Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:428

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
429508 / HA RK 16-307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 429508 / HA RK 16-307

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 27 januari 2017


op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker),

advocaat: mr. Mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 19 december 2016 tijdens de enkelvoudige mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer C/16/427529 / FA RK 16/7389 door verzoeker gedane wrakingsverzoek;

  • -

    het door de wrakingskamer nadien ontvangen proces-verbaal van voormelde zitting;

  • -

    de schriftelijke reactie van 3 januari 2017 van mr. P.K. Nihot.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 13 januari 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker en mr. Nihot. Mr. Menick heeft kort voor de mondelinge behandeling gemeld niet aanwezig te kunnen zijn wegens ziekte. Verzoeker heeft desgevraagd gemeld het belangrijk te vinden dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek wordt voortgezet, ondanks de afwezigheid van zijn raadsman.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Nihot als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter) in de zaak met zaaknummer C/16/427529 / FA RK 16/7389. De zaak betreft het verzoek van de officier van justitie van 21 november 2016 tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in de Van der Hoeven Kliniek te Utrecht.

2.2.

Op 19 december 2016 is het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf door de rechter behandeld. In het proces-verbaal van de zitting staat onder meer:

“De betrokkene (lees: verzoeker, wrakingskamer) verklaart in reactie op de toelichtingen:

Hoe zit het met het onderzoek naar de zaak Vaatstra? Ik wil dat eerst weten. Gerechtelijke dwaling. Ik heb dit boek - betrokkene laat het boek ‘Het Vaatstra-complot’ van Wim Dankbaar zien – gelezen. Ik wraak u. De rechterlijke macht is betrokken. Er is valselijk toestemming gegeven voor een onderzoek naar het overlijden van mijn moeder. Ik ben in 2013 onterecht aangehouden in Duitsland. De rechterlijke macht is niet onafhankelijk en onpartijdig. De rechterlijke macht is bevooroordeeld.

De betrokkene verklaart in reactie op het verzoek van de rechter om gronden voor de wraking aan te geven die op hem als rechter betrekking hebben:

Als gronden voor het wrakingsverzoek die u betreffen noem ik dat u ingaat op randzaken, als nu het verzoek tot de machtiging tot voortgezet verblijf, in plaats van op de door mij genoemde hoofdzaken. Ik raak voor het leven gedupeerd.”

2.3.

Ter toelichting op het wrakingsverzoek heeft verzoeker op de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gemeld het met justitie te hebben gehad en geen vertrouwen meer te hebben in de rechtspraak alsmede volledige inzage in het dossier van zijn overleden moeder te willen hebben. Ook heeft verzoeker de tekst op de achterflap van het boek ‘het Vaatstra-complot’ voorgelezen.

2.4.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij dat verzoeker op grond van de omstandigheid dat hij verzoeker een aantal maal onderbroken heeft in een relaas dat niet direct betrekking had op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, kennelijk aanleiding gezien heeft om te veronderstellen dat hij niet onpartijdig was. De rechter geeft in zijn reactie aan dat hij met zijn interventies gestreefd heeft naar een ordelijk verloop van de zitting en dat hij meent dat de interventies op respectvolle wijze zijn gedaan en verzoeker voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Het standpunt van verzoeker dat hij geen vertrouwen heeft in de rechtspraak in het algemeen, heeft verzoeker tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek opnieuw naar voren gebracht. Gelet op het bepaalde in art. 36 Rv, kan dit geen grond zijn voor wraking van de (zaaks)rechter.

3.5.

Aangezien verzoeker niet gesteld heeft dat er sprake is van enig persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker, zal slechts worden onderzocht of verzoeker in objectieve zin reden heeft te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.6.

Ter zitting van 19 december 2016 was aan de orde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. De daadwerkelijke behandeling van een dergelijk verzoek kan dan ook niet worden aangemerkt als een randzaak. Uit het proces-verbaal van die zitting en het (onweersproken) verweer van de rechter blijkt dat de rechter verzoeker ter zitting voldoende gelegenheid heeft gegeven zijn standpunt naar voren te brengen. Van concrete feiten of omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid is derhalve niet gebleken.

3.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer C/16/427529 / FA RK 16/7389 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, en mr. G.J.J.M. Essink en mr. N.E.M. Kranenbroek als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. T. Stokvis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.