Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3614

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
5934736 UE VERZ 17-178 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herstel van arbeidsovereenkomsten van bibliotheekmedewerkers na eerder ontslag op bedrijfseconomische- en -organisatorische gronden. Stoelendansmethode. Uitwisselbare functies.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 682
Ontslagregeling
Ontslagregeling 5
Ontslagregeling 11
Ontslagregeling 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0876
AR 2017/3696
JAR 2017/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5934736 UE VERZ 17-178 LH/1040

Beschikking van 11 juli 2017

inzake

1 [verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [verzoeker 3],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen respectievelijk [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] ,

verzoekers,

gemachtigde: mr. E.F.J. van West,

tegen:

de stichting

Stichting De Bibliotheek Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Bibliotheek Utrecht,

verweerster,

gemachtigde: mr. H.S.P. Stuiver.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] hebben op 26 april 2017 een verzoekschrift ingediend,

- kort gezegd - strekkende tot herstel van de arbeidsovereenkomsten met Bibliotheek Utrecht in de zin van artikel 7:682 lid 1, aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek (BW) althans tot toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:682 lid 1, aanhef en onder b BW.

1.2.

Bibliotheek Utrecht heeft een verweerschrift ingediend, tevens onder meer inhoudende een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van partijen op grond van het bepaalde in artikel 7:671b juncto artikel 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder h BW.

1.3.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 juni 2017. Daar zijn de heren [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] verschenen, vergezeld door mr. Van West. Aan de zijde van Bibliotheek Utrecht zijn verschenen de heer [A] , directeur, en mevrouw [B] , vestigingsmanager, vergezeld door mr. Stuiver. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hun gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen. Partijen hebben geantwoord op door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.4.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker 1] , geboren op [1959] , is op 1 juli 1985 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Bibliotheek Utrecht. Hij heeft laatstelijk de functie van Medewerker Bibliotheek 3 vervuld tegen een bruto loon van € 2.631,-- per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten) bij een arbeidsduur van 36 uur per week.

2.2.

[verzoeker 2] , geboren op [1958] , is op 1 juli 2000 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Bibliotheek Utrecht. Hij heeft laatstelijk de functie van Medewerker Bibliotheek 3 vervuld tegen een bruto loon van € 2.046,34 per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten) bij een arbeidsduur van 28 uur per week.

2.3.

[verzoeker 3] , geboren op [1969] , is op 1 februari 1998 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Bibliotheek Utrecht. Hij heeft laatstelijk de functie van Medewerker Bibliotheek 2 vervuld tegen een bruto loon van € 2.224,-- per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten) bij een arbeidsduur van 32 uur per week.

2.4.

De arbeidsovereenkomsten die laatstelijk tussen [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] enerzijds en Bibliotheek Utrecht anderzijds hebben bestaan zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Op deze arbeidsovereenkomsten is de CAO Openbare Bibliotheken (CAO OB) van toepassing verklaard.

2.5.

Bibliotheek Utrecht is een stichting die sinds de verzelfstandiging per 1 januari 2013, waarbij de tot dan toe gemeentelijke bibliotheek werd geprivatiseerd, in de stad Utrecht bibliotheekvoorzieningen in stand houdt. Zij is voor haar activiteiten, die worden ontplooid in een centrale bibliotheek en in twaalf wijkvestigingen, afhankelijk van overheidssubsidie, die voor het merendeel wordt verleend door de gemeente Utrecht. De gemeentelijke subsidie is in de loop der tijd allengs verminderd.

2.6.

De ontwikkelingen in de informatie- en communicatietechnologie en maatschappelijke en economische veranderingen, daaronder een terugtredende overheid, maken dat de traditionele bibliotheek, die zich voornamelijk bezig hield met de uitleen van boeken, onder druk en ter discussie is komen te staan. Een commissie, onder voorzitterschap van [C] , heeft in verband daarmee in een in 2013 verschenen rapport, getiteld ‘Bibliotheek van de toekomst’, geconcludeerd dat de bibliotheken hun dienstverlening anders moeten inrichten en hun bedrijfsvoering anders moeten vormgeven. De commissie voorzag een noodzakelijke transitie ‘van collectie naar connectie’, waarbij de uitleen van boeken minder belangrijk wordt en de bibliotheek zich ontwikkelt tot ‘een platform voor social learning.’

2.7.

De omschrijving van de functie Medewerker Bibliotheek luidde laatstelijk als volgt: ‘De medewerker bibliotheek is gericht op het bieden van actieve dienstverlening aan klanten conform de formule. De medewerker bibliotheek is verantwoordelijk voor een goede presentatie van de bibliotheek en het efficiënt uitvoeren van logistieke processen, met als doel het van materialen, het ondersteunen van klanten in het zoekproces en het verstrekken van informatie. Daarnaast heeft de medewerker een (ondersteunende) rol bij de uitvoering van publieksactiviteiten (lezingen, presentaties, groepsbezoeken etc.). De medewerker bibliotheek is (mede)verantwoordelijk voor het behalen van (vooraf vastgestelde) resultaten.’

2.8.

Op 26 november 2015 heeft de heer [A] de ondernemingsraad verzocht advies in de zin van artikel 25 WOR uit te brengen over het voornemen van Bibliotheek Utrecht tot het doorvoeren van een reorganisatie, die er onder meer toe leidt dat de functie ‘Medewerker Bibliotheek 1, 2 en 3’ vervalt en wordt gewijzigd in die van ‘Medewerker dienstverlening vestigingen’, dat de formatie van bibliotheekmedewerkers wordt ingekrompen en een aantal van hen wordt ontslagen. De beweegredenen voor de voorgenomen reorganisatie waren tweeërlei. Bibliotheek Utrecht werd geconfronteerd met een verminderde overheidssubsidie (de gemeentelijke subsidie neemt tussen 2010 en 2018 met ongeveer 25% af, waarmee de bezuinigingstaakstelling voor de periode 2010-2018 € 2.234.000,-- bedroeg) en zij zag zich genoodzaakt de bibliotheek te moderniseren, zodanig dat deze - nog - meer als ondernemende en programmerende organisatie gaat functioneren, die niet langer voornamelijk geassocieerd wordt met het uitlenen van boeken, maar vooral een leer- en ontmoetingsplek wordt waar faciliteiten en activiteiten, daaronder programma’s voor mensen met een achterstand, worden aangeboden. Op aandringen van de gemeente Utrecht is ervoor gekozen alle vestigingen open te houden en de openstellingstijden niet te verkorten. Dit leidde Bibliotheek Utrecht tot het voornemen om het personeelsbestand in te krimpen en om ongeveer 100 (extra) vrijwilligers te gaan werven. De formatie van bibliotheekmedewerkers zal hierdoor (van 2.152 naar 1.446 uren) afnemen met 706 uren. Ongeveer de helft van deze uren (10 fte) verschuift naar specialistische functies, voornamelijk op het gebied van programmering, ontwikkeling/ondersteuning en collectie/expertise. De andere helft vloeit af, via natuurlijk verloop en gedwongen ontslagen, hetgeen een jaarlijkse besparing oplevert van ongeveer € 330.000,--. De totale formatie van Bibliotheek Utrecht zal door de voorgenomen reorganisatie met 245 uren (6,8 fte) afnemen (van 3.778 naar 3.533), aldus het reorganisatieplan. Een deel van de aldus te realiseren besparing zal volgens Bibliotheek Utrecht worden gebruikt om het exploitatietekort terug te brengen, een ander deel wordt geïnvesteerd om de vaardigheden en deskundigheid van medewerkers te versterken.

2.9.

Over de nieuwe functie van ‘Medewerker dienstverlening vestigingen’ vermeldde het reorganisatieplan: ‘De functie van Medewerker Bibliotheek verandert in Medewerker dienstverlening vestigingen. Hieraan is ook een inhoudelijke wijziging verbonden. Het uitvoeren van groepsbezoeken en activiteiten is uit deze functie gehaald. Dit wordt in de nieuwe organisatie gedaan door medewerkers uit de Expertisepools. De Medewerker dienstverlening vestigingen heeft wel een ondersteunende rol bij de uitvoering van de programmering. Aan de andere kant krijgt de Medewerker dienstverlening vestigingen een coördinerende en (in een latere versie van het plan is hier het woord ‘inhoudelijk’ ingevoegd, ktr.) sturende rol ten aanzien van de vrijwilligers die in de vestigingen aan de slag zullen gaan. Ook zal hij zelf in staat moeten zijn om voorkomende problemen op het gebied van automatisering zelf op te lossen en heeft hij een belangrijke taak op het gebied van het beheer van de vestiging. Zowel bij de Medewerker dienstverlening vestigingen als bij de Toezichthouder verdwijnen de niveaus omdat er in de praktijk geen onderscheid in werkzaamheden gemaakt kan worden.’ Waar de functie van Medewerker Bibliotheek 1, 2 en 3 was ingedeeld in respectievelijk salarisschaal 4, 5 en 6 wordt de functie van Medewerker dienstverlening vestigingen ingedeeld in salarisschaal 6.

2.10.

Op 7 januari 2016 heeft de ondernemingsraad over de voorgenomen reorganisatie negatief geadviseerd. De raad vond het plan onvoldoende financieel onderbouwd en voorzag een verlies aan kwaliteit omdat vaste krachten worden vervangen door een fluctuerende groep vrijwilligers. Ook nadat de bestuurder nadere financiële informatie had verstrekt en enkele aanpassingen had aangebracht, heeft de ondernemingsraad op 18 februari 2016 volhard in zijn afwijzende standpunt. De raad onderschreef de opvatting van FNV, die in reactie op de voorgenomen reorganisatie meende dat de geplande inzet van vrijwilligers in de dienstverlening, in strijd met artikel 48 van de CAO OB 2015-2019, leidt tot een verdringing van betaalde arbeid.

2.11.

Bij brief van 22 februari 2016 heeft de heer [A] aan de ondernemingsraad meegedeeld dat de reorganisatie wordt doorgezet zoals voorgenomen. Eind maart 2016 heeft Bibliotheek Utrecht een aanvang gemaakt met de uitvoering van het reorganisatiebesluit overeenkomstig de vastgestelde herplaatsingsprocedure. Op 31 maart 2016 zijn de bibliotheekmedewerkers, onder wie [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , aangemerkt als herplaatsingskandidaten.

2.12.

In het Functieboek van Bibliotheek Utrecht van 31 maart 2016 is de nieuwe functie van Medewerker dienstverlening vestigingen als volgt omschreven: ‘De medewerker dienstverlening vestigingen is een pro-actieve, zelfstandige en sociaal vaardige vertegenwoordiger van de bibliotheek in stad en wijk. Hij is de spil binnen de vestiging die coördineert, problemen oplost, klantvragen beantwoordt en verantwoordelijk is voor het soepel verlopen van de dienstverlening. De Medewerker dienstverlening vestigingen biedt op pro-actieve wijze een uitstekende dienstverlening aan de klanten en bezoekers van de bibliotheek. De Medewerker dienstverlening vestigingen is verantwoordelijk voor promotie van de activiteiten die voortvloeien uit de programmering en mede-verantwoordelijk voor het halen van de gestelde targets per activiteit. De medewerker is zich bewust van het belang van de presentatie van de vestiging voor de beleving van de klant en handelt hiernaar. Hij zorgt voor het efficiënt (laten) uitvoeren van logistieke processen. De medewerker fungeert als de ‘ogen en oren’ van de bibliotheek in de wijk. Signaleert behoeften van klanten of klantgroepen, ziet kansen voor verbetering van de dienstverlening en neemt hier actie op. Daarnaast heeft de medewerker een actief ondersteunende rol bij de uitvoering van de programmering. De medewerker houdt overzicht over het activiteitenprogramma in de vestiging en schept mede de randvoorwaarden waaronder zij succesvol plaats kunnen vinden. De medewerker is hierin pro-actief. Signaleert in de planning wat de randvoorwaarden zijn voor het slagen van activiteiten en neemt actie om deze te (laten) realiseren. De Medewerker dienstverlening vestigingen is het eerste aanspreekpunt voor vrijwillige medewerkers van de bibliotheek. Verdeelt en houdt toezicht op een goede uitvoering van de werkzaamheden. Beantwoordt vragen en lost dagelijkse knelpunten in overleg met zijn collega(‘s) of de vrijwilliger zelfstandig op. De Medewerker dienstverlening vestigingen is bevoegd tot het nemen van beslissingen binnen de door de teamleider vastgestelde kaders.’

2.13.

Bij brief van 12 april 2016 heeft FNV zich jegens Bibliotheek Utrecht op het standpunt gesteld dat zij in strijd handelt met artikel 48 van de CAO OB 2015-2019, dat bepaalt dat ‘(d)e inzet van vrijwilligers (-) niet ten koste (gaat) van de betaalde formatie van de professionele organisatie.’ FNV, partij bij deze CAO, heeft Bibliotheek Utrecht gesommeerd deze CAO-bepaling na te komen. Bibliotheek Utrecht meende dat van strijd met de CAO geen sprake was. Medio april 2016 is zij begonnen met de werving van vrijwilligers. In het vervolgens door FNV aangespannen kort geding, is bij vonnis van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3052; JAR 2016, 154) overwogen dat Bibliotheek Utrecht in strijd met artikel 48 lid 3 van de CAO OB 2015-2019 handelt door de werkzaamheden die kort tevoren nog door bibliotheekmedewerkers in haar dienst werden verricht, te laten uitvoeren door vrijwilligers. Bibliotheek Utrecht werd veroordeeld deze CAO-bepaling na te leven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit vonnis is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) van 29 november 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:9561; JAR 2017, 9) bekrachtigd.

2.14.

Bibliotheek Utrecht heeft er naar aanleiding van deze rechterlijke uitspraken vooralsnog van afgezien om bibliotheekmedewerkers te vervangen door vrijwilligers. Na het vonnis van 8 juni 2016 heeft zij de werving van extra vrijwilligers gestaakt. Teneinde toch een besparing van personeelskosten te bereiken, heeft zij in plaats daarvan besloten de eenvoudige werkzaamheden die tot de functie van Medewerker Bibliotheek behoorden, te weten: het opruimen van teruggebrachte boeken, het wegwijs maken van nieuwe bezoekers, het helpen van leners bij het gebruik van scanapparatuur en het netjes houden van lees- en werkplekken, voortaan te laten verrichten door uitzendkrachten. Het gaat daarbij om scholieren die een bijbaantje willen. Hun functie is ingedeeld in salarisschaal 0 (jongerenschaal), 1 of 2. Nu met deze eenvoudige werkzaamheden voorheen ongeveer 15 tot 20% van de werktijd van de bibliotheekmedewerkers was gemoeid, vervalt hiermee 10 fte op het niveau van salarisschaal 4, 5 of 6. De ondernemingsraad heeft zich tegen deze tijdelijke maatregel niet verzet.

2.15.

Intussen had Bibliotheek Utrecht in het voorjaar van 2016 aan [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] de gelegenheid geboden hun belangstelling voor een of meer van de functies in de nieuwe organisatie kenbaar te maken. Zij hebben alle drie (mede) geopteerd voor de functie van Medewerker dienstverlening vestigingen. Er hebben assessments plaatsgevonden. Nadat de plaatsingscommissie met hen had gesproken, heeft de commissie hen onvoldoende geschikt geacht en de voorkeur gegeven aan andere bibliotheekmedewerkers. Op 15 juni 2016 is besloten [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , alsmede drie van hun collega’s, niet te herplaatsen. Op 16 juni 2016 zijn zij boventallig verklaard. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben hiertegen bezwaar gemaakt bij de bezwaarcommissie. Hun bezwaar is op 29 juli 2016 ongegrond verklaard. Bibliotheek Utrecht heeft met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] geen overeenstemming over een beëindigingsovereenkomst kunnen bereiken. Met de drie andere niet-herplaatste bibliotheekmedewerkers is wel een vaststellingsovereenkomst gesloten.

2.16.

Op 23 september 2016 heeft Bibliotheek Utrecht aan het UWV te Amersfoort toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomsten met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] op te zeggen op grond van artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder a BW (het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering). [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] hebben zich hiertegen verweerd. Bij beslissingen van 24 november 2016 heeft het UWV de gevraagde toestemming verleend. Daartoe heeft het UWV onder meer overwogen dat Bibliotheek Utrecht genoodzaakt is om in te spelen op de exploitatietekorten: ‘Uw besluit om de kwalitatieve aanpassing van de stichting gepaard te laten gaan met een bezuiniging op de (personeels)kosten vinden wij daarom redelijk. Wij vinden dat u de voorgestelde krimp op basis van de beschikbare informatie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.’ Over de ontslagvolgorde heeft het UWV overwogen: ‘U hebt aangevoerd dat de functie van medewerker dienstverlening vestigingen meer verantwoordelijkheden en een veelzijdiger takenpakket kent. Uw stichting moet een leer- en ontmoetingsplek worden, waar ook voor kwetsbare doelgroepen, faciliteiten en activiteiten worden geboden om hun weg in de informatiesamenleving te vinden. De functie van medewerker dienstverlening vestigingen is daarom meer gericht op coördinatie en facilitering van de diverse diensten en de verschillende bezoekersstromen. Dit vereist andere competenties dan tot op heden vereist in de functie van medewerker bibliotheek. (-) Wij vinden dat u aannemelijk hebt gemaakt dat de functie van medewerker dienstverlening vestigingen wezenlijk verschilt van de functie van werknemer. Het verweer van werknemer verandert ons oordeel niet, we hebben vastgesteld dat u en werknemer het er over eens zijn dat de werkzaamheden elkaar wat betreft functie-inhoud deels overlappen, maar dat maakt de functies nog niet uitwisselbaar. We concluderen dat de factoren functie-inhoud, verantwoordelijkheden, vereiste kennis en vaardigheden voor beide functies zodanig verschillen dat in samenhang bezien er geen sprake is van uitwisselbaarheid van de functies.’ Het UWV kwam daarom niet toe aan het bepalen van de ontslagvolgorde op basis van het afspiegelingsbeginsel. Omdat het herplaatsingstraject naar het oordeel van het UWV overeenkomstig de CAO-Regeling Sociaal Plan, en daarmee niet op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, en Bibliotheek Utrecht de meest geschikte kandidaten heeft mogen selecteren voor de nieuwe functie van medewerker dienstverlening vestigingen, werd toestemming verleend om de arbeidsovereenkomsten met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] op te zeggen.

2.17.

Bibliotheek Utrecht heeft vervolgens de arbeidsovereenkomsten met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] opgezegd tegen 1 maart 2017. Aan [verzoeker 1] heeft zij € 54.420,42 bruto, aan [verzoeker 2] € 26.379,17 bruto en aan [verzoeker 3] € 20.484,17 bruto aan transitievergoeding betaald.

3 Het verzoek van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3]

3.1.

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] verzoeken de veroordeling van Bibliotheek Utrecht om de arbeidsovereenkomsten met hen binnen 24 uur na betekening van de beschikking te herstellen per 1 maart 2017, althans om de arbeidsovereenkomsten te herstellen met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum en voorzieningen te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomsten, op straffe van verbeurte van dwangsom van € 1.000,-- per dag dat zij hiermee in gebreke blijft, alsmede om binnen 24 uur na betekening van de beschikking het achterstallig salaris, met vakantiebijslag en overige emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging wegens te late betaling aan [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] te voldoen.

Meer subsidiair verzoeken [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] dat aan hun, ten laste van Bibliotheek Utrecht, een billijke vergoeding wordt toegekend van € 106.000,-- bruto (voor [verzoeker 1] ), € 60.000,-- bruto (voor [verzoeker 2] ) en € 40.000,-- bruto (voor [verzoeker 3] ). Ten slotte verzoeken [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] om Bibliotheek Utrecht te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] leggen aan hun verzoek en vordering ten grondslag dat de Bibliotheek Utrecht de arbeidsovereenkomsten met hen heeft opgezegd in strijd met het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder a BW, niet alleen omdat een financiële noodzaak voor het doen vervallen van hun arbeidsplaatsen ontbreekt, maar vooral omdat het afspiegelingsbeginsel had moeten worden toegepast nu de functie van Medewerker Bibliotheek en de nieuwe functie van Medewerker dienstverlening vestigingen onderling uitwisselbaar zijn. Voorts zijn [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] van mening dat zij hadden moeten worden herplaatst in een passende functie, zoals die van Medewerker dienstverlening vestigingen.

4 Het verweer en het tegenverzoek van Bibliotheek Utrecht

4.1.

Bibliotheek Utrecht verweert zich tegen toewijzing van het verzoek van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] tot herstel van de arbeidsovereenkomsten. Van strijd met artikel 7:669 BW is geen sprake geweest. Het vervallen van hun arbeidsplaatsen vloeit voort uit de aan hun ontslag ten grondslag gelegde bedrijfseconomische en -organisatorische redenen. De reorganisatie heeft ertoe geleid dat in de nieuwe functie van Medewerker dienstverlening vestigingen nog een formatie bestaat van 40 fte. In de oude organisatie van Bibliotheek Utrecht waren 60 fte werkzaam in de functie van Medewerker Bibliotheek. Bij het vervallen van deze functie zijn ‘aan de bovenkant’ 10 fte verschoven naar het specialistische expertiseteam en zijn ‘aan de onderkant’ 10 fte ingevuld door de inzet van opruimkrachten.

4.2.

De oude functie van Medewerker Bibliotheek en de nieuwe van Medewerker dienstverlening vestigingen verschillen essentieel van elkaar en zijn daarom niet uitwisselbaar. Bibliotheek Utrecht heeft daarom het afspiegelingsbeginsel buiten toepassing mogen laten en bij de bepaling van de af te vloeien bibliotheekmedewerkers op geschiktheid mogen beoordelen. Daarbij is objectief en zorgvuldigheid te werk gegaan en zijn de eerdere personeelsbeoordelingen, het resultaat van de gehouden assessments en de relevante opleiding en ervaring betrokken. Van willekeur is geen sprake geweest.

4.3.

Voor het geval tot herstel van de arbeidsovereenkomsten met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] zou moeten worden overgegaan, vordert Bibliotheek Utrecht van hen de inmiddels betaalde transitievergoedingen terug. Voorts verzoekt Bibliotheek Utrecht in dat geval om de arbeidsovereenkomsten met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] te ontbinden op grond van de zogenoemde h-grond van artikel 7:669 lid 3 BW.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Het geschil van partijen draait om de vraag of Bibliotheek Utrecht, gebruik makend van de haar door het UWV verleende toestemming van 24 november 2016, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] in strijd met het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder a BW heeft opgezegd, zoals [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] stellen, maar Bibliotheek Utrecht betwist. In dit verband hebben [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] betoogd dat het UWV ten onrechte toestemming tot opzegging heeft verleend. Bibliotheek Utrecht meent dat het UWV die toestemming op goede gronden heeft verleend. Waar Bibliotheek Utrecht zich op het standpunt stelt dat de kantonrechter de beslissing van het UWV slechts marginaal mag toetsen, wordt zij daarin niet gevolgd. Artikel 7:682 lid 1, aanhef en onder a BW bepaalt dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst die - zoals hier: op bedrijfseconomische gronden - met UWV-toestemming is opgezegd, kan herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 of lid 3, onder a BW. Daaruit volgt dat de kantonrechter de in dit geding voorliggende vraag naar het bestaan van een redelijke grond voor ontslag zelfstandig en ‘vol’ moet beoordelen, in het licht van de daarbij in acht te nemen regels, zoals die van de Ontslagregeling. Voor zover al zou kunnen worden gesproken van een ‘hoger beroep’ tegen de UWV-beslissing, gaat het dus om een ‘vol’ beroep.

5.2.

De kantonrechter dient het verzoek van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] te beoordelen in het licht van het debat dat partijen hierover in dit geding hebben gevoerd. Voor zover partijen, door het overleggen van de stukken uit de UWV-ontslagprocedure en het verzoek om deze als ingelast te beschouwen, hebben volstaan met de enkele verwijzing naar hun stellingen die zij in de UWV-procedure hebben betrokken, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. De beoordeling richt zich daarmee thans op hetgeen [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] aan hun verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomsten met Bibliotheek Utrecht ten grondslag hebben gelegd en op hetgeen Bibliotheek Utrecht daartegen in dit geding heeft ingebracht. Dit betekent dat allereerst aan de hand van hetgeen partijen bij verzoek- en verweerschrift en ter zitting hebben aangevoerd, moet worden beoordeeld of Bibliotheek kan worden gevolgd in haar standpunt dat bedrijfseconomische en -organisatorische omstandigheden haar hebben genoopt tot inkrimping van het personeelsbestand en het doen vervallen van de functie van Medewerker Bibliotheek. Bij bevestigende beantwoording van die vraag moet worden beoordeeld of Bibliotheek Utrecht de reorganisatie heeft mogen vormgeven, zoals zij heeft gedaan. Daarbij rijst onder meer de vraag naar de ontslagvolgorde en - daarmee - of het afspiegelingsbeginsel buiten toepassing heeft mogen blijven.

5.3.

Bij de beoordeling van de bedrijfseconomische omstandigheden die Bibliotheek Utrecht aan het ontslag van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] ten grondslag heeft gelegd, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat zij voor het voortbestaan van de bibliotheek grotendeels afhankelijk is van de subsidie van de gemeente Utrecht. Dat dit bij de verzelfstandiging in 2013 een voorzienbaar gevolg was, maakt niet dat met deze realiteit thans geen rekening zou mogen worden gehouden, zoals [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] lijken te willen betogen. Vast staat dat de subsidie in de afgelopen jaren sterk is verminderd en dat hierdoor de exploitatie in toenemende mate onder druk is komen te staan en dat dit heeft geresulteerd in een verliesgevende situatie. Dat Bibliotheek Utrecht inmiddels heeft moeten afzien van haar voornemen om extra vrijwilligers in te schakelen, maakt de financiële druk eerder groter dan kleiner. Dat Bibliotheek Utrecht, naast de exploitatiesubsidie, van de gemeente Utrecht ook project- en doelsubsidies ontvangt, maakt niet dat zij meer financiële armslag heeft. Naar Bibliotheek Utrecht aannemelijk heeft gemaakt, kunnen die project- en doelsubsidies niet worden aangewend ter dekking van de met de reguliere exploitatie verband houdende personeelskosten. Nu niet is gesteld of gebleken dat de bezuiniging die Bibliotheek Utrecht op de personeelskosten wil doorvoeren niet in redelijke verhouding staat tot de bedrijfseconomische situatie, moet worden geconcludeerd dat deze voldoende grondslag biedt voor de door Bibliotheek Utrecht voorgestane personeelsinkrimping.

5.4.

Bibliotheek Utrecht heeft de bedrijfseconomisch gemotiveerde reorganisatie aangegrepen om ook organisatorische veranderingen door te voeren. Onder de gegeven omstandigheden stond haar dat vrij. Niet in geschil is dat de ontwikkelingen in de branche er al geruime tijd op wijzen dat de bibliotheek transformeert van een organisatie die zich richt op de - inmiddels geautomatiseerde - uitleen van boeken naar een meer ondernemende en programmerende instelling die tevens activiteiten aanbiedt voor groepen die door de digitalisering van de samenleving een achterstand oplopen. Begrijpelijk is dat Bibliotheek Utrecht deze ontwikkelingen verder vorm heeft willen geven door de oude functie van bibliotheekmedewerker te vervangen door die van Medewerker dienstverlening vestigingen en uit het takenpakket van de bibliotheekmedewerker ‘aan de bovenkant’ delen onder te brengen bij meer specialistische (Expertise-)functies.

5.5.

Hiermee is de bedrijfseconomische en -organisatorische noodzaak voor de inkrimping van het personeelsbestand en het verval van de functie van Medewerker Bibliotheek gegeven. De kantonrechter komt toe aan de beoordeling van de vraag of Bibliotheek Utrecht de reorganisatie heeft mogen inrichten, zoals zij heeft gedaan. In dat verband rijzen drie kwesties. De eerste betreft de ontslagvolgorde: heeft Bibliotheek Utrecht uit de groep van bibliotheekmedewerkers [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] voor ontslag mogen selecteren? Daarbij gaat het om de vraag of de functie van Medewerker Bibliotheek en die van Medewerker dienstverlening vestigingen zodanig vergelijkbaar zijn dat deze functies als onderling uitwisselbaar in de zin van artikel 13 van de Ontslagregeling moeten worden aangemerkt. De tweede kwestie is of aan het ontslag van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] artikel 5 van de Ontslagregeling in de weg staat, welke bepaling ertoe strekt te voorkomen dat werknemers in vaste dienst worden vervangen door flexibele of goedkopere arbeidskrachten. Bij bevestigende beantwoording van die vraag zou, waar artikel 48 lid 3 van de CAO OB 2015-2019 verdringing van betaalde formatie door vrijwilligers heeft verhinderd, dit artikel 5 van de Ontslagregeling beletten dat een deel van de werkzaamheden van de bibliotheekmedewerkers worden overgelaten aan goedkopere uitzendkrachten. Ten slotte rijst de vraag of Bibliotheek Utrecht [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] had moeten herplaatsen.

5.6.

De kantonrechter bespreekt nu de eerstbedoelde kwestie. Artikel 11 van de Ontslagregeling stelt bij het vervallen van arbeidsplaatsen het afspiegelingsbeginsel voorop, hetgeen meebrengt dat binnen een categorie van uitwisselbare functies in de onderscheiden leeftijdsgroepen de werknemers met het kortste dienstverband het eerst voor ontslag in aanmerking komen. Niet in geschil is dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , gezien hun leeftijd en de lengte van hun dienstverband, bij juiste toepassing van het afspiegelingsbeginsel niet voor ontslag in aanmerking zouden zijn gekomen. Bibliotheek Utrecht heeft betoogd, en het UWV heeft - met haar - geoordeeld, dat de functie van Medewerker Bibliotheek en de functie van Medewerker dienstverlening vestigingen, gelet op de onderlinge verschillen, niet uitwisselbaar zijn en dat daarom het afspiegelingsbeginsel buiten toepassing blijft. [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] hebben dit bestreden. Met partijen is de kantonrechter van oordeel dat de door Bibliotheek Utrecht toegepaste ‘stoelendansmethode’, waarbij de werknemers van wie de functie vervalt moeten solliciteren naar de nieuw gecreëerde functie en de werkgever mag selecteren wie van hen voor de nieuwe functie geschikt is, in elk geval niet het afspiegelingsbeginsel als selectiemethode mag verdringen, indien de oude en de nieuwe functie uitwisselbaar zijn. In dat geval moet het afspiegelingsbeginsel worden toegepast. Hiermee rijst de vraag of de genoemde functies uitwisselbaar zijn.

5.7.

Artikel 13 van de Ontslagregeling bepaalt dat bij de beantwoording van de vraag naar de uitwisselbaarheid van functies verschillende factoren, te weten (voor zover hier van belang): de functie-inhoud, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties en de bij de functie behorende beloning, in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Bibliotheek Utrecht heeft het verschil tussen Medewerker Bibliotheek 2 (de functie van [verzoeker 3] ) en Medewerker Bibliotheek 3 (de functie die [verzoeker 1] en [verzoeker 2] vervulden) niet nader heeft toegelicht. Uit de overgelegde omschrijving van de functie van Medewerker Bibliotheek volgt dat het niveau (1, 2 of 3) - en daarmee de salarisschaal 4, 5 of 6 (terwijl tussen het maximum van schaal 5 en dat van 6 slechts € 127,-- bruto per maand verschil zit) - afhankelijk is van de uitvoering van de functie. Gesteld noch gebleken is dat de overgang van niveau 2 naar 3 binnen de functie gepaard ging met het stellen van bijzonder eisen. De kantonrechter zal zich daarom bepalen tot de beoordeling van de uitwisselbaarheid van de functie Medewerker Bibliotheek 3 en die van Medewerker dienstverlening vestigingen. Daarbij worden de in het geding gebrachte functiebeschrijvingen tot uitgangspunt genomen.

5.8.

In de algemene omschrijving van beide functies, zoals die hierboven onder 2.7. en 2.12. is aangehaald, valt op dat deze goeddeels overeenkomen, in die zin dat beide functies twee dezelfde hoofdbestanddelen (‘resultaatsgebieden’) hebben, te weten: de dienstverlening aan klanten/bezoekers en de ondersteuning van publieksactiviteiten. Dat de omschrijving van de functie van Medewerker dienstverlening vestigingen veel uitvoeriger is, komt vooral doordat daarin meer woorden worden gebruikt om de spilfunctie van de medewerker te benadrukken, maar dat brengt niet mee dat niet ook de Medewerker Bibliotheek al als de ‘ogen en oren in de wijk’ was te beschouwen. In de omschrijving van die functie is bij het resultaatsgebied ‘Presentaties en werelden’ vermeld dat de bibliotheekmedewerker inspeelt op de actualiteit in zijn werkgebied en deze vertaalt in producten. Waar in de omschrijving van de nieuwe functie wordt benadrukt dat het tot de ondersteuning bij de uitvoering van de programmering behoort dat overzicht op het activiteitenprogramma wordt gehouden en dat de randvoorwaarden moeten worden gecreëerd die een succesvol verloop van de programma’s mogelijk maken, moeten beide verondersteld worden ook reeds te hebben behoord tot de taak van de Medewerker Bibliotheek om een (ondersteunende) rol te spelen bij de uitvoering van publieksactiviteiten. Waar in de omschrijving van de nieuwe functie afzonderlijke aandacht wordt besteed aan de taak van de Medewerker dienstverlening vestigingen om activiteiten te promoten, is deze taak in de omschrijving van de functie Medewerker Bibliotheek opgenomen onder het resultaatsgebied ‘Presentaties en werelden.’ Van een wezenlijke verandering is ook wat dat betreft dus geen sprake. Resteert de aansturing van vrijwilligers. Voor zover Bibliotheek Utrecht al eerder vrijwilligers heeft ingezet, moet de Medewerker Bibliotheek geacht worden daarbij een coördinerende taak te hebben gehad. In het resultaatsgebied ‘Overige werkzaamheden’ van de functie Medewerker Bibliotheek staat dat de medeweker desgevraagd coördinerende werkzaamheden verricht, zoals hem ook de begeleiding van stagiaires kan worden opgedragen. Voor zover het bedoelde gedeelte van de omschrijving van de functie Medewerker dienstverlening vestigingen ziet op het aanvankelijke voornemen van Bibliotheek Utrecht om een deel van het werk van de bibliotheekmedewerkers door extra vrijwilligers te laten verrichten, moet het resultaatsgebied ‘Instructie vrijwilligers’ geacht worden te zijn achterhaald door de aanpassing van de reorganisatie, waartoe de rechterlijke uitspraken in juni en november 2016 haar hebben genoodzaakt. Indien het inmiddels tot de taak van de Medewerker dienstverlening vestigingen zou zijn gaan behoren om de aangetrokken opruimkrachten te instrueren, geldt dat de Medewerker Bibliotheek ook al was belast met dergelijke coördinerende werkzaamheden en begeleidingstaken. De tussenconclusie luidt dan ook dat uit de algemene omschrijving van de beide functies niet volgt dat van een wezenlijke verandering van de functie-inhoud sprake is. Juist op de aspecten ‘coördinatie’ en ‘facilitering’, die het UWV bij de motivering van zijn oordeel dat de functies wezenlijk verschillen met name heeft genoemd, moet worden vastgesteld dat de kerntaken van beide functies in belangrijke mate overeenkomen.

5.9.

Ook als wordt ingezoomd op de afzonderlijke resultaatsgebieden in beide functieomschrijvingen blijkt sprake van een grote overlap. De taken op het gebied van ‘Klant- en leenservice’ zijn identiek, in die zin dat de informatie over abonnementssoorten en de administratie van ledengegevens in de omschrijving van de functie van Medewerker Bibliotheek is vermeld onder het resultaatsgebied ‘Uitleen- en ledenadministratie.’ Ook het resultaatsgebied ‘Informatie en advies’ is in beide functieomschrijvingen hetzelfde, met dien verstande dat de informatie over databanken in de oude functieomschrijving staat vermeld onder ‘Klant- en leenservice.’ De resultaatsgebieden ‘Presentaties en werelden’ en ‘Toegankelijkheid en netheid’ komen in beide functieomschrijvingen nagenoeg overeen. In de omschrijving van de functie Medewerker dienstverlening vestigingen is ‘Promotie en verkoop’ als een afzonderlijk resultaatsgebied opgenomen, maar diezelfde taak staat in de omschrijving van de functie Medewerker Bibliotheek vermeld onder het resultaatsgebied ‘Presentaties en werelden.’ Uit het resultaatsgebied ‘Beheer’ volgt dat de Medewerker Bibliotheek ook al was belast met het oplossen van kleine technische problemen en klein onderhoud. Net als de Medewerker dienstverlening vestigingen diende hij zich te wenden tot een externe helpdesk, als dat noodzakelijk was. Het resultaatsgebied ‘Ondersteuning’ komt in de oude functieomschrijving niet voor, maar vast staat dat de Medewerker Bibliotheek, net als de Medewerker dienstverlening vestigingen, belast is met (de ondersteuning van) de uitvoering van programma’s en activiteiten.

5.10.

Waar de functie-inhoud aldus niet wezenlijk verandert en beide functies op MBO 4- werk- en denkniveau liggen, komt slechts beperkte betekenis toe aan de door Bibliotheek Utrecht in de functieomschrijving aangebrachte wijziging wat betreft ‘Organisaties (en Aanvullende) competenties’ en ‘Kennis en vaardigheden.’ Qua competenties vergde de functie van Medewerker Bibliotheek ‘Integraal werken’ en ‘Lerend vermogen’, terwijl de Medewerker dienstverlening vestigingen in plaats daarvan ‘Zelfstandig’ moet zijn en moet kunnen ‘Plannen en organiseren.’ Onduidelijk is waarin de voor beide functies vereiste competenties aldus verschillen. Dat geldt ook voor de in de functieomschrijvingen genoemde kennis en vaardigheden. Waar de heer [A] ter zitting heeft verklaard dat Bibliotheek Utrecht bij de vergelijking van de oude en de nieuwe functie geen onafhankelijk deskundige heeft ingeschakeld, maar die intern heeft laten uitvoeren, komt aan de functie-inhoud doorslaggevende betekenis toe.

5.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de functies van Medewerker Bibliotheek en van Medewerker dienstverlening vestigingen zodanig vergelijkbaar zijn dat ze als onderling uitwisselbaar moeten worden aangemerkt. Dat de functies niet wezenlijk verschillen, strookt met het beeld dat de heer [A] ter zitting heeft geschetst van het transitieproces dat de bibliotheek(branche) doormaakt. Volgens hem is het ‘een proces van jaren.’ Aldus past de organisatiewijziging in een traject dat al veel eerder is ingezet, onder meer doordat de bibliotheekmedewerkers zijn ingeschakeld bij de uitvoering van de programmering, en ook na implementatie door zal lopen, onder meer door de voorgenomen investering in de verdere professionalisering van herplaatste medewerkers. Het vervallen van de oude functie van bibliotheekmedewerker en de vervanging ervan door de nieuwe functie moet dan ook worden beschouwd als (niet meer dan) een - verdere - stap in dat proces. Het is dan alleszins redelijk en billijk, en het kan van Bibliotheek Utrecht worden gevergd, dat de bestaande medewerkers in dat veranderingsproces worden meegenomen, althans dat bij de vanwege de teruglopende subsidie noodzakelijke inkrimping van het personeelsbestand het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast. Daardoor kan bij de bepaling van de ontslagvolgorde niet op geschiktheid worden geselecteerd. Voor zover zou blijken dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] of [verzoeker 3] in de veranderingen niet op eigen kracht mee kunnen, ligt het op de weg van Bibliotheek Utrecht om hun in het kader van het gebruikelijke functionerings- of beoordelingsgesprekken passende scholing of begeleiding aan te bieden.

5.12.

Dit alles brengt mee dat Bibliotheek Utrecht bij de bepaling van de voor ontslag voor te dragen bibliotheekmedewerkers het afspiegelingsbeginsel had moeten toepassen en dus niet [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] heeft kunnen ontslaan. Hieruit volgt reeds dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat artikel 7:682 lid 1, aanhef en onder a BW stelt voor de bevoegdheid van de kantonrechter om de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen: nu het afspiegelingsbeginsel niet is toegepast, en verzoekers met toepassing van dat beginsel niet voor ontslag in aanmerking zouden zijn gekomen, is de opzegging van de arbeidsovereenkomsten in strijd met artikel 7:669 lid 3, onder a BW. Aan de overige hierboven (onder 5.5.) aangeduide kwesties komt de kantonrechter daarom in dit geding niet toe. Het verzoek tot veroordeling van Bibliotheek Utrecht om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] te herstellen wordt toegewezen. Het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomsten moeten worden hersteld wordt bepaald op 1 maart 2017. Hiermee is van een onderbreking van de arbeidsovereenkomsten geen sprake en hoeft in de rechtsgevolgen van een dergelijke onderbreking niet te worden voorzien. De veroordeling tot herstel zal worden versterkt met een dwangsom en het totaal van te verbeuren dwangsommen zal aan een maximum worden verbonden, zoals hierna omschreven. Toewijsbaar is evenzeer de vordering van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] tot veroordeling van Bibliotheek Utrecht tot betaling van het loon over de periode van 1 maart tot en met 30 juni 2017. Dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] vanaf 1 maart 2017 geen arbeid hebben verricht, komt voor rekening en risico van Bibliotheek Utrecht. De vakantiebijslag is toewijsbaar over de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2017. De wettelijke rente over dit loon en die vakantiebijslag wordt toegewezen. De wettelijke verhoging wegens te late betaling van de inmiddels vervallen loontermijnen (de maanden maart tot en met juni 2017) en de vakantiebijslag (over de maanden maart tot en met mei 2017) is eveneens toewijsbaar, en wel tot het wettelijke maximum van 50%.

5.13.

Het herstel van de arbeidsovereenkomsten van partijen betekent dat de arbeidsverhouding van partijen geacht moet worden niet onderbroken te zijn geweest. Hieruit volgt dat de door Bibliotheek Utrecht aan [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] betaalde transitievergoeding door hen aan haar moet worden terugbetaald. Daartoe worden zij jegens haar veroordeeld, zoals hierna omschreven. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf de datum van deze beschikking.

5.14.

Voor toewijzing van het door Bibliotheek Utrecht voorwaardelijk ingediende ontbindingsverzoek bestaat op grond van hetgeen hierboven is overwogen geen redelijke grond. De zogenoemde h-grond van artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder h BW kan niet worden gebruikt om, zoals hier, een bedrijfseconomisch ontslag dat niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen langs een andere weg toch te effectueren.

5.15.

Bibliotheek Utrecht wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] . Deze proceskosten worden tot deze beschikking begroot op € 1.070,--, bestaande uit € 470,-- aan vast recht en € 600,-- aan salaris gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Bibliotheek Utrecht om de arbeidsovereenkomsten met [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] binnen 24 uur na betekening van deze beschikking te herstellen met ingang van 1 maart 2017, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat zij hiermee in gebreke blijft; de maximaal te verbeuren dwangsom wordt gesteld op

€ 100.000,--;

6.2.

veroordeelt Bibliotheek Utrecht om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker 1] te voldoen € 10.524,-- bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 maart tot en met 30 juni 2017, alsmede de vakantiebijslag over de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2017, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid van de respectievelijke loontermijnen en deze vakantiebijslag tot de voldoening, alsmede met de wettelijke verhoging wegens te late betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 BW tot 50% over dit loon en die vakantiebijslag;

6.3.

veroordeelt Bibliotheek Utrecht om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker 2] te voldoen € 8.185,36 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 maart tot en met 30 juni 2017, alsmede de vakantiebijslag over de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2017, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid van de respectievelijke loontermijnen en deze vakantiebijslag tot de voldoening, alsmede met de wettelijke verhoging wegens te late betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 BW tot 50% over dit loon en die vakantiebijslag;

6.4.

veroordeelt Bibliotheek Utrecht om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker 3] te voldoen € 8.896,-- bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 maart tot en met 30 juni 2017, alsmede de vakantiebijslag over de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2017, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid van de respectievelijke loontermijnen en deze vakantiebijslag tot de voldoening, alsmede met de wettelijke verhoging wegens te late betaling overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 BW tot 50% over dit loon en die vakantiebijslag;

6.5.

veroordeelt [verzoeker 1] om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan Bibliotheek Utrecht terug te betalen € 54.420,42 bruto, zijnde het bedrag van de eerder door hem ontvangen transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf heden tot de voldoening;

6.6.

veroordeelt [verzoeker 2] om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan Bibliotheek Utrecht terug te betalen € 26.379,17 bruto, zijnde het bedrag van de eerder door hem ontvangen transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf heden tot de voldoening;

6.7.

veroordeelt [verzoeker 3] om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan Bibliotheek Utrecht terug te betalen € 20.484,17 bruto, zijnde het bedrag van de eerder door hem ontvangen transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf heden tot de voldoening;

6.8.

wijst het meer of anders verzochte en gevorderde af;

6.9.

veroordeelt Bibliotheek Utrecht in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , tot deze beschikking begroot op € 1.070,--, waarin begrepen € 600,-- aan salaris gemachtigde;

6.10.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.