Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3313

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
C/16/407341 / HA ZA 16-33
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Crowdfundingplatform: lastgeving inzake incasso

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/407341 / HA ZA 16-33

Vonnis van 12 juli 2017

in de zaak van

vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. F.J. van der Schrier te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Boven te Leusden.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 juli 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een crowdfundingplatform, bedoeld om ondernemers met een financieringswens en investeerders bij elkaar te brengen. [eiseres] beschikt daartoe over een vergunning van de AFM.

2.2.

[gedaagde] heeft via [eiseres] op 7 november 2011 een overeenkomst van geldlening afgesloten met nummer [nummer 1] , waarbij [gedaagde] in persoon, tezamen met Advinco Holding B.V. (hierna: Advinco), als schuldenaar een geldsom van € 35.000 heeft geleend.

Schuldeiser is de informele vereniging met nummer [nummer 3] , bestaande uit de investeerders die ieder voor een bepaald bedrag hebben ingetekend.

Ingevolge het overeengekomen aflossingsschema moest de lening (hoofdsom plus kredietvergoeding) in 35 maandelijkse termijnen van € 1.107,28 en een 36e termijn van
€ 1.107,22 worden afgelost. De eerste termijn was verschuldigd op 28 december 2012; de 36e op 28 november 2015.

2.3.

[gedaagde] heeft op 1 mei 2013 via [eiseres] op vergelijkbare wijze een tweede overeenkomst van geldlening afgesloten, met nummer [nummer 2] . Hierbij is een bedrag van € 113.300,- uitgeleend door de informele vereniging met nummer [nummer 3] (opnieuw bestaande uit de investeerders die ieder voor een bepaald bedrag hebben ingetekend). Ook in deze overeenkomst is [gedaagde] naast Advinco aangemerkt als schuldenaar.

Ingevolge het overeengekomen aflossingsschema moest de lening (hoofdsom plus kredietvergoeding) in 59 maandelijkse termijnen van € 2.383,33 en een 60e termijn van
€ 2.383,41 worden afgelost. De eerste termijn was verschuldigd op 2 juni 2013; de 60e op
2 mei 2018.

2.4.

Artikel 4 van beide overeenkomsten van geldlening luidt:

“De hoofdsom is met renten, vergoeding en kosten zonder voorafgaande opzegging dadelijk opeisbaar in de gevallen als genoemd in de tussen partijen van toepassing verklaarde Algemene voorwaarden voor kredietverlening [eiseres] en bovendien in de volgende gevallen (…).”

Op de beide geldleningsovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden kredietverlening [eiseres] (de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard.

2.5.

Artikel 13 van de algemene voorwaarden luidt (voor zover relevant):

“In de volgende gevallen is al hetgeen kredietnemer nog uit hoofde van de Overeenkomst en/of anderszins aan schuldeiser verschuldigd is (waaronder begrepen de toekomstige en nog niet vervallen termijnen aan rente en aflossing) direct en ineens opeisbaar:

a. indien kredietnemer een vervallen rente en/of aflossingstermijn niet uiterlijk op de vervaldatum heeft voldaan;

(…)

d. indien schuldeiser gegronde vrees/reden heeft om aan te nemen dat de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst niet door kredietnemer zullen worden nagekomen;

f. indien kredietnemer in staat van faillissement is komen te verkeren of ten aanzien van kredietnemer surseance van betaling is verleend dan wel ten aanzien van kredietnemer de schuldsanering natuurlijke personen (wsnp) van toepassing is verklaard.

(…)”

2.6.

Op de overeenkomst met nummer [nummer 1] heeft [gedaagde] en/of Advinco na de 7e termijn niet meer afgelost. Op de overeenkomst met nummer [nummer 2] hadden [gedaagde] en/of Advinco in oktober 2013 een achterstand van € 9.533,32.

2.7.

Advinco is op 29 oktober 2013 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 28 april 2015 opgeheven, bij gebrek aan baten.

2.8.

Bij brief van 24 oktober 2013 is [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de achterstand inzake overeenkomst [nummer 2] . Bij brief van 9 januari 2014 is ten aanzien van beide leningnummers het volledige bedrag ineens opgeëist en heeft [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 142.044,27 inzake lening [nummer 2] en € 33.022,45 inzake lening [nummer 1] . [gedaagde] heeft niet betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na eisvermeerdering dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen:

  • -

    inzake leningnummer [nummer 1] de som van € 34.295,15 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 9% per jaar over € 32.111,06 vanaf 28 januari 2014 tot de dag van voldoening

  • -

    inzake leningnummer [nummer 2] de som van € 144.568,13 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 10% per jaar over € 140.616,55 vanaf 28 januari 2014 tot de dag van voldoening

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomsten van geldlening zijn gesloten tussen [gedaagde] en Advinco als schuldenaars enerzijds en de betreffende informele verenigingen van investeerders anderzijds. Evenmin heeft [gedaagde] (gemotiveerd) betwist dat het overeengekomen terugbetaalschema in beide gevallen niet is nagekomen. Niettemin betwist [gedaagde] de vordering van [eiseres] en hij voert daartoe het volgende aan.

4.2.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] gerechtigd is tot het instellen van de vordering uit hoofde van de beide overeenkomsten. [eiseres] is bij die overeenkomsten geen partij en [gedaagde] betwist dat zij door de schuldeisers gemachtigd is tot het instellen van de vordering.

Daarnaast voert [gedaagde] aan dat [eiseres] inzake lening [nummer 2] een bedrag van
€ 2.383,33 per maand van juni 2013 tot en met november 2015 aan de betreffende investeerders heeft voldaan. Dat betekent dat voor een bedrag van € 73.883,28 de grondslag van de vordering geen lastgeving van de investeerders kan zijn. Die zijn immers voldaan, aldus [gedaagde] .

Ten aanzien van lening [nummer 1] heeft [eiseres] volgens [gedaagde] het volledige bedrag aan de investeerders voldaan, zodat daar geen voor investeerders op grond van lastgeving te vorderen bedrag resteert.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat met iedere investeerder een investeringsovereenkomst werd gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “De investeerder geeft aan [eiseres] de last, welke last [eiseres] aanneemt, om in het belang en voor rekening van de investeerder, zij het op naam van [eiseres] , alle vorderingen te incasseren, welke voortvloeien uit de tussen de investeerder (ook in zijn hoedanigheid van lid van de in de door de schuldenaar getekende c.q. te tekenen schuldbekentenis bedoelde informele vereniging) en de betrokken schuldenaar gesloten geldlening alsmede de daarmee samenhangende rechten te effectueren, en in dat kader: (…) als procespartij voor lastgever/investeerder in rechte op te treden en al het terzake noodzakelijk te doen.” [eiseres] heeft die stelling onderbouwd door overlegging van een voorbeeld van die overeenkomst (productie 9) en zij heeft alle op de beide leningnummers betrekking hebbende investeringsovereenkomsten (aangekondigd) meegenomen naar de comparitiezitting. [gedaagde] heeft op dat moment bezwaar gemaakt tegen overlegging van die stukken en/of kennisneming daarvan door de rechter. [gedaagde] heeft echter niet nader gemotiveerd waarom hij de gestelde lastgeving betwist, zodat die betwisting als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. [eiseres] is derhalve bevoegd tot incasso van vorderingen van de investeerders inzake de leningnummers [nummer 1] en [nummer 2] .

4.4.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] de investeerders ten aanzien van leningnummer [nummer 1] volledig heeft terugbetaald, en dat op leningnummer [nummer 2] nog slechts een bedrag open staat van € 57.117,- welk bedrag door [gedaagde] als door hem verschuldigd wordt erkend. [eiseres] erkent dat zij termijnen op beide leningnummers heeft doorbetaald aan de investeerders. Zij heeft ter zitting verklaard dat het zou kunnen dat de berekening van [gedaagde] juist is, maar dat zij dit zo niet kan bevestigen. [eiseres] heeft aangeboden dit nog uit te zoeken. De rechtbank gaat aan dit aanbod voorbij, nu het op de weg van [eiseres] had gelegen de door [gedaagde] bij antwoordakte ingenomen standpunten uiterlijk ter zitting gemotiveerd te weerspreken. Nu zij dit heeft nagelaten wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen op dit punt van [gedaagde] .

4.5.

[eiseres] heeft betoogd dat ook ten aanzien van de door haar voorgeschoten termijnbetalingen geldt, dat zij die op grond van de investeringsovereenkomsten bij [gedaagde] kan incasseren, nu de investeerders bij aanvang de last hebben gegeven tot incasso van de gehele achterstand. Dat er termijnen zijn voorgeschoten heeft geen gevolgen voor de grondslag van de vordering, aldus [eiseres] .

4.6.

Als gevolg van de respectievelijke investeringsovereenkomsten is [eiseres] de partij die namens de investeerders in en buiten rechte optreedt ter incasso van openstaande vorderingen uit hoofde van de beide overeenkomsten van geldlening met [gedaagde] .

De investeerders bij overeenkomst [nummer 1] hebben de termijnbedragen op de overeengekomen wijze, via [eiseres] , betaald gekregen. Zij hebben daarom naar aanleiding van de overeenkomst van geldlening niets meer te vorderen. De investeerders bij overeenkomst [nummer 2] zijn voor een gedeelte groot € 57.117,- onbetaald gebleven en dit bedrag vormt dan ook de gehele omvang van hun vordering.

Anders dan [eiseres] heeft betoogd, kan niet worden aangenomen dat op grond van de overeengekomen lastgeving bij aanvang van de investeringsovereenkomst, [eiseres] bevoegd is geworden tot incasso van bedragen die de investeerders niet zelf te vorderen hebben (omdat ze die bedragen al op de gebruikelijke wijze betaald hebben gekregen).

Kortom, op grond van de investeringsovereenkomsten en de daarin overeengekomen lastgeving komt [eiseres] geen vordering op [gedaagde] toe ter zake van de termijnbetalingen die zij heeft voorgeschoten. [eiseres] heeft geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld die – indien zij zouden komen vast te staan – moeten leiden tot de gevolgtrekking dat [gedaagde] die voorgeschoten termijnen aan [eiseres] moet betalen. Met andere woorden: een andere juridische of feitelijke grondslag voor de vorderingen is niet aangevoerd. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] met betrekking tot leningnummer [nummer 1] zal worden afgewezen. De vordering inzake leningnummer [nummer 2] zal worden afgewezen voor zover deze het door [gedaagde] als verschuldigd erkende bedrag van € 57.117,- te boven gaat.

4.7.

Verschuldigdheid van een overeengekomen rentepercentage van 10% per jaar over het openstaande bedrag is niet (gemotiveerd) betwist zodat de vordering die daarop ziet zal worden toegewezen.

4.8.

[eiseres] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, gebaseerd op het bij de dagvaarding overgelegde artikel 6 van de overeenkomst van geldlening, en vervolgens heeft zij dit bedrag gematigd tot het bedrag aan buitengerechtelijke kosten dat maximaal is toegestaan conform de staffel behorende bij het Rapport Voorwerk II. In het beding waar [eiseres] op doelt, is bepaald dat een vast bedrag of percentage aan buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, ongeacht de vraag of en in welke mate deze zijn gemaakt, zodat de vordering als zodanig toewijsbaar is.

In het onderhavige geval acht de rechtbank echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv te matigen, zoals [eiseres] in haar vordering ook al had gedaan. Dit omdat toewijzing conform artikel 6 van de overeenkomst als zodanig niet is verzocht en ook tot een onaanvaardbaar hoog bedrag leidt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden toegewezen, tot € 1.628,87 (incl. 21% btw).

4.9.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 96,16

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.813,16

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 57.117,00 (zevenenvijftig duizendéénhonderdzeventien euro), vermeerderd met de contractuele rente van 10% per jaar over het bedrag van € 57.117,00 met ingang van 28 januari 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van €1.628,87 (incl btw) aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.813,16,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2017.1

1 type: FB coll: