Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4352

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
16/994012-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 40-jarige man uit Rhenen heeft zich ruim vier jaar lang schuldig gemaakt aan belastingfraude en het gebruiken van valse jaarrekeningen. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden en een taakstraf van 240 uur. Zijn 69-jarige vader is vrijgesproken.

De advocaat van de 40-jarige man voerde aan dat er geen opzet in het spel was omdat de verschillen in de onjuiste belastingaangiften een gevolg waren van een verkeerd onderbouwde schatting. Uit het dossier blijkt echter dat de verschillen tussen het geclaimde en daadwerkelijke bedrag aanzienlijk zijn. In totaal gaat het om een bedrag van ruim 600.000 euro aan teveel teruggevraagde omzetbelasting. De rechtbank oordeelt dat het niet opzettelijk handelen volstrekt onaannemelijk is. Naast de belastingfraude heeft de man met valse jaarrekeningen geprobeerd om bij de bank kredieten te laten doorlopen.

In principe kunnen voor deze strafbare feiten onvoorwaardelijke celstraffen worden opgelegd. De man verklaart veel spijt te hebben van de verkeerde keuzes die hij heeft gemaakt. Die maakte hij toen zijn bedrijven in financieel slecht weer verkeerden. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de zaak ruim drieënhalf jaar heeft geduurd en de man zijn leven inmiddels weer op de rails heeft.

De 69-jarige vader van de man is vrijgesproken omdat uit het dossier niet blijkt dat hij betrokken was bij de financiële administratie. Ook is er geen bewijs dat hij op enige manier betrokkenheid had bij het opstellen en indienen van onjuiste belastingaangiften en valse jaarrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-09-2017
FutD 2017-2234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/994012-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 augustus 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [adres].

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 augustus 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door zijn raadsvrouw,
mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 20 april 2009 tot en met 31 juli 2013 al dan

niet samen met een ander of anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan, danwel opdracht heeft gegeven tot, het opzettelijk onjuist doen van een groot aantal aangiften omzetbelasting, waaronder de aangiften omzetbelasting voor [BV 1] en [BV 2] en [BV 3];

Feit 2: in de periode november en/of december 2010 al dan niet samen met een ander of anderen gebruik heeft gemaakt van valse/vervalste (rapporten inzake de) jaarrekeningen 2009 van [BV 4], [BV 3] en [BV 5];

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1:

In de ten laste gelegde periode was verdachte bestuurder (alleen en zelfstandig bevoegd) van [BV 2] 2
[BV 1] had in die periode als enig bestuurder de vader van verdachte,
[medeverdachte]. [medeverdachte] was alleen/zelfstandig bevoegd.3
[BV 1] was samen met [BV 7] bestuurder van [BV 8] (alleen/zelfstandig bevoegd)4 en samen met [BV 2] bestuurder (alleen en zelfstandig bevoegd) van [BV 4]5
[BV 4] is bestuurder (alleen en zelfstandig bevoegd) van [BV 3] 6, [BV 5]7, en [BV 6]8 Genoemde bv’s zullen hierna ook gezamenlijk worden aangehaald als de “[BV's]”.

In de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 juli 2013 heeft de Belastingdienst te Apeldoorn elektronisch de aangiften over de tijdvakken eerste kwartaal 2009 tot en met het tweede kwartaal van 2013 van [BV 1] ontvangen.9 Ten aanzien van het eerste kwartaal van 2009 is daarbij een voorbelasting van € 9.305,00 opgegeven en een omzetbelasting van - € 6.455,00,10 ten aanzien van het derde kwartaal 2011 een voorbelasting van € 6.449.00 en een omzetbelasting van - € 3.599,0011 en ten aanzien van het tweede kwartaal 2013 een voorbelasting van € 4.217,00 en een omzetbelasting van - € 4.217,00.12
Op 26 februari 2014 heeft de FIOD de administratie van [BV 1] in beslag genomen.13 De FIOD heeft de in deze administratie aanwezige facturen over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en de eerste twee kwartalen van 2013 en de daarbij behorende voorbelasting vergeleken met de voorbelasting die door [BV 1] als vooraftrek in de kwartaalaangifte omzetbelasting is opgegeven.
Uit dit onderzoek volgt dat, met uitzondering van de aangifte voor het eerste en het derde kwartaal van 2012, al de kwartaalaangiften omzetbelasting onjuist zijn ingediend. Telkens is er een te hoog bedrag aan voorbelasting geclaimd.14
Ten aanzien van het eerste kwartaal 2009 had [BV 1] recht op
€ 186,00, ten aanzien van het derde kwartaal 2011 recht op € 17,00 en ten aanzien van het tweede kwartaal van 2013 was het recht op voorbelasting nihil.15

In de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 juli 2013 heeft de Belastingdienst te Apeldoorn elektronisch de aangiften over de tijdvakken eerste kwartaal 2009 tot en met 2e kwartaal 2013 ontvangen van [BV 2]16

Ten aanzien van het eerste kwartaal van 2009 is daarbij een voorbelasting van € 9.743,00 opgegeven en een omzetbelasting van - € 6.893,0017 en ten aanzien van het derde kwartaal van 2011 is een voorbelasting van € 7.884,00 opgegeven en een omzetbelasting van

- € 5.034,00.18 Tot slot is ten aanzien van het tweede kwartaal van 2013 een voorbelasting van € 4.876,00 opgegeven en een omzetbelasting van - € 4.876,00.19

Op 26 februari 2014 heeft de FIOD de administratie van [BV 2] in beslag genomen.20 De FIOD heeft de in deze administratie aanwezige facturen over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en de eerste twee kwartalen van 2013 en de daarbij behorende voorbelasting vergeleken met de voorbelasting die door [BV 2] als vooraftrek in de kwartaalaangifte omzetbelasting is opgegeven. Uit dit onderzoek volgt dat, met uitzondering van de aangifte omzetbelasting van het eerste en derde kwartaal van 2012, al de kwartaalaangiften omzetbelasting onjuist zijn ingediend. Telkens is een te hoog bedrag aan voorbelasting geclaimd.21
Ten aanzien van het eerste kwartaal 2009 had [BV 2] recht op
€ 244,00, ten aanzien van het derde kwartaal 2011 € 17,00 en ten aanzien van het tweede kwartaal 2012 was het recht op voorbelasting nihil.22

In de periode van 31 oktober 2011 tot en met 31 juli 2013 heeft de Belastingdienst te Apeldoorn de elektronisch de aangiften over de tijdvakken eerste kwartaal 2009 tot en met het tweede kwartaal van 2013 van [BV 3] ontvangen.23

Ten aanzien van het eerste kwartaal van 2009 is daarbij een voorbelasting van € 15.435,00 opgegeven en - € 15.435,00 aan omzetbelasting24, ten aanzien van het derde kwartaal van 2011 een voorbelasting van € 6.755,00 en een omzetbelasting van -€ 6.755,00,25 en ten aanzien van het tweede kwartaal van 2013 een voorbelasting van € 4.792,00 en een omzetbelasting van € 4.792,00.26

Op 26 februari 2014 heeft de FIOD de administratie van [BV 3] in beslag genomen.27 De FIOD heeft de in deze administratie aanwezige facturen over de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en de eerste twee kwartalen van 2013 en de daarbij behorende voorbelasting vergeleken met de voorbelasting die door [BV 3] als vooraftrek in de kwartaalaangifte omzetbelasting is opgegeven.

Uit dit onderzoek volgt dat al de kwartaalaangiften omzetbelasting in voornoemde periode onjuist zijn ingediend, omdat er telkens een te hoog bedrag aan voorbelasting is geclaimd.28 Ten aanzien van het eerste kwartaal van 2009 had [BV 3] recht op € 13.373,00 aan voorbelasting, ten aanzien van het derde kwartaal van 2011 geen recht op voorbelasting en ten aanzien van het tweede kwartaal van 2013 bestond recht op € 12,00 aan voorbelasting.29

De FIOD heeft ook onderzoek gedaan naar de aangiften omzetbelasting van de andere [BV's] in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2013. Uit dit onderzoek komt naar voren dat voor deze bv’s het grootste deel van de kwartaalaangiften in die periode onjuist is ingediend en dat een te hoog bedrag aan omzetbelasting is teruggevraagd.30

De vader van verdachte, [medeverdachte], heeft verklaard dat zijn zoon de administratie deed van alle bv’s en ook alle aangiften omzetbelasting.31 Verdachte heeft verklaard dat hij de aangiften omzetbelasting heeft opgesteld en vervolgens heeft ingediend.32 Hij wist dat de bedragen die hij daarin aan voorbelasting opgaf niet klopten.33 Hij maakte een schatting van de voorbelasting.34

Bewijsoverweging
De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte een schatting maakte van de terug te vragen voorbelasting op basis van betaalde facturen en de in het jaar ervoor teruggevraagde voorbelasting. Van opzet was geen sprake.

Uit het dossier volgt echter dat de verschillen tussen de geclaimde voorbelasting en het daadwerkelijke recht op teruggaaf op basis van de betaalde facturen aanzienlijk zijn. De verklaring van verdachte dat hij steeds een onderbouwde schatting maakte en niet opzettelijk heeft gehandeld is dan ook volstrekt onaannemelijk.

Het is de verplichting van de belastingplichtige, in dit geval de [BV's], om juist en volledig aangifte te doen. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat opzettelijk niet aan deze verplichting is voldaan. De [BV's] zijn hiervoor strafbaar op grond van artikel 69, tweede lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Ook overigens valt het opzettelijk doen van de onjuiste aangiften omzetbelasting toe te rekenen aan de [BV's]. Het doen van aangiften omzetbelasting is immers bij uitstek een handeling die wordt verricht in de sfeer van de rechtspersoon, nu deze gedraging past in de normale bedrijfsvoering. Nu verdachte degene was die de financiële administratie van de bv’s verzorgde en in die rol opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan namens de [BV's], heeft hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Er zijn geen aanknopingspunten dat verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit samen met een ander dan wel anderen heeft begaan. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2:
[A], werkzaam bij ABN Amro Bank, heeft verklaard dat hij, nadat hij hierom had verzocht in het kader van kredietverstrekking, van verdachte via email (rapporten inzake de) jaarrekening(en) 2009 heeft ontvangen van [BV 4], [BV 5] en [BV 3]35 De betreffende stukken zijn in het dossier opgenomen.36
De rapporten inzake de jaarrekeningen worden telkens afgesloten met het volgende:
“Mocht u nog vragen of opmerkingen hebben, dan kunt u contact opnemen met de heer [B].
Hoogachtend, [bedrijfsnaam]
[C]
Accountant-Administratieconsulent.”37
Bij de stukken met betrekking tot [BV 4] is een aanbiedingsbrief gevoegd, gericht aan de directie van voornoemde bv’s, waarin de volgende tekst staat vermeld:

[vestigingsplaats], december 2010

Behandeld door: de heer [B]

Geachte directie,

Ingevolge uw opdracht hebben wij de jaarrekening 2009 van [BV 4] te [vestigingsplaats] samengesteld.

De directie van de rechtspersoon is op grond van de wettelijke bepalingen verantwoordelijk voor de jaarrekening.” 38

De aanbiedingsbrieven bij de stukken met betrekking tot [BV 3] en [BV 5] bevatten dezelfde tekst, met dien verstande dat in plaats van [BV 4] de naam van de betreffende bv staat vermeld en de datum “november 2010” betreft .39

Uit de verklaring van [C], werkzaam bij [bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], volgt dat de (rapporten inzake de) jaarrekening(en) 2009 van voormelde bedrijven niet door hem of zijn collega [B] zijn opgesteld. De rapporten zijn qua opmaak gelijk aan het format dat het accountantskantoor gebruikt.40


Verdachte heeft verklaard dat hij voormelde (rapporten inzake de) jaarrekening(en) 2009 zelf heeft opgesteld en hierbij als format het rapport inzake de jaarrekening 2008 gebruikte, dat hij eerder had ontvangen van voornoemd accountantskantoor.41 Hij heeft de stukken vervolgens per email aan de ABN Amro Bank verzonden in het kader van de voortgang van de kredietverstrekking.42

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde (rapporten inzake de) jaarrekening(en) 2009 vals waren en dat verdachte deze valse stukken opzettelijk heeft gebruikt.

Bewijsoverweging

Met de tekst van de aanbiedingsbrieven en de afsluitende tekst van de rapporten inzake de jaarrekeningen 2009 heeft verdachte de indruk gewekt dat deze stukken afkomstig waren van [bedrijfsnaam]. De jaarrekeningen 2009 zijn direct achter de rapporten inzake de jaarrekeningen 2009 gevoegd. Er is dus sprake van een samenstel van documenten, waardoor ook de jaarrekeningen 2009 afkomstig lijken van [bedrijfsnaam].


De verdediging heeft gesteld dat de stukken die verdachte heeft opgesteld en vervolgens heeft ingediend bij de bank slechts concepten waren. Ook als dit het geval zou zijn, doet dit echter niet af aan een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit. Verdachte heeft met de door hem ingediende valse stukken de indruk gewekt dat deze zijn opgesteld door een accountant. Dat wordt niet anders als die valse stukken (slechts) concepten zouden zijn geweest.

Er zijn geen aanknopingspunten dat verdachte het onder 2 bewezenverklaarde feit samen met een ander dan wel anderen heeft begaan. Van dit onderdeel zal verdachte worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

[BV 1] en [BV 2] en [BV 3]

op tijdstippen in de periode 20 april 2009 tot en met
31 juli 2013 te Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een groot aantal elektronische aangiften voor de omzetbelasting, waaronder

ten name van [BV 1] over het

- eerste kwartaal 2009 en

- derde kwartaal 2011 en

- tweede kwartaal 2013 en

ten name van [BV 2] over het

- eerste kwartaal 2009 en

- derde kwartaal 2011 en

- tweede kwartaal 2013 en

ten name van [BV 3] over het

- eerste kwartaal 2009 en

- derde kwartaal 2011 en

- tweede kwartaal 2013

onjuist heeft gedaan,

immers hebben die bv’s telkens opzettelijk op aan de

Belastingdienst te Apeldoorn gezonden aangiftebiljetten

omzetbelasting over genoemde perioden, bij de vraag totaal

omzetbelasting een te laag bedrag opgegeven,

terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven

aan welk bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks november en december 2010 te

Rhenen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse

rapporten inzake de jaarrekeningen 2009 en jaarrekeningen 2009 van [BV 4] en

van [BV 3] en van [BV 5],

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst, terwijl uit dat

gebruik enig nadeel kon ontstaan,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat die rapporten en jaarrekeningen

werden aangeboden aan de ABNAMRO bank ten behoeve van voortgang van de

kredietverstrekking aan die bv’s en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die rapporten en de aanbiedingsbrief bij die jaarrekeningen vermeld

staat dat zij behandeld en/of verstuurd zijn door [B] en/of [C]

, beiden werkzaam bij [bedrijfsnaam].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in

artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het
echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om oplegging van een taakstraf. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de verdediging een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd.
Tot slot heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan. Indien verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, dient nader onderzoek plaats te vinden naar de mogelijkheden van elektronische detentie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft gedurende ruim vier jaar feitelijk leidinggegeven aan belastingfraude, gepleegd door meerdere bv’s. Het gaat om een groot aantal onjuiste aangiften. Uit het dossier volgt dat het totale benadelingsbedrag neerkomt op ongeveer € 600.000,-. Daarnaast heeft hij gebruik gemaakt van valse jaarrekeningen, door deze aan te bieden aan een bank ten behoeve van de voorgang van kredietverstrekking. Dit zijn ernstige misdrijven, waarmee de integriteit van het financieel en economisch verkeer wordt aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt door dergelijke feiten ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Niet voor niets kunnen dergelijke feiten worden bestraft met een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in beginsel dan ook passend. Er zijn echter verschillende omstandigheden die in het voordeel van verdachte moeten worden meegewogen.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van
16 mei 2017, blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Verder is gebleken dat verdachte door de slechte financiële omstandigheden waarin de bedrijven zich bevonden verkeerde keuzes heeft gemaakt. Hij heeft verklaard daar veel spijt van te hebben.

Tot slot houdt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening met het feit dat sinds het eerste verhoor van verdachte op 6 maart 2014 tot aan de einduitspraak bijna drieënhalf jaar is verstreken.

Hierdoor is de redelijke termijn met ongeveer anderhalf jaar overschreden. Verdachte heeft na een moeilijke periode in zijn leven inmiddels weer op de rails. Zo heeft hij onder meer nieuw werk gevonden.

Gelet op al deze omstandigheden zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en verdachte daarnaast veroordelen tot de maximale werkstraf.

Aan verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden en met een proeftijd van 2 jaren. Met oplegging van deze forse voorwaardelijke straf wordt benadrukt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten en wordt tegelijkertijd beoogd verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank legt daarnaast een taakstraf op voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Gelet op voormelde straf kan het voorwaardelijke verzoek van de verdediging onbesproken blijven.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en art. 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in

artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het

echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte strafbaar.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en

mr. R.C. Moed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Rigter griffier, en is uitgesproken

op de openbare terechtzitting van 30 augustus 2017.

Mr. drs. S.M. van Lieshout is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt, na wijziging van de tenlastelegging die hierna cursief is weergegeven, ten laste gelegd dat:

1.

[BV 1] en/of [BV 2] en/of [BV 3]

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 20 april 2009 t/m 31

juli 2013 te Rhenen en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) groot aantal (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting, waaronder

ten name van [BV 1] over het

- eerste kwartaal 2009 (D-032blz 6) en/of

- derde kwartaal 2011 (D-032blz 16) en/of

- tweede kwartaal 2013 (D-032blz 23) en/of

ten name van [BV 2] over het

- eerste kwartaal 2009 (D-032blz29) en/of

- derde kwartaal 2011 (D-032blz39) en/of

- tweede kwartaal 2013 (D-032blz46) en/of

ten name van [BV 3] over het

- eerste kwartaal 2009 (D-032blz75) en/of

- derde kwartaal 2011 (D-032blz85) en/of

- tweede kwartaal 2013 (D-032blz92)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben die bv's, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen

(telkens) opzettelijk op het bij/aan de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Apeldoorn ingeleverde/gezonden aangiftebiljet(ten)

omzetbelasting over genoemd(e) periode(n), bij (de vraag) totaal

omzetbelasting een negatief bedrag, althans (telkens) een te laag en/of

onjuist bedrag opgegeven,

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven

aan welk bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en)

(telkens) feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks november en/of december 2010 te

Rhenen, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging meet (een) ander(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

rapport(en) inzake de jaarrekening(en) 2009 en/of jaarrekening(en) 2009

van [BV 4] (D012blz 2 t/m blz 14) en/of

van [BV 3] (D013blz 4 t/m 16) en/of

van [BV 5] (D013blz 30 t/m 46),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, terwijl uit dat

gebruik enig nadeel kon ontstaan,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat die/dat rapport(en) en/of jaarrekeningen

werd(en) aangeboden aan de ABNAMRO bank ten behoeve van voortgang van de

kredietverstrekking (aan die bv('s)) en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die rapport(en) en/of de

aanbiedingsbrief bij die jaarrekening(en) en/of die jaarrekening(en) vermeld

staat dat zij behandeld en/of verstuurd zijn door [B] en/of [C]

(beiden werkzaam bij [bedrijfsnaam]);

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 december 2014, met nummer 53913, opgemaakt door de FIOD/kantoor Arnhem, doorgenummerd 1778. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 430 en 431.

3 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 428 en 429.

4 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 440 en 441.

5 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 432 en 433.

6 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 434 en 435.

7 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 436 en 437.

8 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het KvK-register van 6 mei 2014, pag. 438 en 439.

9 Een geschrift, te weten een brief van de Belastingdienst van 29 oktober 2014, pag. 580 en 581.

10 Een geschrift, te weten een uitdraai aangiftengegevens van de Belastingdienst, pag. 585.

11 Idem, pag. 595.

12 Idem, pag. 602.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2014, pag. 155 en 156.

14 Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2014, met bijlagen, pag. 168 en 169.

15 Het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2014, met bijlage, pag. 221 en 222.

16 Een geschrift, te weten een brief van de Belastingdienst van 29 oktober 2014, pag. 603 en 604.

17 Een geschrift, te weten een uitdraai aangiftengegevens van de Belastingdienst, pag. 608.

18 Idem, pag. 618.

19 Idem, pag. 625.

20 Het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2014, pag. 155 en 156.

21 Het proces-verbaal van bevindingen van 9 april 2014, met bijlagen, pag. 174 en 175.

22 Idem.

23 Een geschrift, te weten een brief van de Belastingdienst van 29 oktober 2014, pag. 649 en 650.

24 Een geschrift, te weten een uitdraai aangiftengegevens van de Belastingdienst, pag. 654.

25 Idem, pag. 664.

26 Idem, pag. 671.

27 Het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2014, pag. 155 en 156.

28 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2014, met bijlagen, pag. 199 en 200.

29 Het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2014, met bijlage, pag. 221 en 227.

30 Het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2014, met bijlagen, p.221.

31 Het proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2014, pag. 155 en 156.

32 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de Rechter-commissaris van 20 september 2016 en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 augustus 2017.

33 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de Rechter-commissaris van 20 september 2016.

34 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 augustus 2017.

35 Het proces-verbaal van verhoor van [A] van 3 juli 2014, pag. 85.

36 Een geschrift, te weten een rapport inzake de jaarrekening 2009 van [BV 4], pag. 369 tot en met 381, een geschrift, te weten een rapport inzake de jaarrekening 2009 van [BV 3], pag. 385 tot en met 397 en een geschrift, te weten een rapport inzake de jaarrekening 2009 van [BV 5], pag. 411 tot en met 427.

37 Een geschrift, te weten een email van [A] van 28 september 2011, met bijlage, pag. 374 en een geschrift, te weten een email van [A] van 30 september 2011, met bijlage, pag. 390 en 416.

38 Een geschrift, te weten een rapport inzake de jaarrekening 2009 van [BV 4], pag. 371.

39 Een geschrift, te weten een rapport inzake de jaarrekening 2009 van [BV 3], pag. 387 en een geschrift, te weten een rapport inzake de jaarrekening 2009 van [BV 5], pag. 411.

40 Het proces-verbaal van verhoor van [C] van 1 mei 2014, pag. 78 en 79 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [C] bij de Rechter-commissaris van 1 december 2016.

41 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] bij de Rechter-commissaris van 20 september 2016 en de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 16 augustus 2017.

42 Idem.