Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3324

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5652
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep inzake een verleende omgevingsvergunning voor het aanplanten van vijf knotwilgen. Beroep ongegrond. Op grond van het door de aanvrager overgelegde deskundigenrapport en zijn eigen beoordeling heeft verweerder in redelijkheid kunnen vaststellen dat de kwaliteiten en de te beschermen waarden niet onevenredig worden aangetast door de aanplant van de vijf knotwilgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/5652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [A] )

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder

(gemachtigden: B. Scheffer en J.M. van den Berg)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats] (hierna [derde-partij] ).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder [derde-partij] een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van een werk, bestaande uit het planten van vijf knotwilgen op het perceel aan de [adres 1] te [woonplaats] .

Bij besluit van 3 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

[derde-partij] woont aan de [adres 1] te [woonplaats] . Hij heeft achter zijn woning een perceel weiland met de bestemming agrarisch met waarden. Dit gebied valt onder het bestemmingsplan […] (hierna planregels). [derde-partij] heeft op de achterzijde van dit weiland vijf knotwilgen geplant. Eiser woont aan het [adres 2] te [woonplaats] . Zijn perceel grenst aan de achterzijde aan het perceel van [derde-partij] . Vanuit zijn achtertuin heeft hij uitzicht op deze bomen.

Bij brief van 9 oktober 2015 hebben eiser en zijn buurman, de heer [A] (thans gemachtigde van eiser), verweerder gevraagd handhavend op te treden tegen het planten van bomen door [derde-partij] zonder omgevingsvergunning. Verweerder heeft [derde-partij] bij brief van 2 november 2015 onder meer in de gelegenheid gesteld een omgevingsvergunning aan te vragen voor deze vijf geplante knotwilgen. Verweerder heeft daarbij kenbaar gemaakt handhavend op te treden bij verdere voortduring van de overtreding.

Per e-mailbericht van 3 november 2015 heeft [derde-partij] bij verweerder kenbaar gemaakt een vergunningaanvraag in te dienen. Op 21 juni 2016 heeft [derde-partij] een volledige aanvraag ingediend met als bijlage het rapport “Notitie landschappelijke inpassing [adres 1] [woonplaats] ” van de deskundige [naam adviesbureau] (hierna rapport van [naam adviesbureau] ). Dit heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ beschreven besluitvorming.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de in artikel 3.6.3 van de planregels van het bestemmingsplan […] (hierna: de planregels) genoemde waarden door de aanplant van de vijf knotwilgen niet onevenredig worden aangetast. [derde-partij] heeft dit volgens verweerder voldoende aangetoond met het rapport van [naam adviesbureau] .

3.1.

Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) volgt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een werk uit te voeren, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.

3.2.

Blijkens artikel 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor 'Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden bestemd voor:

a. het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.12 onder b;

b. behoud en herstel alsmede instandhouding van de voorkomende visueel-ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in bijlage 1 van de planregels.

3.3.

Het is op grond van artikel 3.6.1, aanhef en onder c, van de planregels verboden gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te beplanten met houtgewassen, ter plaatse van de gronden op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant.

3.4.

Volgens artikel 3.6.3, van de planregels zijn werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6.1 slechts toelaatbaar, indien daardoor de in bijlage 1 van de planregels beschreven bestaande visueel-ruimtelijke kwaliteit en gewenste beeldkwaliteit, alsmede de natuurwaarden, de cultuurhistorische waarden en de landschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, hetgeen door de aanvrager aan de hand van een door een onafhankelijk deskundige op te stellen advies wordt aangetoond.

Zorgvuldige voorbereiding

4. Eiser voert aan dat het door [derde-partij] ingediende rapport van [naam adviesbureau] geen onafhankelijk advies betreft, aangezien deze deskundige in opdracht van [derde-partij] het rapport heeft opgesteld. Verder voert eiser aan dat verweerder een afstandelijk besluit heeft genomen, waarbij hij alleen is afgegaan op het rapport van [naam adviesbureau] , zonder zich te verdiepen in de situatie ter plaatse en de te beschermen waarden.

5. Op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

6.1.

[derde-partij] heeft zijn aanvraag onderbouwd met een advies van het deskundigenbureau [naam adviesbureau] . De rechtbank beschouwt dit rapport als een rapport van een onafhankelijk deskundige in de zin van artikel 3.6.3 van de planregels. Dit artikel vereist immers dat de aanvrager zelf zijn aanvraag met een deskundigenadvies onderbouwt. Voorts heeft eiser geen concrete omstandigheden gesteld op grond waarvan aan de onafhankelijkheid van deze deskundige moet worden getwijfeld. Het enkele feit dat de deskundige door [derde-partij] is ingeschakeld, maakt nog niet dat het bureau niet als onafhankelijk deskundige kan worden beschouwd. Een deskundige heeft immers tevens een eigen verantwoordelijkheid om naar waarheid te rapporteren en te adviseren. Deze grond slaagt niet.

6.2.

Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder niet alleen is afgegaan op het rapport van [naam adviesbureau] , maar daarnaast de aanvraag heeft getoetst aan de kwaliteiten en waarden genoemd in artikel 3.6.3 van de planregels. Dit blijkt uit het e-mailbericht van 20 juli 2016 van mevrouw [B] , werkzaam bij verweerder als […] , waarin zij de betreffende afdeling van verweerder die zich bezig houdt met het verlenen van de omgevingsvergunning, positief adviseert over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dit bericht is onder meer uiteengezet dat de aanplant van de vijf knotwilgen niet strijdig is met de huidige en gewenste visueel-ruimtelijke kwaliteit van het gebied en dat geen afbreuk wordt gedaan aan het karakteristieke coulisselandschap met lijnvormige beplantingen zoals houtwallen. Ze schrijft verder dat de aanplant van de bomen aan het einde van het perceel op de overgang naar het stedelijk gebied van de dorpsrand de bebouwingsrand verzacht, waarmee de gewenste kwaliteit van het opgaand groen langs de dorpsrand wordt behouden en versterkt. De zichtrelatie vanaf de [straatnaam 2] blijft open, omdat het slechts over vijf knotwilgen over de totale breedte van het perceel gaat. Ten slotte overweegt ze dat met het aanplanten van deze vijf knotwilgen niet de natuur-, cultuurhistorische en landschappelijke waarden onevenredig worden aangetast. In het primaire besluit is vervolgens een vergelijkbare motivering opgenomen.

6.3.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de benodigde kennis heeft vergaard, waaronder een rapport van een onafhankelijke deskundige, en zich heeft verdiept in de inhoud van kwaliteiten en waarden, zoals hiervoor is overwogen. Daarmee acht de rechtbank het besluit door verweerder zorgvuldig voorbereid. Deze grond slaagt niet.

Kwaliteiten en waarden

7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. De landschappelijke en cultuurhistorische waarden gaan uit van een open

veen-/weide landschap, waarbij de openheid van het gebied voorop staat en weinig hoge begroeiing voorkomt. Dit beleid blijkt uit het verwijderen van knotwilgen 100 meter verderop door de gemeente, het feit dat alleen [derde-partij] bomen heeft op zijn terrein en verder niemand en de foto in het rapport van [naam adviesbureau] die de openheid accentueert. Ook wijst eiser erop dat Natuurmonumenten in 2014 een plan heeft aangenomen om het open karakter te herstellen. Door het planten van de bomen verdwijnen de zichtlijnen zonder respect voor het open landschap hetgeen in strijd is met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van de omwonenden bij het openhouden van de zichtlijnen.

8.1.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 3.6.3. van de planregels onder meer de natuurwaarden, de cultuurhistorische waarden en de landschappelijke waarden niet onevenredig mogen worden aangetast, maar dat deze waarden in de planregels niet nader worden omschreven. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze waarden ten grondslag zijn gelegd aan het landschappelijk beleid van deze streek en zijn vastgelegd in het landschapsontwikkelingsplan. Hij heeft ter zitting verklaard dat deze waarden concreet zijn uitgewerkt in de visueel-ruimtelijke kwaliteit, die met een lijst van criteria in bijlage 1 van de planregels is uitgewerkt.

8.2.

Over de visueel-ruimtelijke kwaliteit en gewenste beeldkwaliteit ontwikkelingen van Wieksloot staat in bijlage 1 van de planregels het volgende vermeld:

“Bestaande visueel-ruimtelijke kwaliteit

Het Wiekslootgebied kenmerkt zich door lintbebouwing, met voornamelijk woningen, met veel doorzichten naar het agrarische coulisselandschap tussen de Wieksloot en de dorpsrand. Het landschap is kleinschalig met veel lijnvormige beplantingen en bospercelen. Het opgaande groen langs de dorpsrand van Soest draagt in belangrijke mate bij aan de beeldkwaliteit (minder harde bebouwingsrand).

Gewenste beeldkwaliteit ontwikkelingen

Voor het Wiekslootgebied gelden de volgende aandachtspunten voor de gewenste beeldkwaliteit:

  • -

    Behoud van groen langs dorpsrand.

  • -

    Behoud lijnvormige beplantingselementen en bosgebieden.

  • -

    Behoud open zichtrelaties, zowel vanaf [straatnaam 1] als vanaf de wegen haaks daarop.

  • -

    Hoofdgebouwen naar [straatnaam 1] gericht, met de langste gevel in de richting van de

  • -

    verkaveling (indien toch een dwarshuis dan maximaal 10 meter breed).

  • -

    Bijgebouwen ondergeschikt aan hoofdgebouw.”

8.3.

De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of de kwaliteiten en waarden onevenredig worden aangetast door het planten van de knotwilgen behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beoordelingsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen. Dit betekent dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om daarvoor in dit geval de omgevingsvergunning te verlenen.

8.4.

Verweerder heeft beoordeeld of de vijf knotwilgen passen binnen een half open landschap, ofwel het zogeheten coulisselandschap. Dit is een landschap met open gedeelten afgewisseld met plekken met hogere begroeiing zoals bomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in de periode waarin eiser zijn woning kocht, omstreeks 1987, sprake was van een open landschap, maar dat het beleid nadien gewijzigd is naar een halfopen landschap. Daarbij is een landschapsontwikkelingsplan en een gewijzigd bestemmingsplan tot stand gekomen, waarin het nieuwe beleid is vastgelegd. De rechtbank constateert dat bijlage 1 van het bestemmingsplan inderdaad uitdrukkelijk een coulisselandschap met doorzichten, lijnvormige beplanting en bospercelen noemt. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande voldoende blijkt dat het beleid is gericht op een half open landschap. Eisers stelling dat uit de genoemde foto in het rapport van [naam adviesbureau] en uit het feit dat alleen op de percelen van [derde-partij] bomen staan, blijkt dat het beleid is gericht op behoud van een open landschap, doet daaraan niet af. Het past immers binnen een half open landschap dat het ene perceel bomen bevat, terwijl op andere percelen hoge begroeiing ontbreekt. Bovendien heeft verweerder toegelicht dat de streek waarvoor dit beleid geldt veel groter is dan alleen het gebied dat zichtbaar is vanuit eisers tuin. Eiser heeft zijn stelling dat het beleid van het open landschap tevens blijkt uit het kappen van bomen 100 meter verderop door de gemeente, niet met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is daardoor niet aannemelijk gemaakt dat deze weggehaald zijn ter behoud van het open landschap. Eisers stelling dat Natuurmonumenten in 2014 een plan heeft aangenomen tot herstel van het open landschap is evenmin met stukken onderbouwd en laat onverlet dat verweerder aan het eigen beleid moet toetsen.

8.5.

Verweerder heeft in het primaire besluit gewezen op het door [derde-partij] overgelegde rapport waarin de deskundige positief adviseert en stelt dat de betrokken kwaliteiten en waarden door het plan worden versterkt. Daarin is overwogen dat het ontwikkelde landschapsplan, waar de knotwilgen deel van uitmaken zowel esthetisch als ecologisch een verrijking is voor de omgeving. De aangeplante houtsingels geeft een ruimtelijke versterking aan de kenmerkende landschapsstructuur en –richting. Tenslotte wijst de deskundige erop dat de knotwilgen aan het einde van de kavel de overgang verzachten met het stedelijke gebied, de achtertuinen van het [straatnaam 3] .

Verder heeft verweerder in het primaire besluit overwogen dat de aanplant van de knotwilgen niet strijdig is met de huidige en gewenste visueel-ruimtelijke kwaliteit van het gebied en dat geen afbreuk wordt gedaan aan het karakteristieke coulisselandschap met lijnvormige beplantingen zoals houtwallen. Voorts is aangesloten bij de motivering zoals verwoord in het e-mailbericht vermeld onder 6.2. Daarbij is overwogen dat de aanplant van de bomen de gewenste kwaliteit van opgaand groen langs de dorpsrand versterkt. De zichtlijn vanaf de [straatnaam 2] blijft open, aangezien het slechts om vijf knotwilgen gaat over de totale breedte van het perceel. Ter zitting heeft verweerder voorts toegelicht dat alleen de zichtlijn van de [straatnaam 2] richting de dorpsrand wordt beschermd door de gewenste beeldkwaliteit en niet de zichtlijn vanaf de dorpsrand richting de [straatnaam 2] zoals eiser wenst.

8.6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op grond van het door [derde-partij] overgelegde deskundigenrapport en zijn eigen beoordeling van de aanvraag, in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat de kwaliteiten en daarmee de waarden die beschermd worden door het verbod tot het planten zonder vergunning niet onevenredig worden aangetast door het planten van de vijf knotwilgen. Eiser heeft niet met bewijsstukken zoals een eigen deskundigenrapport onderbouwd waarom de aanplant van de bomen de kwaliteiten zou aantasten. Verweerder heeft de vergunning dan ook kunnen verlenen. De gronden van eiser slagen niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.A. Bultena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.