Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3378

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
C/16/413902 / HA ZA 16-300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betwistingsprocedure ex art. 477a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis van 2 augustus 2017

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/413902 / HA ZA 16-300 van

[eiser in de hoofdzaak] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.G. Galama te Eemnes,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2 in de hoofdzaak] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3 in de hoofdzaak] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [gedaagde sub 4 in de hoofdzaak],

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.C. de Kanter te Amersfoort,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/16/424256 / HA ZA 16-741 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.C. de Kanter te Amersfoort,

tegen

[gedaagde in de vrijwaringszaak] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. T.J. Roest Crollius te Woerden.

Partijen zullen hierna worden genoemd:

- [eiser in de hoofdzaak] (eiser in de hoofdzaak),

- [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. (gedaagden in de hoofdzaak),

- [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] (gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak),

- [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak] (gedaagde sub 2 in de hoofdzaak),

- [gedaagde sub 3 in de hoofdzaak] (gedaagde sub 3 in de hoofdzaak),

- [gedaagde sub 4 in de hoofdzaak] (gedaagde sub 4 in de hoofdzaak),

- [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] (gedaagde sub 5 in de hoofdzaak) en

- [gedaagde in de vrijwaringszaak] (gedaagde in de vrijwaringszaak).

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 maart 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 maart 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2017.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[eiser in de hoofdzaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] waren gehuwd. Zij hadden ten tijde van hun huwelijk gezamenlijk de percelen grond aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] , [nummeraanduiding] en [nummeraanduiding] te [woonplaats] in eigendom. Op de percelen bevinden zich een huis, een villa en een kantoorpand.

3.2.

Het huwelijk is in 1992 door echtscheiding geëindigd. [eiser in de hoofdzaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] zijn bij de echtscheiding overeengekomen dat de eigendom van de percelen aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] zal worden toebedeeld en dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] bij verkoop van de percelen de helft van de overwaarde aan [eiser in de hoofdzaak] zal betalen. De percelen zijn toentertijd aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] in eigendom overgedragen.

3.3.

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] drijft een onderneming die bouwprojecten ontwikkelt en aanneemt. [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 3 in de hoofdzaak] houden de aandelen in het kapitaal van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] en zijn de bestuurders van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] . [gedaagde sub 4 in de hoofdzaak] houdt alle aandelen in het kapitaal van [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak] en is de bestuurder van [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak] . [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] houdt alle aandelen in het kapitaal van [gedaagde sub 3 in de hoofdzaak] en is bestuurder van [gedaagde sub 3 in de hoofdzaak] .

3.4.

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] hebben op 4 maart 2005 een overeenkomst gesloten waarbij aan [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] het optierecht is verleend om de percelen tegen een prijs van € 1.475.000,00 van [gedaagde in de vrijwaringszaak] te kopen. Het oogmerk van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] was om op de percelen een bouwproject te ontwikkelen.

3.5.

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] heeft bij overeenkomsten van 20 juli 2006 de percelen van [gedaagde in de vrijwaringszaak] gekocht met uitzondering van 1.102 m² aan grond waarop zich het huis bevindt, het huis waarin [gedaagde in de vrijwaringszaak] woont, en aan tuin bij het huis, zoals nader aangegeven op de tekening bij de overeenkomsten. In de overeenkomst van 20 juli 2006 met de titel “Nabetalingsregeling locatie [woonplaats] [straatnaam] ” (hierna: de nabetalingsregeling; productie 44 van [eiser in de hoofdzaak] ; productie 6 van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s.) zijn de precieze afspraken tussen [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] verwoord. De nabetalingsregeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“2. Basis koopsom

De waarde voor het totale object (d.w.z. incl. de woning van mevrouw [gedaagde in de vrijwaringszaak] ) bedraagt conform het taxatierapport […] € 1.475.000,-. De waarde van de woning van mevrouw [gedaagde in de vrijwaringszaak] met 1.102 m² (onder-)grond wordt op basis van het taxatierapport vastgesteld op € 475.000,-. De koopsom voor de gronden met opstallen bedraagt € 400.000,-. Het basisbedrag in het kader van de nabetalingsregeling bedraagt derhalve € 600.000,-.

3 . Betaling […]

1. [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] betaalt een bedrag groot € 600.000,- op het moment dat de Villa wordt doorverkocht […], doch uiterlijk 31 december 2007.

2. […].

[…]

5 Ontwikkeling overige gronden

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] zal ten aanzien van de overige gronden (groot 1.356 m²) voor eigen rekening en risico een plan ontwikkelen en mogelijk hierop appartementen realiseren […].

6 Meerprijs

Ter gelegenheid van het laatste notariële transport van de grond of het appartementsrecht inzake de ontwikkeling van de overige gronden zal door [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] aan mevrouw [gedaagde in de vrijwaringszaak] een meerprijs worden betaald die als volgt wordt berekend:

De som van de uiteindelijk gerealiseerde verkoopprijzen excl. BTW en/of overdrachtsbelasting van de gronden […] vermenigvuldigd met een factor van 20%.

Plus de verkoopopbrengst van de Villa en mogelijk het kantoorpand onder aftrek van de door [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] gemaakte noodzakelijke (reparatie)kosten en initiële ontwikkelingskosten.

Minus de reeds betaalde koopsom ad € 400.000,- k.k.

Minus het basisbedrag in het kader van de nabetalingsregeling ad € 600.000,-.”

3.6.

[gedaagde in de vrijwaringszaak] heeft de door [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] gekochte percelen op 28 november 2006 aan [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] geleverd, waarna [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] de percelen heeft geleverd aan [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ), een door [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] opgerichte projectvennootschap. [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] heeft op deze datum, 28 november 2006, een bedrag van € 400.000,00 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] betaald.

3.7.

[eiser in de hoofdzaak] heeft op 19 februari 2007 ten laste van [gedaagde in de vrijwaringszaak] conservatoir beslag gelegd onder [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] . [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] heeft namens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] op 14 maart 2007 verklaring in de zin van (artikel 702 Rv in samenhang met) artikel 476a Rechtsvordering (Rv) gedaan.

3.8.

[gedaagde in de vrijwaringszaak] , [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] en [bedrijfsnaam] hebben op 27 april 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). De vaststellingsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

1.1

[bedrijfsnaam] zal na voorgenomen verkoop van een deel van de percelen met opstallen […] aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] een nadere betaling doen. […] De verkoopopbrengst (richtprijs € 750.000,=) zal onder aftrek van de door [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] en/of [bedrijfsnaam] gemaakte en te maken noodzakelijke kosten en initiële ontwikkelingskosten ten bedrage van € 174.992,= (bijlage 2) en minus de reeds betaalde koopsom ad € 400.000,= k.k. direct na ontvangst van de verkoopopbrengst op een door [gedaagde in de vrijwaringszaak] aan te geven derdenrekening bij de notaris worden gestort.

1.2

Van de door [bedrijfsnaam] te realiseren verkoopopbrengst […] van de overige gronden groot circa 1.356 m² […] dient [bedrijfsnaam] direct na ontvangst van deze verkoopopbrengst 20% daarvan aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] te betalen middels storting op een door haar aan te geven derdenrekening bij de notaris.

[…]

Artikel 3

3.1

Deze overeenkomst vervangt alle eerder tussen partijen gemaakte afspraken en overeenkomsten tussen partijen.

[…]”

3.9.

[bedrijfsnaam] heeft op 25 mei 2007 het deel van de percelen met de opstallen (zie artikel 1.1 van de vaststellingsovereenkomst), het deel waarop zich de villa en het kantoorpand bevinden, aan een derde verkocht en geleverd. De verkoopprijs bedroeg € 750.000,00. [bedrijfsnaam] heeft op diezelfde dag ten behoeve van [gedaagde in de vrijwaringszaak] een bedrag van € 198.500,00 op de derdenrekening van [naam notariskantoor] te [vestigingsplaats] (hierna: de notaris) overgemaakt.

3.10.

Mr. Galama voornoemd heeft bij brief van 10 september 2008 namens [eiser in de hoofdzaak] aan de notaris meegedeeld dat het ten laste van [gedaagde in de vrijwaringszaak] gelegde conservatoire beslag was opgeheven. Korte tijd later heeft de notaris € 100.202,11 aan [eiser in de hoofdzaak] en € 3.086,11 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] overgemaakt. Het verschil tussen die twee bedragen en het bedrag van € 198.500,00 was al eerder aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] overgemaakt.

3.11.

Ook het deel van de percelen dat in artikel 1.2 van de vaststellingsovereenkomst is aangeduid met “de overige gronden” is verkocht en geleverd aan derden. Van de verkoopopbrengsten is 20% ten behoeve van [gedaagde in de vrijwaringszaak] op de derdenrekening van de notaris overgemaakt: op 23 juni 2009 een bedrag van € 110.000,00 (20% van € 550.000,00) en op 7 oktober 2010 een bedrag van € 4.600,00 (20% van € 23.000,00).

3.12.

Bij vonnis van 16 oktober 2013 heeft deze rechtbank [gedaagde in de vrijwaringszaak] veroordeeld om aan [eiser in de hoofdzaak] te betalen een bedrag van € 409.243,96 in hoofdsom, vermeerderd met rente en (proces)kosten.

3.13.

[eiser in de hoofdzaak] heeft op 19 februari 2014 ten laste van [gedaagde in de vrijwaringszaak] executoriaal beslag gelegd onder [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] . [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] heeft op 28 maart 2014 namens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] verklaring in de zin van artikel 476a Rv gedaan en verklaard dat er alleen nog een perceel van circa 66 m² moet worden (terug)geleverd aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] . [eiser in de hoofdzaak] is naar aanleiding van deze verklaring bij deze rechtbank een procedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv begonnen, een zogenoemde betwistingsprocedure. De rechtbank heeft [eiser in de hoofdzaak] niet‑ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, omdat [eiser in de hoofdzaak] , nadat de rechtbank op verlangen van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] had bepaald dat [eiser in de hoofdzaak] zekerheid moest stellen voor de proceskosten, die zekerheid niet stelde.

3.14.

[eiser in de hoofdzaak] heeft op 27 januari 2015 voor de tweede keer ten laste van [gedaagde in de vrijwaringszaak] executoriaal beslag gelegd onder [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] . [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] heeft op 24 maart 2015 namens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] verklaring gedaan en samengevat verklaard dat er sinds de vorige verklaring niets was veranderd. [eiser in de hoofdzaak] is ook naar aanleiding van deze verklaring een betwistingsprocedure begonnen die net zoals de vorige betwistingsprocedure is geëindigd in een niet‑ontvankelijkverklaring omdat [eiser in de hoofdzaak] geen zekerheid voor de proceskosten stelde.

3.15.

[eiser in de hoofdzaak] heeft op 24 december 2015 voor de derde keer ten laste van [gedaagde in de vrijwaringszaak] executoriaal beslag gelegd onder [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] . [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] heeft op 2 februari 2016 namens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] verklaring gedaan en daarbij kort gezegd verwezen naar de eerdere verklaringen.

3.16.

Bij vonnis van 13 januari 2016 heeft deze rechtbank de zaak die heeft geleid tot het onder 3.12 genoemde vonnis van 16 oktober 2013 op vordering van [eiser in de hoofdzaak] heropend en, samengevat, [gedaagde in de vrijwaringszaak] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 546.743,96 in plaats van € 409.243,96, vermeerderd met rente en kosten.

4 Het geschil

in de hoofdzaak

4.1.

[eiser in de hoofdzaak] vordert op de voet van artikel 477a lid 2 Rv, samengevat:

A) [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] te veroordelen tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring van al hetgeen zij aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] is verschuldigd,

B) [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] te veroordelen tot betaling aan [eiser in de hoofdzaak] van al hetgeen aan [eiser in de hoofdzaak] toekomt op grond van de af te leggen gerechtelijke verklaring, voor zover dit het totaalbedrag dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] aan [eiser in de hoofdzaak] is verschuldigd niet te boven gaat,

en vordert verder, samengevat:

C) [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 3 in de hoofdzaak] , [gedaagde sub 4 in de hoofdzaak] en [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser in de hoofdzaak] van al hetgeen [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] op grond van de vordering onder B) aan [eiser in de hoofdzaak] verschuldigd zal blijken te zijn, indien en voor zover [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] in gebreke blijft om dit verschuldigde binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser in de hoofdzaak] te voldoen,

D) [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. te veroordelen in de proceskosten, te begroten op € 145.200,00 (inclusief btw), althans op een in goede justitie vast te stellen bedrag.

4.2.

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.3.

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] vordert, samengevat, dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] wordt veroordeeld om binnen twee maanden aan [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagde in de vrijwaringszaak] in de proceskosten.

4.4.

[gedaagde in de vrijwaringszaak] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1.

Het gaat in deze procedure om het antwoord op de vraag of [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] op 2 februari 2016, de datum waarop zij verklaring deed naar aanleiding van het onder haar gelegde executoriale beslag van 24 december 2015, meer aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] was verschuldigd dan, zoals uit de verklaring volgt, de (terug)levering van circa 66 m² van de percelen.

5.2.

Volgens [eiser in de hoofdzaak] is [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] nog (minimaal) € 600.000,00 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] verschuldigd op grond van de nabetalingsregeling. Volgens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] geldt niet de nabetalingsregeling, maar de vaststellingsovereenkomst en zijn alle betalingsverplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst nagekomen. Mogelijke aanspraken van [gedaagde in de vrijwaringszaak] zijn in ieder geval verjaard, aldus [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] .

5.3.

De rechtbank overweegt als volgt. In het geval dat van de nabetalingsregeling moet worden uitgegaan, dan was [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] op het moment van koop van de percelen een bedrag van € 400.000,00 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] verschuldigd (zie artikel 2 van de nabetalingsregeling) en op het moment van doorverkoop van de villa, doch uiterlijk op 31 december 2007, een bedrag van € 600.000,00 (zie artikel 3 van de nabetalingsregeling). Het bedrag van € 400.000,00 is op 28 november 2006 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] betaald. Dat vorderingsrecht bestaat dus niet meer.

5.4.

Op het bedrag van € 600.000,00 kan [gedaagde in de vrijwaringszaak] , daargelaten het antwoord op de vraag of en, zo ja, welke aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] betaalde bedragen op dit bedrag in mindering strekken, wegens verjaring geen aanspraak meer maken, zoals [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. ook stelt. De verjaringstermijn van vijf jaar is immers in dat geval op 26 mei 2007, de dag volgend op de dag waarop de villa is doorverkocht, gaan lopen (artikel 3:313 Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 3:307 lid 1 BW) en is dus op 25 mei 2012 verstreken, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de verjaring binnen die termijn is gestuit. De verklaring van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] van 2 februari 2016 is dan ook, in het geval dat van de nabetalingsregeling moet worden uitgegaan, juist. De rechtbank overweegt hierbij dat [eiser in de hoofdzaak] niet heeft gesteld dat zij belang heeft bij de verklaring van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] dat [gedaagde in de vrijwaringszaak] een wegens verjaring niet meer opeisbaar vorderingsrecht op [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] heeft.

5.5.

In het geval dat van de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgegaan, dan is de verklaring van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] van 2 februari 2016 ook juist, zoals zal blijken uit het hiernavolgende. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de betalingsverplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst ook op [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] rusten (in de vaststellingsovereenkomst wordt uitsluitend [bedrijfsnaam] als betalende partij genoemd), aan die verplichtingen is in dat geval voldaan. Op grond van artikel 1.1 van de vaststellingsovereenkomst moet na de verkoop van het perceel met de opstallen, dus het deel waarop zich de villa en het kantoorpand bevinden, € 750.000,00 aan verkoopopbrengst minus € 174.992,00 aan kosten minus het op 28 november 2006 al betaalde bedrag van € 400.000,00 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] worden voldaan. Dat is ook gebeurd. Volgens de specificatie op de “Afrekening [woonplaats] [naam] conform art 1.1 vaststellingsovereenkomst d.d. 27‑04‑07” (productie 9 van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s.) resteerde er (na bijtelling van een bedrag van € 24.000,00 aan belasting en na aftrek van een bedrag van € 508,00 aan notariskosten) een bedrag van € 198.500,00. [bedrijfsnaam] heeft dat bedrag op 25 mei 2007 ten behoeve van [gedaagde in de vrijwaringszaak] op de derdenrekening van de notaris overgemaakt (zie 3.9).

5.6.

Het verweer van [eiser in de hoofdzaak] dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] het bedrag van € 174.992,00 gelet op het onder haar gelegde conservatoire beslag van 19 februari 2007 niet had mogen verrekenen met de vordering van [gedaagde in de vrijwaringszaak] , moet worden verworpen. Op grond van artikel 6:130 BW mogen tegenvorderingen met beslagen vorderingen worden verrekend als die vorderingen over en weer, zoals hier, uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Het verweer van [eiser in de hoofdzaak] dat een aantal van de samenstellende posten van het bedrag van € 174.992,00, zoals die blijken uit bijlage 2 van de vaststellingsovereenkomst, niet juist of te hoog is, komt niet aan [eiser in de hoofdzaak] toe (maar wel aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] ). Hetzelfde geldt voor het verweer van [eiser in de hoofdzaak] , gebaseerd op de uitlating van [gedaagde in de vrijwaringszaak] ter zitting met die strekking, dat de in verrekening te brengen kosten maximaal € 150.000,00 zouden bedragen. De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat het te verrekenen totaalbedrag van € 174.992,00 aan kosten uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst is genoemd.

5.7.

Van de verkoopopbrengst van “de overige gronden” is 20% ten behoeve van [gedaagde in de vrijwaringszaak] op de derdenrekening van de notaris overgemaakt: op 23 juni 2009 een bedrag van € 110.000,00 en op 7 oktober 2010 een bedrag van € 4.600,00. Ook aan artikel 1.2 van de vaststellingsovereenkomst was op het moment van het executoriale beslag van 24 december 2015 dus voldaan, zodat, in het geval dat van de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgegaan, geen (geld)vordering op [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] resteerde.

5.8.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen onder A) en B) moeten worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering onder C), omdat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] op grond van de vordering onder B) niets aan [eiser in de hoofdzaak] is verschuldigd.

5.9.

[eiser in de hoofdzaak] heeft gesteld dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld, onder meer door met [gedaagde in de vrijwaringszaak] samen te spannen met het oogmerk [eiser in de hoofdzaak] te benadelen. Zo blijkt volgens [eiser in de hoofdzaak] uit transcripties van heimelijk opgenomen (telefoon)gesprekken uit 2014 - gesprekken die door [gedaagde sub 5 in de hoofdzaak] zijn gevoerd met [X] (zoon van [eiser in de hoofdzaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] ) of met [X] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] - dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] nog een bedrag van ongeveer € 290.000,00 aan [gedaagde in de vrijwaringszaak] is verschuldigd en dat dit bedrag bewust buiten het zicht van [eiser in de hoofdzaak] is gehouden. [eiser in de hoofdzaak] heeft zijn stelling dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld echter niet vertaald in een vordering, zodat die stelling onbesproken kan blijven.

5.10.

De rechtbank wijst er overigens op dat als uit de transcripties zou blijken van een nog niet betaald bedrag van ongeveer € 290.000,00, dit mogelijk erop duidt dat tussen [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] en [gedaagde in de vrijwaringszaak] de nabetalingsregeling is blijven gelden. Uit hoofde van de nabetalingsregeling was immers € 1.000.000,00 (€ 400.000,00 plus € 600.000,00) verschuldigd, terwijl € 713.100,00 (€ 400.000,00 plus € 198.500,00 plus € 110.000,00 plus € 4.600,00) is betaald, zodat, in het geval de nabetalingsregeling is blijven gelden, nog een bedrag van € 286.900,00, ongeveer € 290.000,00 dus, resteert. Maar in dat geval heeft te gelden wat is overwogen in 5.3 en 5.4.

5.11.

De vordering onder D) is ook niet toewijsbaar, omdat [eiser in de hoofdzaak] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 4.807,00

5.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

in de vrijwaringszaak

5.13.

Nu de vordering in de hoofdzaak niet toewijsbaar is gebleken, moet de vordering in de vrijwaringszaak worden afgewezen.

5.14.

[gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde in de vrijwaringszaak] worden begroot op:

- griffierecht € 79,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 983,00

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser in de hoofdzaak] in de kosten van de hoofdzaak, aan de zijde van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak] c.s. tot op heden begroot op € 4.807,00,

6.3.

veroordeelt [eiser in de hoofdzaak] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser in de hoofdzaak] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van betekening van de uitspraak,

in de vrijwaringszaak

6.4.

wijst de vorderingen af,

6.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak, eiseres in de vrijwaringszaak] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in de vrijwaringszaak] tot op heden begroot op € 983,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, bijgestaan door mr. H.G. van Soolingen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.1

1 type: HvS (4206) coll: