Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3330

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
C/16/440611 / KL ZA 17-231
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een vordering om een contact- en straatverbod vanwege door gedaagde gepleegde stalkingshandelingen. Contactverbod wordt toegewezen, straatverbod wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/440611 / KL ZA 17-231

Vonnis in kort geding van 20 juni 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.J.F. de Jager en mr. R.P. de Vries te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 juni 2017

  • -

    de bij brief van 15 juni 2017 door [eiseres] toegezonden producties 1 t/m 14

  • -

    de bij brief van 16 juni 2017 door [gedaagde] toegezonden producties 1 t/m 23

  • -

    de bij brief van 16 juni 2017 door [gedaagde] toegezonden productie 24

  • -

    de bij fax van 19 juni 2017 door [eiseres] toegezonden producties 15 t/m 18

  • -

    de bij brief van 19 juni 2017 door [gedaagde] toegezonden producties 25 t/m 31 en de mededeling dat mr. Koets, voornoemd, [gedaagde] niet ter zitting zal bijstaan en dat de eerder overgelegde producties 3c, 3m en 3s worden ingetrokken

  • -

    de bij fax van 19 juni 2017 door [eiseres] toegezonden akte houdende eiswijziging

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde]

  • -

    de akte wijziging van eis ter zitting.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 20 juni 2017 vonnis uitgesproken. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op 4 juli 2017 opgemaakt.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben – met enkele tussenpozen – een affectieve relatie gehad met elkaar. [gedaagde] heeft gedurende die periode als belangenbehartiger opgetreden voor [eiseres] . Op 5 april 2017 heeft [eiseres] aan [gedaagde] laten weten dat hij haar belangen niet meer mag behartigen.

2.2.

Op 12 juni 2017 heeft bij deze rechtbank een kort geding met het kenmerk 439413/KLZA 17-200 plaatsgevonden tussen [eiseres] en [gedaagde] . In dit kort geding vordert [eiseres] onder andere een straat- en contactverbod voor [gedaagde] , omdat [gedaagde] nadat [eiseres] in april 2017 het contact met [gedaagde] heeft verbroken stalkingshandelingen jegens haar heeft verricht. De voorzieningenrechter heeft vonnis bepaald op 26 juni 2017.

2.3.

[eiseres] heeft diezelfde dag twee dagvaardingen ontvangen. Beide zaken betreffen incassovorderingen. In beide zaken treedt namens de wederpartij van [eiseres] , [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ), de onderneming van [gedaagde] , als gemachtigde op.

2.4.

Eveneens op die dag ontving [eiseres] om 15:51 uur – vlak na afloop van het kort geding – een e-mail van [gedaagde] met bijgevoegd een politieaangifte van 8 juni 2017. De politieaangifte is gericht tegen [eiseres] , haar advocaat en [A] en heeft betrekking op smaad en laster vanwege valse beschuldigingen die zijn geuit in de namens [eiseres] aan [gedaagde] op 2 juni 2017 betekende dagvaardingen voor het kort geding van 12 juni 2017.

2.5.

Om 16:59 uur die dag stuurt [gedaagde] per e-mail aan het NVM het verzoek om de klacht over de heer [B] , de makelaar van [eiseres] , door te zenden naar de Stichting Tuchtrecht van het NVM.

2.6.

Op 13 juni 2017, omstreeks 7:00 uur heeft [gedaagde] aan [C] ( [C] ) en [D] ( [D] ) een whatsapp-bericht gestuurd waarin hij stelt dat het gerucht waar is met daarbij foto’s van een online woordenboek waar synoniemen worden weergegeven van het begrip “call girl” en van de pleitnota van [eiseres] in het kort geding van 12 juni 2017. In dat kort geding is aan de orde geweest de vraag of [gedaagde] de hand heeft gehad in het dreigement om informatie, dat [eiseres] een verleden als ‘call girl’ zou hebben, te verspreiden. [C] en [D] hadden beiden een schriftelijke verklaring afgelegd tegen [gedaagde] in het kort geding van 12 juni 2017.

2.7.

Op 13 juni 2017 om 8:11 uur stuurt [gedaagde] een e-mail aan [eiseres] , met haar advocaten in de cc, waarin hij [eiseres] beschuldigt van liegen tijdens de zitting van

12 juni onder vermelding van de volgens hem juiste weergave van de gebeurtenissen.

2.8.

Op 13 juni 2017 om 9:19 uur heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar de advocaat van [eiseres] met daarbij gevoegd een door [gedaagde] op 12 juni 2017 opgestelde klachtenbrief over de advocaat van [eiseres] aan de Deken van de Orde van Advocaten.

2.9.

Op 13 juni 2017 om 9:52 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd naar de advocaten van [eiseres] , alsmede in kopie naar de moeder van [eiseres] en zijn eigen advocaat. In de e-mail gaat [gedaagde] onder andere in op de call girl-kwestie die tijdens de zitting van 12 juni 2017 ter sprake is gekomen en verzoekt hij om bewijsstukken van het echte arbeidsverleden van [eiseres] . Daarnaast gaat [gedaagde] kort in op de procedure die hij tegen de moeder van [eiseres] heeft aangespannen.

2.10.

Op 13 juni 2017 om 17:07 heeft [gedaagde] nogmaals een whatsapp-bericht gestuurd naar [D] met daarin de mededeling dat hij de curator zal informeren over het feit dat [D] aan hem twee keer zou hebben verteld dat de hardware, die hij in privé bezit, wel van de failliete BV’s van [D] was. Om 18:30 laat [gedaagde] vervolgens per whatsapp weten dat hij het gedaan heeft.

2.11.

Op 14 juni 2017 om 5:01 uur stuurt [gedaagde] wederom een e-mail naar de advocaat van [eiseres] waarin hij nogmaals sommeert om met bewijzen van het arbeidsverleden van [eiseres] te komen en nogmaals ingaat op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is gezegd.

2.12.

Op 14 juni 2017 om 8:03 uur ontvangt [eiseres] van [bedrijfsnaam 2] een e-mail met waarschuwing dat zij een e-mail van [gedaagde] hebben ontvangen. De betreffende e-mail van [gedaagde] is door [bedrijfsnaam 2] in haar e-mail geplakt. In de e-mail van [gedaagde] aan [bedrijfsnaam 2] met als onderwerp “ [eiseres] fiscal and insurance fraud” waarschuwt [gedaagde] dat de reisverzekeringsmaatschappij van [eiseres] en de fraude-afdeling van de belastingdienst mogelijk contact met [bedrijfsnaam 2] zullen opnemen in verband met [eiseres] . Daarnaast stelt hij dat er mogelijk een boekenonderzoek bij [bedrijfsnaam 2] zal plaatsvinden. Volgens [gedaagde] stuurt hij dit bericht zodat [bedrijfsnaam 2] maatregelen kan nemen om zichzelf te beschermen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na twee wijzigingen van eis – bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te verbieden om zich tot het moment van betekening van het vonnis

van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200, althans een in goede justitie te bepalen termijn, te bevinden binnen een straal van 300 meter rondom het woonadres van [eiseres] , op dit moment [adres] [woonplaats] ;

II. [gedaagde] te verbieden om zich tot het moment van betekening van het vonnis

van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200, althans een in goede justitie te bepalen termijn, te bevinden binnen een straal van 300 meter rondom het adres van haar eenmanszaak [eenmanszaak] , op dit moment [adres] [vestigingsplaats] ;

III. [gedaagde] te verbieden om tot het moment van betekening van het vonnis van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200, althans een in goede justitie te bepalen termijn, op welke wijze dan ook – telefonisch, schriftelijk, via derden, social media of anderszins – in contact te treden met [eiseres] , met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor contacten via een door [gedaagde] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat of voor contacten tijdens bijeenkomsten in aanwezigheid van die advocaat;

IV. [gedaagde] te verbieden om tot het moment van betekening van het vonnis van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200, althans een in goede justitie te bepalen termijn, tegenover derden op welke wijze dan ook - telefonisch, schriftelijk, via social media of anderszins - uitlatingen over [eiseres] en/of haar eenmanszaak [eenmanszaak] , te doen zonder de door [eiseres] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat vooraf met inachtneming van een termijn van 24 uur, dan wel een andere in goede justitie vast te stellen redelijke termijn, in kennis te stellen van de inhoud van die uitlating en, indien sprake is van elektronische en/of schriftelijke berichtgeving, de door [eiseres] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat daarvan onverwijld na verzending een kopie te sturen;

V. [gedaagde] te verbieden om tot het moment van betekening van het vonnis van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200, althans een in goede justitie te bepalen termijn, documenten en/of andere gegevensdragers afkomstig van of betrekking hebbende op [eiseres] en haar eenmanszaak [eenmanszaak] , waaronder maar niet beperkt tot:

- fiscale stukken;

- financiële stukken;

- juridische stukken;

aan derden te verstrekken op welke wijze dan ook, met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor het verstrekken van documenten en/of andere gegevensdragers aan een door [eiseres] (eventueel) ingeschakelde of in te schakelen advocaat en/of publieke opsporingsinstanties;

Primair

VI. een en ander op straffe van lijfsdwang voor de tijd van 10 dagen, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn, per keer dat [gedaagde] te kort komt in de nakoming van de hiervoor in sub I tot en met sub V genoemde geboden en/of verboden;

Subsidiair

VII. een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per keer dat [gedaagde] te kort komt in de nakoming van een van de hiervoor in sub I tot en met V genoemde verboden en/of geboden, zulks met een maximum van € 30.000,-;

VIII. met de bepaling van uitvoerbaarheid bij lijfsdwang voor de tijd van 10 dagen, dan wel een in goede justitie te bepalen termijn, per keer dat [gedaagde] na verbeurte van € 30.000,- aan dwangsommen te kort komt in de nakoming van een van de hiervoor sub I tot en met V genoemde verboden en/of geboden;

Zowel primair als subsidiair

IX. een voorziening te treffen welke U.E.A. in deze meent te moeten behoren waardoor tot het moment van betekening van het vonnis van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200, althans een in goede justitie te bepalen termijn, het onevenredig nadeel aan de zijde van [eiseres] wordt weggenomen;

X. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering, samengevat en voor zover relevant, het volgende gesteld. Binnen 48 uur na het plaatsvinden van het kort geding op 12 juni 2017 heeft [gedaagde] minimaal 11 handelingen (waar [eiseres] weet van heeft) verricht jegens [eiseres] , die passen in de stalkingshandelingen die onderwerp waren van het vorige kort geding. Aan deze handelingen ligt geen zakelijk of legitiem belang ten grondslag en [eiseres] lijdt er ernstig onder. Er is sprake van ernstige zwartmakerij zowel bij haar familieleden als haar zakenrelaties en de schade die zij hierdoor oploopt is enorm. Gelet op de ernst en de hoeveelheid handelingen die [gedaagde] in 48 uur tijd heeft verricht, bestaat bij [eiseres] de gerechtvaardigde vrees dat [gedaagde] deze stalkingshandelingen in dezelfde mate en ernst voortzet en zij kan daarom het vonnis in het eerdere kort geding, bepaald op 26 juni 2017 niet afwachten. [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij ordemaatregelen die haar per direct en totdat het vonnis op 26 juni 2017 gewezen is, beschermen tegen de stalkingshandelingen van [gedaagde] . De gebeurtenissen na de mondelinge behandeling zijn in combinatie met de gebeurtenissen tot dan toe, maar ook los daarvan, ernstig en urgent genoeg om de gevraagde voorzieningen te treffen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, betwist [gedaagde] dat de door [eiseres] genoemde handelingen kwalificeren als stalking of onrechtmatig zijn en concludeert hij tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen is de voorzieningenrechter voldoende gebleken nu vast staat dat [gedaagde] na de mondelinge behandeling van het kort geding op 12 juni 2017 over het gevorderde contact- en straatverbod meerdere malen vanuit [gedaagde] contact is gezocht met [eiseres] alsmede met derden over [eiseres] .

4.2.

Het onderhavige geschil heeft betrekking op de wijze waarop partijen zich ten opzichte van elkaar dienen te gedragen.

4.3.

[eiseres] vordert onder I. en II. kort gezegd een straatverbod voor de omgeving rondom haar woon- en werkadres. Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen.

4.4.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] in de periode nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden bij de woning of de zaak van [eiseres] is geweest. Gelet daarop alsmede gelet op het feit dat het gaat om een ordemaatregel tot het moment dat er vonnis is gewezen in het eerdere kort geding, is hetgeen [eiseres] heeft gesteld onvoldoende om een dermate zwaarwegende maatregel tegen [gedaagde] te rechtvaardigen. De vorderingen onder I. en II. zullen derhalve worden afgewezen.

4.5.

Ten aanzien van het onder III. tot en met IV gevorderde overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.5.1.

Voor wat betreft de op 12 juni 2017 aan [eiseres] betekende dagvaardingen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat deze van de hand van [gedaagde] zijn. In één dagvaarding staat hij expliciet als gemachtigde vermeld. In de andere zaak niet, maar de inhoud van deze dagvaarding vertoont duidelijke overeenkomsten met de eerste dagvaarding, zowel qua lettertype als taalgebruik en vormgeving. Het gaat evenwel om vorderingen van twee externe crediteuren, die mogelijk, althans volgens [gedaagde] – legitieme – vorderingen hebben op [eiseres] . Hoewel aan [eiseres] kan worden toegegeven dat het laten betekenen van dagvaardingen, respectievelijk het toezenden van conceptdagvaardingen op dezelfde dag dat een mondelinge behandeling plaatsvindt in een kort geding waarin een contact- en straatverbod wordt geëist riekt naar pesterij, mede gelet op de dreigementen die [gedaagde] in dat verband reeds eerder had geuit, acht de voorzieningenrechter het uitbrengen van deze dagvaardingen voorshands niet onrechtmatig. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat een partij, al dan niet bijgestaan door een advocaat of gemachtigde, zelf bepaalt of er wordt geprocedeerd en/of welke vordering zij aan het oordeel van de rechter onderwerpt en tegenover wie zij haar aanspraak geldend maakt. Mede aan de hand van het verweer van de gedaagde is het aan de rechter in dat geding om daarop te beslissen, alsook om toe te zien op een ordelijk verloop van die procedure, het optreden van de gemachtigden van partijen daaronder begrepen.

4.5.2.

Ook het door [gedaagde] doen van aangifte bij de politie tegen [eiseres] en haar advocaat wegens smaad en laster is voorshands niet onrechtmatig te achten. Vast staat dat de aangifte dateert van voor de behandeling van het kort geding op 12 juni 2017. Gelet op het opportuniteitsbeginsel is het aan de justitiële autoriteiten om aan die aangifte al dan niet een vervolg te geven. Gesteld noch voorshands gebleken is dat het een valse aangifte betreft. Het was evenwel onnodig dat [gedaagde] een kopie van de aangifte per e-mail naar [eiseres] toestuurt. Dat lijkt enkel en alleen te zijn gebeurd met het doel [eiseres] te tarten, met name ook omdat de e-mail is verstuurd vlak nadat de mondelinge behandeling op 12 juni 2017 had plaatsgevonden. Ook de e-mail van 13 juni 2017 die [gedaagde] aan [eiseres] heeft gezonden (r.o. 2.7) is in dat licht overbodig. Niet alleen had hij reeds aangifte gedaan bij de politie over hetgeen van de zijde van [eiseres] in de dagvaarding voor het kort geding van 12 juni 2017 was gesteld, maar ook geldt dat hetgeen tijdens dat kort geding over en weer is aangevoerd vanaf dat moment ter beoordeling voorlag aan de betreffende voorzieningenrechter. [gedaagde] had derhalve kunnen en behoren te wachten op het vonnis.

4.5.3.

Nog geen twee uur na de onder 4.5.2. genoemde mail, stuurt [gedaagde] nogmaals een e-mail naar de advocaten van [eiseres] over de inhoud van de zitting en gaat hij daarbij uitvoerig in op het vermeende arbeidsverleden van [eiseres] (r.o. 2.9). Van deze e-mail is door [gedaagde] tevens een kopie naar de moeder van [eiseres] verzonden. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] dit enkel heeft gedaan om [eiseres] bij haar moeder in een kwaad daglicht te stellen en daarmee te stoken in een familierelatie, kennelijk met als doel om [eiseres] te isoleren. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij dit uit transparantie-overwegingen heeft gedaan, maar dat acht de voorzieningenrechter ongeloofwaardig gelet op de andere berichten die [gedaagde] heeft verstuurd, zoals bijvoorbeeld de whatsapp-berichten naar [C] en [D] , die in de vorige kort gedingprocedure een schriftelijke verklaring tegen [gedaagde] hadden afgelegd (r.o. 2.6 en 2.10). Ook in deze berichten insinueert [gedaagde] het een en ander over het arbeidsverleden van [eiseres] . Deze berichten tonen eenzelfde beeld, namelijk een poging om [eiseres] in een kwaad daglicht te stellen en haar daardoor te isoleren en te beschadigen.

4.5.4.

[gedaagde] heeft daarnaast ter zitting erkend dat hij contact heeft opgenomen met de belastingdienst en de reisverzekeraar van [eiseres] en bij hen melding heeft gemaakt van door [eiseres] begane fraude. Hij heeft daarover ook een (zakelijke) relatie van [eiseres] benaderd om diegene te waarschuwen tegen [eiseres] (r.o 2.12). Daarbij heeft [gedaagde] evenwel gebruik gemaakt van informatie die hij heeft gekregen in de periode dat hij de belangenbehartiger was van [eiseres] bij wijze van vriendendienst of uit hoofde van een opdracht tegen beloning. Nu [eiseres] deze relatie heeft beëindigd, gebruikt [gedaagde] die informatie tegen haar. [gedaagde] stelt dit te hebben gedaan om zichzelf tegen [eiseres] te beschermen. Op vragen van de voorzieningenrechter waarom hij heeft gemeend zichzelf op deze wijze tegen [eiseres] te moeten beschermen, kon [gedaagde] geen antwoord geven waaruit aannemelijk is geworden dat hij voor die handelswijze een voldoende gerechtvaardigd belang heeft.

4.5.5.

Voor wat betreft de klacht die [gedaagde] tegen de makelaar van [eiseres] , de heer [B] , heeft ingediend (r.o 2.5), heeft [gedaagde] zich verweerd met de stelling dat deze klacht niets met [eiseres] van doen heeft. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. De makelaar was door [eiseres] ingeschakeld in het kader van de verkoop van de woning van [eiseres] en in verband met een door de belastingdienst van [eiseres] verlangde taxatie van die woning. [gedaagde] had in dat verband contact met [B] vanuit zijn positie als belangenbehartiger van [eiseres] . [eiseres] had haar machtiging aan [gedaagde] om haar belangen te behartigen op 5 april 2017 ingetrokken, terwijl de klacht volgens eigen zeggen van [gedaagde] dateert van 22 mei 2017. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] hem toestemming heeft gegeven om een klacht over de makelaar in te dienen over de wijze waarop hij bij de uitvoering van de opdracht(en) van of vanwege [eiseres] heeft gehandeld. [gedaagde] had op dat moment dus helemaal niets meer van doen met de makelaar. Het heeft er dan ook alle schijn van dat bij het indienen van een klacht tegen de makelaar van [eiseres] eveneens de bedoeling voorzit om [eiseres] te isoleren.

4.5.6.

Dit beeld wordt ondersteund door de klacht die van [gedaagde] tegen de advocaat van [eiseres] heeft ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten, hoewel daaraan voor de beoordeling van de handelswijze van [gedaagde] tegenover [eiseres] geen zelfstandige betekenis toekomt. Deze klacht zal binnen de daartoe geldende procedures van de Advocatenwet worden afgedaan.

4.6.

De voorzieningenrechter vindt het voldoende aannemelijk dat de wijze waarop [gedaagde] na de zitting in het kort geding van 12 juni 2017 zowel [eiseres] zelf als derden (over [eiseres] ) heeft benaderd, bezien in samenhang met hetgeen daaraan vooraf is gegaan, in het bijzonder vanaf het moment dat [eiseres] [gedaagde] zijn congé (als haar belangenbehartiger) gaf, als intimiderend en bedreigend wordt ervaren door [eiseres] . Dit geldt te meer nu een en ander is geschied in het korte tijdsbestek van slechts 48 uur nadat het kort geding op 12 juni 2017, dat notabene over een aan [gedaagde] op te leggen contact- en straatverbod ging, heeft plaatsgevonden. Het recente handelen van [gedaagde] betreft een zodanige en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] dat het als onrechtmatig moet worden beschouwd. Daarbij komt dat [gedaagde] tijdens de zitting heeft gezegd dat hij vindt dat hij het recht heeft om dit te doen. [gedaagde] heeft ook geen enkel inzicht getoond in de gevolgen van zijn handelswijze op het gerechtvaardigde belang van [eiseres] dat haar persoonlijke levenssfeer wordt gerespecteerd. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat [eiseres] moet vrezen dat [gedaagde] door zal blijven gaan.

4.7.

De voorzieningenrechter acht, mede gelet op de geestelijke gesteldheid van [eiseres] , zoals deze door de psycholoog in haar verslagen van 30 mei 2017 en 17 juni 2017 wordt beschreven en welk beeld de voorzieningenrechter ter zitting bevestigd zag, het treffen van een ordemaatregel noodzakelijk door het instellen van een contactverbod. Om te voorkomen dat deze maatregel het nog te wijzen vonnis in het kort geding met het kenmerk 439413/KLZA 17-200 mogelijk doorkruist, zoals ook namens [eiseres] is betoogd, zal het contactverbod worden opgelegd voor de duur van de periode dat in het kort geding met het kenmerk 439413/KLZA 17-200 nog geen vonnis is gewezen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er voor de datum van vonniswijzing in een andere procedure die door of namens [gedaagde] tegen [eiseres] is aangevangen, een zitting plaatsvindt, zodat een contactverbod het verloop van die procedures niet frustreert.

4.8.

Het voorgaande leidt er toe dat de vordering onder III. zal worden toegewezen, met dien verstande dat de periode wordt beperkt tot de datum dat in het kort geding met het kenmerk 439413/KLZA 17-200 vonnis wordt gewezen.

4.9.

De vordering onder IV. is te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Daarnaast staat het gevorderde, met name daar waar uitlatingen van [gedaagde] voorafgaand naar de advocaten van [eiseres] dienen te worden verstuurd, te zeer op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.

4.10.

De vordering onder V. zal worden toegewezen, nu het naar derden toe openbaar maken van (schriftelijke) informatie over iemand, die men uit hoofde van een vertrouwensrelatie zoals bijvoorbeeld in het geval van belangenbehartiging tot zijn beschikking heeft gekregen, onrechtmatig kan zijn. De voorzieningenrechter acht een dergelijk (dreigend) onrechtmatig handelen door [gedaagde] voldoende aannemelijk geworden.

4.11.

[eiseres] heeft tot slot, na wijziging van eis ter zitting, primair lijfsdwang gevorderd in het geval [gedaagde] de opgelegde verboden niet nakomt. Het uitvoerbaar verklaren van een vonnis bij lijfsdwang is slechts mogelijk indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Het is derhalve een laatste redmiddel waarbij alle omstandigheden van het geval, waaronder het recht van [gedaagde] op persoonlijke vrijheid, dienen te worden afgewogen. Aangezien dit de eerste veroordeling is van [gedaagde] in deze aangelegenheid, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de persoonlijke vrijheid van [gedaagde] dient te prevaleren. De voorzieningenrechter zal derhalve primair een dwangsom opleggen. Gelet op de houding van [gedaagde] , ziet de voorzieningenrechter evenwel reden om een fors hogere dwangsom op te leggen dan gevorderd. [gedaagde] heeft niet de uitkomst van het eerste kort geding afgewacht, maar is doorgegaan met het benaderen van [eiseres] en derden over [eiseres] . Daarbij komt dat hij tijdens de mondelinge behandeling op geen enkele wijze inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor de persoon van [eiseres] heeft getoond, maar hij slechts heeft verklaard dat hij in zijn recht staat. Indien deze hogere dwangsom een onvoldoende prikkel blijkt te zijn voor [gedaagde] om de verboden na te leven dan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de opgelegde dwangsommen als dwangmiddel onvoldoende effect sorteren en prevaleert dan alsnog het belang van [eiseres] om lijfsdwang toe te passen.

4.12.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- betekening oproeping € 101,11

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.204,11

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] om tot het moment van wijzen van het vonnis in het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200 anders dan via zijn advocaat – telefonisch, schriftelijk, via derden, social media of anderszins contact op te nemen met [eiseres] ,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om tot het moment van wijzen van het vonnis van het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200 documenten en/of andere gegevensdragers afkomstig van of betrekking hebbende op [eiseres] en haar eenmanszaak [eenmanszaak] , waaronder maar niet beperkt tot fiscale stukken, financiële stukken en juridische stukken aan derden te verstrekken – anders dan aan de (nog in te schakelen) advocaat van [eiseres] en/of publieke opsporingsinstanties – op welke wijze dan ook,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 50.000,- voor iedere keerkeer dat hij na betekening van dit vonnis in strijd handelt met de in 5.1 en 5.2 uitgesproken verboden, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt,

5.4.

verleent verlof aan [eiseres] om de verboden onder 5.1 en 5.2 bij lijfsdwang ten uitvoer te mogen leggen in het geval [gedaagde] na verbeurte van € 100.000,- aan dwangsommen in strijd handelt met de onder 5.1 en 5.2 uitgesproken verboden,

5.5.

bepaalt dat [gedaagde] te dezen niet langer in gijzeling mag worden gesteld, dan tot het moment van wijzen van het vonnis in het kort geding met kenmerk 439413/KLZA 17-200,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.204,11,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017.