Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4199

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
5646767
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hogeschool verzoekt ontbinding arbeidsovereenkomst met docent op grond van verwijtbaar handelen. Hij zou zich tegenover 2 leidinggevenden hebben misdragen. Na bewijslevering is werkgever in het bewijs geslaagd. Ontbinding. Geen transitievergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1099

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5646767 UE VERZ 17-16 PK/1097

Beschikking van 18 augustus 2017

inzake

de stichting

Hogeschool Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen de HU,

verzoekende partij,

verwerende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A.W. Haverkort,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M. de Leeuw.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de HU, ter griffie ingekomen op 12 januari 2017;

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] , tevens bevattende (voorwaardelijke) tegenverzoeken, ter griffie binnengekomen op 14 maart 2017;

  • -

    2 brieven van mr. Haverkort van 12 januari 2017;

  • -

    de brief van mr. De Leeuw van 20 maart 2017;

  • -

    de pleitnota van mr. Haverkort;

  • -

    de pleitnota van mr. De Leeuw;

  • -

    de beschikking van 12 april 2017, waarin aan beide partijen bewijsopdrachten zijn gegeven;

  • -

    de brief van mr. Haverkort van 13 juni 2017;

  • -

    het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de zijde van beide partijen van 21 juni 2017;

  • -

    de akte na enquête van beide partijen van 12 juli 2017;

  • -

    de antwoordakte, tevens akte indiening productie van [verweerder] van 31 juli 2017;

  • -

    de antwoordakte van de HU van 1 augustus 2017.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [1952] , is sinds [2008] in dienst van de HU, laatstelijk als Hogeschooldocent. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Het salaris bedroeg laatstelijk € 3.505,17 (de HU) dan wel € 4.008,80 ( [verweerder] ) bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, bij een aanstelling van 0,8 fte. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de cao-hbo.

2.2.

Op 16 november 2016 is [verweerder] door het College van Bestuur van de HU op de voet van artikel P-1 lid 1 cao-hbo geschorst. Bij beslissing van 12 juni 2017 heeft de Commissie van Beroep Onderwijsgeschillen het bezwaar van [verweerder] tegen deze schorsing ongegrond verklaard. De Commissie heeft daarbij overwogen dat in dit geval sprake is van een ordemaatregel, en niet om schorsing als disciplinaire maatregel. Aan de werkgever komt daarom volgens de Commissie een grote mate van beleidsvrijheid toe.

3 Het verzoek en de tegenverzoeken

Het ontbindingsverzoek van de HU

3.1.

De HU verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub e (primair), g (subsidiair) dan wel d (meer subsidiair) Burgerlijk Wetboek (BW) om zo spoedig mogelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW ligt herplaatsing volgens de HU niet in de rede.

3.2.

De HU heeft samengevat het volgende aangevoerd.

Binnen de HU is het HU Center of Enterpreneurship (ook wel [project] genoemd) opgericht met als doel het ondernemerschapsonderwijs binnen de HU te verduurzamen. Vanaf [2015] is [verweerder] hiervoor werkzaam. Hij is een goede en zeer bevlogen docent. Over het algemeen zijn de evaluaties van studenten positief. In de omgang met leidinggevenden en collega’s gedraagt [verweerder] zich echter niet zoals van een goed werknemer kan worden verwacht. Hij duldt geen enkele sturing en/of autoriteit. Sterker nog: hij stelt zich richting zijn leidinggevenden regelmatig op alsof zij niet zijn leidinggevenden maar zijn ondergeschikten zijn. De afgelopen jaren hebben verscheidene leidinggevenden de ondervonden problemen in houding en gedrag met hem bespreekbaar gemaakt. De reacties van [verweerder] variëren van nonchalant tot arrogant en zelfs bedreigend.

3.3.

De HU noemt de volgende incidenten:

  1. in een functioneringsgesprek op [2013] is [verweerder] erop aangesproken dat hij in een teamoverleg heeft aangegeven geen mentorbijeenkomsten te willen organiseren; zijn leidinggevende vond dit niet acceptabel omdat dit een wezenlijk onderdeel was van de mentoraatslijn, waarop [verweerder] volgens het verslag heeft gezegd dat het hem niet interesseert wat anderen van hem vinden en dat hij op afroep aanwezig is; dit was naar het oordeel van de leidinggevende niet acceptabel;

  2. ij e-mailbericht van 31 mei 2015 verzocht de toenmalige leidinggevende van [verweerder] , [A] , aan zijn team om eventuele input voor de te houden beoordelingsgesprekken aan hem toe te sturen; [verweerder] antwoordt hierop per e‑mail:

"Deze mail begrijp ik eigenlijk niet. Wij leren studenten en ik meen mij zoiets ook te herinneren uit mijn ervaring in het bedrijfsleven dat een beoordelingsgesprek toch echt een eenzijdige happening is. Ik ben toch wat verbaasd over dit democratische uitgangspunt van een organisatie die allesbehalve democratisch is.

Het dunkt mij dat er wat betreft mijn functioneren de nodige ingrediënten op tafel liggen, die slechts een kant uitwijzen: een uitmuntende beoordeling met daaraan verbonden 2 periodieken - los van die ene 1/1 jl - en een gratificatie van € 5000”;

in het vervolgens gehouden beoordelingsgesprek heeft [A] [verweerder] een goede beoordeling gegeven, waarop [verweerder] echt razend werd, opstond, wijdbeens en met opgeheven armen schreeuwde "volkomen onacceptabel, schandalig, ik ben uitmuntend" of woorden van die strekking, waarna hij woedend wegliep;

de directrice van [verweerder] , mevrouw [C] , heeft [verweerder] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek met haar en [A] , omdat weglopen uit een beoordelingsgesprek richting een leidinggevende "sowieso geen optie” is; [verweerder] antwoordt vervolgens:

"Ik begrijp best dat er iets van een gesprek moet komen. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het reeds achter me had gelaten. Het verbaast me wel dat jij het initiatief neemt. Het lijkt mij dat dit iets is van de teamleider of van mij”, waarop [C] antwoordt:

"Ik heb het initiatief genomen, omdat ik als instituutsdirecteur [D] (daar valt [afdeling] onder) je gedrag onacceptabel vind. Jij bepaalt ook niet met wie je een gesprek voert, dat doe ik in dit geval”;

in april 2016 is mevrouw [E] leidinggevende van [verweerder] geworden; naar aanleiding van een ruzie tussen [verweerder] en een collega mailt zij op 26 oktober 2016 aan [verweerder] :

"Ik wil jullie met klem verzoeken daarom een pas op de plaats te maken, want het is nu niet de bedoeling dat jullie nu alle kanten op gaan rennen”,

waarop [verweerder] antwoordt:

"Ik ben werkelijk verbaasd en verbijsterd over jouw mail. Dat toontje. Intens treurig. Geeft waarlijk blijk van weinig begrip van de situatie en onze rol daarin”;

naar aanleiding van een onduidelijkheid over de financiering van het inzetten van een docent mailt [verweerder] op 15 november 2016 om 14:41 uur aan [E] :

"Ha [E] , Regel jij dit verder met [F] . Hij is docent bij CE maar kennelijk moet er een modelovk aan te pas komen". [E] antwoordt om 18:25 uur: "Hallo [verweerder] , Graag duidelijker afstemmen wat er aan de hand is. Waar gaat dit over? Gaat het over de minor? Of gaat het over iets anders? Jij gaf in het overzicht van de minor aan dat [F] een interne medewerker is van de FEM. Kan ik uit onderstaande concluderen dat dit dus niet zo is? Uren zijn ook anders dan in eerdere overzicht. Ik vind het vervelend om met dit soort zaken achteraf geconfronteerd te worden";

[verweerder] mailt om 19:38 uur:

" [E] , Ik ben niet gediend van de toontje. Dit is ook de tweede keer in korte tijd dat ik jou daarop betrap en wijs. En het lijkt me uiterst handig dat je daarmee stopt”;

[E] e-mailt vervolgens op 15 november 2016 om 19:50 uur:

"Meen je dit nu serieus [verweerder] ? Misschien kun je vragen waarom ik op deze manier reageer? En misschien kun je kijken wat je zelf kunt doen om mijn reactie te voorkomen. Hiervoor moeten we allebei moeite doen om in elkaar te verdiepen. Dat lijkt mij handiger dan te stellen wat ik wel en niet moet doen! Ik wil echt graag een oplossing vinden om op een leuke en goede manier met jou samen te werken. Het is duidelijk dat dit op dit moment voor jou en ook voor mij niet lekker werkt. Echt [verweerder] , ik wil het wel, maar ik vind het heel moeilijk!”;

i. diezelfde avond heeft [E] deze e-mailwisseling doorgestuurd naar [C] :

"Sorry [C] … ik kon het niet laten om toch via mail een woordenwisseling met [verweerder] te voeren. Ik voel mij door [verweerder] soms (zoals nu ook in deze e-mail) als een administratief hulpje behandeld";

op 16 november 2016 was een werkoverleg (hei-sessie) tussen onder anderen [C] , [E] en [verweerder] gepland in [bar] te Utrecht; gelet op eerdergenoemde e-mailberichten van de avond tevoren van [verweerder] aan [E] verzocht [C] [verweerder] die ochtend direct na zijn aankomst om even met haar mee te lopen naar een andere kamer; daar heeft zij hem gezegd dat zij zijn e-mailbericht van de vorige avond aan [E] onacceptabel vond; zij verzocht hem naar huis te gaan om na te denken over zijn gedrag richting zijn leidinggevende [E] ; [verweerder] reageerde daarop zeer intimiderend en agressief/dreigend; hij liep op haar toe, waarop ook zij ging staan; hij kwam te dicht bij haar staan, waarop zij hem verzocht een stap achteruit te zetten; zij kon dat zelf niet doen omdat zij met haar rug tegen de tafel stond; met een dreigende houding heeft hij haar vervolgens gezegd:

"ik wil dat je je mond houdt, kop dicht, belachelijk, tantetje, wie denk je wel dat je bent om mij zo aan te spreken? dit gaat een staartje voor je krijgen";

vervolgens liep hij de ruimte uit en schold hij haar uit voor

"stom kutwijf/stomme kut";

toen zij aangaf dat te hebben gehoord kwam hij op een dreigende/intimiderende manier op haar af en zei

"oh heb je dat gehoord? mooi, niemand gelooft je";

in het bijzijn van een aantal andere collega's heeft [verweerder] vervolgens tegen [C] gezegd:

"je moet nu echt je kop dicht houden";

[verweerder] heeft geen excuses aangeboden voor dit voorval;

[C] heeft diezelfde avond een schriftelijk verslag van het voorgevallene opgemaakt;

bij brief van 16 november 2016 heeft de HU [verweerder] geschorst;

nadat [verweerder] bezwaar had gemaakt tegen zijn schorsing is hij door [G] , lid van het College van Bestuur, gehoord. Bij brief van 12 december 2016 heeft [G] [verweerder] bericht dat de schorsing wordt gehandhaafd, en dat er geen basis meer is voor voortzetting van het dienstverband. Bij brief van 21 december 2016 schrijft [verweerder] vervolgens aan [G] :

"Ik moet echter ook concluderen en constateren dat de acties van de HU voor mij zeer schadelijk zijn. Het is een aaneenschakeling van onzorgvuldigheden, ongepastheid en bestuurlijke onwaardigheid. Voor deze schade houd ik de Hogeschool Utrecht en u persoonlijk als bestuur(ders) aansprakelijk, waarvan ik u verzoek goede nota te nemen".

3.4.

[verweerder] verzet zich tegen de verzochte ontbinding. Onder overlegging van diverse verklaringen en stukken onderbouwt hij dat hij inhoudelijk goed presteerde maar ook dat hij in staat was met anderen in samenwerking zaken te realiseren, ook extern.

3.5.

Met name betwist [verweerder] de door de HU gestelde feiten met betrekking tot zijn beoordeling door [A] in 2015, en met betrekking tot het voorval op 16 november 2016 (hierboven weergegeven onder 3.3 c respectievelijk j).

Volgens hem heeft [C] tegen hem op 16 november 2016 gezegd:

"Dat mailverkeer van jou komt mijn strot uit. Daar ben ik niet van gediend. Ga maar thuis nadenken hoe je met je leidinggevende om moet gaan. Spullen pakken en wegwezen".

Zij was niet bereid een gesprek met hem aan te gaan.

[verweerder] stelt dat hij zich had voorbereid op een uitgebreide hei-sessie, had daarvoor 1,5 uur gereisd vanaf zijn woning, en werd nu plots als een kleuterjongen naar huis gestuurd terwijl het praten hem geheel onmogelijk werd gemaakt. Uiteraard werd hij daardoor boos en geïrriteerd, maar hij heeft [C] beslist niet bedreigd of geïntimideerd.

3.6.

[verweerder] stelt verder dat hij mediation heeft voorgesteld, maar dat de HU daar ten onrechte steeds niet op is ingegaan. Hij is dus ook niet in de gelegenheid geweest om het geschil met [C] uit te praten.

Zijn conclusie is dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen, van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding of van ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid. Voorts is ten onrechte de mogelijkheid van herplaatsing niet onderzocht.

Het ontbindingsverzoek moet daarom worden afgewezen.

De tegenverzoeken van [verweerder]

3.7.

[verweerder] verzoekt de kantonrechter de HU te veroordelen hem toe te laten tot het verrichten van zijn werkzaamheden en het loon van € 4.008,80 bruto per maand aan hem door te betalen, alsmede voorwaardelijk, voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, de HU te veroordelen de wettelijke transitievergoeding aan hem te betalen alsmede een billijke vergoeding van € 80.000,--. Hij legt hieraan onder meer ten grondslag de door hem gestelde gang van zaken op 16 november 2016.

3.8.

De HU verzet zich tegen toewijzing van deze verzoeken.

4 De beoordeling

Het ontbindingsverzoek van de HU

4.1.

Het is voor de beoordeling van de verzoeken van beide partijen, gelet op het over een weer gevoerde verweer, van belang dat met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan wat tussen partijen is voorgevallen. De inhoud van de in het voorgaande geciteerde e‑mailwisseling tussen partijen staat als niet betwist voldoende vast. Met betrekking tot twee belangrijke door de HU gestelde voorvallen, te weten het beoordelingsgesprek in 2015 en het voorval op 16 november 2016, dient echter bewijslevering plaats te vinden. Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting kan namelijk niet worden vastgesteld of de door de HU dan wel de door [verweerder] gestelde feiten zich hebben voorgedaan. De kantonrechter heeft daarom bij tussenbeschikking van 12 april 2017 aan de HU opgedragen te bewijzen dat de door haar gestelde genoemde twee voorvallen zich hebben voorgedaan, en - voor zover beslist moet worden op zijn voorwaardelijk tegenverzoek - aan [verweerder] dat de gang van zaken op 16 november 2016 is geweest zoals híj heeft gesteld. De kantonrechter heeft daarbij op de voet van artikel 284 lid 2 Rv bepaald dat in ieder geval al degenen die op 16 november 2016 in [bar] te Utrecht aanwezig waren als getuigen dienen te worden gehoord.

4.2.

De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 21 juni 2017. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Het beoordelingsgesprek in 2015

4.3.

[A] heeft als getuige verklaard:

"2. U vraagt mij naar een voorval in 2015. Het ging om een regulier beoordelingsgesprek. Ik had de heer [verweerder] een goede beoordeling gegeven. Hij hoorde dat ter plekke voor het eerst. Wij zaten tegenover elkaar aan een tafel. Hij werd toen ontzettend boos. Hij ging staan en deed zijn handen in de lucht. Ik doe dit aan u voor. Hij zei zeer luid (of je het schreeuwen moet noemen hangt af van wanneer je vindt dat iemand schreeuwt, maar in ieder geval was het buiten proportie) ik ben uitmuntend, ik pik dit niet, althans woorden van deze strekking want de precieze woorden weet ik niet meer.

3. Hij liep toen boos weg. Ik dacht dat ik hem terugriep. Ik geloof dat hij toen inderdaad is teruggekomen. Ik weet niet meer wat wij toen besproken hebben. Ik vond het in ieder geval een zeer onprettig gesprek, ik voelde mij daar erg onprettig bij. Ik vond het gesprek dermate vervelend dat ik het aan mijn leidinggevende, [C] , heb gemeld. Er is toen een vervolggesprek geweest. Dit was met zijn drieën. Toen is het min of meer gesust.

4. Wat ik met name aan het eerste gesprek vervelend vond was niet de inhoud maar de manier waarop. Ik vond het dermate ongepast dat ik er werk van heb gemaakt".

4.4.

[C] heeft als getuige verklaard:

"3. (…) [A] ( [A] , kantonrechter) vertelde mij dat de heer [verweerder] buiten alle proportie had gereageerd op een goede beoordeling, dat hij daarbij was gaan staan en dat met zijn handen omhoog had geschreeuwd: ik verdien een uitmuntend, ik ben het er niet mee eens. [A] vertelde mij dat hij zich daarbij heel ongemakkelijk had gevoeld en zelfs een beetje geïntimideerd en hij niet wist hoe hij daarmee verder moest en mij daarom had gebeld. U zegt mij dat u heeft gelezen dat de heer [verweerder] toen uit dat gesprek zou zijn weggelopen. Dat heeft [A] toen inderdaad ook tegen mij gezegd.

4. Het klopt dat er vervolgens een gesprek tussen ons drieën is geweest. In dat gesprek heb ik de heer [verweerder] geconfronteerd met hetgeen [A] mij had gemeld. De heer [verweerder] keek me strak aan en zei in eerste instantie niets. Toen heb ik aangegeven dat ik dat gedrag zeer onprofessioneel vond; je loopt niet weg uit een beoordelingsgesprek. Ik kan mij niet herinneren of het nog een discussiepunt geweest is in dat gesprek of het zo gegaan was als [A] had gezegd. Ik heb de heer [verweerder] wel gezegd dat ik zulk gedrag niet tolereer. Hij legde toen uit dat hij vond dat hij uitmuntend functioneerde en ook als zodanig beoordeeld wilde worden. Ik heb toen gezegd dat zijn leidinggevende dat anders zag.

5. Wat ik verder nog verrassend vond was dat ik toen ik de heer [verweerder] uitnodigde voor het gesprek van hem in eerste instantie een email kreeg dat hij niet begreep waarom ik mij hier mee bezig hield".

4.5.

[verweerder] heeft als getuige verklaard:

"1. U vraagt mij naar hetgeen tussen de heer [A] en mij is voorgevallen met betrekking tot mijn beoordeling in 2015. Ik meen dat het eind juni was. Ik kwam bij hem de kamer binnen en wij hebben thee of koffie gehaald. Hij zei toen tegen mij over de beoordeling: het is goed. Ik heb toen mijn teleurstelling kenbaar gemaakt. Ik heb hem aangegeven dat ik mij in het voorgaande jaar de blubber had gewerkt, ook in mijn vrije tijd. Ik was dus zwaar teleurgesteld en dat heb ik ook gezegd. Hij zei toen opnieuw: het is goed. Hij ging toen het beoordelingsformulier voorlezen en was daar een paar minuten mee bezig. Ik heb hem toen gevraagd: ben je nu het formulier aan het voorlezen? Toen hij zei ja, zei ik: dat kan ik thuis ook wel doorlezen, geef het maar aan mij mee, dat is ook gebeurd. Toen ben ik opgestaan en heb gezegd: tot ziens. Hij zei toen ook: tot ziens en prettige vakantie.

2. U zegt mij dat de heer [A] zojuist als getuige een heel ander verhaal heeft verteld. Ik vertel het zoals het volgens mij gegaan is. Er is niks exceptioneels gebeurd. Ik maak wel vaker een gebaar met mijn handen/armen, en dat kan ik in dat gesprek ook wel hebben gedaan maar ik ben niet opgestaan. En ik heb niet met stemverheffing gesproken. Ook heb ik niet gezegd ‘ik pik dit niet’, ik heb voornamelijk mijn teleurstelling geuit.

3. U vraagt mij of meneer [A] een reden zou kunnen hebben gehad om het lelijker voor te stellen voor mij dan het in werkelijkheid is gegaan. Hij is in september 2011 teamleider geworden en wij hebben de jaren daarna best wel een gespannen verhouding gehad. Zo vroeg hij mij toen hij teamleider was geworden wat nou het meest urgente bij [afdeling] was wat er moest gebeuren, waarop ik zei: een nieuw programma schrijven. Hij bedacht allemaal argumenten om dat niet te hoeven doen. U vraagt mij of ik denk dat hij mij in 2015 heeft geprobeerd terug te pakken. Het is wat platvloers gezegd, maar zo zou je het kunnen noemen.

4. Het klopt dat er vervolgens een gesprek is geweest tussen ons beiden en mevrouw [C] . Het was op zich een prettig gesprek. We hebben daar met zijn drieën ongeveer een uur in de kamer gezeten en over de beoordeling is ongeveer een minuut gesproken. Er is niet besproken wat er nu wel of niet door mij gezegd zou zijn. Het was een geanimeerd gesprek, zo hebben we het gehad over vakantie vieren, mijn voornemen voor een trip naar Sillicon Valley en mijn hobby kunstgeschiedenis.

5. U houdt mij voor wat mevrouw [C] als getuige heeft verklaard (punt 4 van haar verklaring). Wat ik me nog weet te herinneren is dat zij tegen mij heeft gezegd dat het niet kan dat je uit een beoordelingsgesprek wegloopt. Ik heb toen niets gezegd. Ik heb toen ook niet ontkend dat ik ben weggelopen uit dat gesprek. Zoals ik zojuist heb verklaard ben ik uit dat gesprek weggegaan toen het gesprek gewoon geëindigd was".

4.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de HU in het bewijs geslaagd. De kantonrechter acht de verklaring van [A] overtuigend. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat [verweerder] zelf in een e-mail heeft geschreven dat hij uitmuntend functioneerde, en voorts dat partijen het erover eens zijn dat er een vervolggesprek met [C] is geweest. Hetgeen [C] als getuige heeft verklaard over wat [A] tegen haar heeft gezegd over het voorval komt overeen met de getuigenverklaring van [A] zelf. Verder heeft [verweerder] als getuige verklaard dat hij niet heeft ontkend dat hij toen uit dat beoordelingsgesprek is weggelopen.

4.7.

[verweerder] heeft nog opgemerkt dat de getuigenverklaring van [A] veel minder "scherp" is dan de schriftelijke verklaring die hij eerder heeft opgesteld. Ook dit maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Het is door het tijdsverloop begrijpelijk dat de latere getuigenverklaring minder stellig is dan de eerdere schriftelijke verklaring. De essentie van het verwijt aan [verweerder] is echter ook in de getuigenverklaring van [A] overeind gebleven.

Het voorval op 16 november 2016

4.8.

[C] heeft als getuige verklaard:

"6. Ik kan mij nog goed herinneren wat er vervolgens in november 2016 is gebeurd.

7. (…)

8. Ik was hier al ’s ochtends vroeg om acht uur. [E] kwam ongeveer 8.15 uur en [H] om ongeveer 8.30 uur. Hoe laat [I] kwam weet ik niet meer.

9. Ik heb toen met [E] mijn telefoongesprek met [J] van die ochtend, vlak voordat [E] arriveerde, besproken. De anderen waren er toen nog niet. Ik had [J] namelijk gepolst over mijn idee om de heer [verweerder] naar huis te sturen voor een time-out. [J] had mij gezegd dat dit inderdaad mogelijk was. Toen kwam [E] binnen en dit heb ik met haar besproken. Zij barstte toen in tranen uit. Ik heb dat zo geïnterpreteerd dat het voor haar een opluchting was dat de heer [verweerder] niet aanwezig zou zijn bij het overleg. Ik heb haar gevraagd of zij het eens was met deze actie, zij heeft toen bevestigend geantwoord.

10. Vervolgens kwamen de anderen binnen. Met hen heb ik mijn beslissing toen niet besproken. Dit alles is overigens beneden in de hal van [bar] gebeurd. Ik had daar al even zitten werken. Vervolgens zijn wij naar het zaaltje gegaan. Wij hebben toen gewacht totdat de heer [verweerder] zou arriveren, dit was rond 9.45 uur. Hij kwam het zaaltje binnen. Ik vroeg hem toen direct even mee te gaan naar een andere ruimte om met hem te praten. Hij legde zijn jas en zijn spullen in het zaaltje en liep met mij mee.

11. (…).

12. Wij zijn toen naar 4F of 4G gegaan. Ik kijk in de foto’s en zie dat het 4G moet zijn geweest. Ik ging zitten bij A. De heer [verweerder] bleef staan bij X. Ik deelde hem toen mee dat ik zijn email van de avond daarvoor aan [E] onacceptabel vond, dat ik dat niet accepteerde en hem verzocht naar huis te gaan om na te denken over zijn gedrag richting zijn leidinggevende. Verder zei ik dat wij daar volgende week een gesprek over zouden hebben over hoe hij dacht dit te gaan verbeteren.

13. Ik zat dus nog steeds en hij stond. Hij werd toen heel boos en zei, zijn armen uitspreidend, wie is hier mee begonnen!? Ik gaf toen als antwoord dat [E] alleen om verduidelijking van een email van hem had gevraagd, en dat hij daar op zo’n manier op had gereageerd en dat ik dat niet langer accepteerde. Ik heb hem nogmaals verzocht direct naar huis te gaan en de dagen daarna, donderdag en vrijdag, hierover na te denken.

14. Hij kwam toen op mij afgelopen. Ik geef(t) dit met een pijl op de foto aan. Ik ben toen ook gaan staan. Ik ben toen voor de kopse kant van de tafel gaan staan, met mijn rug naar het raam. Ik geef met A1 aan waar ik toen stond, en met X1 waar de heer [verweerder] stond. Hij kwam veel te dicht bij mij staan. Ik doe dit aan u voor. Hij stond praktisch tegen mij aan, u zegt dat ik mijn hand ongeveer 20 cm van mijn gezicht houd, dat zou kunnen kloppen. Hij raakte mij niet aan. Hij ging toen tegen mij tekeer: belachelijk tantetje! Wie denk je wel niet dat je bent dit met mij te doen! Ik vroeg hem toen drie keer een stap achteruit te gaan en de ruimte te verlaten om naar huis te gaan. Hij is toen op een gegeven moment omgedraaid en naar buiten gelopen. Er is daar een soort halletje. Hij stond toen bij X op de plattegrond. Ik liep achter hem aan en hij liep voor mij uit. Ik hoorde dat hij zei: stomme kut, stom kutwijf. Toen zei ik: [verweerder] dit heb ik ook gehoord. Waarop hij terug liep en weer heel dicht bij mij kwam staan en zei: oh heb je dat gehoord, mooi, niemand gelooft je! U zegt mij dat ik de woorden die hij in het zaaltje en op de gang gebruikte “spattend” uitsprak. Dat was inderdaad het geval.

15. Ik heb hem toen weer verzocht een stap achteruit te zetten. Hij is toen omgedraaid en is naar 4A gelopen om zijn spullen te pakken. Ik liep achter hem aan. Ik bleef toen in de deuropening bij de deurpost staan. [verweerder] ging naar zijn spullen. Ik geeft dit aan met X, dit was op of bij de kopse kant bij het raam. Ik zag dat [H] en [I] raar opkeken, want zij hadden dit voorgaande gesprek niet gezien. [I] vroeg toen aan [verweerder] : ga je weer weg. Wat [verweerder] precies zei heb ik niet precies gehoord. Ik verzocht [verweerder] toen nogmaals naar huis te gaan. Hij zei toen: jij moet nu je kop dichthouden. Hij stond toen bij zijn spullen bij het raam. De anderen zaten nog steeds op de plek die ik zojuist heb ingetekend. Ik zei toen: nee ik wil dat je nu naar huis gaat, waarop hij is vertrokken.

16. Ik zag dat [I] en [H] verbaasd waren. Ik zag dat [E] erg overstuur was. Ik heb toen [I] en [H] gevraagd even koffie te gaan drinken zodat ik met [E] kon praten. Na ongeveer 10-15 minuten zijn [I] en [H] terug gekomen. Ik heb toen in de tussentijd [E] verteld wat er zojuist was gebeurd, dit was meer in algemene bewoordingen. [E] begon toen te huilen. Ik kan me nog herinneren dat ze zei: waarom lukt dit toch niet? Ik heb toen niet verder met [I] en [H] over het voorval gesproken. We hebben nog geprobeerd enige vorm van overleg te hebben.

17. U houdt mij voor hoe het volgens de heer [verweerder] is gegaan. Dit klopt niet. Dit weet ik zeker".

4.9.

[E] heeft als getuige verklaard:

"5. Ik heb toen even alleen met [C] gesproken. Zij zei dat zij had nagedacht over de mailwisseling van de avond tevoren tussen [verweerder] en mij, welke mailwisseling ik had doorgestuurd naar [C] . [C] zei toen dat ze [verweerder] zou aanspreken op die email van hem en dat ze hem een time out wilde geven: [verweerder] zou naar huis gestuurd worden om na te denken over zijn gedrag tegenover mij. Ik had toen verschillende gevoelens, maar ik was in ieder geval ook opgelucht dat er actie werd ondernomen. Ik was blij met de beslissing van [C] . Ik was hier eerst wel even stil van maar daarna had ik wel iets van tranen. Hierop vroeg [C] mij waar mijn reactie vandaan kwam. Ik gaf toen aan dat ik aan de ene kant opgelucht was en aan de andere kant dacht: wat jammer dat we dit niet hebben kunnen voorkomen. Ik ben toen nog even naar mijn fiets gegaan om iets te pakken. [H] en [I] kwam ik buiten tegen, maar ik heb niet met hen over het voorgaande gesproken.

6. We zijn toen naar boven gegaan naar (denk ik) zaal 4A. (…).

7. Omdat [verweerder] nog niet aanwezig was hebben we een beetje in het algemeen met elkaar gesproken. Op een gegeven moment kwam [verweerder] binnen. Volgens mij liep hij achter mij langs naar het einde van de zaal, richting het raam, waar hij ook zijn spullen neerzette. Ik vond dat hij een beetje scherp en intimiderend keek, maar dat is mijn interpretatie. [C] zei toen tegen [verweerder] : [verweerder] ik wil dat je met mij meegaat. Zij zijn toen weggegaan naar een zaal verderop. Ik hoorde op een gegeven moment gestommel op de gang, maar ik heb geen bewoordingen gehoord. Ik dacht toen: wat is er aan de hand, omdat ik wel wist dat het geen leuk gesprek zou zijn. Op een gegeven moment kwamen [verweerder] en [C] de kamer weer binnen, ik dacht eerst [verweerder] toen [C] . Ik kreeg toen een echt heel heftige blik van [verweerder] . Hij ging zijn tas pakken en het was duidelijk dat hij wegging. [H] of [I] zei toen: wat ga je doen? Of zoiets. [verweerder] zei toen iets in de trant van ‘die dames...’ waarop [C] hem onderbrak en zei: je moet je spullen pakken en weggaan. Omdat hij onderbroken werd, werd [verweerder] in mijn ogen boos. Hij zei toen op een behoorlijk vervelende manier tegen [C] dat zij echt haar kop moest houden. Ik weet zeker dat ik dat gehoord heb. Volgens mij is [verweerder] toen weggegaan en is er verder niet gesproken. Volgens mij was hij toen boos want hij ging niet heel rustig weg.

8. [I] en [H] zijn toen even weggegaan en toen heb ik kort met [C] even samen gezeten. Toen heeft zij mij in hoofdlijnen verteld wat er gebeurd was. Zij vertelde dat [verweerder] niet ging zitten, en dat zij vond dat ze moest gaan staan vanwege de reactie van [verweerder] op haar mededeling dat hij moest vertrekken. Ze heeft aangegeven dat ze tegen [verweerder] had gezegd dat hij afstand moest nemen, dat zij dit een paar keer heeft moeten zeggen, en dat hij lichamelijke bewegingen in haar richting had gemaakt. Ik kan mij niet herinneren dat zij nog meer details heeft gegeven. Verder heeft ze tegen mij gezegd dat hij had gezegd: wat moet je nou. Of zij toen ook gezegd heeft dat hij het woord juffertje had gebruikt weet ik nu niet meer. Ik heb nog wel gevraagd naar wat ik op de gang had gehoord, waarop [C] vertelde dat hij haar kutwijf had genoemd, dat zij toen zei: dat heb ik gehoord en dat [verweerder] toen zei: oh heb je dat gehoord? Niemand gelooft je.

9. (…).

10. U houdt mij voor dat mevrouw [C] heeft verklaard dat ik bij het tweede gesprekje ook begon te huilen. Ik zal zeker verdrietig zijn geweest en ik zal tranen hebben gehad".

4.10.

[verweerder] heeft als getuige verklaard:

"7. (…) Terwijl ik bezig was mijn jas uit te doen, zei [C] : wil je even met mij meelopen? Ik had nog even tegen de anderen willen zeggen: sorry voor mijn late komst, maar daar kreeg ik de kans niet voor. Ik ben toen achter haar aan gelopen de gang in, en we zijn naar 4D gelopen, ik geef dit met een stippellijntje op de plattegrond aan. Het was dus niet zaal 4G maar wel 4D. [C] ging zitten, ik geef haar positie aan met A, de op één na laatste stoel bij de deur. Ik geef mijn positie aan met X. Ze stak meteen heel boos van wal: dat mailverkeer van jou komt me de strot uit, je gaat maar naar huis toe. Ga maar eens nadenken hoe je om moet gaan met je leidinggevende. Ze zei iets van: voor de rest van de week ga je maar thuis zitten. Daar wilde ik een verklaring voor hebben. Ik vroeg: wat gebeurt hier, wat is er aan de hand? Ze zei: daar ga ik helemaal niks over zeggen, spullen pakken en wegwezen. Zij zat op dat moment nog steeds en ik stond nog steeds waar ik was gaan staan. Ik bleef echter doorvragen. Ze raakte helemaal buiten zinnen. Ik wist niet wat me overkwam. Ik merkte dat omdat ze schreeuwerig tegen mij praatte.

8. Ik merkte toen dat verder vragen geen zin had en begaf mij langzaam naar de deur toe. Ik vroeg toen nog een keer: mag ik in godsnaam weten wat er aan de hand is. Het was een korte, heftige confrontatie. Dus ook ik sprak met enige stemverheffing. Zij stond toen op en kwam op mij af en zei met haar vinger in mijn gezicht wijzend: en nu ga j(e) naar huis toe. Zij stond toen ongeveer 50 cm van mij af.

9. Ik heb toen de deur open gedaan en we zijn naar buiten gegaan. Ik voorop. Ik ben toen teruggelopen naar 4A. Ik heb toen niet ‘kutwijf’ tegen haar gezegd. Ik heb helemaal niets gezegd, ik hoorde wel achter mij: spullen pakken en naar huis toe.

10. In 4A liep ik naar mijn spullen toe. Ik pakte mijn tas en mijn jas en [I] vroeg aan mij: ga je nu al weg? Ik heb toen gezegd: ik ga nu weg en dat is maar beter zo. Ik heb niet iets gezegd van: de dames… Ik heb toen de kamer verlaten. Ik heb niet toen tegen mevrouw [C] gezegd: en nu je kop houden".

4.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de HU in haar bewijsopdracht geslaagd, in ieder geval voor wat betreft haar stelling dat [verweerder] zeer dicht op [C] is komen staan en dat hij heeft gezegd: "belachelijk, tantetje! Wie denk je wel niet dat je bent dit met mij te doen!", bij het teruglopen: "stomme kut, stom kutwijf", en "oh heb je dat gehoord, mooi, niemand gelooft je"! en bij het vertrek: "jij moet nu je kop dicht houden".

Het moge zo zijn dat [C] en [verweerder] de enige aanwezigen waren bij het voorval in het aparte zaaltje en dat zij tegengestelde verklaringen hebben afgelegd. De verklaring van [C] komt de kantonrechter echter betrouwbaar en overtuigend over. De verklaring is consistent en stemt ook overeen met hetgeen [C] volgens de getuige [E] direct na het voorval aan [E] heeft verteld en voorts met hetgeen [C] die avond op schrift heeft gesteld. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking de overtuigende wijze waarop [C] haar verklaring heeft afgelegd: "U zegt mij dat ik de woorden die hij in het zaaltje en op de gang gebruikte “spattend” uitsprak. Dat was inderdaad het geval". De kantonrechter acht het niet goed voorstelbaar dat [C] [verweerder] van een dergelijk grof optreden beschuldigt zonder dat dit zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Zij had daarbij ook niet een persoonlijk belang. Dat zij een dergelijke verklaring heeft afgelegd teneinde gezichtsverlies te voorkomen of omdat zij niet langer met hem wilde samenwerken, zoals [verweerder] stelt, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Een dergelijk optreden past ook - hoewel in ernst veel verdergaand - bij de opstelling van [verweerder] jegens [E] en [C] in de periode voorafgaand aan deze bijeenkomst en ook bij de opstelling van [verweerder] in het beoordelingsgesprek in 2015. De kantonrechter wil niet uitsluiten dat [C] tegen [verweerder] heeft gezegd "spullen pakken en wegwezen!", maar dat doet aan voormelde conclusie niet af.

Met betrekking tot de door de HU gestelde opmerking van [verweerder] bij zijn vertrek "en nu moet je je kop houden" merkt de kantonrechter nog op dat de getuige [E] heeft verklaard dat zij zeker weet dat [verweerder] dit gezegd heeft, en dat de getuige [I] heeft verklaard: "Ik kan mij oprecht niet herinneren dat hij zoiets lelijks tegen haar heeft gezegd. Als het toch gezegd is zou het kunnen dat ik het niettemin vergeten ben. Het was in die tijd een hele stressvolle situatie op alle fronten", en de getuige [H] : "U zegt mij dat de heer [verweerder] volgens mevrouw [C] toen tegen haar gezegd heeft: en nu moet je je kop houden. Zoals ik al heb verklaard zijn over en weer onvriendelijke dingen gezegd en weet ik niet meer wie wat heeft gezegd. Ik ken de beschuldiging van wat de heer [verweerder] zou hebben gezegd. Ik kan me niet meer letterlijk herinneren wat er door iedereen daar toen gezegd is. Ik hoor in mijn werk zoveel lelijke dingen dat ik ook niet kan uitsluiten dat het wel gezegd is en dat ik me dat dat niet herinner". Deze beide laatste getuigen laten dus uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat [verweerder] deze woorden wél heeft gezegd. Dat hierbij sprake kan zijn geweest van "valse herinneringen", zoals [verweerder] stelt, acht de kantonrechter niet aannemelijk geworden.

4.12.

Met betrekking tot de waardering van de getuigenverklaringen heeft [verweerder] er verder op gewezen dat er vooroverleg is geweest tussen de getuigen en mr. Haverkort. Wat de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen betreft brengt dit de kantonrechter niet tot een ander oordeel. De getuigen hebben immers verklaard dat dit overleg hoofdzakelijk over de procedure ging en niet over wat er is gebeurd is en/of wat wel en niet verklaard zou moeten worden.

4.13.

[verweerder] heeft voorts enkele opmerkingen gemaakt over de verschillende schattingen van de getuigen over de duur van het gesprek. De kantonrechter acht dit niet relevant. Ook indien het gesprek - zoals de kantonrechter aanneemt - is gegaan zoals [C] heeft verklaard kan het van zeer korte duur zijn geweest. Verder stelt [verweerder] dat het [C] dus moet zijn geweest die vanuit haar stoel is opgestaan en voor [verweerder] is gaan staan in plaats van andersom. Dit volgt volgens hem uit het feit dat zij kennelijk de tijd heeft gehad om aan de voorkant van de tafel te gaan staan, dat zij daarmee in de richting van [verweerder] bewoog, en dat hij indien hij [C] iets had willen "aandoen" of haar had willen bedreigen hij natuurlijk binnen twee stappen tegen haar stoel aan zou hebben gestaan. Naar het oordeel van de kantonrechter laat de verklaring van [C] echter wel degelijk ruimte voor de conclusie dat de gang van zaken is geweest zoals zij heeft verklaard.

4.14.

[verweerder] stelt verder nog dat [C] in haar schriftelijke verklaring van 16 november 2016 schrijft: "Bij mijzelf landde op dat moment nog niet wat er nu eigenlijk gebeurd was. Pas toen ik een half uurtje later jou mailde met een concept-mail voor [verweerder] (die nog in eerste instantie steeds uitging van een time out en een gesprek volgende week) en deze vervolgens telefonisch met jou besprak, dacht ik 'wacht even. Dit kan echt niet'. Gaandeweg de dag nam dat gevoel sterk toe". Volgens [verweerder] tast dit de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [C] aan. De kantonrechter volgt hem hierin niet. Bij een dergelijke heftige gebeurtenis is het heel goed voorstelbaar dat het besef "dat dit echt niet kan" pas na een half uurtje bij de betrokkene doordringt.

4.15.

Met betrekking tot het verwijt dat hij "stomme kut, stom kutwijf" tegen [C] zou hebben gezegd stelt [verweerder] dat hij dit niet heeft gedaan, maar zelfs als hij überhaupt enig scheldwoord zou hebben gebezigd het niet vaststaat dat hij dit tegen of in de richting van [C] heeft gezegd. Hij liep immers juist van haar weg in de richting van de andere kamer. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Het is immers mogelijk ook al weglopend iets tegen degene van wie men wegloopt te zeggen.

4.16.

[verweerder] stelt met betrekking tot de getuigenverklaring van [E] dat [E] blijkens de verklaringen van haar en [C] enerzijds emotioneel was en slechts op hoofdlijnen door [C] zou zijn geïnformeerd, maar dat zij als getuige moeiteloos alle verwijten opsomt waarvan de HU het bewijs dient te leveren. Volgens [verweerder] is dit niet met elkaar te rijmen en maakt dit de verklaring van [E] bijzonder ongeloofwaardig.

De kantonrechter volgt [verweerder] hierin niet. Uit de verklaring van [E] volgt niet dat zij dermate overstuur was als [verweerder] stelt: "Ik was blij met de beslissing van [C] . Ik was hier eerst wel even stil van maar daarna had ik wel iets van tranen" en na het vertrek van [verweerder] : "Ik zal zeker verdrietig zijn geweest en ik zal tranen hebben gehad". De kantonrechter acht het heel goed aannemelijk dat wat [C] "op hoofdlijnen" had verteld wat er was gebeurd in de andere ruimte in feite alle essentiële elementen heeft bevat die van belang waren: zoveel was er immers niet te vertellen.

4.17.

[verweerder] heeft nog aangevoerd dat [H] als getuige heeft verklaard dat het verslag dat [verweerder] van de bespreking van 1 november 2016 met [H] is afgestemd, dat dit verslag afwijkt van het (overigens eerst na 16 november 2016) door [C] opgestelde verslag van dat gesprek, en dat daaruit volgt dat niet [verweerder] maar de HU het niet zo nauw neemt met de waarheid. Wat hier ook van zij, de kantonrechter acht dit in een te ver staand verband om tot een andere waardering van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen te komen.

4.18.

Nu de bewijsopdrachten aan beide partijen elkaars spiegelbeeld zijn, volgt uit het voorgaande dat [verweerder] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

De door de HU verzochte ontbinding

4.19.

De HU grondt haar ontbindingsverzoek primair op verwijtbaar handelen door [verweerder] , zodanig dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.20.

Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van verwijtbaar handelen door [verweerder] . Het is volstrekt ongepast om zeer dicht op een (vrouwelijke) collega/leidinggevende te gaan staan en neerbuigende, op de persoon gerichte, opmerkingen te maken ("tantetje"), gevolgd door grove scheldwoorden ("stomme kut, stom kutwijf"). Dit is respectloos gedrag, waarvoor iemand met het opleidingsniveau en functie van [verweerder] volledig verantwoordelijk kan worden gehouden. De kantonrechter kan zich voorstellen dat [verweerder] zich door de mededeling dat hij naar huis moest gaan overvallen voelde, maar hierbij is van belang i) dat de aanleiding van deze beslissing was gelegen in een (volstrekt ongepast) e-mailbericht van hem van pas de avond tevoren (er was dus voor [C] weinig gelegenheid te bezien op welke wijze gehandeld moest worden) en ii) dat [verweerder] niet direct of kort na dit incident contact heeft opgenomen om zijn excuses aan te bieden. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verweerder] ook in de aanloop naar de vergadering van 16 november 2016 zijn leidinggevende [E] herhaaldelijk (eveneens) tot tweemaal toe op een neerbuigende op de persoon gerichte manier bejegende ("dat toontje, intens treurig") in plaats van op een professionele, zakelijke manier. In beide gevallen betrof het zowel qua inhoud als qua toonzetting volkomen redelijke verzoeken/opmerkingen van [E] . In een werkorganisatie zoals de HU staat het een docent zoals [verweerder] vrij, of wordt het (als het goed is) zelfs van hem verwacht, zich kritisch op te stellen. Hierbij moet hij echter elementaire fatsoensnormen in acht (blijven) nemen. Het komt erop neer dat [verweerder] in feite geen (werkgevers)gezag aanvaardt. In die zin is de verzuchting van [E] dat zij zich door [verweerder] als administratief hulpje behandeld voelt begrijpelijk (zie het in 3.3 onder i genoemde e‑mailbericht). Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] een bevlogen docent is, maar hij miskent dat het (uiteindelijk) de werkgever is die verantwoordelijk is voor het goede reilen en zeilen van de instelling, en dus ook voor "zijn" project [project] . Hij zal zich dus (uiteindelijk) naar de instructies van de HU hebben te richten. Dat [verweerder] geen gevoel voor verhoudingen heeft blijkt voorts uit het feit dat hij het lid van het College van Bestuur [G] persoonlijk aansprakelijk stelt voor de gevolgen van de schorsing.

4.21.

Voor toewijzing van het ontbindingsverzoek is tevens vereist dat op grond van het verwijtbaar handelen niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook aan dit vereiste is voldaan. De kantonrechter neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking:

  • -

    de gedragingen/uitlatingen van [verweerder] zijn in hoge mate in strijd met goed werknemerschap;

  • -

    er is sprake van een al langer merkbare tendens;

  • -

    [verweerder] toont geen enkel zelfinzicht, terwijl hij diverse malen op zijn gedrag is aangesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de HU overigens aangegeven dat indien [verweerder] direct na het incident zijn excuses zou hebben aangeboden, dat partijen er wellicht nog in onderling overleg uit zouden hebben kunnen komen, maar dat dit nu voor de HU geen optie meer is.

Tégen ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou kunnen pleiten dat [verweerder] inhoudelijk steeds (zeer) goed heeft gefunctioneerd, en voorts dat hij binnen afzienbare tijd de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken (het zal voor hem dus moeilijk, zo niet onmogelijk zijn nog een andere baan te vinden), maar deze omstandigheden wegen niet op tegen de manier waarop hij zijn collega's/leidinggevenden heeft bejegend.

Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] niet van de HU mag verwachten dat zij nog onderzoek doet naar de mogelijkheden van herplaatsing (elders) binnen de organisatie. Het ontbindingsverzoek is daarom toewijsbaar.

4.22.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het voorgaande tevens dat het gedrag van [verweerder] ernstig verwijtbaar is. Hij kan dus geen recht doen gelden op de wettelijke transitievergoeding.

4.23.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW zal de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 oktober 2017.

4.24.

De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.

De verzoeken van [verweerder]

4.25.

[verweerder] heeft een onvoorwaardelijk tegenverzoek gedaan. Hij verzoekt de HU te veroordelen om hem op zo kort mogelijke termijn weer toe te laten tot de werkvloer en hem zijn gebruikelijke werkzaamheden te laten verrichten.

4.26.

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn zal eindigen, is dit verzoek niet toewijsbaar.

4.27.

Voorts verzoekt [verweerder] de HU te veroordelen om aan hem vanaf januari 2017 per maand € 279,90 bruto extra te betalen. Hij is ingeschaald in salarisschaal 11, maar gedurende het project [project] in salarisschaal 12. Indien het project per 1 januari 2017 zou eindigen, zou hij mogelijk terug kunnen vallen in salarisschaal 11. Het project is feitelijk echter voortgezet.

4.28.

De HU heeft zich tegen dit verzoek verzet. Zij stelt dat er in september 2016 gesprekken tussen [verweerder] en [E] zijn geweest over voortzetting van zijn rol in het project [project] , maar dat het nog niet zeker was of hij met het project door zou mogen gaan.

4.29.

De kantonrechter overweegt het volgende.

De bevestigingsbrief van 3 juni 2015 van de HU over de hogere inschaling van [verweerder] luidt als volgt:

"Hierbij bevestigen wij de met u gemaakte afspraken inzake uw tijdelijke functiewijziging ten behoeve van uw werkzaamheden voor het [project] ) met als doel de verduurzaming van ondernemerschapsonderwijs binnen de HU. Vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 bent u werkzaam als Hogeschooldocent 1.

De functieschaal behorende bij het functieprofiel en het niveau is schaal 12. Het salaris bij een volledige betrekkingsomvang is € 4.563,87 bruto per maand conform de cao-hbo 2014-2016.

Met ingang van 1 januari 2017 wijzigt uw functieprofiel naar Hogeschooldocent 2 met bijbehorende functieschaal 11. Uw salaris zal dan aangepast worden naar het maximum van functieschaal 11 conform uw huidige functie en inschaling".

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt hieruit dat [verweerder] vanaf 1 januari 2017 (weer) wordt ingeschaald in functieschaal 11, maar dat hij erop mocht vertrouwen dat indien hij na 1 januari 2017 voor het project werkzaam zou blijven hij volgens functieschaal 12 beloond zou worden. Vast staat dat [verweerder] vanaf 1 januari 2017 echter niet voor het project is blijven werken, en wel door zijn eigen gedrag. Om die reden kan hij er geen aanspraak op maken dat wordt afgeweken van de afspraak die is vastgelegd in de brief van 3 juni 2015.

4.30.

Voor het geval het ontbindingsverzoek van de HU zou worden toegewezen verzoekt [verweerder] om toekenning van de wettelijke transitievergoeding alsmede van een billijke vergoeding ter hoogte van € 80.000 wegens ernstig verwijtbaar handelen van de HU.

4.31.

Nu het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, is de voorwaarde waaronder [verweerder] zijn verzoek heeft ingediend vervuld. De verzoeken dienen echter te worden afgewezen omdat op het verzoek van de HU wordt geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] . Dit staat in de weg aan het recht op de wettelijke transitievergoeding en op een billijke vergoeding.

4.32.

De verzoeken van [verweerder] zullen dus worden afgewezen. De proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek van de HU

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 oktober 2017;

compenseert de proceskosten aldus, dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

in de verzoeken van [verweerder]

wijst het verzoek om toekenning van de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding en nabetaling van salaris af;

compenseert de proceskosten aldus, dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2017.