Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3798

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 910
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Educatieve maatregel Gedrag en verkeer.

Wetsartikelen:

Samenvatting:

Educatieve maatregel Gedrag en verkeer. De vraag is of is voldaan aan het criterium dat eisers verkeersgedragingen incorrect samenspel vertoonden met de gedragingen van andere verkeersdeelnemers. Het mutatierapport van de politie vermeldt geen informatie over andere verkeersdeelnemers. Uit de uitspraak van de ABRvS van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3686) kan niet worden afgeleid dat dergelijke informatie niet nodig zou zijn, waarna verweerster toch kan concluderen dat betrokkene incorrect samenspel vertoont met andere verkeersgebruikers. In deze situatie is informatie over andere verkeersdeelnemers wel nodig.

De rechtbank ziet gaan aanleiding om verweerster in de gelegenheid te stellen de gebreken te repareren. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de rapporteurs die de gedragingen van eiser op 2 september 2016 waarnamen ruim tien maanden laten nog kunnen reconstrueren wat er precies is gebeurd in de nacht van 2 september 2016. Het feit dat eiser regelmatig met de politie in aanraking komt, zoals blijkt uit het dossier, maakt daarbij de kans groter dat zij niet meer weten wat er tijdens deze ene ontmoeting gebeurde, laat staan dat zij nog kunnen verklaren over de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/910

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. van Oort),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster

(gemachtigde: mr. S. van der Ark).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerster eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.

Bij besluit van 7 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. In het bestreden besluit heeft verweerster aan eiser een EMG opgelegd op de grond dat in een mededeling van de Politie Eenheid Midden-Nederland (de politie) over eisers verkeersgedrag op 2 september 2016 leidt tot een vermoeden van ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen.

2. Eiser heeft aangevoerd dat niet vaststaat hoe hard hij reed. Uit het opgemaakte mutatierapport van 2 september 2016 blijkt niet dat hij met een te hoge snelheid reed. De verbalisanten hebben geen schatting gemaakt van de snelheid. Eiser stelt verder dat hij op de stoep is gestopt, omdat hij dacht dat hij het stopteken van de politie meteen moest opvolgen. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de stoep de enige plek was waar eiser kon stoppen. Daarnaast werd eiser verblind door het stopteken en had hij daarom geen alternatief dan stoppen op de stoep. Die manoeuvre is daarom niet raar en dus is er geen sprake van gedrag in strijd met de essentiële verkeersregels en -tekens.

3. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser gedragingen heeft verricht zoals beschreven in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). Uit het mutatierapport komt naar voren dat de verbalisanten hebben geconstateerd dat eiser heeft gereden met een snelheid die niet is aangepast aan dat van de overige verkeersdeelnemers en gedrag heeft tentoon gespreid dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en -tekens. Een exacte snelheidsmeting is niet vereist; alleen de constatering dat eiser met een behoorlijk hoge snelheid reed is genoeg. Verweerster volgt eiser ook niet in zijn stelling dat hij werd verblind door het stopteken van de politie. Eiser ontkent niet dat hij op de stoep reed. Er was geen sprake van bijzondere verlichting en ook als dat wel zo was, leidt dat niet zomaar tot een goede reden om een stoep op te rijden.

4. De rechtbank volgt verweerster niet in haar standpunt dat is gebleken dat eiser gedragingen heeft verricht zoals beschreven in de Regeling. Verweerster heeft ter zitting bevestigd dat het bestreden besluit alleen is gebaseerd op het mutatierapport van 2 september 2016 en niet op de vele andere politiegegevens die zich in het dossier bevinden. De gedragingen zoals opgesomd in de Regeling zouden dus uit dat rapport moeten blijken. Voor zover relevant staat er in dat rapport het volgende: “[Rapporteurs] reden op de [straatnaam] en zagen voor ons een grijze Volkswagen Polo […] met een behoorlijk hoge snelheid rijden. Voertuig sloeg linksaf de [straatnaam] op. Stopteken gegeven, vlak voordat het voertuig stil stond reed hij nog links de stoep op met een erg rare manoeuvre. Stond hierna op de kruising [straatnaam] / [straatnaam] . Bestuurder was [eiser]. Hem aangesproken op zijn rijgedrag en gevraagd naar zijn manoeuvre op de stoep. Hij vertelde dat hij verblind werd door ons stopteken? Geen snelheidsmeting kunnen doen.” Verweerster heeft haar besluit gebaseerd op twee typen gedragingen zoals die zijn neergelegd in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, namelijk “incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers […] dat blijkt uit rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid” en “Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van de plaats op de weg […]” (bijlage bij de Regeling, A, III. 3, onder a, en 4, onder a). In het rapport staat niets over enig samenspel met overige verkeersdeelnemers, laat staan dat eisers gedragingen afweken van het gedrag van andere verkeersdeelnemers.

De vergelijking die verweerster maakt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3686) gaat niet op. Zij lijkt uit die uitspraak een regel af te leiden dat de informatie van de politie geen informatie over andere verkeersgebruikers hoeft te bevatten, waarna verweerster toch mag concluderen dat is voldaan aan het criterium over incorrect samenspel met andere verkeersgebruikers. Zo’n algemene conclusie kan echter niet op die uitspraak worden gebaseerd. De bedoelde overweging 3.1 gaat over een automobilist die fors te hard rijdt (in de uitspraak wordt dat per trajectgedeelte gespecificeerd; het is in ieder geval telkens ongeveer 30 km/u harder dan toegestaan) en de kern van de overweging is dat verweerster er van mag uitgaan dat de overige verkeersdeelnemers zich aan de maximale snelheidsgrens houden, zodat dit gedrag van betrokkene inderdaad afwijkt van dat van de overige verkeersgebruikers. Dat op een snelweg helemaal geen andere verkeersgebruikers zijn, is onwaarschijnlijk; in die zaak vond de rechter het niet nodig dat iets over andere verkeersgebruikers was verwoord in de informatie van de politie. In de zaak van eiser ligt dat anders. De gedragingen van eiser speelden zich af in de nacht als pleegdatum vermeldt het mutatierapport 0.50 uur en de straten die hier een rol spelen liggen in een woonomgeving (de [straatnaam] is een doorgaande weg). Het is zeer goed mogelijk dat er op dat moment helemaal geen andere verkeersdeelnemers waren of in de buurt waren. Dat in het rapport staat dat eiser met een behoorlijk hoge snelheid reed, is geen bewijs waarmee verweerster kan claimen dat aan het vereiste van incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers is voldaan. In de zaak waarover de rechtbank nu moet oordelen zijn de omstandigheden zo dat zonder enige vermelding van andere weggebruikers de rechtbank onbewezen vindt dat aan het criterium is voldaan.

Verweerster heeft daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de feiten en niet deugdelijk gemotiveerd dat sprake is van gedragingen zoals genoemd in de Regeling. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de rapporteurs die de gedragingen van eiser op 2 september 2016 waarnamen ruim tien maanden laten nog kunnen reconstrueren wat er precies is gebeurd in de nacht van 2 september 2016. Het feit dat eiser regelmatig met de politie in aanraking komt, zoals blijkt uit het dossier, maakt daarbij de kans groter dat zij niet meer weten wat er tijdens deze ene ontmoeting gebeurde, laat staan dat zij nog kunnen verklaren over de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding verweerster in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen.

Om te beoordelen wat de gevolgen van de gebreken zijn voor het besluit als geheel is van belang dat artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling vereist dat iemand “tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen (cursivering van de rechtbank)” heeft verricht als genoemd in de bijlage bij die Regeling. Eén gedraging is dus niet genoeg. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat het wegvallen van één van de twee gedragingen betekent dat het hele besluit niet overeind kan blijven.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat zij het primaire besluit herroept.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerster in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.