Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4287

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1080
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor een illegaal bijgebouw en geweigerd voor het gebruik van dat gebouw als gastenverblijf. De eigenaar beroept zich op het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan. Voor het voortzetten van gebruik dat onder het overgangsrecht valt is geen omgevingsvergunning nodig, maar dit is wel aan beperkingen gebonden. Eiser heeft daarom een belang bij het verkrijgen van zo’n vergunning. De rechtbank oordeelt vervolgens dat hij aan de hand van de overgelegde verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bijgebouw in de periode van 2007 tot en met 2013 met enige regelmaat als gastenverblijf is gebruikt. Deze onderbreking is te lang om van voortgezet gebruik te kunnen spreken. Verweerder heeft de gevraagde vergunning voor dit gebruik daarom mogen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4555
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1080

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes, verweerder

(gemachtigde: mr. F.R.M. van Lent).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij A] en [derde-partij B], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan, voor een bijgebouw op zijn perceel.

Bij besluit van 2 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de derde-partijen gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen voor zover dat zag op het afwijken van het bestemmingsplan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partijen zijn ook verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats] . Op zijn perceel staat een bijgebouw, dat eiser af en toe gebruikt als gastenverblijf en daar ook voor is ingericht. Zowel het gebouw zelf, als het gebruik daarvan als gastenverblijf is in strijd met het bestemmingsplan. De derde-partijen wonen aan de [straatnaam] in [woonplaats] . Hun percelen grenzen aan de achterkant aan dat van eiser. Eiser heeft aan verweerder een omgevingsvergunning gevraagd voor zowel het gebouw als voor het gebruik als gastenverblijf. Dit heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ beschreven besluiten.

2. Met het bestreden besluit is een vergunning verleend voor het bouwen van het bijgebouw en is een vergunning geweigerd voor het gebruik daarvan als gastenverblijf. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij het gebouw wil vergunnen omdat het onder het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan […] valt. Het gebruik als gastenverblijf wil verweerder niet vergunnen, omdat dit volgens hem niet onder het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan valt.

3. De rechtbank stelt voorop dat alleen eiser beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij richt zich met zijn beroep tegen het weigeren van de vergunning voor het gebruik als gastenverblijf en dat is wat de rechtbank moet beoordelen. Dat betekent dat het in deze zaak niet kan gaan over de vraag of de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van het bijgebouw terecht is. Hoewel de derde-partijen in hun brief en ook op de zitting duidelijk hebben gemaakt dat zij het niet eens zijn met die vergunning, hadden zij zelf beroep moeten instellen om dat aan de orde te kunnen laten komen bij de rechtbank. Voor nu wordt er dus van uitgegaan dat er een vergunning is voor de bouw en het in stand laten van het bijgebouw.

4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat verweerder het bezwaar van de derde-partijen niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat zij het bijgebouw niet kunnen zien en daarvan geen last hebben. Dit slaagt niet, omdat de derde-partijen directe buren van eiser zijn, uitgaande van de perceelsgrenzen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat alleen al het belang dat iemand heeft als eigenaar van het aangrenzende perceel maakt dat hij belanghebbende is bij de verlening van een omgevingsvergunning.1 De rechtbank heeft geen reden om daar in deze zaak van af te wijken.

5. Eiser voert vervolgens aan dat het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf wel degelijk onder het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan […] valt en dat verweerder daarin reden had moeten zien om de gevraagde omgevingsvergunning ook voor het gebruik te verlenen. Verweerder en de derde-partijen vinden dat eiser niet aan de vereisten voldoet die gelden om onder het overgangsrecht te kunnen vallen, onder meer omdat bij een inspectie in 2005 zou zijn geconstateerd dat het bijgebouw als fietsenberging in gebruik was.

5.1

Hier ligt het zwaartepunt van deze zaak. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken wat eiser met deze beroepsgrond kan bereiken. Als het klopt wat eiser stelt, dan mag hij het gebruik als gastenverblijf in beginsel namelijk zonder omgevingsvergunning voortzetten. Voor gebruik dat onder het overgangsrecht valt is immers geen vergunning nodig. Het gebruik onder het overgangsrecht is echter aan meer beperkingen gebonden dan wanneer eiser voor dit gebruik een omgevingsvergunning zou hebben. Eiser heeft daarom wel een belang bij het verkrijgen van zo’n vergunning. Namens verweerder is op de zitting bovendien gezegd dat het afhankelijk is van de uitkomst van deze procedure of handhavend zal worden opgetreden tegen het gebruik als gastenverblijf. Hoewel ook andere relevante belangen – zoals die van de derde-partijen – in acht moeten worden genomen is het daarom niet op voorhand uitgesloten dat verweerder alsnog een vergunning wil en kan verlenen, als eisers beroep op het gebruiksovergangsrecht slaagt. De rechtbank ziet daarin aanleiding om deze beroepsgrond inhoudelijk te behandelen.

5.2

Partijen zijn het eens over het toe te passen toetsingskader voor het gebruiksovergangsrecht, en de rechtbank heeft vastgesteld dat dit juist is. Dit wordt gevormd door de opeenvolgende overgangsbepalingen uit het bestemmingsplan […] , de beheersverordening […] en het bestemmingplan […] . Gebruik dat al bestond op de datum waarop het bestemmingsplan […] in werking is getreden en waarvan sindsdien steeds met enige regelmaat sprake was, mag worden voortgezet. Sinds de vaststelling van de beheersverordening […] op 24 juni 2013 geldt daarnaast dat het gebruik niet voor een periode van langer dan een jaar mag zijn onderbroken. Het bestemmingsplan […] is goedgekeurd op 8 oktober 2002 en is in november of december 2002 in werking getreden. Wat de rechtbank moet beoordelen is dus of het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf eind 2002 al bestond en of het sindsdien, tot aan de datum van het bestreden besluit, is voortgezet en niet te lang is onderbroken. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS moet iemand die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat berust aannemelijk maken.2 De bewijslast van de aannemelijkheid van het voortdurend gebruik sinds eind 2002 ligt dus bij eiser.

5.3

Eiser heeft een aantal verklaringen aan de rechtbank gestuurd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het bijgebouw op bepaalde momenten als gastenverblijf is gebruikt. Nog ervan afgezien dat verweerder en de derde-partijen de juistheid van die verklaringen betwisten, stelt de rechtbank vast dat de verklaringen allemaal betrekking hebben op 2006 en de jaren daar (ver) voor. Eiser heeft geen verklaringen kunnen laten zien over de periode van 2007 tot en met 2017 en hij heeft ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat het gebruik ook in die jaren heeft voortgeduurd. Wel is door verweerder geconstateerd dat het bijgebouw op 16 januari 2014 als gastenverblijf werd gebruikt. Eiser heeft op de zitting gevraagd om nog meer relevante verklaringen te mogen verzamelen, maar de rechtbank heeft toen al besloten dat hij die mogelijkheid niet krijgt, omdat dat in strijd is met de goede procesorde. Partijen mogen tot tien dagen voor de zitting nieuwe stukken indienen en eiser heeft voldoende kans gehad om zijn standpunt met stukken te onderbouwen. Er is daarom geen reden om hem daar alsnog meer tijd voor te geven.

5.4

Een onderbreking van het gebruik betekent op zichzelf nog niet dat dit gebruik niet meer onder het overgangsrecht valt als het daarna wordt hervat. De vraag is of dan sprake is van voortgezet gebruik. Of dat zo is hangt af van de duur en de oorzaak van de onderbreking en van de door de betrokkene getoonde intentie om het gebruik voort te zetten. Omdat het gebruik zoals dat op grond van het bestemmingsplan aan een perceel is toegekend voorop staat, geeft het overgangsrecht in beginsel geen bescherming meer als het gebruik lang is onderbroken. Daarop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als degene die zich op het overgangsrecht beroept aan de hand van concrete en objectieve gegevens aannemelijk maakt dat de onderbreking verband houdt met omstandigheden die zo bijzonder zijn, dat ondanks de lange duur van de onderbreking moet worden uitgegaan van blijvend voortgezet gebruik. Ook dit volgt uit rechtspraak van de ABRvS.3

5.5

De rechtbank is van oordeel dat eiser in ieder geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bijgebouw met enige regelmaat als gastenverblijf in gebruik is geweest in de periode van 2007 tot en met 2013. Niets uit het dossier wijst daarop. Deze onderbreking is te lang om aanspraak te houden op de bescherming van het overgangsrecht. Van bijzondere omstandigheden waar blijvend voortgezet gebruik wel uit kan worden afgeleid is niet gebleken. Het gebruik als gastenverblijf dat in januari 2014 is geconstateerd is daarom nu niet aan te merken als voortgezet gebruik. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan de vraag of eiser zich in de periode tussen 2002 en 2006, en in de periode na de controle in januari 2014 op het overgangsrecht kan beroepen. De inhoud en de betrouwbaarheid van de ingebrachte verklaringen hoeft niet meer te worden beoordeeld, omdat met die verklaringen het hiervoor beschreven ‘gat’ in het gebruik niet wordt weggenomen. Ook wat verweerder heeft aangevoerd over het inspectierapport uit 2005 is daarom niet meer van belang. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op het beleid van verweerder om van het bestemmingsplan af te wijken. Daarin staat dat daartoe onder meer kan worden besloten als het bestemmingsplan onjuistheden bevat of als de strikte toepassing van het bestemmingsplan leidt tot zeer onredelijke of ongewenste situaties. Volgens eiser is zowel sprake van een onjuistheid in het bestemmingsplan als van een dergelijke onredelijke of ongewenste situatie. Hij heeft dit echter niet nader toegelicht, ook niet nadat daar op de zitting naar is gevraagd. Eiser had ten minste duidelijk moeten maken welke fout er in het bestemmingsplan staat of waarom zijn situatie onredelijk of ongewenst is. Dat het gebruik afwijkt van de geldende bestemming en dat dit al heel lang duurt, is daarvoor niet voldoende. Dat sprake is van een situatie waarin verweerder volgens zijn beleid van het bestemmingsplan wil afwijken is daarom niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Samengevat is het oordeel van de rechtbank dat wat eiser heeft aangevoerd niet voldoende is om te kunnen zeggen dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf niet had mogen weigeren. Eiser heeft niet voldoende informatie gegeven waaruit de bescherming van het gebruiksovergangsrecht kan worden afgeleid. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 19 oktober 2016, op rechtspraak.nl te vinden onder nummer ECLI:NL:RVS:2016:2745.

2 De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5455.

3 Zie de uitspraak van de ABRvS van 22 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0092.