Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3947

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
16/700065-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 81-jarige man uit Leersum heeft in 2015 twee auto’s en in 2016 één auto van zijn buren beschadigd. Ook is hij zonder toestemming hun erf opgelopen. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 3 maanden. Daarnaast legt de rechtbank een contact- en gebiedsverbod op.

De bejaarde man ging in het donker op pad als hij wist dat de familie niet thuis was. Hij beschadigde de auto’s met gereedschap. Dit zijn op zichzelf genomen al verwerpelijke misdrijven, maar helemaal als je die bekijkt in de context van de jarenlange geschiedenis tussen de verdachte en de familie. De problemen ontstonden vanaf het moment dat de familie in 2000 naast de verdachte kwam wonen. De man kreeg in 2009 een verbod om op het erf van zijn buren te komen, met een daaraan gekoppelde dwangsom van 10.000 euro. Die werd een jaar later verhoogd naar 300.000 euro. Dat weerhield hem er niet van om de vernielingen te plegen en het erf te betreden. Vorig jaar oordeelde de civiele rechter dat de dwangsom geïnd mag worden. Vandaag is de man strafrechtelijk veroordeeld voor deze overtreding.

Voorwaardelijke straffen en opgelegde verbodsbepalingen met dwangsommen hebben er niet voor gezorgd dat hij stopt met zijn gedrag. De rechtbank oordeelt dat hij geconfronteerd moet worden met zijn handelen en ziet geen andere mogelijkheden dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het leed bij de lastiggevallen familie is groot. Naast de aanzienlijke bedragen die zij uitgaven aan beveiligingsapparatuur, wijzen zij vooral op de psychische gevolgen van de overlast en de grenzen van menselijk incasseringsvermogen. De rechtbank legt een contact- en gebiedsverbod op voor vijf jaar. Gelet op het verleden bepaalt de rechtbank dat deze maatregel direct ingaat. Bij overtreding moet de man twee weken de gevangenis in. Ook moet hij in totaal ruim 4.000 euro aan schade terugbetalen aan de familie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700065-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 augustus 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1935] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

op 31 maart 2016 te Leersum opzettelijk en wederrechtelijk een auto toebehorende aan [benadeelde partij 1] heeft beschadigd.

Feit 2

op 1 oktober 2015 te Leersum opzettelijk en wederrechtelijk twee auto’s, respectievelijk toebehorende aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , heeft beschadigd.

Feit 3

op 4 april 2016 te Leersum wederrechtelijk een besloten erf in gebruik bij [benadeelde partij 1] is binnengedrongen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten overstaan van de politie heeft verdachte ontkend dat hij op 31 maart 2016 de auto van [benadeelde partij 1] heeft vernield. Ten aanzien van de ten laste gelegde erfvredebreuk heeft verdachte zich blijkens zijn verhoor op het standpunt gesteld dat zijn aanwezigheid op het perceel van de familie [familie] gerechtvaardigd was: hij zocht zijn hond, die met een hondenfluitje naar dat perceel zou zijn gelokt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op 6 april 2016 heeft [benadeelde partij 1] aangifte gedaan van vernieling aan zijn Mercedes personenauto. Aangever verklaarde dat hij op 30 maart 2016 met zijn gezin de woning heeft verlaten en dat de auto toen nog volle banden had. Ook de ruitenwisser stond op dat moment in de normale stand. De auto stond geparkeerd op zijn erf. Bij terugkomst op 5 april 2016 zag aangever dat de rechter ruitenwisser omgebogen was. Ook zag hij dat alle banden leeg waren. Aangever verklaarde dat hij zag dat de ventielen van de velgen van de auto waren afgeknipt of afgesneden. Aan het achterlicht zag aangever verse schade.2

De vernieling van de auto is visueel vastgelegd. In het naar aanleiding van die opname opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is het volgende gerelateerd.

De datum van de opname is 31 maart 2016. Te zien is een donkere auto, die met de voorzijde naar de camera is gericht. Vanuit de rechterzijde van het beeld komt een persoon met een bivakmuts op aanlopen. De persoon bukt aan de bestuurderszijde van de auto en heeft een voorwerp in zijn rechterhand. Vervolgens komt de persoon omhoog en is te zien dat beide handen leeg zijn. De persoon bukt opnieuw en houdt het voorwerp richting het gezicht. Op dat moment is te zien dat het voorwerp een slang betreft. De persoon loopt vervolgens naar de passagierszijde bij het achterwiel. De persoon bevestigt de slang en houdt deze met beide handen aan de bovenzijde vast. De persoon loopt vervolgens naar het voorwiel en sluit de slang daarop aan. Op dat moment is te zien dat het voorwiel en het achterwiel leeg zijn. De persoon draait dan aan de ruitenwisser. Vervolgens loopt de persoon naar het voorwiel aan de bestuurderszijde. De persoon sluit de slang aan op het voorwiel. De persoon verdwijnt uit beeld en keert dan terug. Te zien is dat de persoon een voorwerp vast heeft. De persoon gaat bij het voorwiel aan de bestuurderszijde met beide knieën op de grond zitten en maakt een knipbeweging met het voorwerp. Te zien is dat het voorwerp een tang betreft. De persoon loopt naar het achterwiel aan de passagierszijde en maakt knippende bewegingen met de tang. De persoon loopt vervolgens naar het voorwiel van de passagierszijde en maakt knippende bewegingen met de tang. De persoon loopt naar de achterzijde en maakt daar nog knipbewegingen. Vervolgens verdwijnt de persoon uit beeld met de slang en tang in zijn rechterhand.3

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de persoon die op de opname is te zien herkent als verdachte. Verdachte loopt licht voorover gebogen en houdt zijn handen gebogen naar achteren bij het lopen. Hij herkent verdachte op de beelden aan zijn houding en manier van lopen.4

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 5 april 2016 werd onder andere een slang van een bandenpomp en kleine rode betonschaar aangetroffen.5

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Op 5 oktober 2015 heeft [benadeelde partij 3] , mede namens zijn moeder [benadeelde partij 2] , aangifte gedaan van vernieling aan zijn auto, een groene MG, en van vernieling aan de auto van zijn moeder, een Mercedes. Aangever verklaarde dat hij op 25 september 2015 zijn auto op het terrein van zijn ouders heeft geparkeerd, voor de auto van zijn moeder. De auto was op dat moment in goede staat en zonder beschadigingen. Op maandag 5 oktober 2015 zag aangever dat er verse krassen in de lak van zijn auto zaten, te weten in het linker achterscherm, in het dak, in de achterruit en in de achterklep. Ook zag hij dat beide verlichtingsarmaturen aan de achterzijde van de auto kapot waren. Toen aangever met de verbalisant rond de auto liep, zag hij dat ook het glas van de linker koplamp van de auto van zijn moeder kapot was.6

Op 14 oktober 2015 is [benadeelde partij 1] als benadeelde gehoord over de opnames die van de vernieling zijn gemaakt. De beelden zijn afkomstig van een camera die op de scheiding van het grindpad en het weiland is gericht, waarbij ook de Mercedes in beeld is. Benadeelde verklaarde dat hij zag dat op 1 oktober 2015 een persoon rechts het beeld in komt lopen. Benadeelde heeft deze persoon omgeschreven als een oudere man met een gebogen lichaamshouding en een voorzichtig, stijf/stram looppatroon. De man heeft een opvallende handpositie, met name in de achter armzwaai. Benadeelde zag dat de man een instrument in zijn hand vast heeft. Benadeelde verklaarde dat hij drie keer een tik hoorde. Hij zag dat de man vervolgens uit beeld verdween. Benadeelde verklaarde dat hij de man als verdachte herkent aan zijn houding en manier van lopen.7

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Op 24 augustus 2016 heeft [benadeelde partij 1] aangifte gedaan van erfvredebreuk. Aangever verklaarde dat de voorzieningenrechter verdachte een verbod heeft opgelegd om zich op het terrein van aangever te bevinden, behoudens het deel waar het recht op overpad op rust. Aangever verklaarde dat verdachte op 4 april 2016 zijn erf heeft betreden. Hij verklaarde dat zijn broer, [A] , op 4 april 2016 op zijn terrein heeft gepost. Aangever verklaarde dat op beelden te zien is dat een manspersoon met een bivakmuts op zijn perceel verschijnt. Aangever zag dat de persoon in de richting van zijn broer liep. Hij zag dat zijn broer de persoon aan zijn trui naar de grond trok en de bivakmuts van zijn hoofd trok. Aangever verklaarde dat zijn broer zag dat de persoon verdachte betrof.8

Op 6 april 2016 is verdachte gehoord op verdenking van vernieling en belaging. Verdachte verklaarde dat zijn hond met een hondenfluitje het weiland in is gelokt en dat hij toen zijn hond is gaan zoeken. Hij verklaarde dat hij daar met een knuppel op zijn hoofd is geslagen.9

Bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op 31 maart 2016 en op 1 oktober 2015 auto’s heeft beschadigd die op het terrein van zijn buren, de familie [familie] , geparkeerd stonden. Het betreft de Mercedes van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de MG van hun zoon, [benadeelde partij 3] . Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van verdachte op de beelden.

Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zonder toestemming het erf van de familie [familie] heeft betreden. Verdachte heeft erkend dat hij op 4 april 2016 het perceel van de familie [familie] heeft betreden, maar heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zijn aanwezigheid gerechtvaardigd was door de zoektocht naar zijn hond die met een hondenfluitje naar het perceel zou zijn gelokt.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu verdachte de hond niet aangelijnd naar buiten heeft gelaten en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in het kader van zijn zoektocht naar zijn hond noodzakelijk was dat hij het perceel van de familie [familie] betrad. Gelet hierop staat vast dat verdachte het perceel van [familie] op 4 april 2016 heeft betreden, terwijl hem duidelijk was dat dit tegen de wil van [familie] was.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 31 maart 2016 te Leersum, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Mercedes-Benz), toebehorende aan [benadeelde partij 1] , heeft beschadigd;

2.

op 1 oktober 2015 te Leersum, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Mercedes-Benz) en een auto (merk MG), toebehorende aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , heeft beschadigd;

3.

op 4 april 2016 te Leersum, in een besloten erf, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij 1] , wederrechtelijk is binnengedrongen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 en 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd;

Feit 3:

in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 maanden. Voorts heeft zij gevorderd aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van zijn vrijheid op te leggen voor de duur van 5 jaren.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan erfvredebreuk en het beschadigen van auto’s. In het donker en op momenten dat de familie [familie] niet thuis was, heeft hij zich op hun terrein begeven om met meegebrachte gereedschappen schade aan te richten. Het toebrengen van dergelijke beschadigingen wijst niet alleen op gebrek aan respect van verdachte voor eigendommen van anderen, maar betreffen bovendien ergerlijke feiten, omdat zij leiden tot overlast en herstelkosten voor de eigenaar van de auto. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Hoezeer deze misdrijven op zichzelf genomen verwerpelijk zijn, moet de ernst en impact daarvan vooral worden bezien in de context van een jarenlange geschiedenis van problemen tussen verdachte en de familie [familie] . Die problemen zijn ontstaan vanaf het moment dat de familie in 2000 haar intrek heeft genomen in de woning gelegen naast de woning van verdachte. Sindsdien zijn diverse bemiddelingspogingen ondernomen. Die pogingen hebben helaas tot niets geleid.

Aanleiding voor het probleem van verdachte met de familie [familie] lijkt te zijn gelegen in de wijze waarop hun percelen zich tot elkaar verhouden. Het perceel van verdachte wordt omsloten door het perceel van [familie] , waardoor verdachte zijn terrein slechts kan bereiken door gebruik te maken van het recht van overpad, dat op het perceel van [familie] rust. Dit recht van overpad en de gedragingen van verdachte, hebben blijkens het dossier reeds aanleiding gegeven voor een civielrechtelijke procedure. De uitkomst van die procedure was, dat het recht van overpad van verdachte werd bevestigd en dat het verdachte werd verboden om behalve dat omschreven recht van overpad het perceel van [familie] te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding. Dat verbod heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich alsnog op het terrein van [familie] te begeven, aangezien de voorzieningenrechter in 2010, na overtreding van het verbod, de dwangsom naar een bedrag van € 300.000,- heeft verhoogd. Nadat verdachte het verbod opnieuw had overtreden, voor welke overtreding verdachte vandaag strafrechtelijk zal worden veroordeeld, heeft de civiele rechter op 9 november 2016 bepaald dat de dwangsom van € 300.000,- mag worden geïnd.

Uit zijn justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafrechtelijke feiten gepleegd tegen zijn buren. In 2007 en op twee momenten in 2010 is verdachte onherroepelijk veroordeeld voor onder meer verduistering, belaging, erfvredebreuk, vernieling en mishandeling. Verdachte zijn daarbij voornamelijk voorwaardelijke straffen opgelegd. De rechtbank neemt deze eerdere veroordelingen mee in haar overwegingen bij het bepalen van de straf en maatregel.

Dat het leed bij de familie [familie] groot is, blijkt wel uit de schriftelijk ingediende en ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Naast de aanzienlijke som geld die zij ter bestrijding van de overlast aan beveiligingsapparatuur hebben moeten uitgeven, wijzen zij vooral op de psychische gevolgen van de overlast en de grenzen van het menselijk incasseringsvermogen. Zij hebben zich machteloos gevoeld. Het gevoel van onveiligheid en de angst dat er opnieuw iets zal gebeuren, is voor hen voortdurend op de achtergrond aanwezig.

Wat betreft de persoon van verdachte, stelt de rechtbank vast dat hij zijn medewerking aan zowel het opstellen van een NIFP-rapport als het opstellen van een reclasseringsrapport heeft geweigerd. Nu er geen aanleiding is om anders te oordelen, houdt de rechtbank hem volledig verantwoordelijk voor zijn handelen.

Gezien het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat verdachte in zijn handelen kennelijk niet wordt gestuurd door voorwaardelijke straffen of aan hem opgelegde verbodsbepalingen op straffe van verbeurte van dwangsommen. Om die reden is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat verdachte direct geconfronteerd dient te worden met de gevolgen van de strafrechtelijke normen die hij heeft overtreden. Daarbij kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarnaast dient de op te leggen straf te bestaan uit een component, die bijdraagt aan het voorkomen dat verdachte zich opnieuw op het erf van de familie [familie] zal begeven dan wel dat hij contact met hen zal leggen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden is. Ook zal de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare

feiten bevelen dat verdachte:

  • -

    zich niet ophoudt op het perceel, met bebouwing, gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] , behoudens het ter plaatse geldende recht van overpad;

  • -

    zich onthoudt van contact, direct dan wel indirect, met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , hun kinderen, alsmede [A] .

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 5 jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal steeds vervangende hechtenis voor de duur van 14 dagen hechtenis worden opgelegd, met bepaling dat de duur van de hechtenis, opgeteld, het totaal van 3 maanden niet zal overstijgen.

Een verderstrekkend verbod, waarbij verdachte wordt verboden om in contact met de media te treden of wordt verboden op enigerlei wijze over de familie [familie] te berichten, acht de rechtbank niet aangewezen.

Gelet op de eerder omschreven geschiedenis aan overlast en de strafrechtelijke documentatie van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend zal gedragen jegens de familie [familie] . Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij vorderen respectievelijk een bedrag van € 2.141,18 en € 1.965,57 aan materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht tot toewijzing van beide vorderingen.

9.2

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partijen als gevolg van de hiervoor onder rubriek 5 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 2.141,18 ten aanzien van [benadeelde partij 2] en op € 1.965,57 ten aanzien van [benadeelde partij 3] en zal de vorderingen tot die bedragen toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de respectieve schadedata tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van respectievelijk € 2.141,18 en € 1.965,57, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de respectieve schadedata tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door respectievelijk 31 en 29 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 36f, 38v, 38w, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren;

  • -

    beveelt dat verdachte

  • -

    zich niet ophoudt op het perceel, met bebouwing, gelegen aan het adres [adres] te [woonplaats] , behoudens het ter plaatse geldende recht van overpad,

  • -

    zich onthoudt van contact, direct dan wel indirect, met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , hun kinderen, alsmede [A] ;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel steeds wordt vervangen door 14 dagen hechtenis, met bepaling dat de duur van de hechtenis, opgeteld, het totaal van 3 maanden niet zal overstijgen;

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 1.965,57;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 1.965,57 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 29 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 2.141,18;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde partij 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 391,33 vanaf 1 oktober 2015 en over het bedrag van € 1.749,85 vanaf 31 maart 2016, tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 2.141,18 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 391,33 vanaf 1 oktober 2015 en over het bedrag van € 1.749,85 vanaf 31 maart 2016, tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 31 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. P.J.M. Mol en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van I.W.H.M. Verheijen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 augustus 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 maart 2016 te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Mercedes-Benz), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 1 oktober 2015, in ieder geval op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 september 2015 tot en met 05 oktober 2015 te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Mercedes-Benz) en/of een auto (merk MG),in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 04 april 2016 te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug, althans in het arrondissement Midden-Nederland in een besloten erf, gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [benadeelde partij 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen;

art 136 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 juli 2016, genummerd PL0900-2016135703, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 381. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] d.d. 6 april 2016, met bijlagen, pagina 71.

3 een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 april 2016, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 3] , pagina 78 e.v.

4 een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016, met bijlagen, opgemaakt door [verbalisant 1] , pagina 96.

5 een proces-verbaal van doorzoeking d.d. 27 april 2016, opgemaakt door [verbalisant 1] , pagina 37 en 38.

6 een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 oktober 2015, opgemaakt door [verbalisant 2] , pagina 45 en 46.

7 een proces-verbaal van verhoor benadeelde [benadeelde partij 1] d.d. 14 oktober 2015, met bijlagen, pagina 48 e.v.

8 een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] d.d. 24 augustus 2016, met bijlage, pagina 191 e.v.

9 Een proces-verbaal van verhoor d.d. 6 april 2016, pagina 132.