Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:408

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
16/705888-16 en 05/840960-14 (vordering tenuitvoerlegging) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee 23-jarige mannen uit Rosmalen en Vianen, zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf voor moord. Het slachtoffer werd vorig jaar op klaarlichte dag geliquideerd, in een woonwijk in IJsselstein, terwijl zijn dochtertje naast hem in de auto zat.

De rechtbank oordeelt op basis van verschillende getuigenverklaringen en het aangetroffen DNA-materiaal dat de verdachten de daders zijn van de schietpartij. De mannen hadden beiden een vuurwapen bij zich, waaronder een groot automatisch vuurwapen. Ze droegen een bivakmuts en zwarte regenpakken, met handschoenen vast getapet aan de mouwen. De rechtbank oordeelt op grond van de uitvoering dat het hier gaat om een kennelijk goed voorbereide kille afrekening of huurmoord.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere gekeken naar de ernst van het feit. De mannen lieten zich niet weerhouden dat het 7-jarige dochtertje van het slachtoffer naast hem zat en ook in levensgevaar is geweest. Nadat het meisje in paniek haar moeder riep is de vrouw van het slachtoffer nog in een vergeefse poging met het slachtoffer naar het ziekenhuis gereden. Dit alles heeft een onuitwisbare indruk gemaakt op de vrouw en het dochtertje, zoals ook bleek uit de slachtofferverklaringen. Ook neemt de rechtbank mee dat de moord plaatsvond op klaarlichte dag, midden in een woonwijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/705888-16 en 05/840960- 14 (vordering tenuitvoerlegging) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats] ,

gedetineerd in PI Nieuwegein te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016, 6 september 2016, 29 november 2016 en 17 januari 2017. De verdachte is op alle zittingen in persoon verschenen. Hij werd ter terechtzitting van 6 september 2016 en 29 november 2016 bijgestaan door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht en ter terechtzitting van 12 juli 2016 en 17 januari 2017 door mevr. mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouwen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd op de zitting van 29 november 2016. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 dat hij op 17 april 2016 te IJsselstein, samen met een ander, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere kogels op die [slachtoffer] af te vuren, waardoor die [slachtoffer] is overleden;

Feit 2 dat hij op 17 april 2016, samen met een ander, een automatisch vuurwapen, twee semi-automatische vuurwapens en totaal ruim 100 scherpe patronen voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan moord (feit 1) en het medeplegen van voorhanden hebben van drie vuurwapens en munitie (feit 2).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het wettige bewijs dat verachte de feiten heeft begaan aanwezig is, maar dat dit bewijs ook op een andere manier kan worden geïnterpreteerd, waardoor de overtuiging ontbreekt. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

De daartoe aangevoerde argumenten zullen in dit vonnis, op de plaats waar dit relevant is, worden besproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsmiddelen feit 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

De eerste getuige en het slachtoffer

Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard:

Ik woon op de [adres] te [woonplaats] . Op 17 april 2016 om 10.00 uur hoorde ik knallen en liep naar mijn balkon aan de voorkant van mijn woning. Ik zag het dochtertje van mijn buurman naar de flat rennen en hoorde haar roepen “papa, papa”.2 Ik rende naar beneden, naar de auto van de buurman, een Volkswagen Polo. Ik zag dat die auto midden op het parkeerterrein stond. Ik zag dat de buurman gewond was en niet reageerde. Ik keek om me heen en zag dat de dader vanuit de bijrijdersstoel van een BMW M5 een wapen op me richtte. Het was een handvuurwapen, ik denk een 9 mm. Hij had een bivakmuts op. Achter het stuur zat nog een persoon met een bivakmuts op. Ik liep achteruit, terug naar de flat. Ik zag dat de daders wegrenden. Ik zag dat de voorste dader een korte AK machinegeweer vasthield onder zijn rechterarm. Ze renden na de groene bouwkeet linksaf, langs een speeltuintje binnendoor richting [adres] , de [adres] . Ze hadden een soort van regenjas aan met een horizontale reflectiestreep op de rug.3

Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:

Op 17 april 2016 rond 10.00 uur hoorden wij dat de eenheid 52.03 werd gestuurd naar de [adres] te [woonplaats] . Er zou geschoten worden. Ik en mijn collega zijn in ons voertuig gestapt en die kant op gereden. Onderweg hoorden we via de meldkamer dat een grijze Volkswagen was weggereden. Het kenteken werd genoemd, maar ik hoorde alleen de cijfercombinatie [nummers] . De meldkamer gaf door dat de 2 mannen weggerend waren. Terwijl ze, ter hoogte van de Randdijk, overlegden met inmiddels gearriveerde collega’s, zagen we een grijze VW de bocht om komen. Het kenteken begon met [nummers] en de auto reed zo hard de bocht om dat hij bijna kantelde. De auto minderde vaart en ik hoorde een man uit het raam schreeuwen. Naast de bestuurder hing een man half tegen de deur, half tegen in de stoel. Ter hoogte van zijn borst zat hij onder het bloed. Ik hoorde de bestuurder roepen: ‘Ik heb het slachtoffer, moet naar het ziekenhuis. Daar zijn ze heen’. Hij wees naar de Nedereindse plas. Daarna reed de VW door.4

Het slachtoffer is: [slachtoffer] , geboren [1978] te [geboorteplaats] , wonende [adres] te [woonplaats] . Hij overleed op 17 april 2016 om 10.50 uur. 5

Door arts en patholoog M. Buiskool is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer] .

Hiervan is een rapport opgesteld, waaruit blijkt dat in het lichaam 3 kogels zijn aangetroffen en meerdere kogelfragmenten. Er sprake was van uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij mogelijk 5 inschoten (één aan de hals/nek, drie aan de romp en één in de linker bovenarm), minimaal 5 doorschoten en mogelijk meerdere schampverwondingen.6 In relatie met schotverwondingen aan de borstkas, waren vitale organen geperforeerd, waaronder het hart en beide longen. Het intreden van de dood wordt verklaard door verwikkelingen van dit bij leven opgelopen inwerking van meervoudig mechanisch geweld (schieten).7

Het onderzoek op de plaats delict

Verbalisant [verbalisant 2] heeft het volgende gerelateerd:

[adres] is een grote parkeerplaats omringd door flats. Links in de hoek, op een parkeerplaats stond een bouwkeet. Ik zag een grijze BMW staan, waarvan de deuren een stukje open stonden. De BMW stond naast de eerder genoemde bouwkeet. De bestuurder van een groene personenauto zei dat de BMW van de daders was. Hij zei dat de daders weggerend waren, in de richting van de speeltuin. 8

Op de [adres] is sporenonderzoek gedaan. Verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , hebben hierover het volgende gerelateerd:

Op de parkeerplaats werden 8 hulzen, 1 kogelpunt en 2 manteldelen aangetroffen. De 8 hulzensporen werden voorzien van de SIN-nummers AAJD2562NL t/m -69NL. De kogelpunt werd voorzien van SIN nummer AAJD2561NL. De twee manteldelen werden voorzien van SIN nummers AAJD2559NL en AAJD2570NL.9 Verder werd aangetroffen:

-een huls 9mm naast de handrem van de auto van het slachtoffer [SIN AAJD1624NL]

-een huls 9mm onder de kinderstoel van de auto van het slachtoffer [SIN AAJD1623NL]

-een huls 9mm naast rechterstoel gesphouder [SIN AAJD1622NL]

-een deel kogelpunt uit kleding slachtoffer [SIN AAJI8564NL]

-drie kogelpunten bij sectie slachtoffer [SIN AAIX7606NL, -07NL en 08NL].10

In het middenconsole van de BMW met kenteken 93-SG-KB lag een pistool. In de houder van dit pistool zaten 14 scherpe patronen, in de kamer zat 1 scherpe patroon. Dit pistool werd voorzien van SIN-nummer AAJD1631NL.

Tevens lag deels onder de passagiersstoel een pistool. In de houder van dit pistool zat 1 scherpe patroon, in de kamer zat eveneens 1 scherpe patroon. Dit pistool werd voorzien van SIN-nimmer AAJD1630NL.11

Op de achterbank van de BMW werd een zwarte Nike sporttas aangetroffen. In de Nike tas lagen twee houders van een vuurwapen, voorzien van enkele 9 mm patronen en een soortgelijk 9 mm Luger los patroon. Tevens lag in de tas een magazijnhouder van een automatisch vuurwapen voorzien van bijbehorende patronen en nog een soortgelijk los patroon.12

Uit het sporenonderzoek aan de auto van het slachtoffer, de VW Polo met kenteken [kenteken] is het volgende gebleken. In de voorruit, aan de bijrijderszijde, waren vier schotbeschadigingen zichtbaar. De richting van deze beschadigingen werd bepaald met behulp van een schotbaanlaser en hieruit bleek dat deze waren gericht op de bestuurdersstoel. In de auto werd glas van de voorruit aangetroffen. Er is dus staand buiten het voertuig door de voorruit geschoten. De schutter heeft tijdens het afvuren van het vuurwapen rechts voor het voertuig gestaan, aan de bijrijderszijde. Een schotbeschadiging in het bestuurdersportier was nagenoeg loodrecht gericht richting de bestuurdersstoel, komend vanaf de rechterzijde (bijrijderszijde) van de auto. De ruit van het rechterportier was niet vernield, het is dus zeer aannemelijk dat dit schot is afgevuurd door een openstaand rechterportier. In het voertuig zijn drie hulzen aangetroffen. Deze zijn voorzien van de SIN-nummers AAJD1622NL t/m -24 NL.13

Door het NFI is vergelijkend onderzoek naar de aangetroffen wapens en munitie gedaan.

Beide pistolen zijn semi-automatisch werkende pistolen van het merk Walther, model P99. Kaliber 9mm.14 Uit de bevindingen van dit onderzoek is gebleken dat de hypothese dat de elf hulzen (nrs. AAJD1622NL t/m -24NL en nrs. AAJD2562NL t/m -69NL) zijn verschoten met pistool AAJD1630NL minimaal zeer veel waarschijnlijker is, dan de hypotheses dat de hulzen zijn verschoten met pistool AAJD1631NL of met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de twee pistolen. Verder is uit de bevindingen van dit onderzoek gebleken dat de hypothese dat de zeven kogels en manteldelen (AAIX7606NL t/m -08NL, AAJD2559NL, -61NL, -70NL en AAJI8564NL) die het best passen bij het kaliber 9mm Parabellum en pistool AAJD1630NL) zijn afgevuurd uit de loop van pistool AAJD1630NL extreem veel waarschijnlijker is, dan de hypothese dat de kogels en hulzen zijn afgevuurd uit de loop van het pistool (AAJD1631NL) of uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de lopen van de twee pistolen.15

De getuigen van het schieten

Getuige [getuige 2] heeft als volgt verklaard:

We gingen zondag naar beneden. We stapten in de auto. Toen ging mijn vader de auto starten en toen kwam er opeens een man bij ons en die schoot de ruit kapot. En hij schoot mijn vader in zijn schouder.16 Ik zat voorin de auto en wilde net mijn gordel omdoen. Het glas kwam bijna tegen mijn oor. 17

Getuige [getuige 3] heeft als volgt verklaard:

Ik parkeerde op 17 april 2016 omstreeks 09.30 uur mijn auto voor de flat aan de [adres] te [woonplaats] . Ik bleef in de auto wachten op mijn vriendin. Ik had zicht op de schaftkeet die op de parkeerplaats staat. Naast die keet stond een zilvergrijze BMW, klaar om weg te rijden. Tussen 09.55 en 10.00 uur zag ik een man lopen met een dochtertje. Het meisje had een wit hoofddoekje om. Hij liep richting geparkeerde auto’s. Ik zag twee mannen uit de zilvergrijze BMW stappen, één uit de bestuurderszijde en één uit de passagierszijde. De man aan de passagierszijde had een automatisch vuurwapen bij zich. Ik dacht aan een AK47. Het wapen was zwart. De man met het wapen liep voorop. De tweede liep als back-up achter hem aan. De mannen liepen doelgericht naar de man met zijn dochtertje. Ik hoorde meerdere schoten. Ik denk een stuk of zes, zeven. Ik zag dat de man het wapen tegen zijn schouder had geplaatst en in een vuurhouding richtte op de bestuurderszijde van een auto. Ondertussen liep ik met mijn dochter weg, om in veiligheid te komen. Ik keek achterom en zag dat de 2 mannen rennend terug gingen naar de BMW. De man met het wapen stapte in aan de passagierszijde en de andere man aan de bestuurderszijde. Ik hoorde een kind gillen en ik zag het meisje met het witte hoofddoekje gillend wegrennen richting de plek waar zij vandaan gekomen was.

De man met het wapen was ongeveer 175/180 cm lang, normaal postuur. Hij was in het zwart gekleed.18 Hij droeg een zwarte bivakmuts. De tweede man was ook in het zwart gekleed en droeg ook een zwarte bivakmuts. Hij had ongeveer dezelfde lengte als dader 1

De man aan de bestuurderskant stapte uit en rende weg over het voetpad richting de speeltuin. De man met het wapen stapte ook uit de BMW en rende achter zijn maatje aan. Hij droeg het wapen nog steeds bij zich. De bivakmutsen hadden ze nog op. 19

Getuige [getuige 4] heeft als volgt verklaard:

Ik liep rond 9.50 à 9.55 uur (de rechtbank begrijpt: op 17 april 2016) naar buiten. Ik had het portier van de auto in mijn hand toen ik iets hoorde wat leek op vuurwerk. Ik draaide me om en zag een man met een vuurwapen in zijn rechterhand. Hij stond voorovergebogen. Hij stond heel dicht op de auto. Ik denk dat hij wel acht á tien keer schoot. Het was een klein vuurwapen. Het was een donker wapen.20 De man had een zwarte bivakmuts op.21

Getuige [getuige 5] heeft als volgt verklaard:

Ik woon op de [adres] te [woonplaats] . Op 17 april 2016 stond ik op het balkon aan de zijde van de parkeerplaats. Ik hoorde mijn buurman met zijn dochtertje naar beneden lopen. Ik zag ze naar de auto lopen. Die auto stond op de parkeerplaats. De vader liep naar de bestuurderszijde, zijn dochter naar de andere zijde. Ik zag dat de deuren van een BMW die geparkeerd stond naast een bouwkeet op de parkeerplaats, open gingen. Vanuit elke zijde van die BMW kwam één persoon. Beide waren donker gekleed. De kleding leek bol, net als ik mijn regenjas draag en er nog kleding onder zit. Op het moment dat beide portieren van de auto van de buurman dicht waren, zag ik beide donker geklede personen op een holletje in de richting van de auto van de buurman lopen. Beide personen hebben een voorwerp in hun hand. Ik zag dat ze bivakmutsen onder hun capuchon droegen. De bestuurder van de BMW, dader 1, liep naar de zijde van de auto waar het buurmeisje zat. De persoon die vanaf de bijrijdersstoel van de BMW was gekomen, dader 2, liep naar de andere zijde van de auto van de buurman. Dader 1 begon te schieten op de auto van de buurman.22 Na het schieten renden beide daders terug naar de BMW. Dader 2 ging weer op de bijrijdersstoel zitten en dader 1 op de bestuurdersstoel.23

Getuige [getuige 6] heeft als volgt verklaard:

Ik was op 17 april 2016 in een woning op de [adres] te [woonplaats] . Ik hoorde knallen en deed de gordijnen van de slaapkamer open. Ik keek toen op de parkeerplaats en zag een BMW staan met twee personen erin. Ik zag dat ze uitstapten. Ze droegen donkere zwarte regenkleding en bivakmutsen. De regenkleding had een zilver reflecterende horizontale streep op de rug. Toen de personen die auto verlieten viel het mij op dat er een wapen in het spel was. Ik zag een groot wapen met een lange loop. Die personen renden weg in de richting van de speeltuin. Ze waren in paniek, want ze kwamen even later terug. Toen namen ze allebei weer plaats in de auto, zonder de deuren te sluiten. Er werd wat gerommeld en vervolgens verlieten ze de auto weer. Toen zijn ze weer richting de speeltuin gevlucht.24 Het magazijn van het wapen dat ik gezien heb, was onderin het wapen geplaatst. Ik denk aan een AK47 of een Kalasjnikov.25 Ze hadden identieke kleding aan. Het waren geen forse mannen.26

Getuige [getuige 7] heeft als volgt verklaard:

Op 17 april 2016 was ik in mijn woning op driehoog. Ik hoorde knallen en ben naar het raam gegaan. Ik keek over de parkeerplaats heen. Ik zag twee mannen in zwarte regenkleding. Ze stonden voor de vluchtauto, die naast de keet stond. Ik zag ze schieten. Eén had een lang wapen in zijn handen, waarvan het handvat bruin was. 27 Toen ze later met zijn tweeën de auto in stapte, heb ik gezien dat de ander ook een wapen had. Ze wilden wegrijden, maar de auto startte niet. 28 Ze renden om de keet heen richting de speeltuin. Na 30 of 40 seconden kwamen ze weer terug bij de vluchtauto. Ik denk dat ze toen wel weer 30 of 40 seconden in de auto hebben gezeten. Ik weet nog dat ik de verdachte met dat grote wapen de auto uit zag stappen.29 De mannen hadden zwarte regenpakken aan, met reflecterende stroken op de borst, de rug en de broek. Toen ze voor de tweede keer de auto verlieten, vluchtten ze dezelfde kant op, richting het speeltuintje.30

Ik heb de vluchtauto ’s ochtends om 05.30 à 05.45 uur al zien staan. Ik rookte toen een sigaretje op het balkon.31

Getuigen op de vluchtroute in de woonwijk

Getuige [getuige 8] heeft als volgt verklaard:

Ik zag op 17 april 2016 rond 09.45 a 10.00 uur vanuit mijn raam op de [adres] te [woonplaats] dat er twee mannen met versnelde pas aan kwamen. Ze gingen linksaf. Ik ben naar de achterzijde van mijn woning gegaan en zag ze wegrennen in de richting van het bosgebied. De voorste man was getint. Hij had een kort zwart jasje aan. Het leek een regenjas. Hij had zwarte vingerhandschoenen aan en donkere sportschoenen. De tweede man was lichter getint dan de eerste man. Het jasje was precies hetzelfde als de voorste man. Hij had ook een donkere broek en donkere sportschoenen aan.

De tweede man had een wapen bij zich van 1 meter, ik denk een AK. De houder was een beetje khaki-achtig van kleur. De rest van het wapen was zwart. De houder liep met een kromming, een banaanachtige vorm.32 Toen ik de mannen aan de achterzijde van mijn woning zag, waren ze aan het rennen.33

Getuige [getuige 9] heeft als volgt verklaard:

Op 17 april 2016 omstreeks 10.05 uur bevond ik mij in de woonkamer van mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . Ik keek uit over het parkje tussen de flats. Ik zag twee mannen rennen, komend uit de richting [adres] . De tweede man had een groot vuurwapen vast. Ik zag dat het een donker wapen was met een houten handvat. Hij hield het wapen met 2 handen voor zijn borst vast, met de loop recht omhoog. De mannen renden over het voetpad voor mijn woning. Ze gingen vervolgens rechtdoor, over het bruggetje. Ze staken het wandelpad over de [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ) over en renden het bosperceel in. 34

Beide mannen droegen een zwart regenpak of sportpak. De broek en het jasje waren van dezelfde stof. Op de linkerborst zat een grijs reflecterende horizontale streep.35

Getuigen in het ‘buitengebied’

Getuige [getuige 10] heeft als volgt verklaard:

Ik ging vanochtend met mijn zus fietsen. Ik stond stil omdat mijn zus foto’s maakte. We hoorden een aantal knallen. We fietsten verder en kwamen bij een plasje. Daar maakte mijn zus een foto. Toen we die later terugkeken, zagen we dat die foto gemaakt was om 09.59 uur. We fietsten weer verder en zagen op een gegeven moment 2 mannen. Dat was bij het pad naast de volkstuintjes. We hoorden een harde plons en zagen dat de voorste man in het slootje was gesprongen. Ik zag hem de sloot uit komen en de volkstuintjes oplopen. Ik zag dat er een man aan het werk wat bij de moestuintjes. De voorste man had een zwart regenpak aan en een regenbroek. Hij had kort zwart plat haar. De achterste man had ook een soort van zwart regenpak aan. Bij hem zag ik een reflectiestreep, horizontaal over de borst. Het was een blanke man.36 We zijn doorgefietst en zagen aan het begin van de woonwijk een politiebusje en een politieauto langzaam rijden.37

Getuige [getuige 11] heeft als volgt verklaard:

Ik ging zondagochtend (de rechtbank begrijpt: 17 april 2016) een fietstocht maken met mijn broer. We zijn tot ongeveer 09.50 uur bij de Nedereindseplas gebleven en daarna weer doorgefietst. Net voordat we die plas verlieten hoorden we knallen, wat op vuurwerk leek.38

We fietsten door en daarna heb je aan de rechterhand nog een kleine plas. Daar zijn we gestopt en hebben we foto’s gemaakt. Dat was een paar minuten voor 10. Toen fietsen we door en dan krijg je aan je rechterhand was bosjes en moestuintjes. Op dat moment zagen we twee donker geklede mannen. Ze droegen donkerblauwe of zwarte regenpakken, zowel jassen als broeken. Op de regenpakken zaten grijze reflecterende strepen, op de borst en bij de enkels. Ze droegen allebei precies hetzelfde. Eén man stapte in de sloot richting de moestuintjes. Hij waadde door de sloot. De andere man kwam vanaf rechts op ons afgelopen. Ik zag iets over zijn rug hangen.39 Ik dacht gelijk dat dat een jachtgeweer was, omdat we eerder die knallen hadden gehoord. Ik zag een donker stukje uitsteken.40

Getuige [getuige 12] heeft als volgt verklaard:

Ik ging op 17 april 2016 hardlopen. Voor tienen liep ik het park in. Dan kom je bij het Fletcherhotel uit. Daar maak je dan een bocht en ga je de brug over naar de Nedereindseplas. Halverwege het park hoorde ik knallen.41 Ik liep verder. Bij de Nedereindseplas loop je naar beneden richting het fietspad. Toen ik naar beneden liep, de helling af, liep er een jongen met mij op in de bosjes aan de overkant bij een slootje. Hij liep een beetje hard en toen weer zacht, hard en zacht. Toen bleef hij staan en stak hij de weg over. We keken elkaar even aan. Hij stak het fietspad en het looppad over en ging aan de overkant de bosjes weer in.42 Hij had een joggingachtig trainingspak aan, donkerblauw.43 Hij was tussen de 1.85 en 1.90 meter. In die bosjes aan de overkant, hurkte de man achter een boom. Hij had plat donker haar. Volgens mij was het gewoon een blanke man. Hij droeg gympen met zwarte zolen. Er zat ergens op de borst een letter of een logo in wit.44

Medeverdachte [medeverdachte] is aangehouden op een volkstuinencomplex.45

De aangetroffen voorwerpen

De omgeving van de plaats waar verdachte [medeverdachte] is aangehouden is nauwgezet onderzocht. In een sloot in het deel van een natuurgebied dat zich nabij het volkstuinencomplex bevindt, werden de volgende voorwerpen aangetroffen.

  • -

    een regenbroek voorzien van witte reflecterende bies een de onderzijde van de broekspijpen;

  • -

    een regenjack, aan de voor- en achterzijde voorzien van een horizontale witte reflecterende bies. Aan de onderzijde van de rechter mouwopening was middels grijskleurig duct tape een witte nitrillen handschoen bevestigd (SIN-nummer AAJW0496NL);

  • -

    een deel van een witte nitrillen handschoen met daaraan een stuk grijskleurig duct tape (SIN-nummer AAJW0493NL);

  • -

    een katoenen zwarte bivakmuts (SIN-nummer AAJM4244NL).

De bivakmuts werd aangetroffen tussen het opgevouwen regenjack.46

In de sloot, vlakbij de aangetroffen kleding, werd een vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen is donkerkleurig, voorzien van een patroonhouder en is soortgelijk aan een Kalasjnikov of een AK47.4748

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar mogelijke schotresten op het aangetroffen regenjack en de bivakmuts. In het rapport hieromtrent wordt geconcludeerd dat:

- het onderzoek een vrijwel zekere relatie heeft aangetoond tussen de bemonsterde delen van de mouwen/latex handschoen aan het regenjack (AAJW0496NL) en een schietproces;

- het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de bivakmuts (AAJM4244NL) en een schietproces.49

In een geluidswal werd een tweetal kledingstukken aangetroffen, met een onderlinge afstand van ca. 5 meter. Het betrof een blauwe katoenen joggingbroek en een blauwe katoenen sweater met capuchon, beide van het merk Nike. De broek was geheel doorweekt, binnenste buiten gekeerd en er zat een stukje waterplant tegen de pijp aangeplakt. De sweater kreeg het SIN-nummer AAJW0498NL.50

De binnenzijde van de kraag van deze sweater is bemonsterd en daarin is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] , met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard .51

De aangetroffen bivakmuts is onderzocht op DNA-sporen. Zowel de binnen- als de buitenzijde van mondregio werd bemonsterd. Het DNA profiel dat is aangetroffen op beide monsters (AAJM4244NL#01 en -#02) matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] , matchkans 1 op 1 miljard . 52

Verdachte [verdachte] heeft een ontkennende verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat hij op 17 april 2016 de hele ochtend heeft liggen slapen in zijn huis op de [adres] . Over het aantreffen van zijn DNA in de bivakmuts heeft hij verklaard dat hij, zo’n twee weken voordat hij werd aangehouden, een bivakmuts heeft opgehad. Dat was niet zijn bivakmuts. Hij wil niet zeggen van wie die muts was of waar dat was.

Naar aanleiding van deze verklaring van verdachte [verdachte] is een aanvullende rapportage opgevraagd bij het NFI. De deskundige heeft 2 hypotheses met elkaar vergeleken:

  1. Verdachte [verdachte] droeg de bivakmuts ten tijde van de overval. Het betreft de bivakmuts van verdachte [verdachte] .

  2. Een onbekende man droeg de bivakmuts ten tijde van de overval. De bivakmuts is niet van verdachte [verdachte] , maar hij heeft deze bivakmuts twee weken voor de overval kortstondig gedragen.

De deskundige acht op basis van een aantal overwegingen de resultaten van het onderzoek naar de biologische sporen en DNA ten minste waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. De overwegingen zijn:

  • -

    dat de bivakmuts voor het laatst gedragen is tijdens fysiek intensieve handelingen, het plegen van de overval en het wegrennen na de overval;

  • -

    dat de bivakmuts is aangetroffen in de jaszak van een regenjas in het water. De bivakmuts was nat bij het aantreffen;

  • -

    de kans dat de dader een prominente hoeveelheid DNA heeft overgedragen op binnen- en buitenzijde van de bivakmuts, dat dit DNA is blijven zitten (persisteert) en dat dit wordt gedetecteerd na veiligstellen, verpakken en transport is beoordeeld als groot.

  • -

    Onder hypothese 2 heeft verdachte [verdachte] twee weken voorafgaand aan de overval de bivakmuts kortstondig gehanteerd en gedragen. Daarna is de bivakmuts door de onbekende dader gedragen tijdens fysiek intensieve handelingen, het plegen van de overval en het wegrennen na de overval.

  • -

    de kans dat verdachte [verdachte] bij het kortstondig hanteren en dragen van de bivakmuts DNA heeft achtergelaten op de bivakmuts is beoordeeld als groot. De kans dat dit DNA persisteert als de prominente hoeveelheid in de bemonsteringen van de binnen- en buitenzijde van de bivakmuts na het dragen van de bivakmuts door de onbekende dader, is beoordeeld als klein tot zeer klein. .53

Zoals hiervoor onder ‘het onderzoek op de plaats delict’ is vermeld werd in de achtergelaten BMW een zwarte sporttas van het merk Nike aangetroffen.

De sporttas werd voorzien van SIN-nummer AAIZ3790NL.54 De hengsels van deze sporttas zijn bemonsterd (SIN-nummer AAIZ3790NL#01) en het NFI heeft onderzoek gedaan naar mogelijk aanwezig celmateriaal. Hierbij werd een mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, waaronder in ieder geval het profiel van één persoon uit de ‘eliminatiedatabank’ (een vrouwelijke medewerkster van het NFI).5556

Vervolgens is het spoor onderworpen aan aanvullend autosomaal onderzoek en een Y-chromosomaal onderzoek. Uit het aanvullend autosomaal onderzoek bleek dat spoor AAIZ3790NL#01 een DNA mengprofiel bevat dat afkomstig kan zijn van minimaal twee personen, te weten een afgeleid DNA hoofdprofiel van een persoon in de ‘Eliminatiedatabank’ en DNA nevenkenmerken van minimaal twee personen, te weten van [verdachte] en minimaal één andere persoon. Door het NFI is aangenomen dat de bemonstering AAIZ3790NL#01 celmateriaal bevat van drie personen die onderling niet aan elkaar verwant zijn. Daarnaast is aangenomen dat de in de via de Eliminatiedatabank matchende persoon één van de donoren van het celmateriaal in deze bemonstering is. Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

Hypothese I: De bemonstering AAIZ3790NL#01 bevat celmateriaal van de persoon in de eliminatiedatabank, [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.

Hypothese II: De bemonstering AAIZ3790NL#01 bevat celmateriaal van de persoon in de eliminatiedatabank, [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.

Het NFI heeft geconcludeerd dat de bevindingen van het vergelijkend DNA onderzoek minimaal 10 duizend keer waarschijnlijker zijn als hypothese I waar is dan als hypothese II waar is.

Bij het Y-chromosonaal onderzoek is van het DNA-profiel van verdachte [verdachte] een Y-chromosonaal DNA-profiel verkregen. Van het celmateriaal in spoor AAIZ3790NL#01 is een onvolledig Y-chromosonaal DNA-mengprofiel verkregen, waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van maximaal drie mannen. Op grond van de resultaten van het vergelijkend Y-chromosonaal DNA-onderzoek kan verdachte [verdachte] één van de donoren van het celmateriaal in spoor AAIZ3790NL=01 zijn.57

Het verweer

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de DNA-matches, die alle drie sterk uiteen lopen qua bewijswaardering, met de nodige terughoudendheid dienen te worden beoordeeld en gezien de nuanceringen, geen redengevende bewijswaarde toekomt. Daarnaast is het zeer aannemelijk dat verdachte ten tijde van de schietpartij in bed lag, in de woning aan de [adres] , zoals hij zelf heeft verklaard. Dit alibi kan, ondanks uitgebreid onderzoek, niet worden bevestigd, maar evenmin worden tegengesproken.

De verdediging concludeert dat het wettige bewijs dat verdachte de feiten heeft begaan aanwezig is, maar dat het qua bewijswaarde ontzettend mager is. De overtuiging ontbreekt echter, nu alle bewijsmiddelen kunnen worden ontkracht of op een andere manier worden geïnterpreteerd.

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Uit de voornoemde bewijsmiddelen wordt het volgende geconcludeerd.

Beide daders van de schietpartij waren gekleed in een zwart regenpak met horizontale reflectiestrepen op borst/rug en broekspijpen. Eén van de daders had een groot automatisch wapen in zijn handen, gelijkend op een Kalasjnikov/AK47.

De daders hebben de woonwijk verlaten via het bruggetje naast de flat aan de [adres] en gingen het aldaar aanwezige bosperceel in. Getuige [getuige 10] en [getuige 11] zien twee mannen met regenpakken het bosperceel uitkomen. Eén van die mannen gaat via een sloot naar het volkstuinencomplex en de andere man komt recht op de getuigen af. In een sloot in genoemd bosperceel zijn een regenpak en een bivakmuts aangetroffen. Dit regenpak komt overeen met de beschrijvingen van de getuigen: het heeft horizontale reflectiestrepen op borst, rug en broekspijpen. Daarnaast zit er duct tape aan zowel de pijpen als de mouwen van dit pak en aan één mouw zit bovendien een (gedeelte van een) latex handschoen. Op de mouwen/latex handschoen zijn schotresten aangetroffen. Dit is eveneens het geval op de bivakmuts.

Op de bivakmuts zit DNA dat matcht met het volledige DNA-profiel van verdachte [verdachte] .

In dezelfde sloot en op zeer korte afstand van de plaats waar het regenpak en de bivakmuts zijn aangetroffen, is een vuurwapen aangetroffen dat lijkt op een Kalasjnikov/AK47.

Voorts is in een geluidswal een blauw trainingspak aangetroffen. Dat deze vindplaats en dit pak in relatie kan worden gebracht met de daders van de schietpartij, volgt uit de verklaring van getuige [getuige 12] . Zij zag immers kort na de schietpartij een man met een blauw joggingachtig trainingspak voornoemd bosperceel verlaten, het fietspad oversteken, de bosjes aan de overkant ingaan. . Het signalement van verdachte [verdachte] past in het door getuige [getuige 12] opgegeven signalement. De geluidswal waarin het trainingspak is aangetroffen ligt naast dit bosperceel.58

Tenslotte blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen dat in de door de daders van de schietpartij gebruikte auto een tas is aangetroffen met daarin -onder meer- twee houders van een vuurwapen en een magazijnhouder van een automatisch vuurwapen met bijbehorende munitie. Op de hengsels van deze tas is een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan uit de vergelijking van de twee hiervoor vermelde hypotheses het minimaal 10.000 keer waarschijnlijker is dat dit mengprofiel celmateriaal bevat dat afkomstig is van [verdachte] dan van een willekeurige andere persoon.

Gelet op de vindplaatsen van de bewuste voorwerpen, in relatie tot de getuigenverklaringen en de resultaten van het forensisch onderzoek, in onderling verband en in samenhang met elkaar gezien, maakt dat de rechtbank tot het standpunt komt dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte betrokken is bij de schietpartij waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen.

Medeplegen en voorbedachte rade

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met medeverdachte in een auto het slachtoffer opwachtten. De auto stond al in de vroege ochtend van 17 april 2016 op de parkeerplaats. Nadat het slachtoffer rond 10.00 uur naar buiten was gekomen en in zijn auto was gestapt, kwamen verdachte en medeverdachten hun auto uit en liepen ze naar de auto van het slachtoffer. Ze hadden beiden een vuurwapen bij zich en daarnaast had een van hen ook nog een groot automatisch vuurwapen bij zich.. Ze droegen allebei een bivakmuts en zwarte regenpakken, met handschoenen vast getapet aan de mouwen. Het slachtoffer werd vervolgens gericht onder vuur genomen en dood geschoten. Verdachte en medeverdachte renden daarna terug naar de auto. In deze auto zijn twee vuurwapens aangetroffen en een grote hoeveelheid munitie. Deze omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat verdachte en zijn mededader zeer planmatig en in onderling overleg te werk zijn gegaan Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met medeverdachte en met voorbedachte raad het feit heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Gelet op het voorgaande, in samenhang en onderling verband bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 17 april 2016 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] .

4.3.3

Ten aanzien van feit 2

Behalve de opgesomde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 neemt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie nog de volgende bewijsmiddelen in aanmerking.

Het (in de sloot) aangetroffen wapen bleek een automatisch vuurwapen, merk Zastava, van categorie II van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM).59 Het wapen was voorzien van een houder met meerdere patronen en in de kamer bevond zich 1 patroon.60 In de houder bevonden zich 32 patronen, kaliber 7.62 x 39 mm, categorie II van de WWM.61

In de tas op de achterbank van de BMW werd eveneens een houder voor een automatisch wapen aangetroffen. Hierin bevonden zich 31 patronen.62

Het (in de auto) aangetroffen vuurwapen voorzien van SIN-nummer AAJD1630N, behoort tot categorie III van de wet WWM. Het is een semi-automatisch vuurwapen, merk Walther, model P99 AS.

In dit wapen bevonden zich 2 scherpe patronen, 9 mm Luger, categorie III van de WWM.63

Het (in de auto) aangetroffen vuurwapen voorzien van SIN-nummer AAJD1631NL, behoort tot categorie III van de WWM. Het is een semi-automatisch vuurwapen, merk Walther, model P99 AS. In dit wapen bevonden zich 15 scherpe patronen, 9 mm Luger, categorie III van de WWM. 64

In de tas op de achterbank van de BMW werden 2 houders voor een vuurwapen met patronen aangetroffen.65 Hierin zaten respectievelijk 11 en 13 patronen, kaliber 9 mm Luger, categorie III van de WWM.66

Conclusie

Gelet op het voorgaande, in samenhang en onderling verband bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 17 april 2016 tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

hij op 17 april 2016 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels in en/of door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten/afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 17 april 2016 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander

wapens van categorie II en categorie III, en munitie van categorie II en categorie III, te weten

- een automatisch vuurwapen (merk Zastava) van categorie II en

- twee vuurwapens (semi-automatisch, merk Walther, model P99 AS) van categorie

III en

- 41 scherpe patronen (van het kaliber 9 mm Luger) van categorie III en

- 32 scherpe patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) van categorie II,

voorhanden heeft gehad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 medeplegen van moord;

Feit 2 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport d.d. 10 november 2016 opgesteld door M. Fluit, psychiater en S. Labrijn, psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken, zodat het niet mogelijk was tot voldoende onderbouwde diagnostische overwegingen te komen. Op basis van de beperkte observaties en de beschikbare informatie zijn geen evidente aanwijzingen gevonden voor psychotische symptomen en een stemmings- of angststoornis. Van een weigering op pathologische basis kan evenmin worden gesproken.

Gezien deze bevindingen was het niet mogelijk om de vraag te beantwoorden of er bij verdachte voorafgaande en ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, aldus de rapporteurs.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor het door hen bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, heeft de verdediging verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Voor een dergelijk feit is de aanbevelingsrichtlijn 14 jaar gevangenisstraf. Er zijn geen argumenten hiervan af te wijken.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met een ander [slachtoffer] vermoord. Dit delict behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft gekeken naar uitspraken die in ons land in soortgelijke zaken zijn gedaan. Daarbij is gebleken dat het bewezen verklaarde feit zich moeilijk laat vergelijken met soortgelijke zaken, omdat elke moord een aantal specifieke elementen in zich draagt.

Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden. De moord betreft een geplande, koelbloedige liquidatie. Verdachte en zijn medeverdachten wachtten het slachtoffer op bij zijn woning. Nadat het slachtoffer in zijn auto was gestapt, liepen ze naar die auto en schoten hem van dichtbij met meerdere kogels dood. Verdachte en medeverdachte lieten zich niet weerhouden door de omstandigheid dat het slachtoffer op dat moment werd vergezeld van zijn 7-jarig dochtertje. Zij zat naast hem in de auto en de kogels moeten haar rakelings hebben gepasseerd. Zij is daarmee dan ook in levensgevaar geweest. Nadat het meisje in paniek haar moeder had geroepen, is de vrouw van het slachtoffer met de auto, waarin haar man zat, tezamen met de buurman van het slachtoffer naar het ziekenhuis gereden, in een -vergeefse- poging zijn leven te redden. Dit alles heeft een onuitwisbare indruk gemaakt op de vrouw en het dochtertje, zoals ook blijkt uit hetgeen namens hen ter zitting naar voren is gebracht.

Door dit gewelddadige en nietsontziende handelen van verdachte en zijn medeverdachte hebben zij het slachtoffer het leven ontnomen en de vrouw, de jonge kinderen, familieleden en vrienden van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan dat zij voor de rest van hun leven zullen dragen.

Deze moord vond plaats op klaarlichte dag, midden in een woonwijk in IJsselstein. In het dossier zitten verklaringen van getuigen die de schietpartij vlak voor hun woning hebben zien gebeuren. Een dergelijk ernstig delict schokt de rechtsorde zeer en veroorzaakt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid.

Hoewel de rechtbank door het zwijgen c.q. ontkennen van verdachte en de medeverdachte geen inzicht heeft kunnen krijgen in de achtergrond van deze moord, kan op grond van de uitvoering wel worden vastgesteld dat het hier gaat om een kennelijk goed voorbereide, kille afrekening dan wel huurmoord.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op deze wijze heeft gehandeld.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij al meermalen is veroordeeld, waaronder een ernstig geweldsmisdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat een gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf van 20 jaar.

9 Beslag

Onder verdachte zijn inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven:

Een Apple Ipad, een zakje met opschrift en een korte broek.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat deze voorwerpen aan verdachte worden teruggegeven, maar niet voordat onderhavig vonnis onherroepelijk is geworden.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van voornoemde voorwerpen en merkt daarbij op dat, zolang onderhavig vonnis nog niet onherroepelijk is, aan de beslissingen van dit vonnis geen uitvoering zal worden gegeven. De toevoeging dat de voorwerpen slechts aan verdachte kunnen worden teuggegeven worden na het onherroepelijk worden, is om die reden overbodig.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 28 april 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 05/840960- 14 , betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 09 januari 2015 van de politierechter te Arnhem, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt meegedeeld dat de proeftijd op 24 januari 2015 is ingegaan.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

11 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Voor aanvang van de terechtzitting hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten mevrouw [benadeelde partij 1] , dochter [getuige 2] , zoon [benadeelde partij 2] en zoon [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R.G.M. Rijkhoff, mr. G.I. Roos en door Slachtofferhulp Nederland. Ter zitting is namens [benadeelde partij 1] een aanvullende vordering ingediend, te weten het verlies van levensonderhoud.

Voorts hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten vader [benadeelde partij 4] , broer [benadeelde partij 5] en broer [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R.J. Sturkenboom.

11.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot toewijzing van de ingediende vorderingen met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de door de zoon [benadeelde partij 2] en zoon [benadeelde partij 3] gevorderde affectieschade heeft de officier van justitie verzocht dit toe te wijzen in het geval de rechtbank daar juridische ruimte voor ziet. Hetzelfde standpunt is door de officier van justitie ingenomen ten aanzien van de ter zitting ingediende vordering van [benadeelde partij 1] voor het verlies van levensonderhoud.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vorderingen dermate complex van aard en omvang zijn dat de vorderingen ook om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat behandeling van de ingediende vorderingen, met uitzondering van een onderdeel van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is vast komen te staan dat alle benadeelde partijen als gevolg van de hiervoor bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden. De waardering van dit schadebedrag wordt per vordering besproken.

11.3.1

De vordering van [benadeelde partij 1]

De hoogte van de door haar geleden schade wordt door [benadeelde partij 1] begroot op

  1. Materiële schade € 3.109,59

  2. Verlies levensonderhoud € 432.216,00

  3. Shockschade € 25.000,00

  4. Proceskosten € 514,96 +

€ 460.840,55

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit vliegtickets, reiskosten arbo-arts, autohuur, kosten in Marokko en telefoonkosten, voldoende is onderbouwd en niet door de verdediging is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft ten gevolge van gederfde inkomsten. De benadeelde partij vordert 10% van het de begrote € 432.216,00 als voorschot, zijnde € 43.221,60. Behandeling van dit deel van de vordering levert echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Zogenoemde shockschade komt onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie moet daarvoor sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. In de onderhavige situatie is de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , zijnde de vrouw van het slachtoffer, naar de plaats van het delict gekomen, nadat haar dochter huilend en in paniek aanbelde. Vervolgens werd benadeelde partij geconfronteerd met haar man, wiens bovenlichaam kort daarvoor door meerdere kogels was geraakt/doorboord. Een buurtbewoner reed haar en haar man naar het ziekenhuis, terwijl haar man voor zijn leven vocht.

Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze confrontatie geleid tot psychische problemen, in de vorm van een depressieve stoornis NAO, een diagnose conform de DSM IV. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan immateriële schade kan worden toegewezen een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank is van oordeel dat het overige deel van de vordering immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 514,95.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 23.109,59, bestaande uit € 3.109,59 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijike rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  • -

    niet-ontvankelijkverklaring van het restant van de vordering;

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 514,95;

  • -

    veroordeling tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 23.109,59 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 150 dagen.

11.3.2

De vordering namens [getuige 2]

De hoogte van de door [getuige 2] geleden schade wordt begroot op:

1. Materiële schade € 535,00

2. Shockschade € 25.000,00

3. Proceskosten € 250,00 +

€ 25.785,00

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit de kosten van een vliegticket teneinde de begrafenis bij te wonen, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de shockschade wordt verwezen naar de overweging hieromtrent zoals hiervoor bij de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] zijn opgesomd. Benadeelde partij [getuige 2] zat in de auto naast haar vader, toen hij werd doodgeschoten. Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze gebeurtenis en de gevolgen daarvan geleid tot psychische problemen, in de vorm van een posttraumatische stress-stoornis, een diagnose conform de DSM IV. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan immateriële schade kan worden toegewezen een bedrag van € 25.000,-.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,00.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 25.535,00 bestaande uit € 535,00 materiële schade en € 25.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,00;

  • -

    veroordeling tot betaling van de toegewezen bedragen aan [getuige 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 25.535,00 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 162 dagen.

11.3.3

De vorderingen namens [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

De hoogte van beide voornoemde benadeelde partijen geleden schade wordt door hen begroot op:

1. Materiële schade € 535,00

2. Affectieschade € 10.000,00

3. Proceskosten € 250,00 +

€ 25.785,00

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit de kosten van een vliegticket teneinde de begrafenis bij te wonen, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schade in verband met affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar huidig Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan zogeheten shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daaronder valt echter niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden van een dierbare (affectieschade).
Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar in het arrest Vilt (HR 2009: BI 8583) aan toe dat dit niet anders is, als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van een opzettelijk misdrijf.
De rechtbank ziet ook in een beroep op het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeding van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op het toekennen van schadevergoeding van zogenaamde affectieschade. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,--.

Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • -

    toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 535,-- bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening

  • -

    niet-ontvankelijk verklaring van de vordering voor een bedrag van € 10.000,--;

  • -

    veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,--;

  • -

    veroordeling tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , behalve voor zover deze vorderingen al door of namens een ander zijn betaald;

  • -

    oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 535,-- waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 10 dagen.

11.3.4

De vordering van [benadeelde partij 4]

Namens de vader van het slachtoffer, benadeelde partij [benadeelde partij 4] , is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade van € 893,66.

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit de kosten van vliegtickets teneinde de begrafenis en de herdenking in Marokko bij te wonen, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

11.3.5

De vordering van [benadeelde partij 6]

Namens de broer van het slachtoffer, benadeelde partij [benadeelde partij 6] , is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade van € 6.494,98.

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit kosten van een vliegticket teneinde de begrafenis in Marokko en de kosten van de uitvaart in Marokko, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

11.3.6

De vordering van [benadeelde partij 5]

Namens de broer van het slachtoffer, benadeelde partij [benadeelde partij 5] , is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade van € 5.283,62.

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit kosten van vliegtickets teneinde de begrafenis en de herdenking in Marokko bij te wonen, kilometerkosten, diverse kosten in verband met de begrafenis en herdenking in Marokko en Nederland en de kosten van psychologische behandeling, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van moord;

Feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twintig (20) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Voorlopige hechtenis

Wijs het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van feit 1

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot het bedrag van € 23.109,59, bestaande uit € 3.109,59 materiële schade en € 20.000 immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 514,95.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 1] , € 23.109,59 (zegge: drieëntwintigduizend honderdnegen euro en negenenvijftig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 150 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [getuige 2]

Wijst de vordering namens [getuige 2] toe tot het bedrag van € 25.535,00 (bestaande uit € 535,00 materiële schade en € 25.000 immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [getuige 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 250,00.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [getuige 2] , € 25.535,00 (zegge: vijfentwintigduizend vijfhonderdvijfendertig euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 162 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] toe tot voor ieder het bedrag van € 535,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden voor ieder begroot op € 250,00.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 2] en ten behoeve van [benadeelde partij 3] , voor ieder € 535,00 (zegge: vijfhonderd vijfendertig euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen per bedrag van € 535,00. De bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 4] toe tot het bedrag van € 893,66, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 4] , € 893,66 (zegge: achthonderd drieënnnegentig euro en zesenzestig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 6] toe tot het bedrag van € 6.494,98, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 6] , € 6.494,98 (zegge: zesduizend vierhonderdvierennegentig euro en achtennegentig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 67 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 5] toe tot het bedrag van € 5.283,62, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 5] , € 5.283,62 (zegge: vijfduizend tweehonderd drieëntachtig euro en tweeënzestig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 61 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Computer, merk Apple Ipad (324085), zakje met opschrift (324088) en een korte broek, kleur zwart, merk Ralph Lauren(324366).

Vordering tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 januari 2015, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. J. Ebbens en R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2017.

Mr. Van Opstal is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 april 2016 te IJsselstein, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk en/of met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg, met een of

meer vuurwapen(s) één of meerdere kogel(s) in en/of door en/of in de richting

van het lichaam van die [slachtoffer] geschoten/afgevuurd, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 april 2016 te IJsselstein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer

wapen(s) van categorie II en/of categorie III, en/of munitie van

categorie II en/of categorie III, te weten

- een automatisch vuurwapen (merk Zastava) van categorie II en/of

- twee vuurwapens (semi-automatisch, merk Walther, model P99 AS) van categorie

III en/of

- 42 scherpe patronen (van het kaliber 9 mm Luger) van categorie III en/of

- 61 scherpe patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) van categorie II,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende einddossier d.d. 29 augustus 216 in het onderzoek 09Ster16 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Dit dossier bestaat uit twee onderdelen, te weten het algemeen dossier en het forensisch dossier. De paginanummering van beide onderdelen begint bij 1. Indien wordt verwezen naar een paginanummer in het algemeen dossier, zal uitsluitend de pagina genoemd worden. Indien wordt verwezen naar een pagina in het forensisch dossier, zal deze verwijzing worden voorafgegaan met de vermelding: FO-dossier. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen

2 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 april 2016, p. 1028

3 Voornoemd proces-verbaal, p. 1029

4 Proces-verbaal bevindingen d.d. 17 april 2016, p. 506, 3e, 4e en 5e alinea

5 Proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , FO-dossier p. 191

6 NFI-rapport d.d. 27 mei 2016, FO-dossier p. 332

7 NFI-rapport d.d. 27 mei 2016, FO-dossier p. 334

8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2016, p. 503, 2e en 3e alinea.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016, FO-dossier p. 37 tot en met 41 en Proces verbaal aanvraag benoeming deskundige, FO dossier, p. 506 en 507.

10 Proces verbaal aanvraag benoeming deskundige, FO dossier, p. 506 en 507.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016, FO-dossier p. 37 tot en met

12 Proces-verbaal sporenonderzoek verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , FO-dossier p. 224

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2016, FO-dossier p. 399 en 400

14 NFI-rapport d.d. 20 juni 2016, FO-dossier p. 524

15 Voornoemd rapport, FO-dossier p. 530 en 531

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , d.d. 22 april 2016, p. 1044

17 Voornoemd proces-verbaal, p. 1045

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , d.d. 17 april 2016, p. 1014

19 Voornoemd proces-verbaal, p. 1015 1e en 2e alinea

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , d.d. 17 april 2016, p. 1009

21 Voornoemd proces-verbaal, p. 1010 4e alinea

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , d.d. 22 april 2016, p. 1053

23 Voornoemd proces-verbaal, p. 1054

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , d.d. 21 april 2016, p. 1071

25 Voornoemd proces-verbaal, p. 1074

26 Voornoemd proces-verbaal, p. 1076

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , d.d. 22 april 2016, p. 1079

28 Voornoemd proces-verbaal, p. 1080

29 Voornoemd proces-verbaal, p. 1081

30 Voornoemd proces-verbaal, p. 1082

31 Voornoemd proces-verbaal, p. 1081

32 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] , d.d. 17 april 2016, p. 969 en 970

33 Voornoemd proces-verbaal, p. 971

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , d.d. 17 april 2016, p. 955

35 Voornoemd proces-verbaal, p. 956

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , d.d. 17 april 2016, p. 1021

37 Voornoemd proces-verbaal, p. 1022

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , d.d. 23 april 2016, p. 1065

39 Voornoemd proces-verbaal, p. 1066

40 Voornoemd proces-verbaal, p. 1067

41 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 12] , d.d. 21 april 2016, p. 1059

42 Voornoemd proces-verbaal, p. 1060, 1e en 2e alinea

43 Voornoemd proces-verbaal, p. 1060, laatste alinea

44 Voornoemd proces-verbaal, p. 1061

45 Proces-verbaal van aanhouding opgemaakt door verbalisant [verbalisant 9] , d.d. 17 april 2016, p. 72

46 Proces-verbaal sporenonderzoek, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 10] , [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , d.d. 9 mei 2016, FO-dossier p. 153 tot 157

47 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] , d.d. 9 mei 2016, FO-dossier p. 373

48 Proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 11] , d.d. 9 mei 2016, FO-dossier p. 385

49 NFI- rapport opgemaakt door [A] , d.d. 24 juni 2016, FO-dossier p. 480

50 Voornoemd proces-verbaal, FO-dossier p. 155 en 157

51 NFI-rapport van [B] , d.d. 29juli 2016, FO-dossier p. 574B

52 NFI-rapport opgemaakt door [C] , d.d. 20 april 2016, FO-dossier 267

53 NFI-rapport opgemaakt door [D] , d.d. 18 november 2016, 3e aanvullend proces-verbaal p. 1961 en 1962

54 Proces-verbaal sporenonderzoek verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , d.d. 20 april 2016, FO-dossier p. 224 en 226

55 NFI-rapport d.d. 27 mei 2016, FO-dossier p. 434

56 Proces-verbaal terechtzitting 17 januari 2017, verklaring deskundige B. Kokshoorn

57 NFI-rapport d.d. 23 juni 2016, FO-dossier p. 439 en 440

58 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 16] , p. 873 met als bijlage een overzichtsfoto, p. 875

59 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 15] , 2e aanvullend proces-verbaal, p. 1828

60 Proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 11] , d.d. 9 mei 2016, FO-dossier p. 384 en 385

61 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 15] , 3e aanvullend proces-verbaal, p. 1829.

62 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 17] , d.d. 26 april 2016, FO-dossier p. 350 en 351

63 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 15] , FO-dossier p. 543 en 544

64 Voornoemd proces-verbaal, p. 545 en 546

65 Proces-verbaal [verbalisant 7] , d.d. 20 april 2016, FO-dossier p. 226 en 227

66 Proces-verbaal [verbalisant 15] , d.d. 12 januari 2017, los verspreid