Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:4107

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
UTR 17/2598
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Omgevingsvergunning voor vellen van 6 bomen. Buurtvereniging wordt als belanghebbende in de zin van de Awb aangemerkt. De door verzoekster aangedragen alternatieven voor ontsluiting van het terrein, brengen niet zonder meer met zich mee dat vergunning geweigerd had moeten worden, dit gelet op het toetsingskader van de APV. Voorts niet gebleken dat vergunning voorbarig is verleend vanwege het feit dat herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Voorzieningenrechter volgt verder niet het betoog van verzoekster dat verweerder zijn eigen velbeleid niet heeft uitgevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2598

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

de [verzoeker 1] , mr. [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4], te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. A. Kamphuis),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. R.B.J. Wisselo).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: Stichting Tergooi, te Hilversum , gemachtigde: mr. A. Blokhuis-van Balen en [derde-partij ] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: ir. S. Idema.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde-partij ] B.V. (verder: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het vellen van 6 bomen op het adres [perceel] (verder het perceel).

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017. Verzoekers mr. [verzoeker 2] en [verzoeker 4] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verder is namens de [verzoeker 1] [A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster. De overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [B] . Derde-partij [derde-partij ] B.V. is verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. [C] . Stichting Tergooi is eveneens verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door dr. [D] en mr. [E] .

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium (tijdens de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven.

3. Vergunninghouder heeft op 28 maart 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het kappen van een zestal bomen op het perceel. Vergunninghouder is tot deze aanvraag overgegaan met het oog op de bouw van een appartementencomplex ter plaatse, waarvoor aan vergunninghouder inmiddels een omgevingsvergunning is verleend. Het betreffende appartementencomplex maakt onderdeel uit van het integrale plan voor het zorgpark Monnikenberg ten behoeve waarvan op 12 juni 2013 het bestemmingsplan Monnikenberg is vastgesteld.

Belanghebbendeschap verzoekers [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4]

4. De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve voor de vraag geplaatst of verzoekers mr.

[verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de kapvergunning zijn aan te merken.

4.1

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2017, ECLI:NL:2017:1509, wordt in de regel bij een besluit tot verlening van een kapvergunning slechts degene die op geringe afstand van de bomen woont, of vanuit zijn woning daarop zicht heeft, als belanghebbende aangemerkt. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit anders liggen.

4.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen verzoekers mr. [verzoeker 2] ,

[verzoeker 3] en [verzoeker 4] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt, aangezien de afstand tussen hun woning en de te vellen bomen ruim 300 m bedraagt. Bovendien hebben verzoekers geen zicht op de te kappen bomen. Verzoekers hebben nog aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij wel als belanghebbende moeten worden aangemerkt. Die bijzondere omstandigheden zijn erin gelegen dat hier sprake is van het opknippen van een meeromvattend plan in verschillende vergunningen en dat het plan in zijn geheel een relevant ruimtelijk effect op verzoekers kan hebben. De voorzieningenrechter kan verzoekers hierin niet volgen. Of sprake is van belanghebbendheid zal per bestreden besluit, dus per verleende vergunning, moet worden vastgesteld. Om die reden is het verzoek om voorlopige voorziening van deze verzoekers niet-ontvankelijk en zullen zij in bezwaar eveneens niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

Belanghebbendeschap verzoekster [verzoeker 1]

4.3

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb wordt ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

4.4

De voorzieningenrechter heeft in dit stadium van de procedure onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [verzoeker 1] geen werkzaamheden verricht die kunnen worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb en waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de doelstellingen van de vereniging kan worden afgeleid dat zij opkomt voor belangen die zien op het behoud en de verbetering van het bestaande woonklimaat in de woonwijk. Weliswaar wordt blijkens de doelstelling de woonwijk begrensd door Rijksweg 27, de Soestdijkerstraatweg en het Oostereind, en vallen de te kappen bomen buiten de als zodanig begrensde woonwijk, maar de voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat het woonklimaat in de woonwijk in dit geval mede wordt bepaald door de kap van de bomen die buiten de woonwijk staan. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de kap van de thans in geding zijnde 6 bomen onderdeel is van een groter geheel, waardoor het groenbestand in de directe nabijheid van de woonwijk aanzienlijk wordt beïnvloed. De conclusie van de voorzieningenrechter in deze procedure is dan ook dat genoemde vereniging kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.

Inhoudelijke beoordeling van verzoek [verzoeker 1]

5. Ingevolge artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

6. Op grond van artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Hilversum (APV), is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.5.4, eerste lid, van de APV kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van dorps-/stadsschoon;

e. andere reden van milieubeheer.

7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de ABRS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4883, een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand moet worden getoetst aan het beoordelingskader van de lokale van toepassing zijnde verordening. Dat beoordelingskader staat los van het beoordelingskader voor bijvoorbeeld bouwen, aanleggen of planologische voorschriften van de Wet ruimtelijke ordening of de Wabo.

8. De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning voor het kappen te verlenen is een discretionaire bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder de vergunning kan weigeren op grond van de in artikel 4.5.4 van de APV genoemde gronden. Bij de uitoefening van die bevoegdheid komt verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toe. Als een bepaalde in artikel 4.5.4 van de APV genoemde waarde zich voordoet, kan verweerder de vergunning weigeren, maar daartoe bestaat geen verplichting. Daarbij zal verweerder een belangenafweging moeten maken. Dat betekent dat verweerder bij de beslissing om omgevingsvergunning voor het kappen te verlenen een ruime beleidsvrijheid heeft en de rechter die beslissing terughoudend moet toetsen. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of verweerder bij afweging van belangen in redelijkheid tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen komen.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de te vellen bomen een beperkte waarde hebben voor het groene karakter van Hilversum, zodat het belang bij het behoud van die bomen niet groot is. Daar tegenover heeft verweerder het belang geplaatst van vergunninghouder, die zo spoedig mogelijk wil starten met het oprichten van het appartementencomplex, dat onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling van het zorgpark Monnikenberg. Het vellen van de bomen is noodzakelijk voor de aanleg van een weg teneinde de bouw van het complex mogelijk te maken en dient bovendien als ontsluiting voor de (toekomstige) spoedeisende hulp van het ziekenhuis. Verweerder is van mening dat een en ander maatschappelijk van groot belang is, welk belang dient te prevaleren boven het belang van behoud van de betreffende bomen.

9.1

Verzoekster heeft betoogd dat het terrein prima op een andere manier kan worden ontsloten en dat de spoedeisende hulp ontsloten kan worden over de reeds bestaande wegen. Verzoekster heeft daarbij met name gewezen op de ontsluiting langs de Mytylschool.

9.2

Met betrekking tot deze door verzoekster aangedragen alternatieven overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het bestaan van eventuele alternatieven, gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader, niet zonder meer meebrengt dat de onderhavige omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Voorts is de voorzieningenrechter

ter zitting gebleken dat deze alternatieven wel degelijk zijn overwogen. Zij zijn echter verworpen, enerzijds uit veiligheidsoogpunt vanwege de ligging van de Mytylschool ter plaatse, anderzijds omdat met de door verzoekster voorgestane ontsluiting ook een stuk natuurgebied zou moeten worden doorkruist, waarvoor door het ter zake bevoegde gezag pertinent geen toestemming zal worden gegeven. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat hetgeen door verzoekster is aangevoerd, er niet toe kan leiden dat verweerder om die reden de omgevingsvergunning had moeten weigeren. De voorzieningenrechter ziet hierin derhalve geen grond voor de conclusie dat de belangenafweging door verweerder niet deugdelijk is geweest.

10. Verzoekster heeft voorts betoogd dat de kapvergunning voorbarig is verleend, aangezien de plannen voor dit gebied momenteel worden herzien, ten behoeve waarvan de gemeente Hilversum op 13 april 2017 een ontwerp van de herziening van het bestemmingsplan ter inzage heeft gelegd. Verzoekster vraagt zich dan ook af of de plannen van vergunninghouder wel uitgevoerd zullen worden op de wijze zoals thans is voorzien. Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat de ontwikkeling van het ziekenhuis nog onzeker is, omdat de financiering nog niet rond is. Wanneer de bouwplannen van het ziekenhuis niet doorgaan, kan vergunninghouder volgens verzoekster de ontsluitingsweg ook op een andere locatie aanleggen. Ook om die reden is verzoekster van mening dat de kapvergunning voorbarig is verleend.

10.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de partiële herziening van het bestemmingsplan Monnikenberg geen principiële veranderingen aanbrengt in de ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied. Voorts is de vereiste omgevingsvergunning voor het appartementencomplex inmiddels op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo verleend en is vergunninghouder, zoals ter zitting

desgevraagd is toegelicht, voornemens om zo snel mogelijk met de bouw te starten, ongeacht het al dan niet doorgaan van de bouwplannen van het ziekenhuis. Daar komt bij dat van de zijde van Stichting Tergooi uitdrukkelijk is verklaard dat de financiering voor de eerste fase, waarvan de eerstehulppost deel uitmaakt, wel degelijk rond is, dat de financieringsovereenkomsten in december 2016 zijn getekend en dat verweerder hiervan op de hoogte is gesteld. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de omgevingsvergunning prematuur is verleend omdat de beoogde ontwikkeling onzeker is, temeer niet nu verzoekster haar standpunt dienaangaande niet gemotiveerd heeft onderbouwd. Het betoog van verzoekster slaagt dus niet.

11. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn eigen velbeleid niet heeft uitgevoerd, zodat ook om die reden de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend.

11.1

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster in haar betoog kennelijk doelt op het op met ingang van 27 juni 2013 in werking getreden Velbeleid Hilversum 2013-2030. In dit beleid zijn criteria vastgesteld voor de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor onder meer het vellen van bomen. Indachtig dit beleid is verzoekster van mening dat bij de belangenafweging aan het bouwwerk de prioriteit laag moet worden toegekend, omdat sprake is van een tijdelijke weg.

11.2

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet reeds daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In de praktijk blijkt dat ook al heeft het betrokken bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. Het bestuursorgaan dient dan ook alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De voorzieningenrechter volgt daarmee de ABRS in de uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.

11.3

Verweerder heeft in dit specifieke geval er voor gekozen om voor het plangebied Monnikenberg een Bomenplan vast te stellen, waarbij de integrale ontwikkeling van het plan, zoals vereiste kap, herplant en overige compensatiemaatregelen, wordt uitgewerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder die bevoegdheid toekomt, mede gelet op de hiervoor weergegeven uitspraak van de ABRS van 26 oktober 2016. De voorzieningenrechter heeft verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de thans verleende omgevingsvergunning conflicteert met het Bomenplan. Met name de door verzoekster gememoreerde onduidelijkheid rond de financiering van het ziekenhuis, kan de voorzieningenrechter niet tot dat oordeel leiden, met name gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 10.1 is overwogen.

12. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat de kapvergunning in bezwaar niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder in redelijkheid het belang van vergunninghouder groter kunnen achten dan het belang van handhaving van de bomen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om hangende de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart mr. [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] niet-ontvankelijk in het door hen ingediende verzoek om voorlopige voorziening,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker 1]

af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.