Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3502

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
16/659262-17 en 13/231662-14 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man uit Amsterdam heeft in maart van dit jaar een handgranaat tot ontploffing gebracht in een winkel in Nieuwegein. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Een 21-jarige medeverdachte is vrijgesproken.

De hoofdverdachte heeft ’s nachts met een stoeptegel een winkelruit vernield en vervolgens een handgranaat laten ontploffen. Volgens de officier van justitie hadden hij en de vrijgesproken medeverdachte hiermee mensen in levensgevaar gebracht. Zij eiste voor de hoofdverdachte een celstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. In het dossier bevinden zich geen stukken over de werking, kracht en risico's van de handgranaat. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de explosie krachtig genoeg was om de personen in de bovenwoning in levensgevaar te brengen.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat de man licht verstandelijk beperkt is met impulsief en ondoordacht gedrag. De rechtbank legt meerdere bijzondere voorwaarden op naast het reclasseringstoezicht. Zo moet hij een behandeling ondergaan en worden opgenomen in een instelling voor begeleid wonen. Daarnaast moet hij een schadevergoeding van 3.340 euro betalen aan de winkeleigenaar.

De medeverdachte die is vrijgesproken bestuurde de auto met afgeplakte kentekenplaten. Hij bleef in de auto toen de hoofdverdachte de granaat liet ontploffen. Het kan niet anders dan dat hij wist dat de hoofdverdachte iets van plan was dat niet deugde. Toch ziet de rechtbank ziet in het dossier geen enkel aanknopingspunt dat hij wist dat de hoofdverdachte een granaat ging laten ontploffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/659262-17 en 13/231662-14 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in PI Flevoland – HvB Almere Binnen.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen, alsmede de benadeelde partij [benadeelde] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich in vereniging op 13 maart 2017 te Nieuwegein schuldig heeft gemaakt aan een ontploffing door het gooien van een handgranaat in een winkelpand,

Feit 2: op 13 maart 2017 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een pistool, een patroonmagazijn en scherpe patronen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2. ten laste gelegde.

In het kort is daartoe aangevoerd dat verdachte ten tijde van het aantreffen van het wapen en de munitie zijn kamer had onderverhuurd, en zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid ervan aldaar.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde, ter zake waarvan verdachte ter terechtzitting een bekennende verklaring heeft afgelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen1

4.3.1

Het oordeel over het onder 1 ten laste gelegde

Aangever [benadeelde] verklaart dat hij woonachtig is boven de winkel [winkel] in de [adres] te [woonplaats] , dat hij op maandag 13 maart 2017 omstreeks 03:15 uur een harde knal hoorde, en dat hij zag dat er een gat in de ruit van de deur van de winkel zat en de etalage een grote ravage was.2

Getuige [getuige] verklaart dat hij in de [adres] te [woonplaats] woont, dat hij op 13 maart 2017 rond 03:09 uur enkele harde knallen hoorde alsof iemand met een voorwerp een ruit insloeg en dat hij gelijk 112 belde. Hij zag een persoon hard wegrennen vanaf de richting van de [winkel] , gekleed in een zwarte lange jas en een petje op. Hij had vanaf zijn positie goed zicht op de gehele [straat] , en zag behalve deze jongen niemand anders lopen of staan. Hij zag dat de jongen wegrende in de richting van de kruising [straat] , en zag dat de jongen aan de passagierszijde van een kleine donkere auto instapte, die vervolgens linksaf de [straat] op reed in de richting van de [straat] . Behalve deze auto zag hij verder geen andere auto op de [straat] rijden.3

Verbalisant [verbalisant 1] relateert dat hij om 03:13 uur een kleine zwarte Opel Corsa vanuit de [straat] zijn richting op zag rijden, dat zowel de bestuurder als de bijrijder zijn aangehouden, en dat de bijrijder verdachte betrof.4

Verbalisant [verbalisant 2] relateert op basis van het onderzoek dat is verricht in [winkel] in Nieuwegein dat de dader(s) met behulp van een stoeptegel een ruit hebben vernield en dat zij vervolgens een handgranaat door de vernielde ruit naar de linkerzijde van de winkel hebben geworpen. Vervolgens is de handgranaat geëxplodeerd. Verder relateert hij dat hij bij het forensisch onderzoek naar sporen een monster als referentie-materiaal, met SIN-nummer AAJJ2879NL, heeft genomen van het glas aan de voorzijde van de winkel.5

Uit een vergelijkend glasonderzoek is gebleken dat voor 5 van de 19 onderzochte glasdeeltjes uit de jas (SINnr. AAJJ2864NL) van verdachte6 kan worden geconcludeerd dat de resultaten veel waarschijnlijker zijn wanneer deze glasdeeltjes afkomstig zijn van de vernielde ruit, waartoe het referentieglas (AAJJ2864NL - de rechtbank begrijpt dat hier is bedoeld AAJJ2879NL) heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen object.7

Verdachte heeft ter terechtzitting van 26 juni 2017 verklaard dat hij de handgranaat de winkel in heeft gegooid8.

Partiële vrijspraak

Nu het dossier geen concrete aanwijzingen bevat dat bij het plegen van dit feit, behoudens de bestuurder van de vluchtauto, anderen dan verdachte betrokken waren, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid medeplegen. Niet is gebleken dat tussen de bestuurder van de vluchtauto en verdachte een bewuste en nauwe samenwerking bestond terzake van het gooien van de granaat in de winkel.

Verdachte zal ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor een ander. Uitgangspunt is dat dit gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.

Uit het dossier komt naar voren dat zich ten tijde van het gooien van de granaatin de winkel die zich op de begane grond bevond, op de verdieping daarboven zich personen bevonden. Met enkel die nabijheid van personen is echter nog geen sprake van voorzienbaarheid in bovengenoemde zin.

Daartoe is in dit geval (bijvoorbeeld) vereist dat de ontploffing van de granaat een zodanige kracht had of zodanig gevaarlijk was dat daarvan ook voor hen, in een bovengelegen deel van het pand, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Hierover bevat het dossier geen aanwijzingen. Daarbij komt dat de granaat is gegooid door de ruit van een winkel om 3:13 ’s nachts zodat naar algemene ervaringsregels niet te verwachten is dat op dat moment zich personen op straat zouden bevinden. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

4.3.2

Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Verbalisant [verbalisant 3] verklaart dat op 14 maart 2017 tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] in beslag is genomen: een vuurwapen (Walther), een patroonhouder (Glock) en twee dozen munitie met een onbekende hoeveelheid patronen.9

Genoemde voorwerpen zijn vervolgens nader beschreven, onderzocht en gecategoriseerd door verbalisant [verbalisant 4] . Het betreffen (onderdelen van) wapens van categorie III (sub I), waarvan het (onbevoegd) voorhanden hebben verboden is op grond van de Wet Wapens en Munitie.10

Volgens de ID-staat11 is in de basisregistratie personen de woning aan de [adres] te [woonplaats] opgenomen als zijnde het BRP-adres van verdachte. Verdachte bewoonde op dat adres een kamer via stichting [stichting] .12

Bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte omstreeks de pleegdatum wapens en munitie voorhanden heeft gehad, nu hij immers was geregistreerd als de enige die woonachtig was in de kamer waar deze voorwerpen zijn aangetroffen. Zijn eigen verklaring over de feitelijke bewoning door een ander is niet onderbouwd en is niet verifieerbaar. Verdachte heeft geen naam van deze persoon, geen telefoonnummer noch enige andere gegevens of informatie over deze persoon. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan deze (niet aannemelijke) verklaring van verdachte, zodat de rechtbank ook dit feit bewezen acht.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 13 maart 2017 te Nieuwegein opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een (winkel)pand (gelegen aan de [adres] ) door een handgranaat van de pin te ontdoen en (vervolgens) door de ruit van voornoemd (winkel)pand te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemd (winkel)pand bevindende goederen te duchten was;

2.

op s 13 maart 2017 te Amsterdam een vuurwapen van categorie III sub 1, te weten een pistool (merk Walther) en een patroonmagazijn (merk Glock), en munitie van categorie III, te weten één of meer scherpe patronen (kaliber 9mm Luger en/of .32 auto), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1. meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 2: handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht, en verplichtingen tot ambulante behandeling en tot opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De officier van justitie ziet geen aanleiding voor toepassing van het adolescentenstrafrecht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met een beroep op de in het reclasseringsrapport opgesomde persoonlijke omstandigheden en beschermende factoren een strafmaatverweer gevoerd, aldus dat daarmee bij de oplegging van een straf aan verdachte in zijn voordeel rekening dient te worden gehouden. De verdediging bepleit toepassing van het adolescentenstrafrecht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in de nachtelijke uren schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing met een handgranaat in het winkelgedeelte van een pand met bovenwoning, middenin een woonwijk, waardoor die winkelruimte is beschadigd en goederen zijn vernield. De ontploffing heeft in de nabije woonomgeving en met name ook bij de op dat moment in die bovenwoning aanwezige bewoners tot indringende gevoelens van angst en onveiligheid geleid. Tot op de dag van vandaag verkeren zij ook in onzekerheid waarom dit is gebeurd en of het een gerichte actie op hun winkel betrof. Verdachte heeft zijn aandeel erkend, hetgeen de rechtbank in zijn voordeel meeweegt, maar heeft omtrent de reden voor het teweegbrengen van de ontploffing geen verduidelijking willen of kunnen geven.

Daarnaast heeft verdachte een verboden wapen met scherpe patronen voorhanden gehad.

Het ongecontroleerde bezit hiervan levert een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen en goederen.

Dit zijn bijzonder ernstige feiten.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 april 2017 is verdachte eerder veroordeeld voor verstoring van de openbare orde en vernieling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw, en aanzienlijk ernstigere, strafbare feiten te plegen.

Reclassering Nederland heeft in het rapport van 19 juni 2017 naar voren gebracht dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, daarmee samenhangende beïnvloedbaarheid, en van impulsief en ondoordacht gedrag. Door beschermende factoren, zoals doorleefd besef achteraf van eigen gedrag, schat de reclassering het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Nu zowel het te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander als het medeplegen niet bewezen is geacht, zal de rechtbank een lagere staf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Bij de straftoemeting zal de rechtbank in voor verdachte voordelige zin ook rekening houden met de omstandigheid dat, hoewel medeplegen niet bewezen is geacht, uit de verklaringen van verdachte naar voren komt dat hij tot het plegen van dit feit is aangezet, waarbij de door de reclassering genoemde risicofactoren een rol zullen hebben gespeeld.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden een passende reactie is op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van de persoon van verdachte. Om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank deze straf voor een gedeelte van zes maanden voorwaardelijk opleggen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals door de reclassering geadviseerd.

Toepassing van het adolescentenstrafrecht, zoals bepleit door de verdediging, is niet geadviseerd door de reclassering en ook overigens heeft de rechtbank hiervoor onvoldoende aanleiding gevonden.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.340,-. Dit bedrag bestaat uit € 1.340,- materiele schade en € 5.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1. ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert gehele toewijzing, met de wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

In het ontbreken van een (medische) onderbouwing is volgens de verdediging reden gelegen voor zowel een matiging van het smartengeld als het niet vergoeden van de materiële schadepost administratiekosten.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1. bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 3.340,-

(€ 1.340,- aan materiële en € 2.000,- aan immateriële schade) en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot de dag van volledige betaling.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van inkomstenderving, begroot op € 840,-, vanwege door de toegebrachte schade in de winkel veroorzaakte opruimwerkzaamheden in brede zin.

De benadeelde partij heeft meer smartengeld gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert, in het licht van de beperkte onderbouwing van de vordering, voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.340,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 43 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 23 maart 2016 (parketnummer 13-231662-14) is verdachte een taakstraf voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 57, 157 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26, 55 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1. meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen drie dagen na de detentie bij Reclassering Nederland in Amsterdam, Wibautstraat 12, zal melden, en vervolgens zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich voor zijn impulsiviteit en beïnvloedbaarheid onder behandeling zal stellen van De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen en volgens de aanwijzingen in het kader van die behandeling als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 3.340,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 3.340,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 43 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 13/231662-14

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 maart 2016 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mrs. R.L.M. van Opstal en H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van J.D. Koteris, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juli 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 maart 2017 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht in een (winkel)pand (gelegen aan de [adres] ) door een handgranaat, althans een explosief, van de pin te ontdoen en/of (vervolgens) door de ruit van voornoemd (winkel)pand te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde (winkel)pand bevindende goederen en/of de bovenliggende woning en/of de in bovenliggende woning bevindende goederen en/of de naastgelegen panden en/of andere zich in de onmiddellijke nabijheid bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 maart 2017 te Amsterdam, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een of meer vuurwapens van categorie III sub 1, te weten een pistool (merk Walther) en/of een patroonmagazijn (merk Glock), en/of munitie van categorie III, te weten één of meer scherpe patronen (kaliber 9mm Luger en/of .32 auto), voorhanden heeft gehad.

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van relaas van 15 mei 2017, dossiernummer 2017075754B, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 191. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van aangifte, pagina 73/74

3 een proces-verbaal van verhoor, pagina 15/16

4 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 25/26

5 een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 90

6 een proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 93 en een kennisgeving van inbeslagneming, PL0900-2017075754-6, volgnummer 2

7 een geschrift van het NFI van 15 juni 2017

8 Proces-verbaal ter terechtzitting van 26 juni 2017

9 een proces-verbaal van doorzoeking, pagina 69

10 een proces-verbaal van bevindingen, pagina 147 t/m 149

11 een geschrift van 13 maart 2017, pagina 54

12 een proces-verbaal van relaas, pagina 6