Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3333

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
16/992503-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 62-jarige man uit Apeldoorn heeft zich zes jaar lang schuldig gemaakt aan het opmaken van onjuiste en onvolledige aangiften inkomstenbelasting. Hij heeft zichzelf hiermee verrijkt ten koste van de maatschappij. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een taakstraf van 150 uur en een geldboete van 250.000 euro. Hij en een 49-jarige medeverdachte uit Amsterdam worden vrijgesproken van valsheid in geschrift.

De voormalig directeur heeft 500.000 euro aan premies van zijn werkgever ontvangen. Hij wist dat dit loon was, maar heeft er bewust voor gekozen om het op een andere manier uit te laten keren, via huurverhogingen van panden die door hem aan de onderneming werden verhuurd. Vervolgens heeft hij het nagelaten om dit als inkomen op te geven bij de Belastingdienst. Hiermee heeft hij de Nederlandse Staat en daarmee de maatschappij benadeeld voor ruim 250.000 euro.

Een 49-jarige man uit Amsterdam die verdacht werd van valsheid in geschrift is vrijgesproken. Hij zou de 62-jarige medeverdachte via een e-mail toestemming hebben gegeven tot het uitbetalen van de hierboven genoemde huurverhogingen. De rechtbank oordeelt dat de inhoud van die op schrift gestelde huurverhogingen juridisch gezien niet vals is. Ook vindt de rechtbank dat er geen bewijs is dat de 49-jarige man met de e-mail enig opzet heeft gehad om goedkeuring te verlenen aan belastingfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/992503-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1954] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. J.W. Bollen en van hetgeen verdachte en de raadslieden mrs. A.W. van der Wal en T. Felix, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, en ten aanzien van de woorden “is betaald” in de laatste zin van feit 1 verbeterd gelezen als “werd geheven”, op neer dat:

Feit 1: verdachte op 5 februari 2009, 18 december 2009, 14 februari 2011, 27 januari 2012, 20 december 2012 en 11 oktober 2013 in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften Inkomstenbelasting over de jaren 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 heeft gedaan, welk feit er toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven.

Feit 2: verdachte, al dan niet samen met een ander, opdracht heeft gegeven tot, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan, valsheid in geschrift gepleegd door [bedrijfsnaam] (verder [bedrijfsnaam] ), al dan niet samen met een ander, op 26 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, daaruit bestaand dat:

[bedrijfsnaam] en/of haar medeverdachte(n) een bonusregeling voor verdachte (een blijf en presteerpremie) hebben vormgegeven door middel van een verhoging van de huurprijs van een viertal (door [bedrijfsnaam] van [verdachte] gehuurde) panden, welke huurverhoging is neergelegd in een viertal allonges (D-026, D-027, D-028 en D-029), teneinde hiermee een voor verdachte fiscaal gunstige situatie te creëren,

althans

[bedrijfsnaam] in de periode van 26 juni 2007 tot en met 19 augustus 2014 in de gemeente Apeldoorn, al dan niet samen met een ander, deze valselijk opgemaakte allonges in de bedrijfsadministratie en/of boekhouding van [bedrijfsnaam] heeft opgenomen of heeft laten opnemen,

en/of

verdachte op 18 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, samen met anderen, meerdere allonges (D-026, D-027, D-028 en D-029) valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze allonges als echt en onvervalst te gebruiken, bestaande die valsheid hierin dat een bonusregeling voor verdachte is vormgegeven door middel van verhoging van de huurprijs van een viertal panden, teneinde hiermee een voor verdachte fiscaal gunstige situatie te creëren.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de hierna te bespreken documenten/schriftelijke bescheiden en de verklaring van [A] .

De verklaring van verdachte dat de reden voor de huurverhogingen en -verlengingen is gelegen in de omstandigheid dat [bedrijfsnaam] zekerheid wilde voor de toekomst wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft aangevoerd dat de huurverhogingen en -verlengingen van de vier panden in kwestie niets van doen hebben met een bonus of prestatiepremie in het kader van verdachtes arbeidsovereenkomst, noch met een risico-fee voor hem als projectontwikkelaar. Verdachte stelt dat [bedrijfsnaam] hiertoe is overgegaan omdat zij in verband met haar uitbreidingsdoelstellingen zekerheid wilde voor de langere termijn. Opvallend is dat de beweerde bonus niet ongedaan is gemaakt toen de prestaties uitbleven. Ook is de afspraak nergens vastgelegd. [A] verklaart wisselend en spreekt zichzelf tegen, daarom moet zijn verklaring niet betrouwbaar worden geacht. Ook zijn zijn verklaringen strijdig met de verklaringen van anderen. De verklaring van verdachte dat geen sprake is van een blijf- en presteerpremie is aannemelijker dan het scenario van [A] . Verdachte dient van beide ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat de huuraanpassingen overeen zijn gekomen in de relatie huurder/verhuurder en dat er reeds daarom geen sprake is van loon. Dat betekent dat de huurinkomsten niet in box 1 vallen maar in box 3. De aangiften inkomstenbelasting zijn derhalve juist en volledig ingevuld. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat, ook indien wordt uitgegaan van de e-mail van [A] , het een pleitbaar standpunt van verdachte is dat het alleen een vergoeding betrof in zijn hoedanigheid van verhuurder. In die hoedanigheid liep hij immers risico’s als gevolg van de uitbreidingsdoelstellingen van [bedrijfsnaam] . In dat geval kan bepleit worden dat de ontvangen huren niet in box 1 hoeven te worden aangegeven. Verdachte kon en mocht dan ook redelijkerwijs menen dat de door hem gedane aangiften juist waren en niet kan worden gezegd dat het aan (voorwaardelijk) opzet of grove schuld van verdachte te wijten is dat die aangiften onjuist zijn en dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven.

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat het feit er toe heeft gestrekt dat te weinig belasting is betaald. Die belasting is immers betaald door de werkgever.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen nu hetgeen in de allonges staat niet onjuist is. Primair is dat het geval omdat slechts een huurverlenging en -verhoging overeen is gekomen die niet als loon heeft te geleden. Subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat wél sprake is van een blijf- en presteerpremie in lijn met de e-mail van [A] en die is uitbetaald door middel van het verhogen van de huren, geldt dat dan nog de allonges waarin de huren zijn verhoogd niet vals zijn. Hetgeen is overeengekomen staat ook in die allonges vermeld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 2:

Rechtsvraag

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de opgemaakte allonges (wijzigingen in bestaande huurcontracten) aangemerkt kunnen worden als geschriften die valselijk zijn opgemaakt.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat de allonges niet als valse geschriften kunnen worden aangemerkt. De inhoud van allonges stemt namelijk overeen met de werkelijkheid. De allonges zien op bestaande panden die in het bezit waren van verdachte. Deze panden huurde [bedrijfsnaam] ook daadwerkelijk. De huurpenningen zijn na de in de allonges opgenomen verhogingen betaald en de huurperiodes zijn ook daadwerkelijk verlengd. Het nalaten van het vermelden van de achtergrond van de huurverhoging, maakt de allonges evenmin vals. Het niet vermelden van gegevens kan onder omstandigheden inderdaad valsheid opleveren. Beslissend is of in dit geval door het achterhouden van gegevens de werkelijkheid geweld is aangedaan. Niet gebleken is dat in de allonges essentiële op de huurovereenkomsten betrekking hebbende informatie is verzwegen. Er bestaat geen rechtsplicht om bij deze aanvullingen op de huurovereenkomsten te vermelden waarom tot aanpassing werd overgegaan. Het ontbreken van de toelichting – voor zover al juist - dat het zou gaan om een blijf- en presteerpremie maakt de allonges dus niet vals. Dat met het opmaken van de allonges de mogelijkheid is ontstaan voor verdachte om met deze allonges onjuiste aangiften inkomstenbelasting te doen, doet hier niet aan af.

Nu de allonges niet vals zijn is de administratie van [bedrijfsnaam] evenmin vals opgemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle gedragingen onder het tweede ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 1:

Bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Blijf- en presteerpremie

Verdachte is van april 2000 tot 1 januari 2009 als algemeen directeur in dienst geweest van [bedrijfsnaam] . Vervolgens werd hij strategisch directeur. Middels een beëindigingsovereenkomst is in 2012 het dienstverband beëindigd. Begin 2007 verhuurde verdachte als privépersoon vier panden aan [bedrijfsnaam] . Dit waren panden in Apeldoorn, Groningen, Nieuwerkerk a/d IJssel en Woerden.2

Verdachte doet op 13 november 2006 (documenteigenschap: aangemaakt op 13 november 2006) voor zijn werkzaamheden als directeur van [bedrijfsnaam] een voorstel voor beloning aan [A] , lid van de directie [bedrijfsnaam] (verder: [A] ). Verdachte schrijft daarin:

Tijdens onze laatste bijeenkomst hebben wij gesproken over een verandering m.b.t. mijn

beloning welke ik ontvang als directeur van de [bedrijfsnaam] .

(…)

In het licht van de enorme ontwikkeling en groei van het bedrijf het komende jaar (komende

jaren) zou ik graag een voorstel doen met betrekking tot een andere beloningsstructuur, en

wel:

• Het huidige salaris en onkosten vergoeding voor auto etc. zal worden bevroren.

• De bonus regeling komt te vervallen

• Ik ontvang bij mijn vertrek als directeur van de [bedrijfsnaam] een eenmalige bonus van 10% van de marktwaarde welke de [bedrijfsnaam] op dat moment vertegenwoordigd.

• [bedrijfsnaam] heeft omgerekend € 3mio betaald voor de overname van de [verdachte] keten een bonus van 25% van de markt waarde van de [bedrijfsnaam] minus de verwervingsprijs welke [bedrijfsnaam] heeft betaald voor de overname, is ook een optie.

• Er zullen kwantitatieve doelstellingen worden opgesteld

• Overige afspraken.’ 3

Vervolgens stuurt [A] in december 2006 een brief aan het directieoverleg van [bedrijfsnaam] over de uitbreiding van het [bedrijfsnaam] , de criteria voor nieuwe [bedrijfsnaam] , de voorkeurslocaties, de alternatieve businessmodellen en de stand van zaken. Bij de stand van zaken wordt aangegeven:

Daarnaast zijn we aan de hand van bovenstaand overzicht bezig om resultaatsafspraken met de directie van [bedrijfsnaam] te maken voor de komende 2 tot 3 jaar. Resultaat is waardecreatie en uitbreiding op minimaal 8 van bovenstaande locaties voor 1 januari 2009. Als beloning ontvangt de directeur [bedrijfsnaam] bij vertrek een premie van een percentage van de waardevermeerdering ten opzichte van de huidige waarde.’4

Op 10 februari 2007 doet [A] een concept voorstel ‘waardebepaling [bedrijfsnaam] inzake bonus directie’ aan medeverdachte [medeverdachte] , de voorzitter van [bedrijfsnaam] . Voorgesteld wordt om verdachte bij vertrek een eenmalige bonus uit te keren van 10% van de waardevermeerdering van [bedrijfsnaam] op 31 december van het jaar waarin zijn laatste werkdag voor [bedrijfsnaam] is, mits de datum van zijn laatste werkdag niet voor 1 december 2009 zal zijn.5 De eventueel uit te keren bonus wordt alleen uitgekeerd als op tenminste 8 [bedrijfsnaam] voorkeurslocaties een vestiging operationeel is. De bonus is bruto en gemaximeerd op € 500.000.6

Op 14 juni 2007 stuurt [A] een e-mail naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarin schrijft [A] :

‘ Beste [medeverdachte] ,

Hierbij nog even de situatie, alle overwegingen en de besluitvorming op een rij, zodat ook voor later duidelijk is wat er is besloten inzake de beloning van [verdachte] en waarom.

[verdachte] heeft eind 2006 aangegeven om een aantal reden te willen stoppen. De directie Zorg heeft vastgesteld dat [verdachte] een cruciale rol heeft in de ontwikkeling en het uitbouwen van de [bedrijfsnaam] , en dat de uitbreiding tussen nu en medio 2009 in een cruciale fase komt waarvoor continuïteit van met management en met name [verdachte] zelf essentieel is. Daarom hebben wij [verdachte] een voorstel gedaan dat er als volgt uitziet.

Als [verdachte] erin slaagt om de uitbreidingsdoelstellingen met behoud van winstgevendheid conform het op 12 juni jl. geaccordeerde businessplan 2007-2009 te realiseren voor zijn vertrek, en tenminste de operationele leiding blijft uitvoeren tot 1 januari 2009, zullen wij daar een eenmalige 'blijf en presteerpremie' op zetten. Hierin nemen wij mee dat [verdachte] in een andere hoedanigheid (als vastgoedmakelaar) verschillende panden onder de marktprijs heeft verhuurd aan de [bedrijfsnaam] waarvan hij directeur is en waar de directie Zorg namens de [bedrijfsnaam] optreedt om belangenverstrengeling te voorkomen. Daarbij heeft hij om fiscale reden de voorkeur gegeven om deze premie uitbetaald te krijgen in een aanpassing van de huurtarieven van enkele van deze panden.

[B] (Facilitair manager Sociale Zekerheid) heeft voor ons de huidige marktwaarde van de panden getaxeerd, en samen met de huidige vierkante meter prijzen en de voorgestelde aanpassingen, levert dit een huurverhoging op van 100.000 Euro per jaar. Aangezien de oorspronkelijke contracten vanaf 1 januari 2007 nog 5 jaar door zouden lopen, betekent dit uiteindelijk een totale 'premie' van 500.000 Euro.

Vestiging huidig m2 tarief marktconform m2 tarief a aangepast m2 tarief

Apeldoorn 81 ,78 120 106,83

Groningen 68,17 110 98,00

Nieuwekerk ad IJssel 99,45 130 125,00

Woerden 120,15 125 124,00

Graag nog even jouw bevestiging dat wij bijgevoegde afspraak vanwege bovengenoemde situatie en overwegingen maken met [verdachte] .

Dan zal ik deze mail inclusief alle onderliggende stukken archiveren nadat [verdachte] akkoord is gegaan en alles is ondertekend.

Bvb dank,

Mvrgr [A] ’

Als bijlage wordt een document genoemd met de naam [documentnaam] . Bij het opsporingsonderzoek is aangetroffen een niet gedateerde en niet ondertekende overeenkomst tussen verdachte en [bedrijfsnaam] . Uit het digitale onderzoek naar dit document komt naar voren dat deze overeenkomst is opgeslagen met de bestandsnaam ‘ [bestandsnaam] .7 In de resultaatsafspraak staat:

overwegende dat:

  • -

    De komende twee jaar een cruciale periode is voor de verdere groei en professionalisering van de [bedrijfsnaam] ,

  • -

    werknemer daarin als directeur een centrale rol vervult,

  • -

    [bedrijfsnaam] gedurende de komende twee jaar continuïteit in het management van de [bedrijfsnaam] nastreeft,

komen de navolgende eenmalige resultaatsafspraak overeen als aanvulling op de bestaande arbeidsovereenkomst. Deze resultaatsafspraak houdt in dat werknemer minimaal tot 1 januari 2009 in dienst is als directeur van [bedrijfsnaam] en in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010 de volgende doelstellingen voor [bedrijfsnaam] realiseert:

- realisatie van omzet en winstdoelstellingen (met een marge op het deelresultaat winst per jaar van 5%, en een marge op het deelresultaat omzet per jaar van 10%) zoals vastgelegd in het op 12 juni 2007 door de directie van [bedrijfsnaam] bijgestelde en geaccordeerde businessplan 2007-2009.

- Uitbreiding van de [bedrijfsnaam] met tenminste twaalf eigen nieuwe vestigingen, waarvan er tenminste acht voorkomen in voor [bedrijfsnaam] strategische locaties. Strategische locaties zijn: Amsterdam, Den Haag/Rijswijk, Haarlem/Heemstede, Utrecht, Leiden, Tilburg, Amstelveen, 's Hertogenbosch, Eindhoven, Purmerend, Schiedam, Barendrecht, Beverwijk/IJmuiden, Hoofddorp, Amersfoort, Assendelft/Krommenie, Capelle a/d IJssel, Geleen/Sittard.

Als tegenprestatie worden de huurprijzen van de panden in Apeldoorn, Groningen,

Nieuwekerk a/d IJssel en Woerden, waarvan werknemer eigenaar is en welke hij verhuurt aan de [bedrijfsnaam] , met ingang van 1 januari 2007 verhoogd (zie bijlagen).

Indien de hierboven omschreven doelstellingen niet (volledig) zijn gerealiseerd op 31

december 2009, zal de aanpassing van de huurprijzen zoals vastgelegd in bijgevoegde

allonges, ongedaan worden gemaakt met terugwerkende kracht naar 1 januari 2007.’ 8

In juni 2007 worden de huurovereenkomsten van de vestigingen Apeldoorn, Groningen, Nieuwerkerk a/d IJssel en Woerden middels allonges aangepast. Hierbij worden de huurprijzen verhoogd en de termijnen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 voor respectievelijk 109, 1110, 811 en 1012 jaar verlengd. De vier allonges zijn op 18 juni door verdachte als verhuurder ondertekend en op 26 juni 2007 door [A] als huurder namens [bedrijfsnaam] .

Op 29 juni 2014 schrijft verdachte een e-mailbericht aan zichzelf. In het e-mailbericht staat het volgende:

Bij afscheid diner / golfwedstrijd kreeg [verdachte] een bonus voor verrichte diensten, omdat de [bedrijfsnaam] richtlijnen niet recht deden aan de bonus welke [C] en [A] voor TTT ingedachte hadden hebben de heren voorgesteld de bonus uit te keren dmv het verhogen van de huur van een vijftal panden met een totaalsom van €100.000 per jaar, hier zijn addendums op het huurcontract voor opgesteld.’13

Verklaring [A]

heeft verklaard dat de directie van [bedrijfsnaam] heeft besloten om verdachte een incentive van € 500.000 toe te kennen om hem te behouden als directeur van [bedrijfsnaam] en om de uitbreidingsdoelstellingen te realiseren en ook in zijn hoedanigheid als vastgoedontwikkelaar. Verdachte heeft [A] gevraagd om de incentive om fiscale reden via de huurcontracten te laten lopen.14 De incentive was bedoeld om ervoor te zorgen dat verdachte zou aanblijven als directeur van de [bedrijfsnaam] en de strategie die zij met [bedrijfsnaam] hadden uitgedacht. De input voor de overeenkomst heeft [A] aangeleverd. Er is uitvoering aan de afspraak gegeven.15 Verdachte kwam met het voorstel om de incentive in de huur te laten uitbetalen. Dat was voor hem fiscaal gunstig.16

Aangiften Inkomstenbelasting

Verdachte deed op 5 februari 2009 (jaar 2007), 18 december 2009 (jaar 2008), 14 februari 2011 (jaar 2009), 27 januari 2012 (jaar 2010), 20 december 2012 (jaar 2011) en 11 oktober 2013 (jaar 2012) aangiften Inkomstenbelasting.17 De aangiften kwamen overeen met de gegevens in het geautomatiseerde Belastingdienstsysteem (ABS).18 Uit het onderzoek komt naar voren dat de resultaatsafspraak niet is verantwoord als inkomen uit eigen werk en woning (box 1).19

[bedrijfsnaam] en verdachte zijn overeengekomen om de resultaatsafspraak uit te betalen via huurhogingen van de [bedrijfsnaam] in Apeldoorn, Groningen, Nieuwerkerk a/d IJssel en Woerden. Deze panden zijn gekwalificeerd voor de inkomstenbelasting als zogenaamde ‘box 3-beleggingen’. Hierin zit ook het fiscale voordeel voor verdachte, omdat het werkelijke rendement in box 3 niet belast is. De extra huuropbrengsten worden dan ook niet belast en verdachte is geen extra inkomstenbelasting verschuldigd.20

Op 25 februari 2015 heeft [D] , boetefraudecoördinator van de Belastingdienst op ambtseed een nadeelberekening opgemaakt inzake de aangiften inkomstenbelasting van verdachte voor de jaren 2007 tot en met 2012. Het betreft de inkomstenbelasting box 1 van verdachte over de als extra huuropbrengsten genoten bedragen die feitelijk inkomsten box 1 zijn. Het totale belastingnadeel werd berekend op € 256.937.21

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat aan verdachte een eenmalige premie/bonus is toegekend in het kader van zijn arbeidsrelatie, namelijk als algemeen directeur van [bedrijfsnaam] . Zoals uit de verklaring van [A] blijkt ging het om een incentive die bedoeld was om te zorgen dat verdachte zou aanblijven als directeur van de [bedrijfsnaam] . Anders dan de raadsman heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [A] , nu zijn verklaring wordt bevestigd door de aangetroffen stukken waaruit het gehele voortraject en de afhandeling van de overeengekomen resultaatsafspraak blijkt. Hoewel de verklaringen van [A] , afgelegd bij de FIOD en bij de rechter-commissaris op onderdelen van elkaar verschillen, komen deze verklaringen in de kern overeen. De rechtbank acht deze getuige dan ook betrouwbaar.

Zowel uit de verklaring van [A] als uit de e-mail van verdachte aan zichzelf van 29 juni 2014 blijkt dat de premie/bonus louter om fiscale redenen is uitbetaald via de verhoging van de huur van de vier panden van verdachte.

Verdachte heeft zich daarom moeten realiseren dat hij dit bij de Belastingdienst diende op te geven als inkomsten. Het standpunt van verdachte dat het zou gaan om huurverhogingen gecombineerd met termijnverlengingen om zekerheid voor [bedrijfsnaam] voor de toekomst te creëren, wordt door de bewijsmiddelen weerlegd.

Nu sprake is van een bijzondere beloning voor verrichte arbeid, behoort deze thuis in box 1 en niet in box 3 van de aangifte Inkomstenbelasting. De verhoogde bedragen van de huur zijn niet meegenomen in de aangiften Inkomstenbelasting. Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan het onjuist en onvolledig doen van aangiften Inkomstenbelasting.

Door de verdediging is aangevoerd dat de belastingdienst geen nadeel heeft geleden, doordat [bedrijfsnaam] het benadelingsbedrag heeft betaald. De rechtbank verwerpt dit verweer. Doorslaggevend is niet of feitelijk nadeel is geleden maar of de gedraging daartoe strekte. In casu heeft verdachte onjuiste en onvolledige aangiften Inkomstenbelasting gedaan waarbij het doel van verdachte was minder belasting te betalen dan verplicht. Dat [bedrijfsnaam] achteraf de belasting heeft betaald doet niet af aan de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte.

De verdediging heeft ook aangevoerd dat verdachte, indien de rechtbank uitgaat van de e-mail van [A] , tegenover de Belastingdienst een pleitbaar standpunt heeft dat de vergoeding zag op de risico’s die verdachte als gevolg van uitbreidingsdoelstellingen van [bedrijfsnaam] in zijn hoedanigheid van verhuurder/projectontwikkelaar liep. De verdediging acht het pleitbaar dat de ontvangen huren daarom niet in box 1 hoeven te worden aangegeven. Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen dat daarmee de gedane aangifte juist was. De verdediging stelt dat het voorwaardelijk opzet ontbreekt.

De rechtbank is, gelet op de hierboven vermelde bewijsmiddelen, van oordeel bij verdachte sprake was van opzet op het doen van onjuiste en onvolledige aangiften. Dat opzet verdraagt zich niet met het beroep op een pleitbaar standpunt.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

op 5 februari 2009 en 18 december 2009 en 14 februari 2011 en 27 januari 2012 en 20 december 2012 en 11 oktober 2013 in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten een aangifte voor de Inkomstenbelasting over de jaren 2007 en 2008 en 2009 en 2010 en 2011 en 2012, onjuist en onvolledig heeft gedaan, welk feit er toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting is betaald.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Op basis van het dossier is niet vast te stellen welk bedrag op basis van de werknemers/werkgeversrelatie zou zijn uitbetaald en welk bedrag in het kader van de huurverhoging. In ieder geval dient in aanmerking te worden genomen dat het benadelingsbedrag (substantieel) lager is dan door de belastingdienst berekend. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de doorzoeking heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. De terechtzitting is na 2 jaar en 10 maanden aangevangen. De verdediging verzoekt daarom bij eventuele strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte ondervindt op persoonlijk en zakelijk vlak hinder van de strafzaak.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangiften Inkomstenbelasting gedurende een periode van zes jaren. Verdachte heeft zich in de hoedanigheid van bestuurder van [bedrijfsnaam] een blijf- en presteerpremie laten uitkeren van meer dan € 500.000. Verdachte was er van op de hoogte dat dit loon betrof, maar heeft er omdat dat voor hem fiscaal gunstiger was voor gekozen om dit via huurverhogingen uit te laten keren. Vervolgens heeft hij nagelaten deze inkomsten bij de Belastingdienst aan te geven. Hierdoor zijn de aangiften over de jaren 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 onjuist en onvolledig gedaan en heeft verdachte te weinig Inkomstenbelasting afgedragen. Het benadelingsbedrag bedraagt ongeveer € 256.937. Verdachte heeft met dit feit welbewust de Nederlandse Staat en daarmee de maatschappij benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken nu daarmee wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak nodig zijn. Verdachte heeft deze gemeenschapsbelangen geschonden en zich ten koste van de Staat der Nederlanden ongerechtvaardigd verrijkt. Verdachte heeft enkel uit financieel gewin gehandeld en de rechtbank neemt hem dat kwalijk.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 februari 2017, waaruit blijkt dat hij nooit eerder is veroordeeld. De rechtbank zal dat in haar overweging meenemen.

De rechtbank stelt vast dat op 19 augustus 2014, zijnde de datum van de doorzoeking bij verdachte door de FIOD, het onderzoek is aangevangen. Op die datum is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechtbank van de Mens en de fundamentele vrijheden aangevangen. Dit is namelijk het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De behandeling in eerste aanleg is niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. De redelijke termijn is met tien maanden overschreden. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging rekening houden.

Nu sprake is van een groot tijdsverloop tussen de pleegdata van de feiten en de uiteindelijke berechting van verdachte, en de rechtbank voorts komt tot vrijspraak van het tweede feit, acht de rechtbank een gevangenisstraf niet (meer) gepast. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uur passend en geboden.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een forse geldboete moet worden opgelegd, aangezien verdachte een voordeel heeft gehad van € 256.937 als gevolg van zijn handelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het door de Belastingdienst berekende benadelingsbedrag, nu de gehele huurverhoging heeft plaatsgevonden om de beloning in het kader van de werknemers/werkgeversrelatie uit te keren. Nu het benadelingsbedrag door de werkgever van verdachte is betaald en niet op verdachte is verhaald, is verdachte financieel beter geworden van het bewezenverklaarde. Om die reden zal de rechtbank een geldboete opleggen van € 250.000,00

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    9, 22c, 22d, 23, 24 en 24c, 57 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte voor het onder feit 1 bewezen verklaarde tot een taakstraf van 150 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;

- veroordeelt verdachte voor het onder feit 1 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 365 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Völkers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juli 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 februari 2009 en/of 18 december 2009 en/of 14 februari 2011 en/of 27 januari 2012 en/of 20 december 2012 en/of 11 oktober 2013 in de gemeente Apeldoorn, althans elders in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten een aangifte voor de Inkomstenbelasting over het/de ja(a)r(en) 2007 en/of 2008 en/of 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012, onjuist of onvolledig heeft gedaan, welk feit er toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting is betaald;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] op of omstreeks 26 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, één of meer Allonges zoals opgenomen onder D-026 en/of D-027 en/of D-028 en/of D-029, zijnde één of meerdere geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om deze Allonges als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hieruit dat [bedrijfsnaam] en/of haar medeverdacht(en) de huurprijs van één of meerdere panden heeft/hebben verhoogd en/of de looptijd van de bestaande huurovereenkomsten van één of meerdere panden heeft/hebben verlengd, om hiermee de aan de heer [verdachte] toekomende "blijf en presteerpremie" en/of bonus, bestemd voor zijn (toekomstige) inzet als werknemer van [bedrijfsnaam] ., in de vorm van een huurvergoeding in plaats van belastbaar salaris, uit te betalen en hiermee een voor hem fiscaal gunstige situatie te creëren,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

althans

de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 26 juni 2007 tot en met 19 augustus 2014 in de gemeente Apeldoorn, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen,

de bedrijfsadministratie en/of boekhouding, zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt/laten opmaken of heeft/hebben vervalst/laten vervalsen, zulks met het oogmerk om deze bedrijfsadministratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hieruit dat [bedrijfsnaam] en/of haar mededader(s) in de bedrijfsadministratie en/of boekhouding één of meer valselijk opgemaakte Allongus zoals opgenomen onder D-026 en/of D-027 en/of D-028 en/of D-029, heeft opgenomen/ heeft laten opnemen;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met één of meer andere(n), (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met één of meer anderen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

hij op of omstreeks 18 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen, één of meer Allonges zoals opgenomen onder D-026 en/of D-027 en/of D-028 en/of D-029, zijnde één of meerdere geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben vervalst, met het oogmerk om deze Allonges als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hieruit dat verdachte en/of zijn medeverdacht(en) de huurprijs van één of meerdere panden heeft/hebben verhoogd en/of de looptijd van de bestaande huurovereenkomsten van één of meerdere panden heeft/hebben verlengd, om hiermee de hem toekomende "blijf en presteerpremie" en/of bonus, bestemd voor zijn (toekomstige) inzet als werknemer van [bedrijfsnaam] ., in de vorm van een huurvergoeding in plaats van belastbaar salaris, uit te betalen en hiermee een voor hem fiscaal gunstige situatie te creëren;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 11 maart 2015 genummerd 54850 Morvan, opgemaakt door de FIOD Belastingdienst, doorgenummerd 1 tot en met 1225 en een ongenummerd aanvullend dossier: AMB-021 en DOC-093 t/m DOC-143. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 3 februari 2015, p. 244.

3 Een geschrift inhoudende DOC-045, p. 686.

4 Een geschrift inhoudende DOC-50, p. 703.

5 Een geschrift inhoudende DOC-51, p. 705.

6 Een geschrift inhoudende DOC-51, p. 706.

7 Een overzichtsproces-verbaal van 11 maart 2015, p. 37.

8 Een geschrift inhoudende DOC-45, p. 694.

9 Een geschrift inhoudende D-002, p. 330.

10 Een geschrift inhoudende D-003, p. 331.

11 Een geschrift inhoudende D-004, p. 332.

12 Een geschrift inhoudende D-005, p. 333.

13 Een geschrift inhoudende DOC-41, 684.

14 Een proces-verbaal van verhoor van [A] van 12 november 2014, p. 255.

15 Een proces-verbaal van verhoor van [A] van 12 november 2014, p. 257.

16 Een proces-verbaal van verhoor van [A] van 12 november 2014, p. 259.

17 Een geschrift inhoudende DOC-089 betreffende de verklaring van [E] , p. 1201.

18 Een geschrift inhoudende DOC-16 t/m DOC-21 betreffende de gegevens van de aangiften Inkomstenbelasting in het ABS, p. 500 e.v.

19 Een geschrift inhoudende DOC-089 betreffende de verklaring van [E] , p. 1201.

20 Een proces-verbaal van ambtshandeling 013, p. 202 en 204.

21 Een geschrift inhoudende DOC-90, p 1202.