Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4109

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
C/16/426985 / HA ZA 16-863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderhuurders spreken eigenaar van een woning rechtstreeks aan voor geleden schade door het vrijkomen/de aanwezigheid van asbestvezels in de woning waardoor zij die van de ene op de andere dag moesten verlaten. De rechtbank verwerpt de stelling dat sprake is van een algemene onderzoeks- en waarschuwingsplicht voor de aanwezigheid van asbest op het moment dat een woning aan derden in gebruik wordt gegeven. Wel kan er aansprakelijkheid zijn op grond van artikel 6:174BW. De onderhuurders hebben daarvoor terecht op het arrest KPN/Tamminga (HR 3 september 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM3980 ) gewezen. Omdat eisers uit eigen onderzoek al eerder wisten dat er asbest aanwezig was, maar die informatie niet met de eigenaar gedeeld hebben, heeft de eigenaar nooit onderzoek kunnen instellen en maatregelen kunnen treffen. Een deel van de schade moet daarom voor rekening van de onderhuurders blijven. Omdat het debat nog niet op alle punten volledig gevoerd is krijgen partijen de gelegenheid zich bij akte nader uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/426985 / HA ZA 16-863

Vonnis van 9 augustus 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.A.H. Matthijssen te Tilburg,

tegen

naamloze vennootschap STADSHERSTEL MIDDEN NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. T.J. de Groot te Woerden.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 1] en Stadsherstel Midden Nederland genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 juni 2017.

1.2.

Op de comparitie van partijen waren alle partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De door [eiser 1] en [eiser 1] op voorhand toegezonden producties zijn aan de processtukken toegevoegd. Partijen hebben geen regeling bereikt. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stadsherstel Midden Nederland is een professionele verhuurder. Zij is onder andere eigenaar van de panden aan de [adres 1] en [adres 2] te Amersfoort. Beide panden worden door haar verhuurd. [adres 1] is verhuurd aan Stichting Beiaard Centrum Nederland. Stichting Beiaard Centrum Nederland verhuurt op haar beurt de woning aan de [adres 1] aan [eiser 1] en [eiser 1] .

2.2.

Bij een verbouwing/renovatie van [adres 1] en [adres 2] in 1976 zijn asbesthoudende materialen gebruikt, namelijk Nobranda en Pical. Het gebruik van Nobranda en Pical is in 1983 verboden.

2.3.

In een brief van 10 december 2001 heeft de Keuringsdienst van Waren het volgende geschreven:

“Geachte heer [eiser 1] ,

Hiermede bericht ik u dat wij het door u aangeboden monster hebben onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van asbest.

In dit aangeboden monster is inderdaad asbest aangetoond.

Bijgaand zend ik u algemene informatie over asbest in woningen.

(…)”

2.4.

Op 3 december 2002 heeft Woonvast Vastgoed Beheer het volgende geschreven aan Stichting Beiaard Centrum Nederland:

“(…)

Naar aanleiding van uw vraag of het grijze plaatmateriaal dat door uw medewerkers was aangetroffen tussen de vloeren, asbesthoudend is, kunnen wij u het volgende mededelen:

Uit onderzoek in het archief van zowel de aannemer als de gemeente, blijkt dat tijdens de renovatie NOBRANDO is toegepast. Dit is niet asbesthoudend plaatmateriaal, dat wel de zelfde uiterlijke kenmerken en brandwerendheid heeft als asbest, maar niet schadelijk is.

(…)”

2.5.

Medio 2012 heeft Stadsherstel Midden Nederland met het oog op een voorgenomen renovatie van de panden [adres 1] en [adres 2] een asbestrisicobeoordeling laten uitvoeren. In de samenvatting en conclusies staat daarover het volgende:

“(…)

Visueel zijn er besmettingen waargenomen. Het betreft beschadigd plaatmateriaal in de cv-ruimte en beschadigingen rond doorvoeringen in de vloeren.

Tijdens het onderzoek zijn er in het gehele pand op alle verdiepingen totaal 24 kleefmonsters genomen ter ondersteuning van de visuele waarneming. Uit de analyses blijkt dat op kleefmonster KL4 op zolder en KL10 in ruimte 12 asbestvezels zijn aangetroffen. Kleefmonster 4 is genomen van de vloer op de zolder en kleefmonster 10 van de vloer in ruimte 12 circa 2 meter uit de deuropening.

Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd, dat op zolder en in ruimte 1 wel een blootstellingsrisico is.

“(…)

ADVIES: Daar op de kleefmonsters en luchtmonsters verdeeld over het gehele pand asbest is aangetroffen dient het pand uitsluitend nog te worden betreden met gebruikmaking van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het gehele pand dient gesaneerd te worden.

In overleg met betrokken partijen zal geïnventariseerd dienen te worden welke inventarisstukken gereinigd kunnen worden door een SC530 gecertificeerd asbestverwijderaar en welke niet. Dit geldt tevens voor inventaris en kledingstukken in de woning.

Gezien de toepassing van het asbesthoudende materiaal, tussen de vloeren, kan geconcludeerd worden dat het asbesthoudend matriaal verwijderd dient te worden m het pand asbestveilig te maken.”

2.6.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben hierna hun woning moeten verlaten en hun (persoonlijke) bezittingen zijn grotendeels vernietigd.

2.7.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben achteraf de waarde van hun bezittingen laten taxeren. Daarbij is gebruik gemaakt van foto’s, omdat de originele materialen niet langer aanwezig waren.

2.8.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben nadat zij hun woning moesten verlaten eerst in een hotel verbleven, waarna hen andere woonruimte is aangeboden. De huur daarvoor hebben zij niet betaald. Zowel het verblijf in het hotel als de alternatieve woning zijn geregeld en aangeboden door Stadsherstel Midden Nederland. Stadsherstel Midden Nederland is geen invorderingsprocedure gestart voor de niet betaalde huur.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] en [eiser 1] vorderen samengevat - een verklaring voor recht inhoudende dat Stadsherstel Midden Nederland jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is geworden en voorts veroordeling van Stadsherstel Midden Nederland tot betaling van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding en € 91.056,06 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

Zij voeren daartoe (verkort weergegeven) het volgende aan: [eiser 1] en [eiser 1] (en hun kinderen) zijn blootgesteld aan asbesthoudende materialen in de door hen gehuurde woning. Deze materialen waren bij aanvang van de bewoning al aanwezig en Stadsherstel Midden Nederland wist dit of had dit kunnen weten. Zij moest ook bekend zijn met de gevaren van blootstelling aan asbest, maar heeft [eiser 1] en [eiser 1] niet gewaarschuwd of op de risico’s gewezen. Nadat [eiser 1] en [eiser 1] in 2002 over de aanwezigheid van asbest met Stadsherstel Midden Nederland hebben gesproken, heeft Stadsherstel Midden Nederland nagelaten goed onderzoek in te stellen en bovendien ten onrechte geruststellende informatie verstrekt. Stadsherstel Midden Nederland heeft daarmee als eigenaar onrechtmatig tegenover [eiser 1] en [eiser 1] gehandeld. Voor de schade, die aanzienlijk is, is Stadsherstel Midden Nederland aansprakelijk.

3.3.

Stadsherstel Midden Nederland voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Stadsherstel Midden Nederland is eigenaar van het pand [adres 1] te [woonplaats] dat (inmiddels opnieuw) door [eiser 1] en [eiser 1] wordt bewoond. Omdat Stadsherstel Midden Nederland de woning niet rechtstreeks aan [eiser 1] en [eiser 1] heeft verhuurd, ook niet toen er schade ontstond, kan zij niet op grond van de huurovereenkomst worden aangesproken en ligt ter beoordeling voor of zij in haar hoedanigheid van eigenaar aansprakelijk kan zijn voor de schade die door [eiser 1] en [eiser 1] is geleden.

4.2.

[eiser 1] en [eiser 1] leggen aan de aansprakelijkheid ten grondslag dat Stadsherstel Midden Nederland hen vóór aanvang van de huurovereenkomst had moeten waarschuwen voor het aan de aanwezigheid van asbest verbonden gevaar, dat bij Stadsherstel Midden Nederland bekend was of kon zijn. Voor de beoordeling van de vraag of een dergelijke waarschuwingsplicht bestaat zal de rechtbank rekening houden met de wijze waarop de asbest is toegepast, met het gevaar van aanwezigheid van asbest in de woning en de kans op schade en de omvang daarvan, alsmede de mogelijkheid van onderzoek en de daarmee voor Stadsherstel Midden Nederland gemoeide kosten.

4.3.

Van asbest is algemeen bekend dat blootstelling aan asbestvezels een gevaar voor de gezondheid met zich meebrengt. Die bekendheid moet ook bij Stadsherstel Midden Nederland verondersteld worden.

4.4.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in oudere gebouwen op enigerlei wijze asbest aanwezig kan zijn, omdat asbesthoudende materialen lange tijd als een relatief goedkoop brandwerend materiaal bij de bouw of verbouw van woningen zijn toegepast. Ook Stadsherstel Midden Nederland moet zich van die kans bewust zijn. Indertijd was minder bekend over de gezondheidsrisico’s dan nu het geval is. Daarbij heeft te gelden dat de enkele aanwezigheid van asbest ook nu nog niet verboden is en dat de kans op het ontstaan van schade vanwege de enkele aanwezigheid van asbest veelal zeer gering is. In de meeste gevallen ontstaat de kans op schade pas indien het asbesthoudende materiaal bewerkt wordt. Het is met andere woorden niet zozeer de aanwezigheid van asbest, maar de bewerking daarvan die de kans op schade veroorzaakt.

4.5.

Het toegepaste asbesthoudende materiaal bevond zich hier onder een houten vloer. Waar het asbesthoudend materiaal is afgedekt, ligt het niet voor de hand dat makkelijk sprake zal zijn van blootstelling aan asbestvezels.

4.6.

In de situatie dat de gebruiker van de woning niet ook de eigenaar is, zullen wijzigingen in of aan de vloer in de regel niet zonder overleg plaatsvinden. Uitgangspunt is immers dat de inrichting of gedaante van het gehuurde pas na toestemming mag worden gewijzigd (artikel 7:215 BW). Die situatie doet zich hier voor. Dat betekent dat Stadsherstel Midden Nederland ervan uit mocht gaan dat er geen bewerkingen zouden plaatsvinden die tot beschadiging van de asbestplaten konden leiden zonder voorafgaand overleg, hetgeen het risico daarop verkleint.

4.7.

Het verplicht moeten controleren van oudere panden op de aanwezigheid van asbest is enorm belastend, met name voor professionele verhuurders die door de aard van hun activiteiten veel panden in bezit hebben. Bovendien zal asbesthoudend materiaal niet altijd zichtbaar zijn. Stadsherstel Midden Nederland wijst daar ook op (17 conclusie van antwoord), waar zij stelt dat het niet zo eenvoudig was om (de mate van) het asbesthoudend materiaal vast te stellen en licht destructief onderzoek nodig was. Omdat een standaard onderzoek bezwaarlijk is en zonder enig destructief onderzoek hier geen conclusies getrokken konden worden is de rechtbank van oordeel dat bij het aannemen van een onderzoeks- en mededelingsplicht terughoudendheid geboden is.

4.8.

De beperkte kans op schade in deze huurrelatie door de wijze waarop het asbest verwerkt was, afgezet tegen de belasting van een algemene onderzoeks- en waarschuwingsplicht vooraf en de daarbij in acht te nemen terughoudendheid, leidt tot het oordeel dat een dergelijke verplichting hier niet kan worden aangenomen. Van specifieke omstandigheden die maken dat van een verhoogd risico uitgegaan moet worden, waarom in dit geval wel vooraf nader onderzoek had moeten volgen, bijvoorbeeld door de aard van het toegepast materiaal of de wijze van toepassing, is niet gebleken. Op de comparitie hebben [eiser 1] en [eiser 1] juist toegelicht dat zij gerustgesteld waren door de informatie die zij zelf in 2002 van de Keuringsdienst van Waren ontvangen hebben. Daaruit kwam naar voren dat het monster weliswaar asbest bevatte, maar uit de bijkomende informatie bleek dat dit zonder bewerking geen kwaad kon. Feitelijk bevestigen zij hiermee dat de enkele aanwezigheid van asbest niet zonder meer betekent dat sprake is van een gevaarlijke situatie. Dat staat aan het aannemen van een algemene onderzoeks- en waarschuwingsplicht bij het in gebruik geven of verhuren van een pand in de weg. Op die grond kan geen aansprakelijkheid worden aangenomen.

4.9.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben in de dagvaarding ook een beroep gedaan op het arrest KPN/Tamminga, HR 3 september 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM3980 (zie randnummer 51), op basis waarvan zij stellen dat de enkele aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest als een gebrek van het gehuurde moet worden beschouwd. Daarmee wordt echter miskend dat dit onderdeel van het arrest ziet op de verhouding huurder-verhuurder. Stadsherstel Midden Nederland is in dit geval de eigenaar, niet de verhuurder van [eiser 1] en [eiser 1] . Voor zover het arrest ziet op de huurovereenkomst mist het daarom rechtstreekse toepassing.

4.10.

Het arrest gaat echter ook over de aansprakelijkheid van de bezitter van de opstal op grond van artikel 6:174 BW. De rechtbank begrijpt uit de verwijzing naar het genoemde arrest en de stelling in randnummer 34 “eisers stellen zich op het standpunt dat Stadsherstel jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld in verband met de aanwezigheid van asbesthoudende materialen in hun woning (…)” dat [eiser 1] en [eiser 1] mede beogen de aansprakelijkheid op artikel 6:174 BW te baseren. Dat artikel legt een risico aansprakelijkheid op de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld kunnen worden. [eiser 1] en [eiser 1] beroepen zich in randnummer 34 uitsluitend op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen voor het aannemen van aansprakelijkheid en een verplichting tot het betalen van schadevergoeding.

4.11.

Bij de beoordeling van deze grondslag kan hetgeen als een gebrek in een huurrelatie kan worden aangemerkt, van betekenis zijn voor de inkleuring van de eisen die aan een opstal gesteld kunnen worden in verband met aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW. Als sprake is van een gebrek zal volgens de rechtbank snel ook sprake zijn van een niet voldoen aan de eisen die aan de opstal gesteld mogen worden. Verder kan acht geslagen worden op hetgeen door de Hoge Raad in het arrest KPN/Tamminga over deze grondslag is gesteld. De rechtbank citeert:

4.4

Onderdeel 4 is gericht tegen de verwerping van het beroep dat KPN heeft gedaan op art. 6:174 BW als grondslag voor haar vordering tot schadevergoeding. Het hof heeft te dien aanzien in rov. 4.26 allereerst overwogen dat de te beantwoorden vraag is of door de aanwezigheid van asbest(platen) in het gehuurde, er sprake is van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert.

Het hof heeft deze vraag, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2001, nr. C09/350, LJN AB2149, NJ 2002, 336, ontkennend beantwoord en heeft daartoe het volgende overwogen.

"Het is immers geoorloofd opstallen te bezitten waarin, zoals in het onderhavige geval, asbestplaten als (brandwerende) plafondbedekking zijn gebruikt en waarvoor ook geen (wettelijke) verplichting tot verwijdering daarvan bestaat. De aanwezigheid van die asbestplafondplaten schaadt op zichzelf genomen niet de gezondheid en levert geen gevaar op voor personen en zaken, behoudens bij beschadiging. [Verweerster], eigenaar en verhuurder van de opstal, behoefde redelijkerwijs geen rekening te houden met de mogelijkheid dat het asbest in deze plafondplaten door een inbraak zou vrijkomen. De verhuurde zaak voldeed aldus aan de eisen die men uit een oogpunt van veiligheid daaraan mag stellen, zodat van aansprakelijkheid van [verweerster] op grond van art. 6:174 BW geen sprake is."

Onderdeel 4 klaagt terecht dat het hof dit oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd doordat het niet duidelijk heeft gemaakt waarom aan een en ander niet afdoet hetgeen het betreffende de aard van het aanwezige asbest heeft overwogen in rov. 4.7-4.9 (zie hiervoor, 4.1), in het bijzonder dat het hier, anders dan in HR 15 juni 2001, gaat om niet-hechtgebonden asbest, en doordat het niet heeft onderzocht in hoeverre rekening moet worden gehouden met andere gebeurtenissen dan inbraak, die kunnen leiden tot het vrijkomen van het asbest, zulks niettegenstaande hetgeen te dien aanzien door KPN is gesteld.

4.12.

In deze zaak staat vast dat er een gebrek aan het gehuurde was op het moment dat de woning niet langer bewoond mocht worden. Het gevaar dat bij de aanwezigheid van asbest in een woning bestaat, namelijk blootstelling aan vezels, heeft zich daadwerkelijk gemanifesteerd. Dat heeft in een huurrelatie te gelden als een gebrek. De opstal voldeed op dat moment ook niet, in ieder geval niet langer, aan de eisen die aan een opstal gesteld kunnen worden. Een opstal (de woning) moet immers normaal betreden kunnen worden, maar dat was niet langer mogelijk.

4.13.

In deze zaak lijkt, anders dan in KPN/Tamminga, geen bijzondere oorzaak te duiden die plotseling en onverwacht vrijkomen van asbestvezels veroorzaakt heeft, maar toch is een verhoogde concentratie asbestvezels gemeten. Aansprakelijkheid ontbreekt alleen dan als daarmee op geen enkele wijze rekening gehouden hoefde te worden. De rechtbank leidt uit het aangehaalde arrest af dat ook als er feitelijk niet direct sprake is van een gevaarlijke situatie sprake kan zijn van een aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW, namelijk als het vrijkomen van asbestvezels niet uitgesloten kan worden. Het feit dat de aanwezigheid van asbest niet verboden is maakt niet dat Stadsherstel Midden Nederland niet aansprakelijk kan zijn.

4.14.

Partijen hebben zich in hun processtukken en ook op de comparitie over deze grondslag niet uitgelaten, zodat de rechtbank hen daartoe alsnog in de gelegenheid zal stellen.

4.15.

De rechtbank ziet wel aanleiding om thans reeds op de overige feiten en omstandigheden in te gaan, voor het geval na verder debat tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW geconcludeerd wordt.

4.16.

De rechtbank is voornemens in dat geval het beroep van Stadsherstel Midden Nederland op het exoneratiebeding in haar overeenkomst met Stichting Beiaard Centrum Nederland, dat aansprakelijkheid voor de gevolgen van gebreken uitsluit, te verwerpen. Er is geen huurcontract met [eiser 1] en [eiser 1] en het exoneratiebeding in de relatie met deze derde partijen kan dus niet rechtstreeks worden ingeroepen. Voor zover instemming van [eiser 1] en [eiser 1] met dit beding geconstrueerd zou worden door de aanwezigheid van een identiek exoneratiebeding in de huurovereenkomst tussen Stichting Beiaard Centrum Nederland en [eiser 1] en [eiser 1] , geldt dat op grond van artikel 7:242 BW niet van artikel 7:208 BW ten nadele van de huurder kan worden afgeweken. In dit artikel is bepaald dat een verhuurder, onder voorwaarden, aansprakelijk is voor door een gebrek veroorzaakte schade. Met andere woorden – het exoneratiebeding waarop Stadsherstel Midden Nederland zich op beroept is (als aan bepaalde voorwaarden is voldaan) jegens een huurder in strijd met de wet.

4.17.

Stadsherstel Midden Nederland heeft er op gewezen dat een dergelijk exoneratiebeding vóór 2003 wel toegestaan was. Dit kan haar niet baten, omdat in het overgangsrecht niet is bepaald dat een dergelijk exoneratiebeding in “al bestaande” contracten moet blijven gelden. De bepaling is vernietigbaar. Omdat [eiser 1] en [eiser 1] een beroep hebben gedaan op de strijd met de wet houdt de rechtbank het er voor dat zij zich op die vernietigbaarheid hebben beroepen. Als Stadsherstel Midden Nederland zich jegens haar onderhuurders op haar eigen huurcontract wil beroepen omdat het exoneratiebeding als het ware is doorgezet, dient zij nu dus ook te accepteren dat de onderhuurders, met wie geen rechtstreekse relatie bestaat, haar de beschermende bepalingen uit het huurrecht tegenwerpen. De rechtbank zal dus beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 7:208 BW is voldaan.

4.18.

Het is niet bekend wanneer precies het gebrek aan het gehuurde is ontstaan. Indien het bij aanvang van de huurovereenkomst aanwezig was dan geldt dat Stichting Stadsherstel dit had kunnen weten. Immers alle relevante gegevens over eerdere verbouwingen hadden bij haar bekend kunnen zijn.

4.19.

Indien het gebrek tijdens de looptijd van de huurovereenkomst ontstaan is kan het eveneens aan Stadsherstel Midden Nederland worden toegerekend. In december 2002 hebben [eiser 1] en [eiser 1] kennisgenomen van een brief van Woonvast, beheerder van Stadsherstel Midden Nederland, aan Stichting Beiaard Centrum Nederland waarin staat dat in de woning het grijze plaatmateriaal NOBRANDO verwerkt is, dat niet asbesthoudend is. Thans staat vast dat deze mededeling inhoudelijk onjuist was, omdat sprake is geweest van het wel asbesthoudende Nobranda. Stadsherstel Midden Nederland heeft via haar beheerder verkeerde informatie gegeven die bij [eiser 1] en [eiser 1] terecht gekomen is. Dat heeft er (mede) toe bijgedragen dat geen nader onderzoek is ingesteld en geen maatregelen zijn getroffen om de kans op schade uit te sluiten of te minimaliseren. De in 2002 onjuist gegeven informatie maakt dan dat Stadsherstel Midden Nederland van het ontstaan van het gebrek tijdens de looptijd van de overeenkomst een verwijt gemaakt kan worden, althans dat het haar kan worden toegerekend.

4.20.

Er is dus voldaan aan de vereisten van artikel 7:208 BW, zowel in het geval uitgegaan wordt van een gebrek bij aanvang van de huurovereenkomst als in de situatie dat het gebrek tijdens de looptijd is ontstaan. Dit betekent dat Stadsherstel Midden Nederland zich niet op het exoneratiebeding in haar overeenkomst met Stichting Beiaard Centrum Nederland kan beroepen.

4.21.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben, eveneens in 2002, zelf de Keuringsdienst van Waren benaderd met een monster van de ondervloer. Na onderzoek zijn zij door de Keuringsdienst van Waren geïnformeerd over de aanwezigheid van asbest. Die kennis hebben zij niet gedeeld met Stadsherstel Midden Nederland. Dat leidt tot de bijzondere situatie dat [eiser 1] en [eiser 1] toen wel van de aanwezigheid van asbest op de hoogte waren en Stadsherstel Midden Nederland niet. Wel was er de mogelijkheid voor Stadsherstel Midden Nederland om zich die kennis te verwerven door een nader onderzoek in te stellen, maar een specifieke aanleiding was er voor haar niet, zeker niet meer na de onjuiste geruststellende berichten van haar beheerder.

4.22.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben vervolgens besloten van de (onder)vloer af te blijven en de geruststelling van de Keuringsdienst van Waren (zonder bewerking geen risico) geaccepteerd. Ze hebben ook geen aanleiding gezien om over hun bevindingen in overleg te gaan, ook niet na kennisname van de brief met onjuiste informatie over het aanwezige asbestmateriaal. Daarmee hebben zij Stadsherstel Midden Nederland de mogelijkheid ontnomen om een eigen onderzoek in te stellen.

4.23.

Als toen, na onderzoek, was gebleken dat directe sanering niet nodig was, hadden in overleg afspraken gemaakt kunnen worden over sanering op termijn of bijvoorbeeld over tussentijdse controles. In dat geval was de schade zoals die nu ontstaan is doordat [eiser 1] en [eiser 1] van de ene op de andere dag hun huis moesten verlaten vermoedelijk niet in deze mate ontstaan. De rechtbank grijpt hiervoor terug op de verklaring van [eiser 1] en [eiser 1] op de comparitie over het vermoedelijke ontstaan van de schade. Zij hebben verklaard dat de schade vermoedelijk ontstaan is door een zekere vorm van slijtage in een doorlopend proces waarbij vezels zijn vrijgekomen door het schuiven van bovenste vloerdelen over het onderliggende asbesthoudend materiaal. De rechtbank ziet dan ook een causaal verband tussen het niet delen van de bij [eiser 1] en [eiser 1] beschikbare informatie en de omvang van de schade, omdat een doorlopend proces gestopt kan worden of op de gevolgen daarvan geanticipeerd kan worden. Dit betekent dat een deel van de schade voor eigen rekening van [eiser 1] en [eiser 1] dient te blijven. Daarvoor baseert de rechtbank zich op artikel 6:101 BW (eigen schuld).

4.24.

Het percentage dat wegens eigen schuld voor eigen rekening van [eiser 1] en [eiser 1] moet blijven stelt de rechtbank op 20%. Daarmee brengt de rechtbank tot uitdrukking dat het risico van het ontstaan van schade gelet op de aard van de aansprakelijkheid in dit geval bij Stadsherstel Midden Nederland behoort te liggen. Verder wordt gewicht toegekend aan de onjuiste informatie die namens de beheerder verstrekt is en waarvan een zekere geruststelling is uitgegaan. Ook is onzeker wat er gebeurd zou zijn als [eiser 1] en [eiser 1] de informatie van de Keuringsdienst van Waren wel hadden gedeeld. Zonder aanwijsbare aanleiding was vermoedelijk niet tot directe sanering besloten. Schade had zich mogelijk later alsnog gemanifesteerd, maar wellicht in veel mindere mate doordat adequate voorzorgsmaatregelen waren getroffen of op slijtage geanticipeerd was. In de gegeven omstandigheden valt [eiser 1] en [eiser 1] slechts een beperkt verwijt te maken.

4.25.

De vergoeding voor wat betreft de immateriële schade wordt afgewezen. Het onmiddellijke vertrek uit de eigen woning zal zonder meer een ingrijpende gebeurtenis zijn geweest en veel stress hebben opgeleverd. Toekenning van een vergoeding voor immateriële schade kan slechts plaatsvinden in een beperkt aantal gevallen die genoemd worden in artikel 6:106 BW. Er is onvoldoende gesteld om daadwerkelijk van aantasting in de persoon te kunnen spreken en voor het overige biedt het aangehaalde artikel geen grondslag voor de vergoeding van deze schade.

4.26.

De materiële schade aan de inboedel moet in dit geval geschat worden. Doordat de gehele inboedel vernietigd is en [eiser 1] en [eiser 1] van het ene op het andere moment hun woning niet meer in konden, is nauwkeurige vaststelling van de schade achteraf niet meer mogelijk. Hoewel de bewijslast van de omvang van de schade bij [eiser 1] en [eiser 1] ligt kunnen aan hun stelplicht geen zware eisen gesteld worden. [eiser 1] en [eiser 1] hoefden op de ontstane situatie niet bedacht te zijn. Door het plotselinge verlies van al hun bezittingen zijn zij in een onmogelijke situatie gebracht. Naar de rechtbank begrijpt is de schade geschat aan de hand van aanwezige foto’s (die kort voor vernietiging gemaakt zijn) waarna aan het gefotografeerde object een bepaalde waarde is toegekend. Hoewel deze methodiek gegeven de onmogelijke situatie waarin [eiser 1] en [eiser 1] verkeerden aanvaardbaar is, kan de rechtbank hen in de getaxeerde waarde thans nog niet geheel volgen en kan de taxatie aan waarde winnen indien deze nog op enigerlei wijze geobjectiveerd wordt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een inboedelwaardemeter van een verzekeraar met goede naam en faam. Stadsherstel Midden Nederland heeft met overtuiging argumenten naar voren gebracht die aanleiding zijn om de voorliggende taxatie kritisch te beschouwen. Een nadere onderbouwing van deze schade is nodig. De kosten van de taxatie komen wel voor vergoeding in aanmerking. [eiser 1] en [eiser 1] hebben terecht een deskundige ingeschakeld om hen te helpen met het in beeld brengen van de geleden schade. De rechtbank volgt Stadsherstel Midden Nederland niet in haar stelling dat de kosten niet vergoed hoeven te worden, omdat het rapport niet één op één gevolgd kan worden.

4.27.

De kosten voor het opnieuw laten stofferen en tijdelijke opslag en vervanging komen reëel voor en zijn het gevolg van de asbestcalamiteit. Deze kunnen worden toegewezen.

4.28.

De extra kosten wegens elektrisch koken en het drogen van de was zullen worden afgewezen. De rechtbank heeft geen feitelijke aanknopingspunten om deze schade te kunnen schatten.

4.29.

De gederfde inkomsten wegens het niet bezorgen van een huis-aan-huis blad worden eveneens afgewezen. De rechtbank kan geen verband vaststellen tussen de gedwongen verhuizing en het stoppen met een bijbaantje.

4.30.

De overige onkosten worden eveneens afgewezen. Deze posten zijn onvoldoende toegelicht.

4.31.

De verhuis- en inrichtingskosten dienen nader onderbouwd te worden. Reëel gemaakte kosten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Vanwege het ontbreken van een huurrelatie kan niet aangesloten worden bij de bedragen die op grond van de wettelijke regeling voor verhuis- en inrichtingskosten worden betaald.

4.32.

[eiser 1] en [eiser 1] hebben in hun opgaaf rekening gehouden met bedragen die zij al ontvangen hebben. Zij hebben echter ook lange tijd geen huur betaald, omdat Stadsherstel Midden Nederland hen een woning ter beschikking heeft gesteld en van invordering van de huurpenningen heeft afgezien. Het daarmee corresponderende bedrag dient op de materiële schade in mindering gebracht te worden. Immers zonder asbestcalamiteit hadden zij ook huur moeten betalen.

4.33.

Een groot aantal overwegingen en beslissingen is genomen veronderstellende dat aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW wordt aangenomen. Daarover is echter nog geen definitieve beslissing genomen en partijen mogen zich, als zij dat wensen, gelet op het onvolledig gevoerde debat over deze grondslag nog uitlaten. Verder zullen [eiser 1] en [eiser 1] in de gelegenheid gesteld worden hun materiële schade en de gevorderde verhuis- en inrichtingskosten nader te onderbouwen, rekening houdend met de in dit vonnis gemaakte opmerkingen. Hiervoor zal de zaak verwezen worden naar de rol van 6 september 2017 voor akte aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 1] . Daarna kan Stadsherstel Midden Nederland een akte nemen. Indien partijen in verband met mogelijk overleg ruimere termijnen willen aanhouden zullen verzoeken om aanhouding worden toegestaan.

4.34.

Op de comparitie hebben [eiser 1] en [eiser 1] hun begrijpelijke zorg over mogelijke gezondheidsschade naar voren gebracht. Daarop is in dit vonnis verder niet ingegaan, omdat deze schade zich niet gemanifesteerd heeft en onzeker is of dit ooit zal gebeuren. Bij de beoordeling van de schadeposten, inclusief de gevorderde immateriële schade, heeft de rechtbank daarom helemaal geen rekening gehouden met (de mogelijkheid van) gezondheidsschade.

4.35.

In afwachting van de aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 6 september 2017 voor akte aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 1] ;

bepaalt dat Stadsherstel Midden Nederland na die akte in de gelegenheid wordt gesteld daarop bij akte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.1

1 type: HZ (4583) coll: AR (4291)