Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3856

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
UTR 16/3367
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boete van 50% van 150% van het benadelingsbedrag wegens recidive. Rb is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder heeft herziening kunnen baseren op een schatting van 8 gewerkte uren per week. Geen dringende redenen. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/3367

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.C. Neering),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bolier).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) vanaf 30 juni 2014 herzien. Eiser moet daarom over de periode van 30 juni 2014 tot en met 15 maart 2015 bruto € 24.466,49 aan te veel ontvangen WW-uitkering terugbetalen. Na aftrek van een bedrag waarop eiser nog recht heeft, vordert verweerder een bedrag van € 22.809,45 terug.

Bij besluit van 30 september 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een boete van € 8.100,- opgelegd omdat hij zijn werkzaamheden bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in de periode van 1 juli 2014 tot en met 9 maart 2015 niet heeft doorgegeven.

Bij besluit van 30 juni 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 februari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft vervolgens de WW-uitkering over de periode van 1 juli 2014 tot en met 15 maart 2015 herzien op basis van acht gewerkte uren per week bij [bedrijf 1] . Dit leidt tot een terugvorderingsbedrag van bruto € 5.001,69. Daarnaast heeft verweerder de boete gewijzigd in € 3.751,27.

Met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep verder beoordeeld als een beroep dat ook gericht is tegen bestreden besluit II.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft verweerder eiser een WW-uitkering toegekend met ingang van 3 januari 2011 op basis van een gemiddelde arbeidsduur van 40 uur per week.

Op 29 augustus 2011 is de WW-uitkering beëindigd omdat eiser toen weer werkzaam was.

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft verweerder eiser met ingang van 1 oktober 2012 een WW-uitkering toegekend, die is gebaseerd op een gemiddelde arbeidsduur van 31,79 uur per week. Daarnaast heeft verweerder de eerder toegekende WW-uitkering voortgezet op basis van 8,21 uur per week.

1.2

Op een wijzigingsformulier van 11 februari 2013 heeft eiser aan verweerder gemeld dat hij voor [bedrijf 3] de salarisadministratie gaat verrichten, dat dit één salarisstrook per maand betreft en dat de inkomsten € 10,- exclusief btw zijn. Eiser heeft daarbij vermeld dat hij zich bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven.

Eiser heeft op een inkomstenformulier WW van 1 april 2013 aan verweerder doorgegeven dat hij in de periode van 4 maart 2013 tot en met 25 maart 2013 30 minuten werkzaam is geweest voor [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ). Eiser heeft op de inkomstenformulieren die hij daarna bij verweerder heeft ingeleverd, met uitzondering van de periodes van

14 oktober 2013 tot en met 8 december 2013, steeds vermeld dat hij in elke periode van

4 weken 15 minuten werkzaam is geweest voor [bedrijf 4] .

1.3

Bij besluit van 2 oktober 2013 heeft verweerder eiser toestemming gegeven om met behoud van uitkering in de periode van 15 november 2013 tot en met 31 december 2013 voor 40 uur per week op een onbetaalde proefplaats bij [bedrijf 5] te gaan werken.

1.4

Eiser is vanaf 1 januari 2014 werkzaam als administratief medewerker bij [bedrijf 1] (handelend onder de naam [bedrijf 5] ) op basis van een min/max contract gedurende 8 uur per week en voor de duur van 6 maanden. Eiser heeft deze werkzaamheden - naast de hiervoor vermelde werkzaamheden voor [bedrijf 4] - op de inkomstenformulieren over de periodes vanaf 6 januari 2014 tot en met 22 juni 2014 aan verweerder doorgegeven.

1.5

Bij besluit van 26 maart 2014 heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 150,- omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij bij Tempo Team heeft gewerkt in de periode van

19 augustus 2013 tot en met 22 september 2013.

1.6

Eiser heeft op 2 juli 2014 op een wijzigingsformulier aan verweerder gemeld dat zijn contract voor 8 uur per week bij [bedrijf 5] per 30 juni 2014 is geëindigd.

1.7

Naar aanleiding van een eigen onderzoek heeft verweerder de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluiten genomen.

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit II de WW-uitkering van eiser over de periode van 1 juli 2014 tot en met 15 maart 2015 heeft herzien op basis van acht gewerkte uren per week. Verweerder heeft vervolgens het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 5.001,69 en de boete naar € 3.751,57. Gelet hierop en overwegende dat het bestreden besluit II voor het overige geen wijzigingen inhoudt ten opzichte van bestreden besluit I, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit I. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 30 juni 2016 zal daarom, wegens het ontvallen van procesbelang, niet-ontvankelijk worden verklaard. Er is wel reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft eiser al meegedeeld het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- te zullen voldoen, zodat geen aanleiding bestaat verweerder te gelasten het griffierecht te vergoeden.

De herziening en de terugvordering:

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit II ten grondslag gelegd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] in de periode van 1 juli 2014 tot en met 15 maart 2015 niet heeft doorgegeven aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op zijn onderzoeksrapport van 19 mei 2015 (het onderzoeksrapport). Omdat eiser de voor [bedrijf 1] in de genoemde periode gewerkte uren niet heeft doorgegeven, heeft verweerder de omvang van deze werkzaamheden geschat op acht uur per week. Op grond van deze schatting heeft verweerder de WW-uitkering herzien over de periode van

1 juli 2014 tot en met 15 maart 2015, wat heeft geleid tot een terugvorderingsbedrag van

€ 5.001,69.

4. Het besluit tot herziening van de uitkering is een voor eiser belastend besluit. Dit brengt op grond van vaste rechtspraak met zich dat het aan verweerder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en dat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening en aansluitend terugvordering van de WW-uitkering over de genoemde periode over te gaan.

Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen, of een beperkter, recht op WW-uitkering had, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:147).

5. Eiser voert aan dat verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Uit het onderzoeksrapport van verweerder blijkt niet dat eiser na 30 juni 2014 nog werkzaamheden heeft verricht bij [bedrijf 1] . Eiser heeft na 30 juni 2014 de salarisadministratie voor [bedrijf 1] als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) voor zijn eigen bedrijf [bedrijf 4] thuis voortgezet vanwege het vooruitzicht op een fulltime baan bij [bedrijf 1] . Dit was slechts 15 minuten werk per maand en betrof alleen het uitdraaien van salarisstroken van werknemers. Deze werkzaamheden heeft eiser steeds aan verweerder doorgegeven via de inkomstenformulieren. Eiser heeft na 30 juni 2014 bij [bedrijf 1] regelmatig koffiegedronken omdat hij het daar zo naar zijn zin had en om contact met [bedrijf 1] te onderhouden. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn stelling op de door hem overgelegde verklaringen van ex-werknemers van [bedrijf 1] , de algemeen directeur van [bedrijf 1] , [G] en [H] van [bedrijf 3] B.V. Verder wijst eiser erop dat hij van [bedrijf 1] na 1 juli 2014 geen salaris meer heeft ontvangen.

6. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover hier van belang, herziet het Uwv een besluit tot toekenning van WW-uitkering indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. In artikel 25 WW is bepaald dat de werknemer verplicht is aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

7.1

De rechtbank stelt vast dat eiser middels de inkomstenformulieren over de periode van

1 juli 2014 tot en met maart 2015 verweerder heeft gemeld dat hij 15 minuten per

4-wekelijkse periode voor zijn eigen bedrijf, [bedrijf 4] , heeft gewerkt.

7.2

Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de onderzoeker van verweerder, [A] , gesproken heeft met eiser, met (ex)-werknemers van [bedrijf 2] B.V.,

[B] en de heer [C] , en een (ex)-werknemer van [bedrijf 1] ,

[D] . Verder heeft de onderzoeker kennis genomen van berichten in een WhatsAppgroep, e-mailcorrespondentie en bankafschriften van de zakelijke rekening van

[E] h.o.d.n. [bedrijf 1] .

7.3

Eiser heeft in het gesprek met de onderzoeker onder meer verklaard dat hij bijna dagelijks aanwezig was bij [bedrijf 1] om koffie te drinken. Eiser heeft verder verklaard dat hij na zijn dienstverband nog salarisstroken is blijven uitdraaien voor [bedrijf 1] . Eiser deed dit namens zijn eenmanszaak [bedrijf 4] . Deze werkzaamheden zouden een kwartier per maand beslaan, die hij heeft ingevuld op het inkomstenformulier. Uit een opmerking van de onderzoeker blijkt vervolgens dat eiser niet beschikt over de gevraagde facturen voor zijn werkzaamheden voor [bedrijf 5] namens zijn eenmanszaak. Eiser heeft daarover verklaard dat hij dit werk als vrijwilliger zou hebben gedaan.

7.4

Uit het onderzoeksrapport blijkt verder dat eiser heeft deelgenomen aan de WhatsAppgroep ‘ [WhatsAppgroep] ’, die werd gevormd door personeelsleden en leidinggevenden van [bedrijf 5] / [naam] . Blijkens de weergave van een gedeelte van deze WhatsAppgroep-conversaties heeft eiser op achtereenvolgende dagen gevraagd: “Is er al iemand binnen?” en “Kan iemand de deur open doen”.

7.5

Verder blijkt uit het onderzoeksrapport dat eiser in de periode van oktober 2014 tot en met februari 2015 zes e-mailberichten heeft verstuurd met de accounts [e-mail] en [e-mail] .nl, ondertekend door ‘ [eiser] ’ of ‘ [eiser] ’. De e-mailberichten hebben betrekking op het verwelkomen van een nieuwe collega met het verzoek gegevens aan te leveren voor de personeelsadministratie, de registratie van een ziekmelding en het bijhouden van verlofkaarten. Eiser heeft hierover tijdens het gesprek op

1 mei 2015 met de onderzoeker verklaard dat hij als extern salarisadministrateur rechtstreeks contact had met de medewerkers, ook als het ging om verlof- en ziekteregistratie, en dat het verwelkomen van nieuwe medewerkers met het verzoek zich voor te stellen, hoort bij de salarisadministratie.

7.6

Volgens de verklaring van [C] in het onderzoeksrapport regelde eiser, samen met de heer [F] , ‘contracten, ziekmeldingen’ en is eiser na zijn start voor [bedrijf 5] in november/december 2013 er niet tussenuit geweest. [B] heeft verklaard dat eiser bij [bedrijf 2] B.V. beschikte over een eigen werkplek, dat hij over het algemeen 5 dagen per week aanwezig was en volgens hem 40 uur per week werkte. Daarnaast heeft [B] een e-mailwisseling met eiser overgelegd, waarin eiser hem inloggegevens stuurt en vraagt om de gegevens bij de welkomstmail toe te sturen. Volgens de verklaring van [D] was eiser verantwoordelijk voor HR en administratie.

7.7

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het onderzoeksrapport voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van 1 juli 2014 tot en met

15 maart 2015 werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] die hij niet aan het Uwv heeft doorgegeven.

7.8

Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen, dan wel onvoldoende, steun voor zijn stelling dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Uit eisers in beroep overgelegde nadere schriftelijke verklaring blijkt juist dat eiser in genoemde periode werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft verricht. Volgens deze verklaring had eiser voor het uitdraaien van de zeven salarisstroken geen tarief afgesproken met de eigenaar van [bedrijf 1] , [G] , maar had eiser als hij wel een tarief had ontvangen, dit aan het UWV doorgegeven. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij de verlofaanvragen van de werknemers van [bedrijf 1] naar mevrouw [E] doorstuurde en dat hij zowel het verlof als de adreswijzigingen verwerkte op de salarisstroken. [G] , eigenaar van [bedrijf 1] , heeft in de door eiser overgelegde brief van 28 oktober 2015 bevestigd dat eiser kosteloos, vanuit zijn eigen organisatie, de loonadministratie (salarisstroken, verlofdagen, etc.) voor het personeel van [bedrijf 1] verzorgde. In de door eiser overgelegde verklaringen van (ex)-werknemers van [bedrijf 1] wordt met name betwist dat eiser na afloop van zijn arbeidsovereenkomst nog werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] en dat hij hiervoor inkomsten heeft ontvangen. Gelet op de hiervoor vermelde onderzoeksgegevens, eisers eigen verklaringen en de genoemde verklaring van [G] , bieden de door eiser overgelegde verklaringen van (ex)-werknemers de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat eiser over de periode van 1 juli 2014 tot en met 15 maart 2015 werkzaamheden heeft verricht die hij ten onrechte niet heeft opgegeven. De rechtbank merkt met betrekking tot de overgelegde verklaring van [H] in dit verband nog op, dat deze alleen betrekking heeft op de werkzaamheden en facturen voor [bedrijf 3] B.V.. Deze verklaring zegt dus niets over de periode en werkzaamheden van eiser bij [bedrijf 1] .

7.9

In de besluiten van 18 januari 2011 en 3 oktober 2012, waarbij eiser WW-uitkeringen zijn toegekend, is uitdrukkelijk gewezen op eisers plicht om wijzigingen in zijn situatie binnen één week aan het Uwv door te geven. Daarbij is hij er ook op gewezen dat het niet voldoen aan die plicht leidt tot tijdelijk minder of geen uitkering en/of een boete. Gelet hierop kon het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] had moeten melden. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij de werkzaamheden voor [bedrijf 1] vanaf

1 juli 2014 niet heeft gemeld.

7.10

Gelet op de dwingende formulering van de artikelen 22a en 25 van de WW was verweerder dan ook gehouden om de WW-uitkering over de periode van 1 juli 2014 tot en met 15 maart 2015 te herzien.

8. Eiser voert aan dat het niet duidelijk is waarop verweerder de schatting dat hij na

1 juli 2014 per week acht uur heeft gewerkt, heeft gebaseerd.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich voor de schatting van de omvang van de werkzaamheden heeft aangesloten bij eisers eerdere arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] voor acht uur per week. Gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 7 geschetste feiten en omstandigheden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de schatting hierop kunnen baseren. De rechtbank acht daarbij van belang dat het uitdraaien van salarisstroken vanaf 1 juli 2014 ook heeft behoord tot eisers taken als administrateur op basis van de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] . Eiser heeft niet gesteld en de rechtbank is ook niet gebleken dat eiser in loondienst van [bedrijf 1] andere werkzaamheden heeft verricht die beduidend meer tijd kosten dan de werkzaamheden die hij vanaf 1 juli 2014 voor [bedrijf 1] heeft verricht.

10. Gelet op het bepaalde in artikel 36, eerste lid, van de WW is verweerder gehouden de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald door het Uwv, terug te vorderen. In het zesde artikellid is bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

11. De rechtbank is niet gebleken dat bij eiser sprake is van omstandigheden die een dringende reden voor verweerder kunnen zijn om van de terugvordering geheel of gedeeltelijk af te zien. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder het bedrag van bruto € 5.0001,69 te veel betaalde WW-uitkering terecht van eiser heeft teruggevorderd.

De boete

12. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit II op het standpunt dat de boete gebaseerd moet worden op 150% van het benadelingsbedrag, omdat verweerder eiser eerder een boete heeft opgelegd. Aangezien geen sprake is van opzet of grove schuld wordt de hoogte van de boete vastgesteld op 50% van 150% van het benadelingsbedrag (€ 5.001,69). Dit leidt tot een boete van € 3.751,27.

13. Eiser voert aan dat hem niet redelijkerwijs duidelijk was dat zijn activiteiten relevant zouden zijn om de WW-uitkering vast te stellen. Eiser kan daarom geen subjectief verwijt gemaakt worden. Als al sprake is van verwijtbaarheid, dan is deze zo gering, dat de matiging van de boete tot 50% niet passend is.

14.1

Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het Uwv een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. Het tweede lid bepaalt dat onder benadelingsbedrag wordt verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

14.2

Uit het vijfde lid van artikel 27a van de WW volgt dat het Uwv een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete is opgelegd wegens een eerdere overtreding, die bestaat uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.

14.3

Op grond van artikel 27a, achtste en tiende lid, van de WW kan het Uwv de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid, of afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

14.4

In artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten is bepaald dat voor wat betreft de hoogte van de bestuurlijke boete, de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen. In het tweede lid van artikel 2a is bepaald welke criteria in ieder geval leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

15.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser bij besluit van 26 maart 2014 eerder een boete heeft opgelegd wegens het overtreden van de inlichtingenplicht. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld, zodat het onherroepelijk is geworden. De overtreding waarop het bestreden besluit II ziet, is begaan binnen vijf jaar na het besluit van 26 maart 2014. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van de boete terecht is uitgegaan van 150% van het benadelingsbedrag.

15.2

Ten aanzien van de verwijtbaarheid overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder is op grond van artikel 27a van de WW in beginsel gehouden een boete op te leggen indien de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen. Op grond van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, staat vast dat eiser deze inlichtingenplicht niet is nagekomen. De rechtbank stelt vast dat eiser in de toekenningsbesluiten erop is gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie of inkomen meteen moet doorgeven. Daarnaast heeft eiser eerder een boete gekregen omdat hij zijn werkzaamheden niet juist heeft doorgegeven en heeft hij andere werkzaamheden wel doorgegeven Eiser kon en moest daarom begrijpen dat hij alle wijzigingen in inkomsten en werkzaamheden meteen, althans binnen één week nadat de wijziging bij hem bekend had kunnen zijn, en volledig moest doorgeven. Gelet daarop komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser objectief en subjectief een verwijt kan worden gemaakt van zijn nalatigheid.

15.3

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van opzet of grove schuld. Volgens de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754), is 50% van het benadelingsbedrag dan een passend uitgangspunt. Verweerder heeft dit uitgangspunt gevolgd en de boete vastgesteld op 50% van 150% van het benadelingsbedrag. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden van het geval geen grond tot een verdere matiging van de opgelegde boete.

15.4

Ten slotte merkt de rechtbank op dat geen dringende redenen zijn gesteld of gebleken op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van boeteoplegging moet worden afgezien. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser de boete inmiddels heeft betaald. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat verweerder terecht een boete heeft opgelegd ter hoogte van € 3.751,27.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzitter, en mr. E.J.W. Verhaagh en mr. K. de Meulder, leden, in aanwezigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.