Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3560

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
5950154 AV EXPL 17-18 EW/1366
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Bevoegdheid kantonrechter, Vruchtgebruik met interingsbevoegdheid en bewind. Procesbevoegdheid bewindvoerder en voeging. Inhoud testament waarin bedoeling erflater is omschreven. Zeggenschapsrechten op aandelen. Uitkeringen en ava-besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3679
NJF 2017/532
ERF-Updates.nl 2017-0153
Jurisprudentie Erfrecht 2017/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5950154 AV EXPL 17-18 EW/1366

Kort geding vonnis van 4 juli 2017

inzake

[eiseres] , zowel in persoon als in hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

verweerster in reconventie,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. A.C. de Bakker,

tegen:

1.[gedaagde sub 1] , zowel in persoon als in hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

tevens eiser in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,

procederend in persoon,

2.de besloten vennootschap [gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen; de [gedaagde sub 2] B.V.,

gemachtigde: mr. A. Hofman,

met als gevoegde partijen

1.Stichting [gevoegde partij 1]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2.Stichting [gevoegde partij 2]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3.Stichting [gevoegde partij 3]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen in het incident,

verweersters in de hoofdzaak,

hierna te noemen; de stichtingen,

gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 16;

  • -

    een brief van de gemachtigde van de [gedaagde sub 2] B.V. met producties 1 en 2 ingekomen op 18 mei 2017;

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst van de stichtingen, met producties 1 tot en met 4 (bedoeld is voeging);

  • -

    een brief van de gemachtigde van de stichtingen met productie 5, ingekomen op 12 juni 2017;

  • -

    een faxbericht van [gedaagde sub 1] , met bijlage, ingekomen op 12 juni 2017;

  • -

    een faxbericht van [gedaagde sub 1] , met bijlage, ingekomen op 13 juni 2017;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van mr. A.C. de Bakker;

  • -

    de pleitnota van mr. A. Hofman;

  • -

    de pleitnota van mr. M.J.W. Hoek.

1.2. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de voeging toegestaan. Juist is dat in geval van een onder bewind gesteld nalatenschapskapitaal, de rechthebbenden niet zelfstandig kunnen procederen en vorderingen kunnen indienen (op grond van artikel 4:173 Burgerlijk Wetboek). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbenden ter zake van onder bewind gestelde goederen. Dit laat onverlet dat rechthebbenden op onder bewind gestelde goederen er belang bij kunnen hebben zich in een procedure te voegen als hun belangen worden geraakt. Daarvan is hier sprake omdat een beslissing in deze zaak ertoe kan leiden dat er voor de stichtingen te zijner tijd (na het overlijden van [eiseres] ) minder nalatenschapskapitaal overblijft. Daarmee hebben zij voldoende belang bij voeging.

1.3. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [2002] is te [woonplaats] overleden de heer [erflater] , hierna te noemen: erflater.

2.2.

Erflater was gehuwd met [eiseres] onder huwelijkse voorwaarden. Erflater heeft geen kinderen achtergelaten.

2.3.

Bij brief van 8 november 2000 heeft erflater aan de notaris in verband met een door deze op te maken testament geschreven: “(…) Op de tweede plaats wil ik graag dat [eiseres] (dat is [eiseres] , toevoeging voorzieningenrechter) het werk van de Stichting [stichting] voorzet, en wel in het huidige pand. (…) De eerste vijf jaren zal geschonken worden f 100.000,- per jaar, het zesde jaar f 75.000,- en het zevende jaar f 50.000,-. Daarna zal de stichting “selfsupporting” moeten zijn, los van mijn directe ondersteuning. (…) De executie van het testament (verkoop van [adres] ) moet worden opgeschort totdat [eiseres] dit zal aangeven”.

2.4.

Bij testament van 16 december 2000 heeft erflater voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Erflater heeft de stichtingen tot enig erfgenamen benoemd onder last van enkele legaten, waaronder een legaat van vruchtgebruik ten behoeve van [eiseres] op de zuivere nalatenschap. Voorts heeft erflater het nalatenschapskapitaal bij testament onder bewind gesteld.

2.5.

In het testament is over het vruchtgebruik en het bewind onder meer het volgende bepaald:

2.5.1. “

“ Vruchtgebruik voor wederhelft C (…)

d. Ik stel het met vruchtgebruik belaste kapitaal voor de duur van dit vruchtgebruik zowel ten aanzien van de vruchtgebruiker, als ten aanzien van de hoofdgerechtigden, onder bewind van twee bewindvoerders, als hoedanig benoem ik 1. De vruchtgebruiker zelf en 2. De heer [A] (…).

2.5.2. “

“Ten aanzien van dit bewind bepaal ik:

1. De bewindvoerders(…) zullen bevoegd zijn om de aan het bewind onderworpen zaken zonder medewerking of goedkeuring van de hoofdgerechtigden te verzilveren en de opbrengst weder te beleggen op de wijze als zij geraden zulle oordelen; voor zover nodig verleen ik daartoe met inachtneming van de bewindsbepalingen aan de vruchtgebruiker het recht tot vervreemding der vruchtgebruiksgoederen. Bij verschil van mening omtrent de realisering en/of belegging der gelden zal de mening daaromtrent van de genoemde tweede bewindvoerder beslissend zijn, tenzij de wet een dergelijke bepaling niet toestaat, in welk geval de mening van de vruchtgebruiker beslissend zal zijn.

2. De bewindvoerders moeten in de uitoefening van hun functie steeds tezamen handelen(…). Behoudens het hierboven onder 1 bepaalde zullen meningsverschillen tussen de bewindvoerders met betrekking tot de uitoefening van hun functie door ieder hunner kunnen worden voorgelegd aan de kantonrechter te Amersfoort of aan een door deze aan te wijzen deskundige, die alsdan een voor beide partijen bindende beslissing zal nemen.(…)

6. Ik verleen aan de bewindvoerders de bevoegdheid om telkens wanneer zij daartoe een dringende reden aanwezig achten, uit het beheerde kapitaal een som ter vrije beschikking van de vruchtgebruiker te stellen en wel hetzij ter creëring of ter vermeerdering van het verteerbaar gedeelte van het vruchtgebruikkapitaal, hetzij voor een ander doel; deze sommen legateer ik de vruchtgebruiker vrij van rechten en kosten doch alleen voor zover de bevoegdheid tot het hier sub 6 bepaalde niet rechtstreeks voortvloeit uit het vruchtgebruik zelf, aan welk vruchtgebruik ik daartoe bij deze koppel de bevoegdheid tot vervreemden en verteren als bedoeld in artikel 3:215 van het Burgerlijk Wetboek mede in verband met het vervreemdingsrecht als hiervoor bedoeld sub 1 en met inachtneming der bewindsbepalingen. Eveneens zijn de bewindvoerders bevoegd om gedeelten van het kapitaal op andere wijze te beleggen dan strikt genomen uit een bewindvoering voortvloeit, indien daardoor naar het oordeel van de bewindvoerders de redelijke belangen van de vruchtgebruiker worden gediend.(…) Indien inderdaad kapitaal is aangewend ter vertering door de vruchtgebruiker, dan zal er bij het einde van het vruchtgebruik geen vergoeding ter zake plaatshebben.(…)”

2.5.3.

Over de bedoeling van erflater vermeldt het testament:

“Zoals uit één en ander blijkt beoog ik met dit bewind, naast de administratie en instandhouding van het kapitaal, ook de redelijke belangen van de vruchtgebruiker, waarvoor zo nodig het belang van de instandhouding van het kapitaal moet wijken en waarbij de andere bewindvoerder en de hoofdgerechtigden ernstig met de wensen van de vruchtgebruiker rekening zullen moeten houden en de bewindvoerders uiteindelijk beslissen.”

2.5.4.

Over de zeggenschapsrechten op de aandelen bepaalt het testament:

“8.Tot het uitoefenen van de zeggenschapsrechten, zoals het vergader-, stem- en enquêterecht, zullen in plaats van de hoofdgerechtigden en/of de vruchtgebruiker steeds de bewindvoerders gerechtigd (niet verplicht) zijn voorzover de wetten en de betreffende statuten dit toestaan; de hoofdgerechtigden en/of de vruchtgebruiker zijn/is gehouden de bewindvoerders daartoe zo nodig, op de door deze verlangde wijze en met inachtneming van de statutaire voorschriften dienaangaande, in staat te stellen. (…)”.

2.6.

Bij notariële akte van 30 mei 2005 is het recht van vruchtgebruik gevestigd op de aandelen van de [gedaagde sub 2] B.V.

2.7.

Erflater heeft in zijn testament [eiseres] en de heer [A] (zijn accountant en vertrouwenspersoon) tot gezamenlijke bewindvoerders benoemd. Zowel [eiseres] als de heer [A] hebben hun benoeming als testamentair bewindvoerder aanvaard. Bij notariële akte van 4 augustus 2010 heeft [A] zijn functie als testamentair bewindvoerder overgedragen aan de heer [B] . De heer [B] heeft vervolgens bij notariële akte van 20 februari 2012 zijn functie als testamentair bewindvoerder overgedragen aan [gedaagde sub 1] , die de benoeming tot bewindvoerder heeft aanvaard.

2.8.

Tot de nalatenschap behoren thans nog de aandelen in het kapitaal van de [gedaagde sub 2] B.V. en het landgoed aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: het landgoed).

2.9.

Bij beschikking van de kantonrechter, rechtbank Midden-Nederland, team toezicht, van 29 maart 2017 is een verzoek van [eiseres] tot schorsing alsmede tot ontslag van [gedaagde sub 1] als bewindvoerder afgewezen. De verzoeken van [eiseres] betreffende haar financiële positie zijn afgewezen omdat de erfgenamen door [eiseres] niet rechtsreeks in de procedure waren betrokken. Op laatstgenoemd punt is door de kantonrechter niet inhoudelijk geoordeeld.

2.10.

Het inkomen van [eiseres] bestaat uit een AOW-uitkering van € 1.091,07 netto en een pensioenuitkering van € 1.204,08 netto, in totaal € 2.295,15 netto. Vast staat dat dit inkomen van [eiseres] ontoereikend is om in haar levensonderhoud te voorzien en de lasten verbonden aan het landgoed (zoals het onderhoud en de verzekeringspremie), zo’n € 18.151,- netto per jaar, te voldoen. Maandelijks is er een tekort van € 2.622,70 netto. [eiseres] heeft

€ 25.000,- moeten lenen bij de Rabobank en heeft daarenboven betalingsachterstanden op andere schulden, waaronder een schuld van € 8.667,13 en allerlei andere (kleinere) schulden (producties 7, 8 en 11 bij dagvaarding). Voorts heeft [eiseres] onbetwist gesteld dat er in de afgelopen 14 jaar door haar totaal € 163.007,- , dat is € 11.643,- per jaar, is ingeteerd op het nalatenschapskapitaal en dat sprake is van een versoberde levensstijl van [eiseres] ten opzichte van de welstand gedurende haar huwelijk.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat vanuit het vermogen van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] maandelijks een bedrag van € 2.622,70 netto dient te worden uitgekeerd aan haar;

  2. te bepalen dat vanuit het vermogen van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] eenmalig een bedrag van € 50.000,-- netto dient te worden uitgekeerd aan haar;

  3. te bepalen dat [gedaagde sub 1] de hiervoor onder I. en II. genoemde bedragen dient te onttrekken uit het vermogen van [BV] B.V.;

  4. [gedaagde sub 1] en [BV] B.V. te veroordelen de hiervoor onder I. en II. genoemde bedragen te voldoen aan eisers;

  5. gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, de eventuele nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De conclusie van [gedaagde sub 1] , de [gedaagde sub 2] B.V. en de stichtingen strekt tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna verder worden ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde sub 1] heeft een brief ingezonden uit een eerdere procedure waarin verzoeken zijn geformuleerd. Hij heeft ter zitting bevestigd dat het zijn bedoeling is die verzoeken als eis in reconventie in te dienen in deze procedure. Deze eis luidt:

“1. Uit het voorgaande is meer dan voldoende gebleken dat eiseres in het geheel geen rekening

houdt met de belangen van de andere betrokkenen, die in het testament worden genoemd.

Mijn eis in reconventie is, dat eiseres wordt opgedragen dat zij in haar gedrag en besluiten

ook rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van de erfgenamen. Met name

betreft dit, dat zij bij het eventueel alsnog verkrijgen van een lening van erfgenamen of het

pensioenfonds akkoord gaat met het vestigen van een hypotheek op het onroerend goed.

2. Eiseres houdt zich niet aan de bepaling in het testament om gezamenlijk met de tweede

bewindvoerder steeds overleg te voeren. Mijn eis in reconventie is, dat eiseres wordt

verplicht tot het voeren van zulk overleg, bij gebreke waarvan aan de tweede bewindvoerder

het uit voorraad uitvoerbare recht wordt verschaft zelfstandig en ook eiseres bindend te

handelen.

3. Eiseres heeft onbevoegd en ondanks uitdrukkelijk verbod van de tweede bewindvoerder de

woning uit de verkoop gehaald. Mijn eis in reconventie is, dat de woning opnieuw in de

verkoop wordt gezet en dat aan de tweede bewindvoerder de uitvoering ter zake wordt

opgedragen. Tevens wordt eiseres verplicht alle noodzakelijk medewerking te verlenen aan

de verkoop van de woning, zoals het toelaten van de makelaar, belangstellenden en

potentiele kopers, bij gebreke waarvan aan de tweede bewindvoerder een sleutel wordt

overhandigd waarmee de makelaar, met zijn eventuele gasten, de woning kan betreden.

4. De gevolmachtigde heeft zich jegens gedaagde meermalen en achter diens rug om (zie

bijlage 16) zeer denigrerend uitgelaten. Mijn eis in reconventie is, dat gevolmachtigde zich in

de toekomst van dergelijke uitlatingen jegens gedaagde zal onthouden, bij overtreding

waarvan gevolmachtigde zijn volmacht van rechtswege wordt ontnomen.

5. Gedaagde heeft ter zake van de voorbereiding en behandeling van deze rechtszaak vele uren

moeten spenderen, waaronder tijdens avonden en op zaterdagen en zondagen. Inclusief de

behandeling ter terechtzitting wordt het geheel geschat op 30 uren. Mijn eis in reconventie

is, dat eiseres wordt veroordeeld tot het vergoeden van de gemaakte kosten, tegen een

tarief van 95 euro per uur”.

3.2.

De conclusie van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna verder worden ingegaan.

5 De bevoegdheid in conventie en in reconventie

Bevoegdheid

5.1.

De stichtingen en [gedaagde sub 1] hebben gesteld dat de kantonrechter niet bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen onder verwijzing naar artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarbij merken zij op dat de vorderingen van [eiseres] zijn gericht tegen de [gedaagde sub 2] B.V. en de vordering € 50.000,- vermeerderd met de maandelijkse uitkeringen bedraagt. De [gedaagde sub 2] B.V. heeft zich hierover niet uitgelaten. Zij stelt dat zij geen partij is in het geschil tussen de bewindvoerders en daarom geen partij kiest.

5.2.

De geschillen van [eiseres] en [gedaagde sub 1] betreffen geschillen tussen bewindvoerders over de behartiging van de belangen van [eiseres] als vruchtgebruiker en de stichtingen als erfgenamen. Op grond van het bepaalde in het testament (zie hiervoor onder 2.5.2. sub 2) is de kantonrechter te Amersfoort bevoegd van dit geschil kennis te nemen.

De [gedaagde sub 2] B.V. is door [eiseres] ook gedagvaard omdat een veroordelend vonnis ook door de [gedaagde sub 2] B.V. zal moeten worden uitgevoerd. De [gedaagde sub 2] B.V. heeft geen verweer tot onbevoegdheid gevoerd. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen is het vanuit proceseconomisch oogpunt dringend gewenst dat de vorderingen tezamen worden behandeld. Gedagvaard is voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht (hierna te noemen: de voorzieningenrechter). [gedaagde sub 1] , de [gedaagde sub 2] B.V. noch de stichtingen hebben het verweer gevoerd dat de voorzieningenrechter niet relatief bevoegd is (artikel 110 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De voorzieningenrechter te Utrecht acht zich op grond van het vorenstaande bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

6 De beoordeling in conventie

Ontvankelijkheid

6.1.

[eiseres] is ontvankelijk in haar vorderingen. [gedaagde sub 1] en de stichtingen hebben het verweer gevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat over de vorderingen van [eiseres] reeds eerder is geoordeeld. Daarbij verwijzen zij naar de beschikking van de kantonrechter van 29 maart 2017 (zie hiervoor onder 2.9.). Uit deze beschikking blijkt dat de kantonrechter niet inhoudelijk heeft geoordeeld over de vorderingen van [eiseres] zoals die thans aan de voorzieningenrechter voorliggen. Er is daarom geen sprake van een beschikking van een bodemrechter die aan het voeren van deze procedure in de weg staat en evenmin, zoals door de stichtingen is betoogd, van een beschikking waarnaar de voorzieningenrechter in deze procedure zich heeft te richten.

Spoedeisend belang

6.2.

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Zij heeft onbetwist gesteld dat zij haar rekeningen niet kan betalen en dat er sprake is van schulden en betalingsachterstanden (zie hiervoor onder 2.1). Hoewel [gedaagde sub 1] en de stichtingen betwisten dat er een spoedeisend belang is, betwisten zij de door [eiseres] gestelde schulden en betalingsachterstanden niet. Tegelijkertijd stellen de stichtingen dat [eiseres] de premie opstalverzekering voor het landgoed niet voldoet en stelselmatig geen onderhoud pleegt aan het landgoed. Duidelijk is dat sprake is van een onhoudbare situatie. Op grond van het voorgaande is het spoedeisend belang gegeven.

Het geschil: het testament, het vruchtgebruik en de betrokken belangen

6.3.

Partijen twisten over de inhoud van het testament. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Krachtens artikel 4:46 dient bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Op grond van het tweede lid van dit artikel mogen daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

6.4.

[eiseres] wijst er op dat dit testament op 16 december 2000 onder oud recht is gemaakt, vlak voor de wijziging van het erfrecht op 1 januari 2003. Om de langstlevende ongestoord te kunnen laten voortleven (dit is de morele norm die met ingang van 1 januari 2003 in de wet is verankerd) werden naar oud recht in de notariële praktijk voornamelijk twee soorten testamenten gemaakt, namelijk de ouderlijke boedelverdeling en het vruchtgebruiktestament. Als geen testament was gemaakt konden de kinderen hun erfdeel naar oud recht immers opeisen. Op grond van de bepalingen in het testament komt aan [eiseres] toe het vruchtgebruik, dat wil zeggen het genot van het landgoed, de dividenden en de rente op spaarsaldi. Aan dit vruchtgebruik is de bevoegdheid tot vervreemding en vertering gekoppeld. [eiseres] mag dus de hele nalatenschap opsouperen zonder rekening te houden met de erfgenamen, aldus [eiseres] .

6.5.

De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat uit de hiervoor onder 2.5. geciteerde bepalingen blijkt dat erflater bij zijn uiterste wil tot uitgangspunt heeft genomen de verzorging van [eiseres] naast zijn wens een deel van zijn nalatenschap na te laten aan de stichtingen, doch aan de verzorging van [eiseres] grote(re) prioriteit heeft willen geven. Met het vruchtgebruik van de nalatenschap is aan [eiseres] ook de bevoegdheid gegeven op het landgoed, dat zij voorheen samen met erflater bewoonde, te wonen. Voorop staat dat [eiseres] daartoe gerechtigd is.

6.6.

[gedaagde sub 1] en de stichtingen stellen dat dit niet redelijk is omdat er te veel wordt ingeteerd op de nalatenschap. Zij willen dat het landgoed wordt verkocht en [eiseres] dit verlaat en stellen te gaan procederen om het vruchtgebruik teniet te doen, daarbij wijzend op het belang van instandhouding van het kapitaal. [gedaagde sub 1] , met de stichtingen aan zijn zijde, wijst er op dat [eiseres] het landgoed dient te onderhouden en de daaraan verbonden lasten moet voldoen. [gedaagde sub 1] heeft ter zitting medegedeeld dat [eiseres] al teveel heeft “verteerd”. Desgevraagd bleek vooral sprake te zijn van een herwaardering van het landgoed en niet van intering op het kapitaal van de nalatenschap door uitkering van bedragen aan [eiseres] . Wat er precies door [eiseres] is ingeteerd hebben [gedaagde sub 1] en de stichtingen verder niet onderbouwd. De stichtingen stellen dat er sprake moet zijn van een dringende reden om in te teren op het kapitaal van de nalatenschap.

6.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het vruchtgebruik van het landgoed met de interings- en vervreemdingsbevoegdheid staat voorop. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een “dringende reden” om in te teren op het nalatenschapskapitaal. Een dergelijke clausulering is niet aan de interingsbevoegdheid gekoppeld. Wel is in het kader van het door de bewindvoerders te voeren bewind over het nalatenschapskapitaal een belangenafweging voorgeschreven in het testament als volgt: “Zoals uit één en ander blijkt beoog ik met dit bewind, naast de administratie en instandhouding van het kapitaal, ook de redelijke belangen van de vruchtgebruiker, waarvoor zo nodig het belang van de instandhouding van het kapitaal moet wijken en waarbij de andere bewindvoerder en de hoofdgerechtigden ernstig met de wensen van de vruchtgebruiker rekening zullen moeten houden en de bewindvoerders uiteindelijk beslissen.”

Het belang van [eiseres] tot bewoning van het landgoed en het kunnen beschikken over voldoende middelen van bestaan is een wens van [eiseres] waarmee “ernstig” rekening moet worden gehouden door de bewindvoerders. Daar komt bij dat erflater heeft bepaald: “voor zover nodig verleen ik daartoe met inachtneming van de bewindsbepalingen aan de vruchtgebruiker het recht tot vervreemding der vruchtgebruiksgoederen”. De beslissing of het landgoed moet worden verkocht is dus aan [eiseres] .

6.8.

Begrijpt de voorzieningenrechter [gedaagde sub 1] en de stichtingen goed, dan stellen zij dat de bewoning van het landgoed door [eiseres] op grond van het door haar uitgeoefende vruchtgebruik, geen redelijk belang is. De vraag is of dit voldoende is om de belangenafweging, gelet op het voorgaande, in het voordeel van de stichtingen te doen doorslaan. Voor de invulling van de belangenafweging verwijzen beide partijen naar de brief van erflater aan de notaris van 8 november 2000, kort voor het maken van het testament. Deze brief besluit met de zinsnede: “De executie van het testament (verkoop van [adres] ) moet worden opgeschort totdat [eiseres] dit zal aangeven”. Hieruit blijkt eveneens dat erflater de beslissing over het wonen op het landgoed en of dit moet worden verkocht heeft willen voorbehouden aan [eiseres] . Daarmee is ook duidelijk hoe zwaar erflater het belang van [eiseres] bij het bewonen van het landgoed heeft willen laten wegen. Voor wat betreft de belangen van de stichtingen: in welke mate sprake is van intering op het nalatenschapskapitaal is door [gedaagde sub 1] niet onderbouwd en door de stichtingen evenmin. Hoewel dat niet op de weg van [eiseres] ligt, heeft [eiseres] hierover onbetwist ter zitting gesteld dat in de afgelopen 14 jaar gemiddeld een bedrag van € 11.643 per jaar is ingeteerd op het nalatenschapskapitaal. De [gedaagde sub 2] B.V. heeft een uitkeringstest overgelegd waaruit blijkt dat er in de [gedaagde sub 2] B.V., naast het ter dekking van de pensioenaanspraken van [eiseres] aangehouden kapitaal, een bedrag van € 222.571 vrij uitkeerbaar is. Bij deze stand van zaken komt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat [eiseres] het ongestoord vruchtgebruik van het landgoed heeft en aan [eiseres] uitkeringen uit het nalatenschapskapitaal dienen te worden gedaan, die haar in staat stellen het landgoed te blijven bewonen en die tegemoetkomen aan de verzorgingsgedachte van erflater.

Het geschil: uitkeringen aan [eiseres] uit het nalatenschapskapitaal

6.9.

Het landgoed moet worden onderhouden en de daaraan verbonden kosten en lasten moeten worden voldaan. Volgens [gedaagde sub 1] en de stichtingen moeten die kosten en lasten worden voldaan door [eiseres] en [gedaagde sub 1] verleent geen toestemming om de daarmee gemoeide bedragen uit het nalatenschapskapitaal te voldoen. Zonneklaar is echter dat [eiseres] , met haar AOW en kleine [gedaagde sub 2] daartoe niet in staat is. Zij heeft onderbouwd gesteld dat zij maandelijks € 2.622,70 voor haar levensonderhoud te kort komt en thans diverse schulden heeft (zie onder 2.10.). Omdat aan het vruchtgebruik ook een bevoegdheid tot intering is gekoppeld, kan [eiseres] daarvoor aanspraak maken op uitkeringen uit de nalatenschap, hetgeen zij met haar vorderingen ook doet. De opmerking van [gedaagde sub 1] ter zitting, dat [eiseres] in een goedkopere auto kan rijden en dat zijn eigen vrouw dat ook doet, raakt kant noch wal. Het gaat hier immers niet om wat de vrouw van [gedaagde sub 1] gewoon is van haar man te ontvangen, maar om wat passend is voor [eiseres] . Er niets gesteld dat een aanwijzing bevat dat de door [eiseres] in haar behoeftelijst gestelde bedragen bovenmatig zijn. Deze behoefte is in eerste instantie gebaseerd op de huwelijkse behoefte van [eiseres] (gebaseerd op de Hof-norm) met een flinke versobering daarvan. Voor het overige heeft [gedaagde sub 1] vooral betoogd dat [eiseres] (thans 77 jaar oud) zelf inkomsten moet verwerven door de exploitatie van het landgoed. Van een dergelijke verplichting blijkt niet uit het testament, zodat de voorzieningenrechter deze stelling passeert. De hoogte van het onder I gevorderde maandelijkse bedrag acht de voorzieningenrechter voorshands redelijk en passend in het kader van deze voorlopige voorziening.

6.10.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter al uitgelegd, dat nu het inkomen van [eiseres] ontoereikend is, gelet op het vruchtgebruik met interingsbevoegdheid er bedragen uit het nalatenschapskapitaal moeten worden uitgekeerd. Door daaraan niet mee te werken heeft [gedaagde sub 1] de nijpende financiële situatie waarin [eiseres] zich thans bevindt in de hand gewerkt. Onder verwijzing naar het hiervoor sub 2.10 gestelde zal de voorzieningenrechter daarom ook het onder II. gevorderde bedrag ineens, toewijzen.

Het geschil: de positie van de [gedaagde sub 2] B.V. en uitkeringen uit de [gedaagde sub 2] B.V.

6.11.

De stichtingen stellen dat uit de door de [gedaagde sub 2] B.V. overgelegde stukken zou blijken dat er geen dividend kan worden opgenomen. De [gedaagde sub 2] B.V. stelt, onder verwijzing naar de overgelegde jaarstukken 2016 en de uitkeringstest, dat een bedrag groot

€ 222.571 in de [gedaagde sub 2] B.V. vrij uitkeerbaar is. Het overige vermogen wordt aangehouden ter dekking van de pensioenverplichtingen aan [eiseres] . De stichtingen hebben hun stelling op dit punt niet verder onderbouwd. Op grond hiervan passeert de voorzieningenrechter de stelling van de stichtingen.

6.12.

Voorts stellen de stichtingen dat de [gedaagde sub 2] B.V. al jaren verlies draait. De voorzieningenrechter ziet niet welke conclusie de stichtingen aan deze stelling hebben verbonden. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de stichtingen reeds voorgehouden dat uit de jaarstukken 2016 blijkt dat er geen personeelsleden bij de [gedaagde sub 2] B.V. in dienst zijn en er in 2016 een verlies was van € 7.468. Gelet op het in de [gedaagde sub 2] B.V. aanwezige vermogen en het daarvan vrij uitkeerbare deel is dit niet een verlies dat aan uitkeringen in de weg kan staan. Daaraan heeft de voorzieningenrechter ter zitting reeds toegevoegd dat het bij een [gedaagde sub 2] B.V. in zijn algemeenheid normaal is om in te teren op vermogen.

6.13.

Partijen twisten over de zeggenschap op de aandelen. Volgens [eiseres] (de stellingen in de pleitnota in afwijking van het gestelde in de dagvaarding) oefenen de beide bewindvoerders ( [eiseres] en [gedaagde sub 1] ) gezamenlijk de zeggenschap op de aandelen uit. Daarbij trekt [eiseres] de parallel met de executeur en de vereffenaar. Volgens de stichtingen hebben de stichtingen de zeggenschap op de aandelen. Zij merken op dat bij de akte tot de vestiging van het vruchtgebruik niet bepaald is dat het stemrecht op de aandelen in de [gedaagde sub 2] B.V. toekomt aan de vruchtgebruiker. Niet gesteld of gebleken is dat de aandeelhoudersvergadering op enig moment stemrecht aan de vruchtgebruiker heeft toegekend. Daarom kunnen de beslissingen over een dividenduitkering dan wel kapitaalvermindering alleen worden genomen door de aandeelhouders, zijnde de stichtingen.

6.14.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Naar huidig recht, artikel 4:171 Burgerlijk Wetboek, kunnen bij uiterste wil de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader worden geregeld, ruimer of beperkter dan de uit de bepalingen van boek 4, titel 5, afdeling 7 voortvloeit. Op grond van artikel 143 Overgangswet NBW is dit artikel van toepassing op een op 1 januari 2003 reeds lopend bewind. Naar oud recht was dit niet geregeld. Erflater heeft bij testament bepaald dat de zeggenschapsrechten op de aandelen worden uitgeoefend door de beide bewindvoerders en erflater had op dat moment de volledige zeggenschap over de aandelen (erflater was enig aandeelhouder). De stichtingen hebben vanwege de bepalingen in het testament nimmer de zeggenschapsrechten op de aandelen in de [gedaagde sub 2] B.V. gehad. De stellingen van de stichtingen voor zover die zien op het vruchtgebruik zijn in dit verband niet relevant. Op grond hiervan neemt de voorzieningenrechter voorshands tot uitgangspunt dat de bewindvoerders tezamen de zeggenschapsrechten op de aandelen in de [gedaagde sub 2] B.V. uitoefenen en derhalve op grond van de testamentaire bepalingen ook beslissen over uitkeringen ten laste van de [gedaagde sub 2] B.V. De stichtingen krijgen, conform het testament van erflater, pas de beschikking over het nalatenschapskapitaal als het vruchtgebruik daarop is geëindigd.

6.15.

De [gedaagde sub 2] B.V. wijst op haar statutaire doel en stelt dat voor het aangaan van overeenkomsten met een waarde van meer dan € 100.000 toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ava) nodig is. Dit is juist zodat er een ava zal moeten worden belegd teneinde daartoe een besluit te nemen. De bestuurder van de [gedaagde sub 2] B.V. heeft voorts gesteld dat naast een geldig ava-besluit, goedkeuring van het bestuur vereist is waarbij het bestuur van de [gedaagde sub 2] B.V. er op wijst dat er op dit moment een bedrag van € 222.571 kan worden uitgekeerd en het bestuur daaraan geen goedkeuring kan onthouden. Echter, omdat de gevraagde uitkering in duur niet is begrensd kan het bestuur daaraan geen goedkeuring verlenen, omdat daaraan een positieve uitkeringstest in de weg staat. De [gedaagde sub 2] B.V. stelt dat het bestuur van de [gedaagde sub 2] B.V daarbij een eigen zwaarwegend belang heeft gelet op de sanctie van bestuurdersaansprakelijkheid in het geval de vennootschap haar pensioentoezegging niet meer kan nakomen. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiseres] de (enige) gerechtigde tot de pensioenuitkeringen is. Als op grond van aan haar toegewezen vorderingen en mede door haar genomen besluiten als (mede)bewindvoerder in de uitoefening van de zeggenschapsrechten, het kapitaal van de [gedaagde sub 2] B.V. zodanig slinkt dat de [gedaagde sub 2] B.V. haar verplichtingen jegens [eiseres] niet meer kan nakomen, kan [eiseres] de bestuurders daarvoor niet aansprakelijk houden omdat zij daartoe zelf heeft besloten. Het argument ontleend aan artikel 12 van de statuten, dat het geld moet worden aangewend ten behoeve van verzekerde [eiseres] , treft geen doel. De uitkeringen worden immers gedaan aan [eiseres] .

6.16.

[gedaagde sub 1] dient, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en in de uitoefening van de zeggenschapsrechten op de aandelen, mee te werken aan de totstandkoming van het ava-besluit tot uitkering van de door [eiseres] gevorderde bedragen. Blijkens de statuten van de [gedaagde sub 2] B.V. (artikel 13 lid 2) mag een ava en een ava-besluit binnen zes weken na een verzoek tot het uitschrijven van een ava worden verwacht. Het gaat hier om een maximale termijn. Gelet op de nijpende financiële situatie van [eiseres] gaat de voorzieningenrechter er van uit dat een ava, een besluit van de ava en de uitvoering daarvan spoediger, bijvoorbeeld binnen twee a drie weken na een verzoek daartoe van [eiseres] , zal worden belegd. Nadat dit besluit is genomen zal de [gedaagde sub 2] B.V. tot uitvoering daarvan moeten overgaan en dus medewerking moeten verlenen.

6.17.

Voor wat de beperking van de periode waarin de uitkeringen verschuldigd zijn zal de voorzieningenrechter, gelet op de door [gedaagde sub 1] en de stichtingen aangekondigde procedures, bepalen dat de te treffen voorziening zal gelden totdat door partijen in onderling overleg anders zal zijn overeengekomen of in een procedure anders zal zijn beslist.

6.18.

De voorzieningenrechter zal de proceskosten in deze zaak compenseren. Reden daarvoor is dat de kostenveroordelingen uiteindelijk ook ten laste zouden kunnen worden gebracht van het nalatenschapskapitaal alsook eventuele tekorten van [eiseres] waarin door toewijzing van de vorderingen thans is voorzien.

7 Het geschil in reconventie

7.1.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 29 maart 2017 over deze (toen) verzoeken reeds geoordeeld dat de verzoeken 1 tot en met 4 niet op de wet zijn gegrond. Over deze vorderingen is dus reeds geoordeeld.

Daar komt het volgende bij. Ter zitting heeft de kantonrechter aan [gedaagde sub 1] uitgelegd dat het in deze procedure gaat om een voorlopige voorziening waarbij een spoedeisend belang is vereist. [gedaagde sub 1] heeft ook geen enkel spoedeisend belang gesteld bij zijn vorderingen. Hij heeft niet uitgelegd waarom een beslissing op zijn vorderingen in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. [gedaagde sub 1] zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen.

7.2.

De voorzieningenrechter zal de kosten in reconventie compenseren, nu deze ter zitting inhoudelijk nauwelijks verder zijn besproken en daarvoor door [eiseres] geen kosten zijn gemaakt. Voor het overige wordt verwezen naar het bepaalde onder 6.17.

8 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

8.1.

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

voor de duur van de periode totdat partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen of in een (bodem)procedure anders zal zijn beslist

8.1.1.

bepaalt dat vanuit het vermogen van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] maandelijks een bedrag van € 2.622,70 netto dient te worden uitgekeerd aan [eiseres] ;

8.1.2.

bepaalt dat vanuit het vermogen van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] eenmalig een bedrag van € 50.000,-- netto dient te worden uitgekeerd aan [eiseres] ;

8.1.3.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] de hiervoor onder 8.1.1. en 8.1.2. genoemde bedragen dient te onttrekken uit het vermogen van de [gedaagde sub 2] B.V.;

8.1.4.

draagt de [gedaagde sub 2] B.V. en [gedaagde sub 1] op om mee te werken aan het beleggen van een ava en de totstandkoming van een ava-besluit waarbij door de bewindvoerders ( [eiseres] en [gedaagde sub 1] ) wordt besloten tot uitkering aan [eiseres] van de onder 8.1.1. en 8.1.2. genoemde bedragen;

8.1.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en de [gedaagde sub 2] B.V. de hiervoor onder 8.1.1. en 8.1.2. genoemde bedragen binnen uiterlijk zes weken na heden te voldoen aan [eiseres] of zo veel eerder als daartoe een ava-besluit zal zijn genomen;

8.2.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

8.3.

bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

In reconventie

8.4.

verklaart [gedaagde sub 1] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

8.5.

bepaalt dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.