Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4312

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
4917014 UC EXPL 16-4828
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur. Schade na onrechtmatige ontruiming. Toerekening van schade van de ene echtgenoot aan de andere? Gevolgen van te late of onvolledige onderbouwing van stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4917014 UC EXPL 16-4828 nig/1449

Vonnis van 30 augustus 2017

inzake

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.L.E.M. Vossen (DAS Rechtsbijstand),

tegen:

1 [gedaagde 1]

en

2. [gedaagde 2],

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , en samen ook [gedaagden] (in mannelijk enkelvoud),

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. S. Velthuizen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 maart 2017;

  • -

    de akte uitlating van [eiseres] ;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] ;

  • -

    de akte met wijziging en vermeerdering van eis van [eiseres] , met producties;

  • -

    de antwoordakte daarop van [gedaagden] .

1.2.

Daarna is opnieuw vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Deze zaak gaat over een woning in [woonplaats] , die eigendom was van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en die in 2012 te koop stond. [eiseres] heeft de woning gehuurd voor de periode van 1 april 2012 tot en met 31 maart 2014. Na een kort geding in april 2014 is de woning in juni 2014 ontruimd. In oktober 2014 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden het ontruimingsvonnis van de kantonrechter vernietigd. [eiseres] vordert nu in conventie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vergoeding van de schade die zij door de ontruiming geleden heeft. Zij heeft haar eis gewijzigd en vermeerderd door ook hoofdelijke veroordeling te vorderen en vergoeding van de (inmiddels gemaakte) beslagkosten. In reconventie vorderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een verklaring voor recht dat de ontruiming niet onrechtmatig was, en eveneens schadevergoeding.

2.2.

In het tussenvonnis is geoordeeld dat het vonnis van april 2014 (achteraf gezien) geen grond voor een rechtmatige ontruiming vormde. [eiseres] was ook niet zonder meer verplicht om de woning per 1 april 2014 te verlaten, en zij is niet tekortgeschoten tegenover [gedaagden] door dat niet te doen. Wel was [gedaagde 1] bevoegd om haar de huur op te zeggen. In dat geval had zij de woning inderdaad moeten verlaten, maar met inachtneming van de opzegtermijn. De schade die zij geleden heeft doordat hij dat niet gedaan heeft, komt in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

2.3.

Over een aantal schadeposten is al geoordeeld in het tussenvonnis. Daarbij bestond nog één groot knelpunt, en dat is de vraag welk deel van de totale schade moet worden toegerekend aan [eiseres] en welk deel aan haar partner [A] , die geen partij is bij deze procedure. Die vraag gold ook voor een aantal posten waarvan in het tussenvonnis is geoordeeld dat ze (in beginsel) toewijsbaar zijn: ook daarvoor moet blijken dat ze als schade van [eiseres] te beschouwen zijn.

2.4.

Inmiddels is gebleken dat [eiseres] en [A] op 21 januari 2013 getrouwd zijn. Inderdaad betekent dat, zoals [eiseres] zegt, dat zij en [A] op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. Dat is uitgewerkt onder meer in artikel 1:84 BW, waar bepaald is dat echtgenoten naar evenredigheid van hun inkomens moeten bijdragen in de kosten van de huishouding. Het begrip huishouding moet hier ruim worden opgevat: alle kosten van levensonderhoud, huisvesting, ontspanning en dergelijke vallen eronder, in de meest brede zin, van beide echtgenoten en van de kinderen. Zij zijn sinds hun huwelijk dus ook onderhoudsplichtig voor elkaar. In huwelijksvoorwaarden kan een afwijkende regeling getroffen worden voor de verdeling van deze kosten, maar uit niets blijkt dat [eiseres] en [A] dat gedaan hebben.

2.5.

[eiseres] stelt nu dat zij in 2014 met haar gastouderbedrijf kostwinner was. Volgens haar had [A] alleen een meewerkvergoeding van € 5.000, die hij kreeg in de vorm van het gebruik van een auto. Zij was dus de enige die (echte) inkomsten had; daarom droeg zij alle kosten en heeft zij dus ook alle schade geleden. Zij onderbouwt dat met een Overeenkomst Meewerkregeling 2014 en een aanslag van de Belastingdienst.

2.6.

Die stelling roept vragen op. In de eerste plaats levert het gastouderschap niet vaak zoveel op dat men daarvan een gezin met twee volwassenen en vier kinderen kan onderhouden, zeker niet met een huur van € 1.250 per maand. [eiseres] heeft geen gegevens over haar jaarinkomen verstrekt, maar de gegevens over haar omzet in het eerste kwartaal van 2014 wijzen er niet direct op dat dat bij haar anders zou zijn. In de tweede plaats bevat het dossier eerdere stukken, waar [gedaagde 1] op wijst, met name een mail van [A] van 8 maart 2012:

Verder willen wij graag dat het huurcontract op naam van [eiseres] komt te staan als huurder. (…) Dit heeft voor ons twee redenen. (…) Verder is het zo dat ik regelmatig in het buitenland verblijf. Om belastingtechnische redenen laat ik mij dan ook uitschrijven uit de gemeente [woonplaats] , zodat mijn inkomen in het buitenland wordt belast. Het is moeilijk om de belastingdienst te overtuigen dat ik daadwerkelijk in het buitenland woon als ik in Nederland een woning huur. 

Mocht je hier prijs op stellen, is het voor mij geen enkel probleem om in een aparte brief (niet onderdeel van het huurcontract), mijzelf medeverantwoordelijk te stellen voor alle verplichtingen uit het huurcontract dat [eiseres] ondertekend. Ik heb dan dus niet de rechten als huurder, maar wel de plichten.

Na een dergelijke mail heeft een belastingaanslag niet zonder meer overtuigingskracht als bewijs voor het ontbreken van inkomen. Omdat [eiseres] daarop niet ingaat, kan haar stelling dat [A] geen inkomen had, niet worden aanvaard.

2.7.

Het is [eiseres] die de bewijslast heeft voor haar stelling dat zij schade geleden heeft, dat wil zeggen dat de schade voor haar rekening gekomen is. Omdat het inkomen van [A] onbekend is, kan de kantonrechter niet vaststellen welk deel van de gezamenlijke kosten voor rekening van [eiseres] kwam of moest komen. Het is zelfs denkbaar dat zijn inkomen zo hoog was, in vergelijking met het hare, dat die kosten feitelijk geheel voor zijn rekening waren. [eiseres] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd welk deel van de kosten zij droeg, en zelfs of zij wel enig deel daarvan droeg. De kosten die te beschouwen zijn als kosten van de gemeenschappelijke huishouding kunnen daarom niet beschouwd worden als schade van [eiseres] , zodat die niet toewijsbaar zijn.

2.8.

[eiseres] vordert terugbetaling van € 541,67 aan teveel betaalde huur over de periode van 18 tot en met 30 juni 2014. Omdat dit ook beschouwd kan worden als een vordering uit onverschuldigde betaling (in plaats van schadevergoeding), moet deze apart beoordeeld worden. Het verweer van [gedaagden] was dat [eiseres] de huur over juni 2014 nog helemaal niet betaald had. [eiseres] mocht daarop nog reageren. Zij stelt nu dat zij die huur heeft betaald door verrekening met de waarborgsom, die zij niet heeft teruggekregen. In zijn antwoordakte voert [gedaagde 1] aan dat zij geen recht had op teruggave daarvan, vanwege schade aan het huis en in de tuin.

2.9.

Dit is een nieuwe stelling van [gedaagden] , waarop [eiseres] niet meer heeft kunnen reageren. De kantonrechter kan dus niet beoordelen of dat juist is. Dat wordt veroorzaakt doordat [eiseres] bij dagvaarding alleen gesproken heeft over ‘teveel betaalde huur’, zonder te vermelden dat zij die huur feitelijk niet heeft betaald maar verrekend met de waarborgsom. Dat is toch een relevant gegeven, omdat het geschilpunt daar een heel ander karakter van krijgt. Door die toelichting in de dagvaarding achterwege te laten, heeft zij zelf het risico genomen dat dit punt niet volledig zou worden afgekaart. De onduidelijkheid hierover komt dus voor haar rekening. Daarom kan haar vordering tot terugbetaling niet worden toegewezen.

2.10.

[eiseres] vordert verder een vergoeding voor gederfde inkomsten. Zij ving als gastouder in haar eigen huis tegen betaling kinderen op, en als gevolg van de ontruiming was dat van 17 juni tot 11 september 2014 niet mogelijk. Dat is wel te beschouwen als haar schade. De omvang daarvan is echter problematisch gebleven. Zij onderbouwt die met afrekeningen van twee gastouderbureaus over het eerste kwartaal van 2014, aangevuld met een stelling in algemene termen dat zij in de zomerperiode evenveel uren werkte als daarbuiten, omdat de ouders van haar oppaskinderen allemaal buiten de zomer met vakantie gingen. Dat is niet voldoende. [eiseres] werkte als zelfstandige. Doorgaans betekent dat wisselende inkomsten. Ook bij vaste oppaskinderen ligt dat voor de hand: als er een kind weggaat, hoeft er niet meteen een ander kind voor in de plaats te zijn. [eiseres] heeft geen jaarstukken overgelegd en geen informatie gegeven over het normale verloop gedurende het jaar. Zij heeft ook niet concreet onderbouwd waarom zij denkt dat de inkomsten in de maanden juni-september even hoog geweest zouden zijn als in het eerste kwartaal. Zij heeft geen informatie gegeven over de aard van de contracten die zij sluit, en ook niet over de op het moment van de ontruiming lopende contracten.

2.11.

Daarnaast zijn de bedragen op de afrekeningen te beschouwen als omzet. Dat is nog geen inkomen, omdat daarvan eerst de kosten moeten worden afgetrokken. In de stukken wordt gesproken over campingbedjes en speelgoed. Bovendien moet worden aangenomen dat zij de kinderen die zij opvangt te eten geeft en verschoont. Over de kosten die zij daarvoor maakt is niets bekend. Zij heeft wel gegevens verstrekt over forfaitaire aftrekbare kosten, maar niet over de werkelijk gemaakte kosten. Bovendien zal zij nog belasting moeten betalen. Het bedrag van die belasting is geen schade van [eiseres] , maar van de Nederlandse staat.

2.12.

Hoewel het dus aannemelijk is dat [eiseres] door de ontruiming inkomsten gemist heeft, zijn de gegevens die zij daarover verstrekt heeft onvoldoende, en onvoldoende concreet, om te kunnen vaststellen hoeveel dat geweest is of om daar een realistische schatting van te kunnen maken. Daarom is ook deze post niet toewijsbaar.

2.13.

De vordering in conventie moet om die redenen in haar geheel worden afgewezen: Geers heeft door de ontruiming onrechtmatig gehandeld, maar de omvang van de schade kan niet worden vastgesteld of zelfs maar geschat. Er is daarom ook geen grond voor de vergoeding van beslagkosten. De vordering in reconventie moet eveneens worden afgewezen, om de redenen genoemd in het tussenvonnis. Omdat partijen in de zaak als geheel over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld zijn, zullen de proceskosten gecompenseerd worden, zodat ieder de eigen kosten moet dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

wijst zowel in conventie als in reconventie alle vorderingen af;

compenseert de proceskosten in conventie en in reconventie, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.