Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4324

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
UTR 17/1961
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK. Weigering jachtakte. De grondslag voor het bestreden besluit uit de Wet natuurbescherming is sinds 1 januari 2017 opgenomen op de ‘negatieve lijst’ bij de Awb. De rechtbank is desondanks bevoegd, omdat op deze procedure, gelet op het overgangsrecht bij de Wnb, de Flora- en faunawet nog van toepassing is. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is, omdat het daaraan ten grondslag gelegde politiedossier onvolledig en tegenstrijdig is. Dit gebrek kan niet worden hersteld en verweerder moet met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslissen op het administratief beroep van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1961

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. Nooteboom).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft de korpschef van politie de door eiser gevraagde jachtakte geweigerd.

Bij besluit van 29 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op de zitting is de bevoegdheid van de rechtbank besproken. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In artikel 9.10 van de Wnb is het overgangsrecht voor de op het moment van in werking treden lopende procedures geregeld. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat beroepszaken gericht tegen onder meer besluiten krachtens de Flora- en Faunawet (Ffw) die voor 1 januari 2017 bekend zijn gemaakt, worden behandeld en beslist overeenkomstig de Ffw. Ingevolge artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet onder beroep worden verstaan: het instellen van administratief beroep, dan wel van beroep bij een bestuursrechter. Omdat het administratief beroep tegen het primaire besluit op 1 januari 2017 nog niet was afgehandeld is op deze zaak daarom nog de Ffw van toepassing. Hoewel verweerder bij de beoordeling van het administratieve beroep verwijst naar artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder a, van de Wnb moet het bestreden besluit worden geacht te zijn genomen op grond van – het inhoudelijk gelijkluidende – artikel 39, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ffw. Dit wetsartikel is, anders dan het gelijkluidende artikel in de Wnb, niet opgenomen in de lijst van van beroep uitgezonderde besluiten in artikel 1 van de in bijlage 2 van Awb vastgelegde bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Tegen het bestreden besluit kan daarom beroep bij de rechtbank worden ingesteld.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft ruim 27 jaar gejaagd en heeft in die tijd altijd beschikt over een jachtakte, die steeds voor een jaar werd verleend. Eiser was op 22 maart 2016 met zijn honden in het gebied langs de dijk aan de oever van het Vollenhovermeer, ter hoogte van de Viswaterweg in Marknesse. Ter hoogte van de plek waar eiser zich bevond stond toen een rietkraag in brand. Eiser is in verband hiermee strafrechtelijk verdacht geweest van het overtreden van bij de Ffw gestelde voorschriften. Deze strafzaak is voorwaardelijk geseponeerd.

3. Op 31 maart 2016 heeft eiser een nieuwe jachtakte aangevraagd. De korpschef heeft de gevraagde jachtakte geweigerd en verweerder heeft dat besluit in stand gelaten. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er sterke aanwijzingen zijn dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, dan wel dat eiser kan worden verweten dat hij niet heeft ingegrepen toen hij zag dat de rietkraag brandde, terwijl hij wist dat het een beschermd natuurgebied betreft. Volgens verweerder is dit reden om aan te nemen dat eiser van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of daarvan zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op processen-verbaal met verklaringen van een boswachter als buitengewoon opsporingsambtenaar, een medewerker van het waterschap Zuiderzeeland als getuige en van eiser als verdachte in de strafzaak.

4. Eiser voert aan dat het dossier waarop het bestreden besluit is gebaseerd onvolledig is en dat de processen-verbaal tegenstrijdigheden en fouten bevatten. Verweerder erkent dat in het dossier een aantal stukken en bijlagen ontbreekt, maar wijst erop dat het bestreden besluit juist is gebaseerd op de stukken die zich wel in het dossier bevinden en die bij eiser bekend zijn.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Van dat uitgangspunt kan alleen in bijzondere omstandigheden worden afgeweken.

4.2

Verweerder baseert de weigering van de jachtakte onder andere op bevindingen van boswachter en buitengewoon opsporingsambtenaar [BOA-1] . In het bestreden besluit is daarover onder meer vermeld dat [BOA-1] (‘BOA-1’) een onderzoek ter plaatse heeft verricht, dat hij eiser heeft aangesproken op de brand en dat eiser toen te kennen gaf dat hij bezig was met ‘rietbeheer’. De rechtbank constateert dat deze bevindingen zijn opgenomen in het proces-verbaal ‘verkort milieu’, waarin alle bevindingen uit de verschillende processen-verbaal zijn samengevat. De hiervoor genoemde passage is een samenvatting van het daaraan ten grondslag liggende proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] , dat twee pagina’s omvat. De rechtbank stelt echter vast dat in het proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] zelf niets is terug te vinden over het contact van [BOA-1] met eiser ter plaatse. Dat het proces-verbaal verkort milieu een correcte weergave is van het daaraan ten grondslag liggende proces-verbaal van bevindingen is dus niet te verifiëren.

4.3

De rechtbank stelt verder vast dat dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] is gesloten en getekend op 22 maart 2016. Als bijlagen zijn hierbij onder meer gevoegd het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 24 maart 2016 en het proces-verbaal van verhoor van eiser als verdachte van 15 april 2016. Deze processen-verbaal zijn dus later opgemaakt dan het proces-verbaal van [BOA-1] , terwijl ze wel als bijlage bij dat op 22 maart gesloten proces-verbaal worden genoemd.

4.4

Verweerder baseert de weigering van de jachtakte ook op de hiervoor genoemde verklaring van getuige [getuige] , werkzaam bij het waterschap Zuiderzeeland. De rechtbank constateert dat het proces-verbaal van deze verklaring in het dossier onvolledig is en dat daarin alleen de eerste pagina is opgenomen. De rechtbank stelt ten slotte vast dat van het proces-verbaal verkort milieu bijlage 4 onvolledig is en dat bijlagen 5, 6 en 7 ontbreken.

4.5

Eiser heeft op de zitting verteld dat hij inmiddels van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie het complete politiedossier heeft ontvangen. Dit dossier had eiser op de zitting bij zich en hij heeft dit toen kunnen vergelijken met het dossier in deze zaak. Eiser heeft bevestigd dat van het proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] in het (door verweerder aangeleverde deel van het) rechtbankdossier de tweede pagina ontbreekt en dat van het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] de tweede en derde pagina ontbreken. Eiser heeft daarnaast bovendien desgevraagd bevestigd dat van het proces-verbaal verkort milieu de laatste, vijfde pagina ontbreekt.

4.6

Omdat verweerder niet op de zitting is verschenen heeft de rechtbank hem toen niet kunnen vragen naar de ontbrekende pagina’s en bijlagen in het dossier. In het verweerschrift heeft verweerder echter het standpunt ingenomen dat hij in het kader van de behandeling van het administratief beroep meerdere keren navraag bij de korpschef heeft gedaan naar ontbrekende stukken en bijlagen, maar dat is gebleken dat de politie daarover niet meer beschikte. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bestreden besluit is gebaseerd op dezelfde stukken als die waaruit het rechtbankdossier bestaat. Dit leidt tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen op basis van een onvolledig dossier, waardoor verweerder, de rechtbank en eiser niet goed hebben kunnen nagaan hoe de inhoud van de in de verschillende processen-verbaal neergelegde bevindingen en verklaringen precies luidt. Door het ontbreken van pagina’s en bijlagen is het ook niet goed mogelijk geweest om die bevindingen en verklaringen in hun totaliteit te kunnen beschouwen. Dit is echter wel noodzakelijk, juist omdat aan een ambtsedig of op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal in beginsel een grote waarde wordt toegekend. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat alle aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde processen-verbaal zijn opgemaakt door [BOA-1] en dus van dezelfde persoon zijn.

4.7

Daar komt bij dat het proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] tegenstrijdig is. Als wordt afgegaan op de in het proces-verbaal genoemde data is het namelijk opgemaakt voordat een deel van de bijlagen is opgemaakt. Deze data kunnen daarom niet allemaal juist zijn. Volgens verweerder is wat [BOA-1] heeft verklaard juist, maar het voorgaande heeft tot gevolg dat verweerder daaraan niet zonder meer en alleen maar ten grondslag kan leggen dat het proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt. Die omstandigheid heeft er immers niet aan in de weg gestaan dat er wel onjuistheden met betrekking tot de data zijn ontstaan. Eiser heeft dan ook terecht aangevoerd dat hierdoor twijfel is gerezen over de juistheid van de inhoud van de verklaring van [BOA-1] .

4.8

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de processen-verbaal onder deze omstandigheden, in samenhang beschouwd, niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en is onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 7:26, eerste lid, van de Awb.

6. De rechtbank ziet zich vervolgens met het oog op definitieve geschilbeslechting voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. In dat kader is van belang dat, anders dan de veronderstelde brandstichting door eiser, tussen partijen vast staat dat eiser niet heeft ingegrepen toen hij aanwezig was bij de brandende rietkraag. Eiser heeft dit op de zitting nogmaals bevestigd en de inhoud van de hiervoor genoemde processen-verbaal is dan ook niet noodzakelijk voor de vaststelling hiervan. Verweerder heeft dit nalaten van eiser net als de korpschef aangemerkt als het schenden van de uit de Ffw voortvloeiende zorgplicht en heeft dit mede ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. De rechtbank is echter van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te kunnen stellen of eiser de zorgplicht inderdaad heeft geschonden en zo ja, of de ernst daarvan in het licht van de feitelijke omstandigheden voldoende is om aan te nemen dat eiser de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben zal misbruiken. Daarbij is van belang dat naar aanleiding van wat eiser heeft aangevoerd onduidelijkheid blijft bestaan over de status en de begrenzing van het gebied waar de brand woedde en over de precieze natuurwaarde van de rietkraag die in brand stond. Die onduidelijkheid komt onder meer voort uit het ontbreken van de hiervoor genoemde bijlagen bij het proces-verbaal verkort milieu. Omdat verweerder niet op de zitting aanwezig was heeft hij hierover toen ook geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Uit het voorgaande volgt dat de gestelde schending van de zorgplicht uit de Ffw op zichzelf – los van de vermeende brandstichting – op basis van het voorliggende dossier niet voldoende is om de weigering van de jachtakte te kunnen dragen. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen daarom niet in stand worden gelaten enkel omdat eiser niet heeft ingegrepen bij de brand.

7. De rechtbank stelt verder vast dat het gebrek in het bestreden besluit niet is te herstellen, voor zover dat ziet op de inconsistentie met betrekking tot de data van het proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] en de daarbij behorende bijlagen. Dat inmiddels is gebleken dat er wel een volledig dossier is en dat verweerder dit dossier zou kunnen opvragen bij het Functioneel Parket maakt dit niet anders, omdat ook daarmee de inconsistentie in de dateringen niet wordt weggenomen. De aard van dit gebrek maakt dat dit ook niet te passeren is. Het proces-verbaal van [BOA-1] kan daarom, ook als het wel volledig is, niet worden gebruikt om de verdenking van brandstichting aan de weigering van de jachtakte ten grondslag te leggen. De rechtbank ziet daarom geen reden om verweerder de gelegenheid te geven om de gebreken te herstellen en na een bestuurlijke lus te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Er wordt daarom ook niet meer toegekomen aan de overige beroepsgronden van eiser.

8. De rechtbank kan ook niet zelf in de zaak te voorzien door op het administratief beroep van eiser te beslissen en de gevraagde jachtakte alsnog te verlenen. Het is immers niet uitgesloten dat de weigering van de jachtakte op andere gronden in stand moet blijven. Verweerder moet daarom opnieuw beslissen op het administratief beroep van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder het primaire besluit tot weigering van de jachtakte in ieder geval niet in stand kan laten op basis van het nu voorliggende dossier, noch op basis van het volledige dossier dat zich bij het Functioneel Parket bevindt, ervan uitgaande dat het proces-verbaal van bevindingen van [BOA-1] in beide dossiers gelijkluidend is. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheid dat de periode waar de aanvraag van eiser op zag inmiddels is verstreken, niet wegneemt dat eiser belang heeft bij het alsnog verlenen van de jachtakte. Het is immers niet in geschil dat het wel of niet verlenen van de jachtakte voor een eerder jachtseizoen bepalend is voor de beslissing op een nieuwe aanvraag voor een latere periode. Onder verwijzing naar overweging 1 wijst de rechtbank er tot slot op dat tegen de nieuwe beslissing op het (door deze uitspraak weer doorlopende) administratief beroep voor eiser beroep bij de bestuursrechter openstaat.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

­ verklaart het beroep gegrond;

­ vernietigt het bestreden besluit;

­ draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het administratief beroep met inachtneming van deze uitspraak;

­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

­ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr.drs. R. in 't Veld en
mr. M.C. Brans, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.