank in reconventie een aantal verklaringen voor recht gegeven ter zake van bedragen die door erflater aan bepaalde erfgenamen zijn geschonken, welke bedragen in acht genomen dienen te worden bij de legitieme portie.

2.3.

[voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben tegen dit vonnis principaal hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [B] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 3] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij eindarrest van 9 december 2014 heeft het hof in conventie het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende voor recht verklaard dat:

- de aan [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verstrekte geldlening voor een bedrag van € 32.957,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2008 een vordering van de nalatenschap betreft;

- [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de nalatenschap van de erflater € 171.862,47 dienen te betalen, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking,

- [voornaam van gedaagde sub 1] aan de nalatenschap uit hoofde van de aan haar verstrekte geldlening € 108.907,26 dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking.

Verder heeft het hof [voornaam van gedaagde sub 1] (in conventie) bevolen om medewerking te verlenen aan de verdeling van de inboedelgoederen en sieraden ten overstaan van notaris mr. [C] te [vestigingsplaats] . Het hof heeft in reconventie het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.

2.4.

Bij brief van 7 juli 2015 heeft mr. [D] , kandidaat-notaris op het kantoor van notaris mr. [C] , het volgende bericht aan de advocaat van [eiseres sub 2] c.s. (waarbij [voornaam van gedaagde sub 1] in deze brief is aangeduid als mevrouw [gedaagde sub 2] ):

“Terzake de verdeling van de inboedelgoederen en de sieraden behorende tot de nalatenschap van de heer [A] bericht ik u als volgt:

Mevrouw [gedaagde sub 2] is vanmorgen rond 9.30 uur hier op kantoor geweest om een grote stapel documenten af te geven. Voor de ontvangst van deze documenten heb ik mijn handtekening gezet. Dit gesprek verliep zeer onprettig daar mevrouw [gedaagde sub 2] niet haar medewerking wenst te verlenen aan de verdeling van de inboedelgoederen en de sieraden anders dan op haar voorwaarden.

Mevrouw [gedaagde sub 2] verweet me op een zeer onaangename manier partijdig en niet integer te zijn. Hierop heb ik haar op zeer zakelijke wijze meegedeeld dat er al 2 uitspraken van de rechtbank en het hof liggen waar alles al aan de orde is geweest en dat de rechter haar veroordeeld heeft om ten overstaan van ons kantoor haar medewerking te verlenen aan de verdeling van de inboedelgoederen en de sieraden. Hierop heeft ze kwaad ons kantoorpand verlaten.

(…)

Gezien de gang van zaken heb ik besloten de zaak naar u terug te verwijzen en zal ik mijn werkzaamheden in de afwikkeling van de nalatenschap (voorlopig) staken”.

2.5.

Op 22 april 2016 heeft [voornaam van gedaagde sub 1] een klacht tegen voornoemde kandidaat-notaris ingediend bij de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden. In deze procedure heeft [voornaam van gedaagde sub 1] de kandidaat-notaris verweten in gebreke te zijn gebleven bij de afwikkeling van de nalatenschap, dat zij geen boedelbeschrijving heeft opgemaakt en dat zij haar onheus heeft bejegend. Bij beslissing van 12 juli 2016 heeft de Kamer de klacht van [voornaam van gedaagde sub 1] ten aanzien van alle onderdelen ongegrond verklaard.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres sub 2] c.s. vorderen dat de rechtbank bij – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard – vonnis

I. de omvang van de nalatenschap van erflater vast zal stellen zoals omschreven in punt 5 van de dagvaarding,

II. de verdeling van de nalatenschap als volgt zal vaststellen:

a. primair met inachtneming van het vonnis van 25 april 2012 en het arrest van 9 december 2014 op de wijze zoals omschreven en berekend in punt 19 van de dagvaarding,

b. subsidiair met inachtneming van beide laatstgenoemde uitspraken, op de wijze die de rechtbank in goede justitie juist acht en tevens de verdeling van de inboedel, de sieraden, de auto en het restantsaldo van de boedelrekening vast te stellen,

III. vast zal stellen de vergoedingen die [voornaam van gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [voornaam van gedaagde sub 3] afzonderlijk, dan wel gezamenlijk verschuldigd zijn wegens overbedeling, inclusief de verschuldigde rente, en hen

a. primair zal veroordelen om (i) die bedragen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis te voldoen aan ieder van [eiseres sub 2] c.s., bij gebreke waarvan zij dwangsommen zullen verbeuren alsmede (ii) notaris [C] te [vestigingsplaats] opdracht te geven om het aandeel van [eiseres sub 2] c.s. in het restantbedrag op de boedelrekening aan ieder van [eiseres sub 2] c.s. uit te keren,

b. subsidiair zal veroordelen om (i) de bedoelde bedragen binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis over te maken op de derdengeldrekening van voornoemde notaris, bij gebreke waarvan zij dwangsommen zullen verbeuren, alsmede (ii) notaris [C] te [vestigingsplaats] opdracht te geven om het aandeel van [eiseres sub 2] c.s. in het restantbedrag op de boedelrekening aan ieder van [eiseres sub 2] c.s. uit te keren,

met veroordeling van alle gedaagden in de proceskosten.

3.2.

[voornaam van gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [voornaam van gedaagde sub 3] enerzijds en [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] anderzijds voeren verweer.

[gedaagde sub 2] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres sub 2] c.s. in hun vorderingen, althans tot ontzegging en afwijzing van hun vorderingen, met veroordeling van [eiseres sub 2] c.s. in de proceskosten.

[voornaam van gedaagde sub 4] en [X] concluderen ten aanzien van het gevorderde sub I en III: tot referte, sub II, tot afwijzing en sub IV: tot afwijzing, voor zover het [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] betreft.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[voornaam van gedaagde sub 4] en [X] vorderen – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis:

- de verdeling van de nalatenschap van erflater zal vaststellen op grond van het vonnis van 25 april 2012 en het arrest van 9 december 2014, conform de berekening van mr. [D] zoals neergelegd in de brief van 17 december 2015 (productie 11 in conventie) en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015;

- zal bepalen dat de inboedel, de sieraden en de personenauto worden toebedeeld aan [voornaam van gedaagde sub 1] en de uit hoofde daarvan onstane schuld van € 17.450,-- aan haar zal toerekenen,

- het erfdeel van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] zal vaststellen op € 62.794,55 en voor [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ieder zal vermeerderen met 1/12e deel van het bedrag dat aan [voornaam van gedaagde sub 1] is toe te rekenen uit hoofde van de toedeling van de inboedel, de sieraden en de auto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015,

- [voornaam van gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [voornaam van gedaagde sub 3] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis de in de berekening van 17 december 2015 vermelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 te storten op de derdengeldrekening van notariskantoor [C] te [vestigingsplaats] , en opdracht te geven aan deze notaris tot betaling aan [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] van hun aldus berekende erfdelen binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis, alsmede zal bepalen dat bij gebreke van medewerking het vonnis in de plaats treedt van de medewerking c.q. toestemming tot uitbetaling benodigd van de andere erfgenamen,

met veroordeling van [voornaam van gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [voornaam van gedaagde sub 3] in de proceskosten.

3.5.

[eiseres sub 2] c.s. hebben geen conclusie van antwoord in reconventie genomen. Tijdens de comparitie hebben zij voor hun verweer in reconventie verwezen naar hun standpunt in conventie.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Procespartijen

4.1.

Bij akte van 15 maart 2017 hebben [eiseres sub 2] c.s. melding gemaakt van het overlijden op [2007] van [B] (eiser in conventie sub 1 in het tussenvonnis van 15 februari 2017). Ten behoeve van de comparitie hebben [eiseres sub 2] c.s. overgelegd de verklaring van erfrecht waaruit blijkt dat [eiseres sub 1] , de echtgenote van [B] , de enige erfgenaam is van [B] en dat zij diens nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Gelet op de akte van 15 maart 2017 van [eiseres sub 2] c.s. – waartegen de overige partijen geen verweer hebben gevoerd – zal de rechtbank deze akte aanmerken als een akte tot zowel schorsing als hervatting van het geding (in de zin van artikel 225 lid 2 Rv jo. artikel 227 lid 1 sub b Rv), waarbij [eiseres sub 1] in de procedure in de plaats wordt gesteld van [B] .

De vordering in reconventie

4.2.

Na de wijziging van eis in reconventie geldt dat de vordering in reconventie is gericht tegen [gedaagde sub 2] c.s. Tijdens de comparitie is besproken dat de vordering in reconventie van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] zich enkel kan richten tegen hun wederpartij in de procedure (in dit geval: [eiseres sub 2] c.s.), maar niet (zoals [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben gedaan) tegen hun medegedaagden in conventie [gedaagde sub 2] c.s. Namens [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] is daarop het standpunt ingenomen dat de vordering in reconventie als ingetrokken kan worden beschouwd, maar dat zij de daaraan ten grondslag liggende stellingen wel wensen te handhaven. Nu geen van de andere procespartijen hiertegen bezwaar heeft gemaakt, zal de rechtbank de vordering in reconventie niet beoordelen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank hierbij het volgende. Voor een vordering van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] strekkende tot verdeling van de nalatenschap is het rechtens noodzakelijk dat alle deelgenoten in die gemeenschap partij zijn in die procedure (HR 10 maart 2017 ECLI:NL:HR: 2017:411, rov. 3.4.). Voor een vordering in reconventie tot verdeling is dus vereist dat deze niet alleen is gericht tegen de eisers in conventie ( [eiseres sub 2] c.s.) (zoals [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] aanvankelijk ook hebben gedaan), maar ook tegen hun medegedaagden in conventie ( [gedaagde sub 2] c.s.). Om ook deze laatstbedoelde deelgenoten ook in het geding in reconventie te betrekken, had het op de weg van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] gelegen om [gedaagde sub 2] c.s. op de voet van artikel 118 Rv als derden in het geding in reconventie op te roepen.

Ontvankelijkheid en de wettelijke vereffening

4.3.

[gedaagde sub 2] c.s. hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiseres sub 2] c.s. niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vorderingen. Zij wijzen erop dat de nalatenschap door enkele erfgenamen beneficiair is aanvaard, zodat de nalatenschap volgens de regels van de wettelijke vereffening dient te worden afgewikkeld. De vereffening dient aan te vangen met een boedelbeschrijving. Op dit moment ontbreekt volgens [gedaagde sub 2] c.s. een volledige boedelbeschrijving. De vereffening is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de erfgenamen die eerst dient te worden voltooid voordat de door [eiseres sub 2] c.s. gevorderde verdeling aan de orde kan komen, aldus [gedaagde sub 2] c.s. Tijdens de comparitie is namens [gedaagde sub 2] c.s. het subsidiaire standpunt ingenomen dat deze procedure dient te worden aangehouden in afwachting van de vereffening.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het arrest van 19 mei 2017 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:939) – waar [eiseres sub 2] c.s. ook naar hebben verwezen in hun laatste akte – geldt het volgende beoordelingskader.

“Artikel 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW bepaalt dat een nalatenschap moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW wanneer zij door een of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen. Volgens artikel 4:195 lid 1 BW zijn alle erfgenamen vereffenaar als een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard. Is een nalatenschap door een van de erfgenamen beneficiair aanvaard, dan rust dus op alle erfgenamen van die nalatenschap de verplichting tot vereffening en zijn zij allen vereffenaar.

De vereffenaar heeft tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen (HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3643, NJ 2013/488). De verplichting tot vereffening van de nalatenschap in geval van beneficiaire aanvaarding door een of meer erfgenamen, strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap (MvA I, Parl. Gesch. Boek 4, p. 945). Daarbij is van belang dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen in geval van beneficiaire aanvaarding in beginsel slechts op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen (art. 4:184 lid 1 BW), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarin verhaal op het vermogen van een erfgenaam mogelijk is (bijv. art. 4:184 leden 2 en 3 BW, en art. 4:220 lid 2 BW).

Uitgangspunt is dat de erfgenamen de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap behoren te voltooien alvorens de nalatenschap te verdelen (MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 979), teneinde te waarborgen dat de vorderingen van de schuldeisers van de nalatenschap zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan.

In het licht van het voorgaande rust op de erfgenaam die verdeling vordert van een nalatenschap die door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, in beginsel de plicht om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan.

De rechter kan een partij die niet voldoet aan die stelplicht bevelen haar stellingen zodanig toe te lichten dat de rechter in het verdelingsgeschil kan beoordelen of de vereffening is voltooid (art. 22 Rv). Is de vereffening naar het oordeel van de rechter niet voltooid of is over de voltooiing onvoldoende uitsluitsel verkregen, dan dient de rechter in overleg met partijen te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om desondanks op de grondslag van de vordering en het verweer te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap. Daarbij kan worden gedacht aan het aanhouden van de zaak totdat alsnog vereffening heeft plaatsgevonden, aan een verdeling onder voorwaarden die de positie van schuldeisers waarborgt, of aan een gedeeltelijke verdeling die de rechten van schuldeisers van de nalatenschap onverlet laat. Voor zover deelgenoten in de nalatenschap schuldeisers van de nalatenschap zijn, bestaat eventueel de mogelijkheid dat hun aanspraken worden betrokken in de verdeling”.

4.5.

Geen van partijen heeft concreet gesteld dat tot de nalatenschap nog niet voldane schulden behoren. Evenmin is aannemelijk dat zich nu – meer dan tien jaar na het openvallen van de nalatenschap – alsnog schuldeisers van de nalatenschap zullen melden. Bovendien zullen (zoals ook namens [eiseres sub 2] c.s. is betoogd) de gezamenlijke erfgenamen zich in dat geval op verjaring kunnen beroepen. Nu de vereffening het belang van de schuldeisers van de nalatenschap dient en deze schuldeisers ontbreken, bestaat geen grond om [eiseres sub 2] c.s. in hun vordering tot verdeling niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de procedure aan te houden ten behoeve van de vereffening.

Tot de nalatenschap behoren wel (zoals ook uit de eerdere uitspraken van rechtbank en hof blijkt) een aantal vorderingen. Dit betreffen echter alle vorderingen op erfgenamen/ deelgenoten waarvoor geldt dat deze op de voet van artikel 4:228 lid 1 BW / 3:184 lid 1 BW bij de verdeling in aanmerking genomen dienen te worden, waarbij de schuld van de deelgenoot wordt toegerekend op diens aandeel (HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA7043, NJ 2000, 604). Hierbij verdient wel opmerking dat (zoals hierna bij de verdere beoordeling zal blijken) voor één van deze vorderingen van de nalatenschap geldt dat naast [voornaam van gedaagde sub 1] ook haar echtgenoot [gedaagde sub 2] debiteur is van de betreffende vordering. Ook dit is echter geen reden om niet tot verdeling over te gaan. Voor zover de nalatenschap een vordering heeft op [gedaagde sub 2] zal deze vordering in de verdeling worden betrokken. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.25.-4.27.

De verdeling van de nalatenschap

4.6.

De rechtbank zal dan ook in deze procedure overgaan tot verdeling van de nalatenschap, zoals in conventie ook is gevorderd door [eiseres sub 2] c.s. Gebleken is dat partijen – sinds het overlijden van erflater op [2007] en het voeren van een gerechtelijke procedure in twee instanties – de afwikkeling van de nalatenschap nog steeds niet hebben afgerond. Voor partijen is van belang dat deze voortdurende (rechts)strijd wordt beëindigd.

4.7.

[gedaagde sub 2] c.s. hebben terecht opgemerkt dat de vordering tot verdeling niet mede kan worden toegewezen jegens [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] is immers geen erfgenaam/deelgenoot van de nalatenschap. Dit is echter geen reden om [eiseres sub 2] c.s. niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen jegens [gedaagde sub 2] . Zoals gezegd is [gedaagde sub 2] (tezamen met zijn echtgenote [voornaam van gedaagde sub 1] ) wel schuldenaar van de nalatenschap. [eiseres sub 2] c.s. vorderen (in het petitum onder III, a.) tevens om [gedaagde sub 2] c.s. te veroordelen tot betaling. Hierna zal bij de nadere vaststelling van de verdeling afzonderlijk worden vastgesteld wat [gedaagde sub 2] aan de nalatenschap is verschuldigd en welke deelgenoten voor welke bedragen aanspraken hebben jegens [gedaagde sub 2] .

4.8.

Zoals gezegd hebben partijen ten aanzien van de nalatenschap eerder een gerechtelijke procedure gevoerd. Die procedure heeft geleid tot het vonnis van 25 april 2012 van de rechtbank Utrecht en het arrest van 9 december 2014 van het hof Arnhem-Leeuwarden (hiervoor onder 2.2. en 2.3.) verkort weergegeven. In de onderhavige procedure is door alle partijen een beroep gedaan op de bindende kracht (het gezag van gewijsde; artikel 236 Rv) van deze uitspraken (dagvaarding, nr. 24, conclusie van antwoord [gedaagde sub 2] c.s., nr. 7, conclusie van antwoord [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] , nr. 7), zodat de rechtbank in deze procedure ook zal uitgaan van hetgeen is beslist in deze beide eerdere uitspraken.

4.9.

Uit deze eerdere uitspraken blijkt dat in ieder geval de volgende goederen tot de te verdelen nalatenschap behoren:

a. de vordering op [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van € 32.957,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2008;

b. de vordering op [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van € 171.862,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking,

c. de vordering op [voornaam van gedaagde sub 1] van € 108.907,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking,

d. de vordering op [B] van € 40.840,22, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1999;

e. de vordering op [voornaam van gedaagde sub 3] van € 67.705,66, verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking,

f. de vordering op [voornaam van gedaagde sub 3] van € 12.252,-- verhoogd met een rente van 7 procent vanaf 1997.

4.10.

Uit het daarna in de onderhavige procedure gevoerde partijdebat blijkt dat nog een geschil bestaat ten aanzien van de volgende goederen:

g. inboedel

h. sieraden

i. auto (Mitsubishi Space Runner 2.0 GLX)

j. 149 aandelen [eiseres sub 2] B.V.

k. het saldo van de boedelrekening.

De rechtbank zal deze geschilpunten hierna beoordelen.

g. en h. Inboedel en sieraden

4.11.

[eiseres sub 2] c.s. stellen dat tot de nalatenschap behoort de inboedel van erflater. Zij hebben verwezen naar de inboedellijst (productie 6 bij dagvaarding) en de waarde daarvan geschat op € 2.250,--. Verder hebben zij als productie 5 een aantal foto’s overgelegd van tot de nalatenschap behorende sieraden, waarvan zij de waarde hebben gesteld op € 5.000,--. [eiseres sub 2] wensen dat zowel de inboedel als de sieraden tegen deze waarde aan [voornaam van gedaagde sub 1] worden toegedeeld. [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben zich aangesloten bij het standpunt van [eiseres sub 2] c.s.

[gedaagde sub 2] c.s. betwisten beide taxaties van inboedel en sieraden. Ook verzetten zij zich tegen toedeling van deze zaken aan [voornaam van gedaagde sub 1] .

4.12.

De rechtbank overweegt dat het hof in zijn arrest van 9 december 2014 [voornaam van gedaagde sub 1] heeft bevolen om medewerking te verlenen aan de verdeling van de inboedelgoederen en sieraden ten overstaan van notaris mr. [C] te [vestigingsplaats] . Gebleken is dat dit niet heeft geleid tot een verdeling van deze zaken. Evenmin valt te verwachten dat langs deze weg binnen een redelijke termijn alsnog tot verdeling van inboedel en sieraden kan worden gekomen gezien de klachtprocedure die [voornaam van gedaagde sub 1] heeft gevoerd tegen de betrokken kandidaat-notaris. De rechtbank zal daarom de verdeling van deze zaken ook bij dit vonnis vaststellen.

4.13.

De rechtbank zal de tot de nalatenschap behorende inboedelzaken en sieraden toedelen aan [voornaam van gedaagde sub 1] . Hierbij is van belang dat [voornaam van gedaagde sub 1] vanaf het overlijden van erflater deze zaken feitelijk al in haar bezit heeft en de andere deelgenoten geen belangstelling hebben getoond voor toedeling van deze zaken.

De door [eiseres sub 2] c.s. gestelde waarde van inboedel (€ 2.250,--) en sieraden (€ 5.000,--) is door [gedaagde sub 2] c.s. niet gemotiveerd betwist, bijvoorbeeld door overlegging van een afwijkend taxatierapport, zodat de rechtbank van deze waarden zal uitgaan. Naar de rechtbank begrijpt betreft dit de waarde op de datum van overlijden van erflater ( [2007] ). Ten aanzien van een nalatenschap waartoe meerdere erfgenamen gerechtigd zijn geldt als peildatum voor de waardering van de tot deze gemeenschap behorende goederen als hoofdregel het tijdstip van de verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.

Voor zover de inboedelzaken (anders dan de meer waardevaste sieraden) naar hun aard door gebruik en tijdverloop in de afgelopen jaren in waarde zijn gedaald, zal de rechtbank voor de verdeling (per datum van dit vonnis) niettemin op grond van de redelijkheid en billijkheid uitgaan van de waarde van € 2.250,--. Reden hiervoor is dat sinds het overlijden van erflater op [2007] [voornaam van gedaagde sub 1] de beschikking en het genot heeft gehad van de inboedelzaken (en overigens ook van de sieraden). Hierbij is van belang dat in geval van toepassing van de hoofdregel (waardering per datum verdeling), het voor de hand ligt (zoals ook tijdens de comparitie is besproken) de overige deelgenoten jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak kunnen maken op een gebruiksvergoeding. Aldus geldt dat deze verdeling tegen de waarde per datum overlijden van erflater per saldo niet nadeliger hoeft te zijn voor [voornaam van gedaagde sub 1] dan een verdeling tegen de actuele waarde waarbij [voornaam van gedaagde sub 1] nog een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de andere deelgenoten.

4.14.

De rechtbank zal de tot de nalatenschap behorende inboedelzaken (zoals opgesomd in productie 6 bij dagvaarding) en de sieraden (zoals weergegeven in productie 5 bij dagvaarding) toedelen aan [voornaam van gedaagde sub 1] tegen een totale waarde van in totaal € 7.750,--.

i. de auto

4.15.

Vast staat dat tot de nalatenschap behoort een auto (merk Mitsubishi, type Space Wagon GLX 2.0, bouwjaar 2000). [eiseres sub 2] c.s. hebben de waarde (per datum overlijden) aan de hand van een koerslijst van de ANWB gesteld op € 10.500,--. Zij wensen dat deze auto (die eveneens sinds het overlijden van erflater in gebruik is bij [voornaam van gedaagde sub 1] ) aan [voornaam van gedaagde sub 1] wordt toegedeeld tegen voornoemde waarde. [voornaam van gedaagde sub 4] en [voornaam van gedaagde sub 5] hebben zich hierbij aangesloten.

4.16.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde sub 2] c.s. de door [eiseres sub 2] c.s. aan de hand van de ANWB-taxatie onderbouwde waardebepaling van de auto niet gemotiveerd hebben betwist, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Nu de auto sinds het overlijden van erflater tot op heden in gebruik is bij [voornaam van gedaagde sub 1] , zal de rechtbank (om dezelfde redenen als hiervoor genoemd onder 4.12. ten aanzien van de inboedelzaken) de auto toedelen aan [voornaam van gedaagde sub 1] tegen de waarde op de datum van overlijden. Anders dan [eiseres sub 2] c.s. zal de rechtbank daarbij uitgaan van de waarde van € 8.500,-- bij een koop aan/van een “particulier” (in plaats van – zoals uitgangspunt is bij de door [eiseres sub 2] c.s. voorgestane waarde – de koop bij een merkdealer). Het betreft immers een verdeling van een nalatenschap waarbij de deelgenoten elkaars broers/zus/neef/nicht zijn (en geen transactie waarbij een merkdealer is betrokken).

4.17.

De auto (merk Mitsubishi, type Space Wagon GLX 2.0, bouwjaar 2000), zal worden toegedeeld aan [voornaam van gedaagde sub 1] , tegen een waarde van € 8.500,--.

j. de 149 aandelen in [eiseres sub 2] B.V.

4.18.

Volgens [gedaagde sub 2] c.s. behoren tot de nalatenschap tevens 149 aandelen in [eiseres sub 2] B.V. [eiseres sub 2] c.s. en [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben dit betwist.

4.19.

Zoals hiervoor onder 4.8. overwogen geldt ten aanzien van het eerder tussen partijen gewezen arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank (voor zover laatstgenoemde uitspraak niet door het hof is vernietigd) dat de daarin genomen beslissingen bindende kracht hebben in de onderhavige procedure. Uit beide uitspraken blijkt dat destijds tussen partijen in geschil was of de door [B] aan erflater verschuldigde koopsom voor de aandelen volledig is voldaan. [gedaagde sub 2] c.s. hebben in de eerdere procedure tevens betoogd dat de waardebepaling destijds niet op markconforme wijze heeft plaatsgevonden. Zowel rechtbank (rov. 4.25.) als hof (rov. 3.35.) hebben geoordeeld dat [B] ter zake van de koopsom voor de aandelen nog een bedrag van € 40.840,22 (f 90.000,--) aan de nalatenschap is verschuldigd. Tussen partijen was niet in geschil dat de aandelen aan [B] toebehoorden (en niet meer aan (de nalatenschap van) erflater). In rov. 4.20. van het vonnis van de rechtbank (die door het arrest van het hof niet is aangetast) staat bovendien uitdrukkelijk dat de aandelenoverdracht ter zake van de bedoelde 149 aandelen op 31 december 1987 heeft plaatsgevonden. Bij die stand van zaken geldt dat tussen partijen vast staat dat deze aandelen niet tot de nalatenschap van erflater behoren.

k. het saldo van de boedelrekening

4.20.

[eiseres sub 2] c.s. hebben als productie 20 in het geding gebracht een brief van de notaris waaruit blijkt dat de actuele stand van de boedelrekening € 6.981,46 bedraagt. Tevens hebben zij een specificatie overgelegd van de door deze notaris verrichte werkzaamheden en in rekening gebrachte kosten.

4.21.

De rechtbank is gelet op laatstgenoemde bescheiden van oordeel dat het in de conclusie van antwoord door [gedaagde sub 2] c.s. gevoerde verweer (dat de kosten van de boedelnotaris niet deugdelijk zijn onderbouwd) moet worden verworpen. Tijdens de comparitie heeft [voornaam van gedaagde sub 1] nog betoogd dat de notaris ten onrechte diens kosten voor het voeren van verweer in de tuchtprocedure ten laste van de boedelrekening heeft gebracht. Namens [eiseres sub 2] c.s. is bij diezelfde gelegenheid erop gewezen dat uit laatstgenoemde brief van de notaris blijkt dat deze kosten niet ten laste van de boedelrekening zijn gebracht. [voornaam van gedaagde sub 1] heeft desgevraagd niet kunnen aangeven waaruit blijkt dat de notaris dat wel heeft gedaan. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde urenspecificatie.

4.22.

De rechtbank zal tot uitgangspunt nemen dat de actuele stand van de boedelrekening € 6.981,46 bedraagt. Voor de verdeling van dit saldo verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna wordt overwogen in rov. 4.27.

4.23.

Aan de hand van voornoemde gegevens en bij gebreke van aanwijzingen dat nog andere goederen of schulden tot de nalatenschap behoren, kan nu de definitieve boedelbeschrijving worden opgemaakt. De rechtbank zal daarbij gebruik maken van de (door [eiseres sub 2] c.s. als productie 11 bij dagvaarding overgelegde) “berekening erfdelen” nu geen van de andere partijen daartegen bezwaar heeft gemaakt. Uit die berekening blijkt wat de omvang is van de vorderingen op de deelgenoten inclusief rente per 1 oktober 2015. Uitgaande van deze gegevens geldt dat de nalatenschap per datum van verdeling (de datum van dit vonnis, 6 september 2017) er als volgt uitziet:

Nalatenschap erflater per 6 september 2017:

a./b. de vorderingen op [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van in totaal € 352.121,99

(bestaande uit:

€ 32.957,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2008 tot 1 oktober 2015, € 8.186,22, is € 41.163,64,

€ 171.862,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking tot 1 oktober 2015, € 125.859,48, is € 297.721,95, is tezamen

€ 338.885,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015, € 13.236,40);

c. de vordering op [voornaam van gedaagde sub 1] van € 189.126,42

(bestaande uit:

€ 108.907,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking tot 1 oktober 2015, zijnde € 22.077,42 en € 37.253,36 en € 13.779,05, tezamen € 182.017,09 over de verschillende leningdelen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015, € 7.109,33);

d. de vordering op [B] van € 76.273,73,

(bestaande uit:

€ 40.840,22 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1999 tot 1 oktober 2015,

€ 32.566,35, is € 73.406,57, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015, € 2.867,16);

e./f. de vorderingen op [voornaam van gedaagde sub 3] van in totaal € 159.854,78 ,

(bestaande uit:

€ 67.705,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van verstrekking tot 1 oktober 2015, € 55.014,97, is € 122.760,63, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015, € 4.794,86, is € 127.555,49 en

bestaande uit € 12.252,00, vermeerderd met een rente van 7 procent vanaf de datum van verstrekking tot 1 oktober 2015, € 16.081,34, is € 28.333,34 vermeerderd met een rente van 7 procent vanaf 1 oktober 2015, € 3.965,95, is € 32.299,29);

g. de inboedel ter waarde van € 2.250,--

h. de sieraden ter waarde van € 5.000,--

i. de auto ter waarde van € 8.500,--

k. het saldo van de boedelrekening € 6.981,46

Totaal saldo van de nalatenschap € 800.108,38

4.24.

Dit betekent dat de erfdelen van de kinderen van erflater (waarvoor geldt dat [eiseres sub 1] de plaats inneemt van [B] ) bedragen 1/6e deel van deze waarde, zijnde € 133.351,40. De erfdelen van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] (die de plaats vervullen van hun vooroverleden vader) bedragen 1/12e deel, zijnde € 66.675,70.

4.25.

Ten behoeve van de verdeling zal de rechtbank hierna ervan uitgaan dat de vordering op [voornaam van gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van € 352.121,99 – gelet op de hoofdregel van artikel 6:6 BW: aansprakelijkheid voor gelijke delen ter zake van geldschulden – uiteenvalt in een vordering op [voornaam van gedaagde sub 1] van € 176.061,-- en een vordering op [gedaagde sub 2] van € 176.061,--. [gedaagde sub 2] neemt als niet-deelgenoot niet deel aan de verdeling en (de deelgenoten van) de nalatenschap dienen deze vordering op [gedaagde sub 2] bij hem te innen.

De totale schuld aan de nalatenschap van [voornaam van gedaagde sub 1] bedraagt € 380.937,42 (de som van de vorderingen a./b. € 176.061,-- en c. € 189.126,42 en de aan haar toegedeelde roerende zaken (g. inboedel, h. sieraden en i. auto) met een totale waarde van € 15.750,--).

De schuld van [eiseres sub 1] ( [B] ) aan de nalatenschap bedraagt € 76.273,73 en die van

[voornaam van gedaagde sub 3] bedraagt € 159.854,78.

4.26.

Aldus zijn de deelgenoten gerechtigd tot de volgende bedragen uit de nalatenschap:

Waarde aandeel Nog verschuldigd Nog recht op

[eiseres sub 1] : € 133.351,40 € 76.273,73 € 57.077,67

[voornaam van eiseres sub 2] : € 133.351,40 nihil € 133.351,40

[voornaam van eiser sub 3] : € 133.351,40 nihil € 133.351,40

[voornaam van gedaagde sub 1] : € 133.351,40 € 380.937,41 negatief € 247.586,01

[voornaam van gedaagde sub 3] : € 133.351,40 € 159.854,78 negatief € 26.503,38

[voornaam van gedaagde sub 4] € 66.675,70 nihil € 66.675,70

[X] : € 66.675,70 nihil € 66.675,70

Totaal/saldo: € 800.108,38 € 183.042,48.

4.27.

Ten aanzien van vorenstaande staat geldt dat het saldo van de laatste kolom (op een afrondingsverschil van € 0,02 na) gelijk is aan het nog te verdelen saldo op de boedelrekening € 6.981,46 vermeerderd met de vordering van de nalatenschap op [gedaagde sub 2] ten bedrage van € 176.061,--.

Aangezien [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] nog bedragen tegoed hebben uit de nalatenschap, zal de rechtbank het saldo op de boedelrekening van € 6.981,46 en de vordering op [gedaagde sub 2] aldus verdelen dat deze voor gelijke delen (ieder € 1.396,29) ten aanzien van het saldo van de boedelrekening en ieder € 35.212,20 van de vordering op [gedaagde sub 2] worden toegedeeld aan deze vijf erfgenamen/deelgenoten.

Indien na de verdeling van dit banksaldo en de vordering op [gedaagde sub 2] het aldus aan ieder van deze vijf erfgenamen toegedeelde van € 36.608,49 (€ 35.212,20 en € 1.396,29) in mindering zal worden gebracht op hetgeen zij volgens laatstgenoemde staat nog tegoed hebben uit de nalatenschap, geldt het volgende:

Nog recht op:

[eiseres sub 1] : € 20.469,18 (€ 57.077,67 minus € 36.608,49)

[voornaam van eiseres sub 2] : € 96.742,91 (€ 133.351,40 minus € 36.608,49)

[voornaam van eiser sub 3] : € 96.742,91 (€ 133.351,40 minus € 36.608,49)

[voornaam van gedaagde sub 4] : € 30.067,21 (€ 66.675,70 minus € 36.608,49)

[X] : € 30.067,21 (€ 66.675,70 minus € 36.608,49)

Totaal: € 274.089,42.

4.28.

Het totaalbedrag uit deze laatste staat € 274.089,42 – dus hetgeen [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] nog tegoed hebben uit de nalatenschap – is (op een afrondingsverschil van € 0,03) gelijk aan hetgeen [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] nog verschuldigd zijn aan de nalatenschap € 274.089,39 (de som van € 247.586.01 en € 26.503,38; zie hiervoor onder 4.25. - 4.26.).

4.29.

[voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] zijn gehouden om in het kader van de verdeling deze bedragen aan de overige deelgenoten te voldoen. De rechtbank zal hierna ervan uitgaan dat de erfgenamen die nog een bedrag tegoed hebben uit de nalatenschap ( [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ) naar rato van hun erfdeel verhaal kunnen nemen op [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] naar rato van hetgeen zij nog verschuldigd zijn aan de nalatenschap. Dit leidt er ook toe dat het risico van de al dan niet gegoedheid van de beide debiteuren ( [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] ) evenredig over de overige vijf deelgenoten wordt verspreid. Dit leidt tot het volgende.

4.30.

[eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben jegens [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] respectievelijk de volgende aanspraken:

Totale vordering van [eiseres sub 1]: € 20.469,18

- [eiseres sub 1] heeft jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op: € 18.489,89

(zijnde € 247.586,01/€ 274.089,39 x € 20.469,18)

- [eiseres sub 1] heeft jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op: € 1.979,29

(zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 20.469,18)

Totale vordering van [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] ieder: € 96.742,91

- [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op € 87.388,25

(zijnde € 247.586,01/€ 274.089,39 x € 96.742,91)

- [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op € 9.354,66

(zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 96.742,91)

Totale vordering van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ieder: € 30.067,21

- [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op € 27.159,83

(zijnde€ 247.586,01/€ 274.089,39 x € 30.067,21)

- [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op € 2.907,38 (zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 30.067,21)

4.31.

Het totaal van de hiervoor berekende aanspraken van [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] € 274.089,42 (respectievelijk € 20.469,18, € 96.742,91, € 96.742,91, € 30.067,21 en € 30.067,21), is – op een afrondingsverschil van € 0,03 na – gelijk aan de som van hetgeen [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] nog aan de nalatenschap verschuldigd zijn, namelijk € 274.089,39 (€ 247.586.01 en € 26.503,38).

Slotsom

4.32.

De slotsom van het voorgaande is dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van erflater (met als deelgenoten [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 1] , [voornaam van gedaagde sub 3] (ieder voor 1/6e deel) en [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] (ieder voor 1/12e deel) als volgt zal vaststellen:

- deelt de inboedel, de sieraden en de auto toe aan [voornaam van gedaagde sub 1] tegen een waarde van € 2.250,-- voor de inboedel, € 5.000,-- voor de sieraden en € 8.500,-- voor de auto;

- deelt het saldo van € 6.981,46 op de boedelrekening bij de notaris voor vijf gelijke delen van € 1.396,29 toe aan [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ,

waarbij alle gedaagden in conventie zullen worden veroordeeld om binnen twee weken na datum van dit vonnis opdracht te geven aan notariskantoor mr. [C] te [vestigingsplaats] om dit saldo in vijf gelijke delen uit te keren aan [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ,

bij gebreke waarvan dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de rechtshandeling betreffende de opdracht aan het notariskantoor,

- deelt de vordering op [gedaagde sub 2] van € 176.061,-- in vijf gelijke delen van € 35.212,20 toe aan [eiseres sub 1] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ,

- uit hoofde van de verdeling hebben [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] de volgende aanspraken jegens [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] (zie rov. 4.30.):

Totale vordering van [eiseres sub 1]: € 20.469,18

- [eiseres sub 1] heeft jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op: € 18.489,89

(zijnde € 247.586,01/€ 274.089,39 x € 20.469,18)

- [eiseres sub 1] heeft jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op: € 1.979,29

(zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 20.469,18)

Totale vordering van [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] ieder: € 96.742,91

- [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op € 87.388,25

(zijnde € 247.586,01/€ 274.089,39 x € 96.742,91)

- [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op € 9.354,66

(zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 96.742,91)

Totale vordering van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ieder: € 30.067,21

- [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op € 27.159,83

(zijnde€ 247.586,01/€ 274.089,39 x € 30.067,21)

- [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op € 2.907,38 (zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 30.067,21)

4.33.

Ten aanzien van de aanspraken van [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] (de eisers in conventie) zal de rechtbank hierna in het dictum veroordelingen in het dictum opnemen, zodat zij jegens [gedaagde sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] over een executoriale titel beschikken. De door [eiseres sub 2] c.s. gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen: een dwangsom kan immers niet worden opgelegd in geval van veroordeling tot betaling van een geldsom (artikel 611a lid 1 Rv (slotzin)).

Ten aanzien van de aanspraken van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] kan deze procedure aan hen geen executoriale titel verschaffen, bij gebreke van een voorliggende vordering in reconventie. De rechtbank verwijst naar rov. 4.2. Het voorgaande laat overigens onverlet dat in de onderhavige procedure de aanspraken van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] jegens [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] wel bindend zijn vastgesteld en laatstgenoemden ook gehouden zijn daaraan te voldoen.

4.34.

De rechtbank ziet (anders dan [eiseres sub 2] c.s. en [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] voorstaan) in de omstandigheid van de verstoorde verhouding tussen [voornaam van gedaagde sub 1] en de betrokken notaris, onvoldoende aanleiding om een proceskostenveroordeling jegens [gedaagde sub 2] c.s. uit te spreken. Een verdeling ten aanzien van de inboedel en de sieraden ten overstaan van de notaris zou partijen evenmin zonder meer hebben gebracht tot een algehele afwikkeling van de nalatenschap. De rechtbank zal dan ook (zoals gebruikelijk in zaken waarin partijen bloedverwanten van elkaar zijn) de proceskosten tussen hen compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

stelt de verdeling van de nalatenschap vast als volgt:

- deelt de inboedel, de sieraden en de auto (Mitsubishi Space Runner 2.0 GLX) toe aan [voornaam van gedaagde sub 1] tegen een waarde van € 2.250,-- voor de inboedel, € 5.000,-- voor de sieraden en € 8.500,-- voor de auto;

- deelt het saldo van € 6.981,46 op de boedelrekening bij de notaris voor vijf gelijke delen van € 1.396,29 toe aan [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ;

- deelt de vordering op [gedaagde sub 2] ten bedrage van € 176.061,-- in vijf gelijke delen van € 35.212,20 toe aan [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X]

- uit hoofde van overbedeling hebben [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] de volgende aanspraken jegens [voornaam van gedaagde sub 1] en [voornaam van gedaagde sub 3] :

Totale vordering van [eiseres sub 1]: € 20.469,18

- [eiseres sub 1] heeft jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op: € 18.489,89

(zijnde € 247.586,01/€ 274.089,39 x € 20.469,18)

- [eiseres sub 1] heeft jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op: € 1.979,29

(zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 20.469,18)

Totale vordering van [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] ieder: € 96.742,91

- [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op € 87.388,25

(zijnde € 247.586,01/€ 274.089,39 x € 96.742,91)

- [voornaam van eiseres sub 2] en [voornaam van eiser sub 3] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op € 9.354,66

(zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 96.742,91)

Totale vordering van [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] ieder: € 30.067,21

- [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 1] aanspraak op € 27.159,83

(zijnde€ 247.586,01/€ 274.089,39 x € 30.067,21)

- [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] hebben ieder jegens [voornaam van gedaagde sub 3] aanspraak op € 2.907,38 (zijnde € 26.503,38 /€ 274.089,39 x € 30.067,21)

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van:

€ 35.212,20 aan [eiseres sub 1] ;

€ 35.212,20 aan [voornaam van eiser sub 3]

€ 35.212,20 aan [voornaam van eiseres sub 2] ,

€ 35.212,20 aan [voornaam van gedaagde sub 4] ,

€ 35.212,20 aan [X] ,

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis (6 september 2017) tot aan de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [voornaam van gedaagde sub 1] tot betaling van de volgende bedragen:

€ 18.489,89 aan [eiseres sub 1]

€ 87.388,25 aan [voornaam van eiseres sub 2]

€ 87.388,25 aan [voornaam van eiser sub 3]

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis (6 september 2017) tot aan de dag van algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt [voornaam van gedaagde sub 3] tot betaling van de volgende bedragen:

€ 1.979,29 aan [eiseres sub 1]

€ 9.354,66 aan [voornaam van eiseres sub 2]

€ 9.354,66 aan [voornaam van eiser sub 3]

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis (6 september 2017) tot aan de dag van algehele voldoening,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. en [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] om binnen twee weken na datum van dit vonnis opdracht te geven aan notariskantoor mr. [C] te [vestigingsplaats] om het saldo van € 6.981,46 op de boedelrekening bij deze notaris in vijf gelijke delen van € 1.396,29 uit te keren aan [eiseres sub 1] , [voornaam van eiseres sub 2] , [voornaam van eiser sub 3] , [voornaam van gedaagde sub 4] en [X] , bij gebreke waarvan dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de rechtshandeling betreffende de opdracht aan het notariskantoor,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

5.8.

verstaat dat de vordering geen beoordeling meer behoeft,

in conventie en reconventie

5.9.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2017.