Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3923

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
UTR 16/922 en UTR 16/2180
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: herziening en terugvordering WIA-uitkering, pgb-inkomsten

Wetsartikelen: artikelen 27, 76 en 77 van de Wet WIA

Samenvatting:

Wegens genoten pgb-inkomsten is de WIA-uitkering herzien en teruggevorderd. In dit specifieke geval ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen voor het standpunt van verweerder dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Niet onaannemelijk dat het hebben van een pgb naast het hebben van een uitkering besproken is op het spreekuur van de verzekeringsarts en dat eiseres daaruit redelijkerwijs heeft mogen opmaken dat het pgb geen invloed zou hebben op haar uitkering. Niet wordt voldaan aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht te herzien en terug te vorderen over de periode tot 2015.

Vanaf de datum van verweerders brief heeft het eiseres wel redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de pgb-inkomsten van invloed kunnen zijn op haar uitkering. Terecht vanaf die datum herzien en teruggevorderd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien. Opdracht aan verweerder om nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 16/922 en UTR 16/2180

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2017 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Beekelaar),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Rokebrand).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering die eiseres ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) herzien en de over de periode 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2014 te veel betaalde WIA-uitkering tot een bedrag van € 90.703,88 teruggevorderd.

Bij besluit van 4 januari 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer UTR 16/922.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 8 oktober 2015 (primaire besluiten II) heeft verweerder de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 2015 verlaagd, de te veel betaalde WIA-uitkering over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 tot een bedrag van € 5.818,15 van eiseres teruggevorderd en bepaald dat de WIA-uitkering vanaf 1 oktober 2015 als voorschot wordt betaald.

Bij besluit van 17 maart 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II eveneens beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer UTR 16/2180.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in de beide beroepen gevoegd plaatsgevonden op 9 februari 2017. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [A] , en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is geschorst in verband met het voornemen van de rechtbank om een getuige te horen. Na de zitting heeft de rechtbank de heer [getuige] , vanaf 1992 verzekeringsarts en vanaf 2016 verzekeringsarts bezwaar en beroep, opgeroepen om als getuige ter zitting van 22 mei 2017 te verschijnen.

Op 22 mei 2017 is het onderzoek ter zitting voorgezet. Tijdens die zitting is

[getuige] onder ede gehoord. Ter zitting zijn verder opnieuw verschenen eiseres, vergezeld van haar echtgenoot, bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts is namens verweerder zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres was sinds 21 maart 2001 werkzaam als assemblagemedewerker bij [bedrijfsnaam] B.V. gedurende 38 uur per week. Op 3 februari 2005 is eiseres uitgevallen voor haar werk vanwege psychische klachten. Verweerder heeft bij besluit van 30 januari 2007 aan eiseres per 1 februari 2007 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet WIA toegekend op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 9 november 2007 heeft verweerder de uitkering ongewijzigd voortgezet, aangezien na herbeoordeling door de verzekeringsarts is gebleken dat eiseres ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.

1.2

Uit een bestandsvergelijking met de belastingdienst is gebleken dat eiseres in 2011 en/of 2012 inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) heeft genoten. Naar aanleiding daarvan is een onderzoek ingesteld en is op 24 oktober 2014 een rapport van bevindingen opgesteld. Vervolgens is door een inspecteur van de afdeling Handhaving van verweerder een onderzoek verricht waarvan de uitkomsten zijn vastgelegd in een onderzoeksrapport van 20 augustus 2015. Uit dat onderzoek is gebleken dat eiseres vanaf 5 oktober 2007 tot en met

31 december 2014 inkomsten uit dit pgb heeft ontvangen. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft verweerder het primaire besluit I en het bestreden besluit I genomen zoals weergegeven onder het Procesverloop.

1.3

Eiseres heeft op 30 september 2015 op het formulier “Wijzigingen doorgeven” ingevuld dat zij pgb-inkomsten heeft genoten in 2015 en daarbij aanvullende informatie verstrekt.

Daarop zijn de primaire besluiten II en het bestreden besluit II genomen zoals weergegeven onder het Procesverloop.

UTR 16/922

2. Het bestreden besluit I gaat over de handhaving van het besluit om de WIA-uitkering van eiseres over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2014 met terugwerkende kracht te herzien en het teveel ontvangen bedrag aan uitkering terug te vorderen vanwege de genoten inkomsten als zorgverlener in het kader van een pgb zonder daarvan melding te maken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding van de informatieplicht op grond waarvan hij de WIA-uitkering van eiseres heeft herzien vanaf het begin dat eiseres is gestart met haar pgb-werkzaamheden.

3. Niet in geschil is dat eiseres vanaf 5 oktober 2007 werkzaamheden is gaan verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst en daarvoor uit het aan haar echtgenoot toegekende pgb inkomsten heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat deze inkomsten zijn aan te merken als belastbaar loon ter bepaling van het inkomen als bedoeld in artikel 61 van de Wet WIA.

Daardoor heeft verweerder aan eiseres ten onrechte of tot een te hoog bedrag een WIA-uitkering verstrekt.

Schending informatieplicht?

4. Eiseres betwist dat zij de informatieplicht heeft overtreden. Eiseres stelt dat zij in het gesprek met de verzekeringsarts [getuige] op 6 november 2007 melding heeft gemaakt van haar pgb-werkzaamheden. Zij had op dat moment de aanvraaggegevens voor het pgb bij zich en wilde deze aan de verzekeringsarts laten zien. De verzekeringsarts wilde deze gegevens niet inzien, omdat dit volgens hem niet van belang was. Zij is en heeft mogen afgegaan op wat de verzekeringsarts haar heeft verteld, namelijk dat de door haar genoemde werkzaamheden en inkomsten niet van belang waren voor haar recht op WIA-uitkering. Eiseres beroept zich daarom op een uitdrukkelijke, ondubbelzinnig en ongeclausuleerde toezegging, waaraan zij het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de pgb-inkomsten niet van invloed waren op haar uitkering. Dat de mededeling van de verzekeringsarts niet duidelijk genoteerd staat, wil niet zeggen dat hij dat niet gezegd heeft. Eiseres wijst in dat verband ook op de verklaring in het emailbericht van de verzekeringsarts van 6 augustus 2015.

5. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA moet een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

6.1

De wettelijke regels schrijven voor dat eiseres een plicht heeft om actief alle informatie en wijzigingen waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat ze van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering te melden bij verweerder.

6.2

De rechtbank stelt vast dat eiseres in het door haar op 23 oktober 2006 ondertekende WIA aanvraagformulier bij de vraag of zij op dat moment werkt het hokje ‘nee’ heeft aangekruist. Op dat moment was er nog geen sprake van werkzaamheden en inkomsten in het kader van een pgb, zodat eiseres op dat moment in het kader van haar aanvraag voor een uitkering nog geen melding had kunnen doen van haar pgb-werkzaamheden.

6.3

Vast staat dat eiseres vanaf 5 oktober 2007 pgb-werkzaamheden is gaan verrichten. Op 6 november 2007 is eiseres in het kader van een herbeoordeling op het spreekuur van verzekeringsarts [getuige] verschenen. Op dat moment had eiseres nog geen inkomsten uit het pgb ontvangen, maar waren wel de aanvraagformulieren daartoe ingediend. Op 6 februari 2008 heeft eiseres de eerste pgb-uitbetaling ontvangen uit het aan haar echtgenoot toegekende pgb.

6.4

De verzekeringsarts [getuige] heeft in zijn rapport van 8 november 2007 vermeld dat eiseres tijdens het spreekuur heeft verteld dat haar echtgenoot een beroerte heeft gehad en dat zij hem daarna langdurig verzorgd heeft en “thans ook officieel zijn mantelzorger is”.

Op vragen van de medewerker handhaving in het kader van het handhavingsonderzoek heeft [getuige] in zijn e-mailbericht van 6 augustus 2015 verklaard dat hij weliswaar in zijn rapport niets heeft opgeschreven over een pgb en eventuele consequenties in relatie tot een WIA-uitkering, maar dat dit niet wil zeggen dat eiseres niet heeft aangegeven dat zij een pgb ontving. In het ten behoeve van de zitting van 9 februari 2017 opgemaakte
e-mailbericht van 7 februari 2017, verklaart [getuige] evenwel dat als een cliënt op het spreekuur meldt dat er sprake is van inkomsten uit werk dan wel anderszins, zoals een vergoeding voor vrijwilligerswerk of een pgb, hij altijd aangeeft om dit te melden bij het Uwv. Reden daarvan is dat een cliënt dan weet of deze inkomsten van invloed zijn op de uitkering en problemen voorkomt door het niet (tijdig) te melden.

Over deze verklaringen is [getuige] als getuige gehoord.

6.5

De rechtbank overweegt dat het hanteren van het woord “officieel mantelzorger” door [getuige] maakt dat het aannemelijk is dat er tijdens het spreekuur is gesproken over een verdergaande, geformaliseerde en ook betaalde mantelzorg. Die bewoording maakt aannemelijk dat niet gedoeld is op (onbetaalde) mantelzorg in de gebruikelijke zin, verleend door een partner of familielid. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat tijdens het spreekuur is gesproken over het door eiseres te ontvangen pgb, zoals eiseres betoogt. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de verklaring van

6 augustus 2015 van [getuige] , waarin hij niet uitsluit dat het pgb op het spreekuur ter sprake is gekomen en dat het juist zou kunnen zijn wat eiseres zegt. Verder heeft [getuige] voor de rechtbank zijn bewoordingen in zijn verklaring van 7 februari 2017 in zoverre genuanceerd door te verklaren dat hij in de loop der jaren door meer ervaring met pgb’s en de gevolgen daarvan op de WIA-uitkering, op deze situaties alerter is geworden. Daardoor acht de rechtbank het aannemelijk dat [getuige] in 2007 minder alert was

op de consequenties van een pgb op de uitkeringsrechten, zodat het feit dat in het rapport niets staat vermeld over het pgb, niet automatisch tot de conclusie leidt dat eiseres het door haar ontvangen pgb niet zou hebben gemeld.

Alles bij elkaar bezien acht de rechtbank de weergave door eiseres van het besprokene consistent en geloofwaardig. Op onderdelen wordt de weergave bevestigd door [getuige] dan wel door hem niet overtuigend ontkend. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk geworden dat eiseres het door haar te ontvangen pgb aan de verzekeringsarts [getuige] heeft gemeld. Ook ziet de rechtbank in het voorgaande geen redenen om te twijfelen aan de consistente verklaring van eiseres dat zij de aanvraaggegevens had meegebracht naar het spreekuur van de verzekeringsarts en dat de verzekeringsarts heeft meegedeeld dat hij deze gegevens niet hoefde te zien, omdat deze toch niet van belang zouden zijn.

6.6.

In dit specifieke geval ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen voor het standpunt van verweerder dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Nu de verzekeringsarts [getuige] de eerste en enige medewerker van verweerder was met wie eiseres in contact is geweest en deze, volgens de verklaring van eiseres, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij haar pgb-werkzaamheden en -inkomsten niet verder hoefde te melden, heeft eiseres met haar melding aan de verzekeringsarts voldaan aan haar informatieplicht.

Nu geen sprake is van schending van de informatieplicht, komt de vraag aan de orde of verweerder op een andere grond bevoegd was de WIA-uitkering van eiseres te herzien en terug te vorderen.

Redelijkerwijs duidelijk?

7. In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien:

“c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.”

In artikel 77, van de Wet WIA is bepaald dat een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt, door het UWV wordt teruggevorderd.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld

CRvB van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2011 en CRvB van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2844, is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230 (Beleidsregels) bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is in het derde lid geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting, maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerder genoemde situaties.

8. Eiseres voert aan dat ten onrechte herzien en teruggevorderd wordt over de gehele periode, aangezien het haar redelijkerwijs niet duidelijk was of kon zijn dat zij te veel uitkering ontving. Zij verwijst daarvoor naar haar melding van het pgb bij de verzekeringsarts [getuige] .

9.1

Vanwege de ontvangen pgb-inkomsten naast de WIA-uitkering, staat wel vast dat de WIA-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Nu er als gezegd geen sprake is van het niet-nakomen van de inlichtingenverplichting, kan verweerder de WIA-uitkering niet op die grond met terugwerkende kracht herzien en intrekken. Daardoor doet zich de vraag voor of verweerder op grond van het bepaalde in artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA, gehouden is de WIA-uitkering van eiseres te herzien of in te trekken.

9.2

In vervolg op overweging 6.5 stelt de rechtbank vast dat eiseres overtuigend tot uitdrukking heeft gebracht dat zij in vertrouwen is afgegaan op wat zij heeft opgemaakt uit het gesprek met de verzekeringsarts. Eiseres is in die verklaring consistent, ook gelet op haar verklaring tegenover de inspecteur in het telefoongesprek in februari 2015 en tijdens haar verhoor op 19 augustus 2015. Zoals reeds overwogen acht de rechtbank het aannemelijk dat tijdens het spreekuur melding is gemaakt van het door eiseres te ontvangen pgb. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om de rest van de verklaring van eiseres niet aannemelijk te achten. Dit alles in samenhang bezien, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet onaannemelijk is dat het hebben van een pgb naast het hebben van een uitkering besproken is en dat eiseres daaruit redelijkerwijs heeft mogen opmaken dat het pgb geen invloed zou hebben op haar uitkering. Dit maakt, samen met het feit dat in de periode nadien geen oproepen zijn geweest voor een herbeoordeling, dat evenmin de verhogingen in het pgb gedurende de in dit beroep van belang zijnde periode aan eiseres redelijkerwijs duidelijk hadden moeten maken dat zij ten onrechte of een te hoge uitkering zou ontvangen.

9.3

Hieruit volgt dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot herziening en - daarmee in samenhang - tot terugvordering over de periode 5 oktober 2007 tot en met

31 december 2014 te besluiten is voldaan. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit I zal worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit 1 te herroepen.

UTR 16/2180

10. Bij het bestreden besluit II handhaaft verweerder zijn besluiten tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering over de periode vanaf 1 januari 2015 tot en met

30 september 2015.

11. Eiseres voert in dit beroep aan dat het haar tot aan de ontvangst van het primaire besluit I van 14 juli 2015 niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat verweerder haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering had verstrekt.

12. Artikel 4 van de Beleidsregels bepaalt dat indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering ingetrokken of herzien wordt met ingang van de dag waarop het Uwv hem voor het eerst kenbaar heeft gemaakt dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt.

13. Zoals hiervoor ten aanzien van de procedure UTR 16/922 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het eiseres tot 2015 redelijkerwijs niet duidelijk heeft kunnen zijn dat de pgb-inkomsten van invloed waren op haar uitkering, waardoor herziening en terugvordering met terugwerkende kracht over de periode 5 oktober 2007 tot en met 31 december 2014 niet mogelijk is. Anders ligt dit ten aanzien van het jaar 2015. De rechtbank neemt daarvoor in aanmerking de brief van verweerder van 13 februari 2015. In die brief heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat uit informatie is gebleken dat zij werkzaam is (geweest) als zorgverlener in het kader van een pgb. In die brief wordt eiseres uitgenodigd voor een gesprek om te bespreken of de pgb-gegevens van invloed zijn op de (verstrekte) uitkering.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het eiseres vanaf de datum van deze brief redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de pgb-inkomsten van invloed kunnen zijn op haar uitkering. Gezien de strekking van de brief en het daaropvolgende gesprek over haar pgb-werkzaamheden en inkomsten volgt de rechtbank eiseres dan ook niet in haar standpunt dat het haar pas na ontvangst van het primaire besluit I redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij te veel uitkering ontving. Ook doet daar niet aan af dat verweerder niet direct, maar pas na vijf maanden, zijn besluit tot herziening heeft genomen. Gedurende de periode waarin verweerder onderzoek heeft verricht, waarvan de uitkomst ten grondslag is gelegd aan het intrekkings- en terugvorderingsbesluit, heeft het eiseres redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de pgb-inkomsten een invloed zouden kunnen hebben op de hoogte van haar uitkering.

14. Uit het voorgaande volgt dat verweerder over de periode van 14 februari 2015 tot en met

30 september 2015 terecht de WIA-uitkering van eiseres heeft herzien, omdat over die periode aan eiseres onverschuldigd WIA-uitkering is betaald. Verweerder was op grond van artikel 77 van de Wet WIA gehouden deze onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van eiseres terug te vorderen. In wat eiseres heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van die terugvordering.

15. Het voorgaande betekent ook dat het bestreden besluit II, voor zover het de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering over de periode 1 januari 2015 tot 13 februari 2015 betreft, niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om volledig zelf in de zaak te voorzien, aangezien de rechtbank niet in staat is de hoogte van het terug te vorderen bedrag te berekenen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

16. De rechtbank stelt voor de volledigheid vast dat er geen gronden zijn gericht tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op het uitkeren van een voorschot per 1 oktober 2015.

Proceskosten

17. Nu de beide beroepen gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, bestaande uit kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

18. De rechtbank begroot op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsfase op € 2.722,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift van 30 juli 2015, 1 punt voor de hoorzitting op 20 november 2015, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift van

11 februari 2016, 1 punt voor het beroepschrift van 28 april 2016, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 9 februari 2017 en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting van

22 mei 2017, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het griffierecht in de beide procedures te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van UTR 16/922

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I;

  • -

    herroept het primaire besluit I;

ten aanzien van UTR 16/2180

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II voor zover het de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering betreft;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

ten aanzien van beide procedures

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.722,50;

  • -

    draagt verweerder op het door eiseres in de beide procedures betaalde griffierecht van totaal € 92,- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. R.C. Stijnen, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.