Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4224

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
C/16/441364 / KG ZA 17-467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Inbreuk op privacy door opnames met camera's en een drone. Geen rechtvaardigingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/441364 / KG ZA 17-467

Vonnis in kort geding van 25 augustus 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

en

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. T.A. Timmermans te Rhenen .

De eisende partij zal hierna [eiser] genoemd worden. De gedaagde partijen zullen gezamenlijk [eisers c.s.] genoemd worden en afzonderlijk [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van 26 juli 2017 met producties I tot en met III,

– een nagekomen productie IV van [eiser] ,

– de eis in reconventie van [eisers c.s.] , op voorhand toegestuurd bij brief van hun advocaat van 8 augustus 2017,

– de mondelinge behandeling op 10 augustus 2017,

– de ter zitting ingediende wijziging van eis in conventie,

– de pleitnota van [eiser] ,

– de pleitnota tevens eis in reconventie van [eisers c.s.]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een onroerende zaak staande en gelegen te [woonplaats] , die plaatselijk bekend is als [adres 1] en kadastraal als Gemeente [woonplaats] , [nummer 2] . [eiser] woont hier tezamen met zijn gezin.

2.2.

[gedaagde 1] is eigenaar van een onroerende zaak staande en gelegen te [woonplaats] , die plaatselijk bekend is als [adres 2] en kadastraal als Gemeente [woonplaats] , [nummer 3] [gedaagde 1] woont hier tezamen met zijn echtgenote, [gedaagde 2] .

2.3.

[gedaagde 1] heeft zijn genoemde onroerende zaak in juni 2015 gekocht van [eiser] en diens twee broers. Het perceel is vervolgens ook aan hem geleverd. Over deze koop zijn tussen [gedaagde 1] enerzijds en [eiser] en zijn broers anderzijds geschillen gerezen. Over deze geschillen is bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig. De verhouding tussen de betrokken partijen is door deze geschillen vertroebeld geraakt.

2.4.

Het perceel van [gedaagde 1] ligt aan de openbare weg, de [adres 2] , en is vanaf die weg toegankelijk. Het perceel van [eiser] ligt aan de achterzijde van het perceel van [gedaagde 1] en de beide percelen grenzen daar aan elkaar. Het perceel van [eiser] heeft geen toegang aan de openbare weg, maar is bereikbaar via een zandpad dat vanaf de [adres 2] langs de zijkant van het perceel van [gedaagde 1] en vervolgens langs het perceel van [eiser] doorloopt naar een camping. De inrit naar het perceel van [eiser] ligt aan dit zandpad. Het zandpad is eigendom van een derde, de heer [A] (hierna: [A] ) en is niet opengesteld voor verkeer. Aan [eiser] is een recht van overpad verleend om over het zandpad van en naar de [adres 2] te komen en te gaan. Ook bezoekers van de camping mogen het zandpad gebruiken om van en naar de camping te komen en te gaan.

2.5.

Geheel aan de achterzijde van het perceel van [gedaagde 1] , tegen de erfgrens met het perceel van [eiser] , bevindt zich aan de zijde van het zandpad een tweede toegang tot het perceel van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] gaat ervan uit dat ook hij een recht van overpad heeft om over het zandpad naar deze tweede toegang tot zijn perceel te gaan, maar [A] heeft dit betwist. Ook over dit geschil is een procedure aanhangig.

2.6.

De inrit naar het perceel van [eiser] volgt direct op de genoemde tweede toegang tot het perceel van [gedaagde 1] .

2.7.

[eisers c.s.] hebben op enig moment aan de achterzijde van hun perceel, onder meer bij de tweede toegang, enkele mobiele camera's aangebracht. Volgens [eiser] waren deze camera's gericht op zijn perceel en maakten [eisers c.s.] daarmee inbreuk op zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (hierna ook kort aangeduid als: zijn recht op privacy) en dat van zijn gezin en zijn bezoekers. Om die reden heeft hij [eisers c.s.] gesommeerd de camera's te verwijderen. [eisers c.s.] hebben aan deze sommatie aanvankelijk niet voldaan.

2.8.

[eisers c.s.] hebben onlangs vanaf hun perceel een drone laten vliegen tot boven het perceel van [eiser] . [eiser] heeft [eisers c.s.] daarop gesommeerd zich voortaan van dergelijke praktijken te onthouden.

2.9.

Op 26 juli 2017 heeft gerechtsdeurwaarder C.J. de Man (hierna: de deurwaarder) op verzoek van [eiser] een proces-verbaal van constatering opgemaakt, waarin de deurwaarder heeft vermeld – kort weergegeven – dat hij op het perceel van [eisers c.s.] de aanwezigheid van vier camera's heeft geconstateerd, aangeduid als C1, C2, C3 en C4. Op een aan dit proces-verbaal gehechte kadastrale kaart heeft hij aangegeven waar deze camera's zich bevonden. Ook heeft hij foto's van de camera's gemaakt, die hij eveneens aan het proces-verbaal heeft gehecht. [eiser] heeft dit proces-verbaal overgelegd als productie IV.

2.10.

[eisers c.s.] hebben onlangs de camera's aangeduid als C1, C2 en C3 verwijderd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] heeft ter zitting een wijziging van zijn eis ingediend. [eisers c.s.] hebben tegen deze eiswijziging als zodanig geen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter gaat uit van deze gewijzigde eis.

3.2.

[eiser] vordert na wijziging van zijn eis – samengevat – het volgende:

a. a) veroordeling van [eisers c.s.] om binnen een bepaalde termijn alle camera's gericht op het erf van [eiser] , waaronder begrepen het zandpad, te verwijderen en verwijderd te houden,

en

b) [eisers c.s.] te verbieden om op andere wijzen, onder meer door het laten vliegen van een drone, opnames te maken van het erf van [eiser] ,

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom,

met hoofdelijke veroordeling van [eisers c.s.] in de kosten van dit geding in conventie.

3.3.

[eisers c.s.] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[eisers c.s.] vorderen – samengevat – veroordeling van [eiser] om binnen een bepaalde termijn op straffe van verbeurte van een dwangsom alle aanwezige camera's te verwijderen en verwijderd te houden, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

4.2.

[eiser] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Gelet op het karakter van een kort geding is allereerst van belang dat [eisers c.s.] als formeel verweer hebben aangevoerd – kort weergegeven – dat in de gegeven omstandigheden de spoedeisendheid aan de vordering van [eiser] ontbreekt.

5.2.

Dit verweer treft geen doel. Naar [eiser] stelt, ziet zijn vordering op opnames die [eisers c.s.] zonder zijn toestemming met hun camera's en op andere wijzen maken en hebben gemaakt van zijn woning en de omgeving daarvan. Daarmee maken [eisers c.s.] volgens hem inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan van belang dat volgens de wet een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en dat volgens vaste rechtspraak een onrechtmatige inbreuk op dat recht in beginsel een onrechtmatige daad vormt. Een vordering tot ongedaanmaking van een dergelijke inbreuk moet dan naar zijn aard als spoedeisend worden beschouwd.

5.3.

De inhoudelijke beoordeling van het geschil kan dan aan de orde komen.

5.4.

Inhoudelijk omvat de vordering twee onderdelen, te weten – kort gezegd – 1) een veroordeling om de geplaatste camera's te verwijderen en verwijderd te houden, en 2) een verbod om opnames van het erf van [eiser] te maken op andere wijzen dan met de genoemde camera's. Deze onderdelen komen hierna afzonderlijk aan de orde.

Ten aanzien van de camera's

5.5.

Op dit punt moet eerst aan de orde komen dat [eisers c.s.] inhoudelijk verweer hebben gevoerd tegen de eiswijziging van [eiser] . Deze wijziging houdt in dat [eisers c.s.] niet alleen, zoals oorspronkelijk gevorderd, de camera's gericht op het erf van [eiser] moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, maar ook camera's die gericht zijn op het zandpad. Dit laatste kan [eiser] volgens [eisers c.s.] niet vorderen, omdat het zandpad geen deel uitmaakt van zijn erf.

5.6.

Dit verweer faalt. [eisers c.s.] hadden bij de onder 2.5 genoemde tweede toegang, de toegang tot hun achtererf, twee camera's bevestigd die op het zandpad waren gericht. Deze camera's zijn door de deurwaarder in het onder 2.9 vermelde proces-verbaal aangeduid als C1 en C2. Camera C1 was op het zandpad gericht in de richting van de [adres 2] , en camera C2 in de andere richting, dus van de [adres 2] àf. Van deze camera's heeft [eiser] camerabeelden overgelegd (in productie III bij dagvaarding), die door [eisers c.s.] niet zijn weersproken. Op deze camerabeelden zijn gezichten van personen duidelijk herkenbaar. Uit deze camerabeelden blijkt dat camera C2 behalve het zandpad ook de inrit naar het perceel van [eiser] in beeld bracht en dus mede gericht was op het erf van [eiser] (perceel [perceel] ). Camera C1 bracht weliswaar niets van het erf van [eiser] in beeld, maar registreerde daarmee wel mede alle personen en voertuigen die zich naar de woning en het erf van [eiser] begeven of daar vandaan vertrekken, aangezien die woning en dat erf uitsluitend via het zandpad bereikbaar zijn en die personen en voertuigen daarvoor steeds de toegang tot het achtererf van [eisers c.s.] moeten passeren. De vordering zoals deze door [eiser] is gewijzigd zal dan ook door de voorzieningenrechter worden beoordeeld.

5.7.

Aan de orde komt dan dat de vordering zowel ziet op het verwijderen van alle camera's van [eisers c.s.] die gericht zijn op het erf van [eiser] en het zandpad, als op het verwijderd houden van die camera's. Ter zitting hebben echter zowel [eiser] als [eisers c.s.] meegedeeld dat de camera's die door de deurwaarder in het proces-verbaal van constatering zijn aangeduid als C1, C2 en C3, inmiddels door [eisers c.s.] zijn verwijderd. Ten aanzien van de camera die de deurwaarder heeft aangeduid als C4 en die zich zou bevinden achter een raam van de houten schuur van [eisers c.s.] , heeft [gedaagde 2] ter zitting verklaard dat dit geen camera is, maar een sterrenkijker, die zij daar had opgeborgen. Zij heeft daarbij aan partij [eiser] en aan de voorzieningenrechter een foto getoond van die sterrenkijker, die zij voor dat doel uit de houten schuur had gehaald. [eiser] heeft daarop gesteld dat dit apparaat verder buiten beschouwing kan blijven. Voor zover [eiser] in de dagvaarding en op het overzicht in zijn productie III nog een vijfde camera heeft vermeld, heeft de deurwaarder de aanwezigheid van die camera niet geconstateerd en is [eiser] daarop ter zitting niet meer teruggekomen.

5.8.

Nu hieruit volgt dat alle camera's die op het erf van [eiser] en het zandpad waren gericht, reeds zijn verwijderd, heeft [eiser] geen belang meer bij zijn vordering voor zover deze ziet op dat verwijderen zelf.

5.9.

De gevorderde veroordeling op dit punt zal dan ook worden afgewezen.

5.10.

De voorzieningenrechter moet dan nog beoordelen of [eisers c.s.] gehouden zijn om de camera's waar het hier om gaat, ook verwijderd te houden. Op dit punt is het volgende van belang.

5.11.

Zoals hiervoor onder 5.2 reeds is vermeld, stelt [eiser] dat hij [eisers c.s.] geen toestemming heeft gegeven voor het maken van opnames van zijn woning en erf. Nu dit door [eisers c.s.] niet is weersproken, maken [eisers c.s.] , volgens vaste rechtspraak, met opnames van de persoonlijke leefomgeving van [eiser] onrechtmatig inbreuk op zijn recht op privacy.

5.12.

Volgens diezelfde rechtspraak moet dan beoordeeld worden of er sprake is van een zodanige rechtvaardigingsgrond aan de zijde van [eisers c.s.] dat deze aan de bedoelde inbreuk het onrechtmatige karakter ontneemt. Of er sprake is van een zodanige rechtvaardigingsgrond, moet volgens de genoemde rechtspraak beoordeeld worden in het licht van alle omstandigheden van het geval, waarbij een afweging van de belangen van partijen mede van belang kan zijn. Er dient voldaan te worden aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.13.

In dit kader acht de voorzieningenrechter allereerst van belang dat partijen het niet eens zijn over het doel waarvoor [eisers c.s.] de camera's hebben geplaatst. Volgens [eisers c.s.] hebben zij de camera's – kort gezegd – ter beveiliging van zich zelf en hun eigendommen geplaatst. Dit is door [eiser] betwist omdat volgens hem de camera's duidelijk op zijn erf zijn gericht, terwijl die camera's ten behoeve van het door [eisers c.s.] gestelde doel van beveiliging op hun eigen erf gericht hadden kunnen worden en zij voorts ook op andere manieren hun eigendommen kunnen beschermen.

5.14.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat [eisers c.s.] de camera's ten behoeve van de door hen gestelde beveiliging hebben aangebracht en niet om [eiser] daarmee te bespieden. Niet alleen hebben [eisers c.s.] dit ter zitting uitdrukkelijk gesteld, maar zij hebben daarbij ook nader gesteld dat zij tot die plaatsing van de camera's zijn overgegaan nadat gebleken was 1) dat onbevoegden zich via het zandpad toegang hadden verschaft tot het achtererf van hun perceel, en 2) dat de plaatselijke politie op melding daarvan niet of veel te laat reageerde. Deze nadere stelling heeft [eiser] vervolgens niet weersproken. Verder heeft [gedaagde 2] ter zitting een verklaring gegeven als antwoord op de vraag van [eiser] waarom de camera's dan niet op het eigen erf van [eisers c.s.] waren gericht als beveiliging daarvan de bedoeling was. Volgens die verklaring heeft [gedaagde 2] de camera's, nadat zij die zelf had gekocht, ook zelf met plakband bevestigd op de plaatsen waarvan zij zelf dacht dat dit voor de beoogde beveiliging goed was. Daarbij heeft de advocaat van [eisers c.s.] nader toegelicht dat zij als leek die camera's had geplaatst en dat zij toen nog geen idee had van mogelijke consequenties voor de privésfeer van [eiser] .

5.15.

Duidelijk is dat er onder deze omstandigheden aan de zijde van [eisers c.s.] geen sprake was van de onder 5.12 bedoelde rechtvaardigingsgrond voor het plaatsen van camera's die (mede) gericht waren op het erf van [eiser] en het zandpad. [eisers c.s.] hebben ook verder niets gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zij enig belang en daarmee een mogelijke rechtvaardigingsgrond hadden voor het plaatsen van de camera's in die richtingen.

5.16.

Nu hieruit volgt dat [eisers c.s.] met alle camera's in kwestie onrechtmatig inbreuk hebben gemaakt op het recht op privacy van [eiser] , zijn zij gehouden om die onrechtmatige inbreuk, die met het verwijderen van die camera's inmiddels is geëindigd, niet meer te hervatten, en daarmee dus om camera's gericht op het erf van [eiser] en op het zandpad in het vervolg verwijderd te houden.

5.17.

De gevorderde veroordeling zal in zoverre dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van andere wijzen waarop opnames van het erf van [eiser] worden gemaakt

5.18.

Zoals hiervoor onder 3.2 is vermeld, vordert [eiser] op dit punt dat [eisers c.s.] wordt verboden om op andere wijzen dan met de hiervoor genoemde camera's, daaronder onder meer begrepen door het laten vliegen van een drone, opnames van zijn erf te maken. Hij stelt als grond voor dit verbod dat [eisers c.s.] ook daadwerkelijk op andere wijzen dan met die camera's onrechtmatig inbreuk hebben gemaakt op zijn recht op privacy, te weten 1) doordat [gedaagde 2] vanuit haar auto, geparkeerd op het zandpad, zijn woning heeft gefilmd, en 2) doordat [eisers c.s.] boven zijn erf een drone hebben laten vliegen en daarmee opnames van zijn erf en de daar aanwezige personen hebben gemaakt. Hij heeft dan ook recht op en belang bij het gevorderde verbod, aldus [eiser] .

5.19.

Ten aanzien van het gestelde filmen hebben [eisers c.s.] niet betwist dat [gedaagde 2] op de door [eiser] gestelde wijze filmopnames heeft gemaakt van de woning van [eiser] .

5.20.

Ten aanzien van de drone hebben [eisers c.s.] gesteld te erkennen dat zij de drone ten onrechte over de erfgrens heen, dus boven het erf van [eiser] , hebben laten vliegen. Zij hebben daaraan toegevoegd dat zij dit in het vervolg zullen nalaten en de erfgrens zullen respecteren. [eisers c.s.] hebben daarbij echter tevens als verweer aangevoerd dat hen niet kan worden verboden een drone boven hun eigen erf te laten vliegen en opnames te maken van hun eigen zaken. Dit onderdeel van de vordering moet volgens hen dan ook worden afgewezen.

5.21.

Dit verweer van [eisers c.s.] treft geen doel. Zij zien eraan voorbij dat het hier niet gaat om de vraag boven wiens terrein die drone vliegt, maar enkel om de vraag welke opnames met die drone worden gemaakt. Van die opnames hangt immers af of daarmee al dan niet inbreuk wordt gemaakt op iemands recht op privacy. Anders dan [eisers c.s.] volgens hun stellingen ter zitting hebben aangenomen, ziet het door [eiser] gevorderde verbod dan ook niet op het gebruiken van een drone, maar op het “...opnames … maken van het erf van eiser”, met als nadere specificering de wijzen waarop die opnames worden gemaakt, te weten andere wijzen dan met camera's, onder meer met een drone. Daarbij komt dat – anders dan [eisers c.s.] stellen – het laten vliegen van een drone boven het eigen erf van [eisers c.s.] nog geenszins meebrengt dat de reikwijdte van de opnames dan beperkt blijft tot hun eigen zaken. Een drone geeft immers, anders dan een camera, een zogeheten bird's eye view ofwel vogelvluchtperspectief, waardoor gemaakte opnames, ook bij vliegen boven het eigen terrein van [eisers c.s.] , verder kunnen reiken dan dit terrein zelf en in dat geval dus eveneens inbreuk kunnen maken op het recht op privacy van personen buiten dit terrein.

5.22.

Uit het voorgaande volgt 1) dat de door [eiser] gestelde wijzen waarop [eisers c.s.] opnames van zijn erf hebben gemaakt, te weten met een filmcamera en met een drone, zijn komen vast te staan, en 2) dat [eisers c.s.] daarmee onrechtmatig inbreuk hebben gemaakt op het recht op privacy van [eiser] , nu, enerzijds, [eiser] daarvoor – zoals onder 5.2 vermeld – geen toestemming had gegeven, en, anderzijds, [eisers c.s.] niets hebben gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zij een rechtvaardigingsgrond hadden voor het maken van de opnames op deze beide wijzen en daarmee voor het maken van die onrechtmatige inbreuk.

5.23.

[eiser] heeft dan een gerechtvaardigd en voldoende zwaarwegend belang bij het gevorderde verbod. De voorzieningenrechter zal dit verbod dan ook toewijzen.

Ten aanzien van de vordering in conventie als geheel

5.24.

Zoals hiervoor onder 5.9 is vermeld, wordt de vordering in conventie afgewezen voor zover het gaat om het verwijderen van de camera's.

5.25.

Uit de overwegingen 5.17 en 5.23 volgt dat de vordering voor het overige wordt toegewezen.

5.26.

De daarbij gevorderde dwangsom is als zodanig toewijsbaar en zal als gevorderd worden toegewezen, met dien verstande dat het gevorderde maximum tot het hierna te bepalen bedrag zal worden gematigd.

Ten aanzien van de proceskosten

5.27.

Nu uit al het voorgaande volgt dat de vordering in conventie op twee van de drie punten zal worden toegewezen, is [eiser] als de grotendeels in het gelijk gestelde partij te beschouwen. [eisers c.s.] zullen dan als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding in conventie. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

– dagvaarding € 97,31 incl. BTW

– griffierecht € 287,00

– salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.200,31

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[eisers c.s.] stellen als grond voor hun vordering dat [eiser] op zijn terrein camera's heeft aangebracht die zodanig zijn opgesteld dat zij mede gericht zijn op hun erf, het erf van [eisers c.s.] Volgens hen maakt [eiser] daarmee inbreuk op hun recht op privacy, aangezien [eiser] met die camera's elke beweging en verplaatsing op hun terrein kan waarnemen.

6.2.

[eiser] stelt daartegenover dat hij weliswaar twee camera's aan zijn woning heeft aangebracht, te weten één aan de voorzijde van zijn woning en de andere aan de achterzijde ervan, maar de camera aan de voorzijde is volgens hem een dummy, dat wil zeggen een niet-werkende camera waarmee dus geen opnames gemaakt kunnen worden, en de camera aan de achterzijde is wel een werkende camera, maar die is volgens hem uitsluitend op zijn eigen erf gericht.

6.3.

[eisers c.s.] hebben hierop nog nader gesteld dat [gedaagde 2] een keer bij [eiser] is langs geweest en daarbij heeft geconstateerd dat de beide camera's werkten.

6.4.

Daarop heeft [eiser] vervolgens nog nader gesteld dat de politie reeds had geconstateerd dat de camera aan de voorzijde niet werkt. Ook [eisers c.s.] mogen langskomen om te zien dat het een dummy is, aldus [eiser] .

6.5.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Voldoende aannemelijk is dat de camera aan de achterzijde van de woning van [eiser] uitsluitend op zijn eigen erf is gericht, nu [eisers c.s.] de stelling van [eiser] op dit punt niet hebben weersproken. Met deze camera maakt [eiser] dus geen inbreuk op het recht van [eisers c.s.] op privacy.

6.6.

Het geschil betreft dan alleen nog de vraag of de camera aan de voorzijde van de woning van [eiser] een werkende camera is, en indien dat het geval is, of [eiser] daarmee inbreuk maakt op het recht van [eisers c.s.] op privacy.

6.7.

Ten aanzien van de vraag of de bedoelde camera een werkende camera is, hebben [eisers c.s.] weliswaar gesteld dat [gedaagde 2] zelf het werken van die camera had geconstateerd, maar [eiser] heeft daarop gemotiveerd betwist dat die camera werkte en [eisers c.s.] hebben vervolgens niets naders gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat [gedaagde 2] ook daadwerkelijk het werken van die camera had geconstateerd. Anderzijds heeft ook [eiser] zijn stelling dat de politie het niet-werken van die camera had geconstateerd, niet nader onderbouwd. Hieruit volgt dat zonder nader onderzoek – waarvoor in dit kort geding geen plaats is – niet kan worden vastgesteld of de bedoelde camera al dan niet een werkende camera is.

6.8.

Dit leidt tot de slotsom dat aan de vordering van [eisers c.s.] een voldoende grond ontbreekt.

6.9.

De voorzieningenrechter zal de vordering in reconventie dan ook afwijzen.

6.10.

[eisers c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding in reconventie. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 408,00 voor salaris advocaat.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie:

7.1.

wijst de vordering af voor deze ziet op het verwijderen van camera’s;

7.2.

veroordeelt [eisers c.s.] om alle camera's die gericht zijn op het erf van [eiser] en op het zandpad, verwijderd te houden;

7.3.

verbiedt [eisers c.s.] om opnames te maken van het erf van [eiser] op andere wijzen, daaronder onder meer begrepen het laten vliegen van een drone;

7.4.

bepaalt dat [eisers c.s.] , indien zij niet voldoen aan de onder 7.2 vermelde veroordeling of aan het onder 7.3 vermelde verbod, een dwangsom verbeuren van € 250,00 per dag, totdat een maximum is bereikt van € 10.000,00;

7.5.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat indien één van hen betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding in conventie, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.200,31;

in reconventie:

7.6.

wijst de vordering af;

7.7.

veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat indien één van hen betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van dit geding in reconventie, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van [eiser] begroot op € 408,00;

in conventie en in reconventie:

7.8.

verklaart de onderdelen 7.2 tot en met 7.5 en 7.7 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

7.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2017.1

1 type: YT (4190) coll: