Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3935

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
16/659490-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 26-jarige vrouw uit Haaksbergen en een 32-jarige man hebben in 2017 in Hilversum met een babbeltruc geprobeerd om een hoogbejaarde man in zijn huis te beroven. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de 32-jarige verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De 26-jarige vrouw heeft bij een andere bejaarde man, ook met een babbeltruc, een Swarovski sieraad uit zijn woning gestolen. Zij krijgt een celstraf opgelegd van 9 maanden.

Bij de poging tot diefstal deed de vrouw zich voor als een medewerker van het Rode Kruis. Zij maakte het slachtoffer wijs dat zij vragen wilde stellen over de bevrijding. Tijdens het gesprek werd zij gebeld. Zij deed alsof haar telefoon stoorde en liep de gang op. Na een minuut ging het slachtoffer polshoogte nemen. Plotseling kwam de 32-jarige man uit de slaapkamer rennen. Niet veel later kon de politie beide verdachten aanhouden.

De man die bestolen is van een sieraad was in zijn tuin bezig toen hij werd aangesproken door de 26-jarige vrouw. Zij zei dat ze haar kat kwijt was en in zijn tuin wilde zoeken. Na 10 minuten samen zoeken liep de man naar binnen en hoorde iemand van de trap afkomen. Hij pakte de man bij de pols, maar werd toen zelf hardhandig vastgepakt. De onbekend gebleven man ging naar buiten en liep samen met de vrouw weg.

De vrouw werd ook verdacht van een derde poging tot diefstal. Op basis van het dossier en de behandeling op zitting kan niet met zekerheid worden gezegd dat zij dit feit heeft gepleegd. De rechtbank spreekt haar vrij van deze verdenking. De rechtbank wijkt mede daarom enigszins af van de eis van de officier van justitie. Ook wilde de officier van justitie de vrouw een gebiedsverbod opleggen voor alle bejaardencomplexen en seniorenwoningen. De rechtbank vindt deze ruim geformuleerde maatregel in deze zaak vooralsnog niet passend. Bovendien is zo’n maatregel praktisch moeilijk te handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/659490-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere te Almere.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. drs. T. van Haaren-Paulus en van hetgeen verdachte en mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1: op of omstreeks 5 mei 2017 te Hilversum, tezamen en in verenigen met (een) ander(en), heeft gepoogd goederen en/of geld weg te nemen van de (hoogbejaarde) [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de woning van die [slachtoffer 1] hebben doorzocht na een babbeltruc.

2: op of omstreeks 25 april 2017 te Hilversum, tezamen en in verenigen met (een) ander(en), met geweld (het hardhandig vastpakken en knijpen in de pols) een Swarovski sieraad, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen.

2.1

VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 VRIJSPRAAK FEIT 2

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen en heeft gewezen op de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte dat hij in de woning van aangever is geweest.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

Het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. Verdachte was twee vriendinnen kwijt, ging naar hen op zoek en was in de veronderstelling dat zij zich in die woning bevonden. Hij is weggegaan toen bleek dat zij daar niet waren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van poging tot diefstal uit zijn woning, gelegen aan

[adres] te [woonplaats] , gepleegd op 5 mei 2017. Aangever [slachtoffer 1] heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Omstreeks 20.15 uur ging de deurbel. Een jonge vrouw stond bij de voordeur die zei dat zij van het Rode Kruis was en dat zij aangever vragen wilde stellen over de bevrijding.

De vrouw kwam binnen. Zij vroeg hoe oud ik was en ik vertelde dat ik geboren was in 1926 en dus 91 jaar oud ben. Ik zag dat zij aantekeningen maakte op een klein blocnootje. Toen ging haar telefoon, ze deed alsof de telefoon stoorde. Ze liep de woonkamer uit de gang op. Na ongeveer een minuut ging ik kijken, zij was niet meer op de gang. Plotseling kwam er uit één van mijn slaapkamers een man gerend. Ik zag de deur van de provisiekast een klein stukje open staan, dus daar heeft de man in gekeken. Ik zag deze man later in de boeien geslagen worden door de politie. Ik zag even later twee agenten met twee vrouwen staan. Eén van die twee vrouwen was bij mij binnen geweest. Ik ben er van overtuigd dat het een babbeltruc is geweest.

Verbalisanten kregen op 5 mei 2017 omstreeks 20.30 uur de melding te gaan naar de

[adres] te [woonplaats] en zij hebben onder meer gerelateerd, zakelijk weergegeven:

“Wij kwamen omstreeks 20.35 uur ter plaatse. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag een man de trap aflopen die nog net iets boven op de vloer van de tweede etage legde. Het signalement van deze persoon kwam overeen met het signalement dat de melder opgaf. Die man had daar een panty met daarin een zwarte wollen handschoen neergelegd. Aangever kwam aangelopen en zei: “Ja dat is hem, hij stond net in mijn woning.” Deze man is aangehouden en dit betrof verdachte.

De aangever vertelde dat er ook een vrouw in zijn woning was geweest. Vervolgens kwam de melding een etage hoger te gaan. Daar zouden twee vrouwen druk aankloppen en vluchtgedrag vertonen. Deze twee vrouwen bleken medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te zijn en zij werden aangehouden. Aangever zei over medeverdachte [medeverdachte 1] : ‘Dat is de vrouw die in mijn woning was’. Op de verdieping waar de vrouwen werden aangetroffen lag een wit propje papier, waarop onder meer stond “1926 91J heeft de oorlog wel meegemaakt Noord Zuid…”.2

Eén van de verbalisanten heeft gerelateerd dat er in de tas van medeverdachte [medeverdachte 1] een blocnote is aangetroffen. Op de plek waar zij werd aangehouden is een propje papier aangetroffen van hetzelfde formaat als de blocnote, met dezelfde belijning en dezelfde scheurrand. Verbalisant zag op de blocnote exact dezelfde tekst ingedrukt staan als de tekst die op het losse papiertje stond. Verbalisant stelde vast dat het aangetroffen losse propje afkomstig is van de bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen blocnote.3

Verdachte heeft verklaard dat hij daar in Hilversum was met medeverdachte [medeverdachte 1] en nog een vrouw. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij in de woning van aangever is geweest.4

Bewijsoverwegingen feit 1

De rechtbank acht, op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met een ander schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – een poging tot diefstal uit de woning van aangever, zoals hierna onder 5 omschreven. De rechtbank heeft geen redenen te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever en heeft die verklaring tot uitgangspunt genomen. Uit die verklaring van aangever volgt dat verdachte uit één van de slaapkamers van aangever rende en de woning verliet. Daarbij is aangever nadien opgevallen dat de provisiekast openstond. Aangever had even daarvoor met – naar later bleek – medeverdachte [medeverdachte 1] in zijn woning gesproken over de bevrijding nadat die [medeverdachte 1] had gezegd dat zij van het Rode Kruis was en hem daar vragen over wilde stellen. De rechtbank merkt deze gang van zaken aan als een babbeltruc die verdachte de kans heeft geboden (ongezien) de woning van aangever binnen te gaan met het oogmerk geld en/of goederen te stelen van aangever.

De verklaring van verdachte dat hij de twee vrouwen zocht met wie hij daar in Hilversum was, dat hij die woning is binnengaan om te kijken of zij daar waren en dat hij enkel in de gang van de woning is geweest, zal de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde schuiven. Verdachte heeft verder ontkend dat hij een handschoen in een panty had neergelegd toen hij de trap van de tweede etage afliep, terwijl verbalisanten op ambtseed hebben gerelateerd dat zij zagen dat verdachte dit deed. Ook dit maakt dat de rechtbank geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte. De rechtbank wordt in haar overtuiging dat verdachte dit feit heeft begaan, gesterkt door de verklaring van getuige [getuige] , die op 5 mei 2017 de politie heeft gebeld toen een man bij haar aan de deur stond die zei dat hij van het Rode Kruis was. Verdachte heeft erkend dat hij bij deze vrouw aan de deur is geweest omdat hij ‘ [naam] ’ zocht. De rechtbank acht het opvallend dat ook in deze situatie, net als bij aangever [slachtoffer 1] , het Rode Kruis wordt genoemd.

4.3.1

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij op 05 mei 2017 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] , tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebben verdachte en/of zijn mededader de woning van die (hoogbejaarde) [slachtoffer 1] na een babbeltruc betreden en doorzocht, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

5 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

6 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Ten aanzien van de aard en ernst van het feit heeft de officier van justitie als strafverzwarend naar voren gebracht dat het een hoogbejaard slachtoffer betreft die op slinkse wijze door verdachte en zijn mededader is benaderd. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor het door hem gepleegde strafbare feit.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Indien een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde volgt, dient aansluiting te worden gezocht bij het oriëntatiepunt van het LOVS dat ziet op diefstal waarbij is ingeslopen in een woning.

Dat oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 2 maanden en in het geval van recidive een gevangenisstraf van 3 maanden. Nu het een poging betreft dient geen hogere gevangenisstraf te worden opgelegd dan een gevangenisstraf van 60 dagen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal, waarvan een (hoog)bejaarde man het slachtoffer is geworden. Dit feit heeft plaatsgevonden door middel van een zogenaamde babbeltruc. Zijn mededader leidde het slachtoffer af, terwijl verdachte (ongezien) de woning van het slachtoffer betrad. Kwalijk is dat bij dit feit kennelijk bewust een ouder persoon als slachtoffer is uitgekozen. Verdachte heeft op lafhartige wijze deze door zijn hoge leeftijd kwetsbare man als gemakkelijke prooi gezien en zijn vertrouwen geschaad. Verdachte heeft ook het vertrouwen in de medemens, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Tevens neemt de rechtbank in beschouwing dat het strafbare feit bij het slachtoffer thuis heeft plaatsgevonden, waardoor verdachte bij het slachtoffer het gevoel van veiligheid in en rond zijn huis ernstig heeft beschadigd. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen verdachte daar tijdens het onderzoek ter terechtzitting over naar voren heeft gebracht.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 mei 2017, waaruit volgt dat verdachte (op deze naam) nimmer is veroordeeld voor een strafbaar feit. Echter, het dossier bevat ook een Uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juli 2017 op de naam ‘ [naam] ’, welke naam verdachte eerder heeft gebruikt. Op deze naam is verdachte op 4 november 2014 veroordeeld voor een diefstal uit een woning.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Gelet op de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Het bewezenverklaarde feit betreft het een poging tot diefstal uit een woning. De rechtbank weegt als strafverzwarend mee het samenwerkingsverband waarbinnen verdachte te werk is gegaan en de confrontatie met het slachtoffer, te weten een kwetsbaar persoon van 91 jaar die op lafhartige wijze door middel van een babbeltruc in zijn woning is misleid, opdat verdachte en zijn mededader binnen konden komen teneinde geld en/of goederen uit de woning weg te kunnen nemen.

Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.

De rechtbank zal verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier (4) maanden.

8 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 1 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. R.C.J. Elte-Hamming en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juli 2017.

Mr Oosterling-van der Maarel, voornoemd, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 mei 2017, te Hilversum, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebben hij/zij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) de woning van die (hoogbejaarde) [slachtoffer 1] na een babbeltruc betreden en/of doorzocht, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 april 2017, te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Swarovski sieraad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [slachtoffer 2] hardhandig werd vastgepakt en/of in zijn pols werd geknepen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2017136840, opgemaakt door Politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 18, 100 tot en met 128, 200 tot en met 229, 300 tot en met 319, 1000 tot en met 1028, 2000 tot en met 2001 en 3000 tot en met 3056. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 1000 en 1001.

3 Pagina 1017.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2017.