Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3308

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
5010730 / MC EXPL 16-4697
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2017:3380
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging huur bedrijfsruimte door curator na faillissement huurder. Vraag of derde op grond van concerngarantie verplicht is om de huurtermijnen na opzegging door de curator tot het einde van de huurovereenkomst aan verhuurder te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0236

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaken met zaaknummer / rolnummer 5010730 / MC EXPL 16-4697 en 5010851 MC EXPL 16-4701 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde mr. W. Raas,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MAXEDA DIY GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde, hierna ook te noemen: Maxeda,
gemachtigde mr. J.F. Ouwehand.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 mei 2016

  • -

    het vonnis in incident van 17 augustus 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2016

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van [eiseres]

  • -

    de akte houdende reactie op akte overlegging producties van de zijde van Maxeda.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is eigenaresse van het winkelpand aan het adres [straatnaam] [nummer] - [nummer] in [vestigingsplaats] (hierna: het pand).

2.2.

Met ingang van 1 januari 1994 heeft de rechtsvoorganger van [eiseres] het pand verhuurd aan de rechtsvoorganger van Vroom & Dreesman B.V. (hierna: V&D, ook indien rechtsopvolgers van V&D worden bedoeld). In het gehuurde werd door V&D een warenhuis geëxploiteerd conform de V&D formule.

2.3.

Voor zover van belang luidt de huurovereenkomst als volgt:

‘H U U R O V E R E E N K O M S T

De ondergetekenden:

[bedrijfsnaam] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen “verhuurder”

en

Vroom & Dreesmann Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen “huurder”

(…)

ARTIKEL 1: AANVANG, DUUR, OPTIE

1. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van vijfentwintig jaren, ingaande op 1 januari 1994 en derhalve eindigende op 31 december 2018

(…)

ARTIKEL 5: ONDERVERHUUR

Het is huurder uitsluitend na schriftelijke toestemming van de verhuurder toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk door derden te laten gebruiken of aan derden onder te verhuren. Aan een dergelijke toestemming kan verhuurder nadere voorwaarden verbinden. Verhuurder zal de toestemming niet op onredelijke gronden kunnen weigeren. Onderverhuur aan 100 % dochterondernemingen van Vendex International N.V. is toegestaan, mits verhuurder hiervan vooraf schriftelijk in kennis gesteld is. Huurder heeft het recht om, ingeval onderverhuur plaatsvindt aan een 100 % dochteronderneming van Vendex International N.V. de bestemming van het gehuurde zoals omschreven in artikel 3 lid 1 te wijzigen, met dien verstande dat het gehuurde gelet op de gewijzigde bestemming steeds zal moeten kunnen worden aangemerkt als 1624a-bedrijfsruimte en dat de wijziging van de bestemming als hiervoor bedoeld steeds vooraf schriftelijk aan verhuurder wordt gemeld.

Wijziging van de bestemming ingeval van onderverhuur aan derden behoeft steeds de voorafgaande schriftelijke toestemming, waarbij verhuurder toestemming steeds zal verlenen ingeval aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. de bestemmingswijziging de beleggingswaarde van het gehuurde naar de mening van verhuurder niet aantast

2. de onderverhuurovereenkomst een niet voor wijziging vatbare specifieke bestemmingsomschrijving bevat en verdergaande onderverhuur verbiedt.

Indien en zodra Vroom & Dreesmann Nederland B.V. om welke reden dan ook ophoudt huurder te zijn komen alle regelingen over onderverhuur en bestemmingswijziging van dit artikel 5 te vervallen en worden die vervangen door de volgende regeling:

“Het is huurder niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk door derden te laten gebruiken of aan derden onder te verhuren; wijziging van de bestemming als bedoeld in artikel 3 lid 1 is niet toegestaan.”

(…)

ARTIKEL 9: CONCERNGARANTIE

Door mede-ondertekening van deze huurovereenkomst verklaart Vendex International N.V. zich naast huurder tot hoofdelijk medeschuldenaar voor alle verplichtingen voor de huurder voortvloeiende uit de onderhavige huurovereenkomst, zelfs nadat huurder na surséance van betaling of faillissement ophoudt partij bij deze huurovereenkomst te zijn.

(…)

Aldus opgemaakt in tweevoud en getekend op: 29-12-1993

te Amsterdam, te [vestigingsplaats] ,

HUURDER: VERHUURDER:

Vroom & Dreesmann Nederland B.V. [bedrijfsnaam] N.V.,

door: ing. [A] door: Ing. [B]

(gevolmachtigde)

te Amsterdam,

CONCERNGARANTIE EX ARTIKEL 9

Vendex International N.V.

door: Ing. [A]

(gevolmachtigde)’

2.4.

Vendex International N.V. is een rechtsvoorganger van Maxeda.

2.5.

Op 19 januari 2015 heeft V&D al haar verhuurders een brief geschreven waarin zij heeft meegedeeld dat om het voortbestaan van V&D te waarborgen, het noodzakelijk was dat deze verhuurders haar een huurkorting zouden verlenen. V&D heeft de verhuurders meegedeeld dat zij gedurende vier maanden geen huur zou betalen, en dat zij in de daarop volgende periode een huur wil betalen van 7% van de in het gehuurde gehaalde omzet.

2.6.

Bij brief van 3 februari 2015 heeft [eiseres] Maxeda gesommeerd de volledige huurpenningen te voldoen en te bevestigen dat Maxeda de toekomstige huurpenningen zal voldoen voor zover V&D daartoe niet zou overgaan. De brief luidt, voor zover van belang:

‘De totale achterstand voor het object in [vestigingsplaats] bedraagt op dit moment

EUR 176.648,21.

Nu V&D in verzuim is ten aanzien van voornoemde betaling, wendt cliënte zich tot Maxeda als hoofdelijke schuldenaar onder de huurovereenkomst. Het is cliënte bekend dat er niet langer vennootschappelijke banden bestaan tussen Maxeda en V&D B.V. Dit doet echter niet ter zake. Cliënte heeft nimmer ingestemd met het intrekken of laten vervallen van de aansprakelijkheid van Maxeda.’

2.7.

[eiseres] heeft V&D, V&D Group Holding en Maxeda in kort geding gedagvaard en nakoming van de verplichting tot huurbetaling gevorderd. De mondelinge behandeling van dit kort geding stond gepland op 13 februari 2015. [eiseres] heeft beslag gelegd op de bankrekeningen van V&D.

2.8.

In het weekend van 7 februari 2015 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarbij V&D en alle betrokken verhuurders aanwezig waren. De aanwezige partijen hebben vaststellingsovereenkomsten gesloten waarbij een tijdelijke huurkorting is overeengekomen. [eiseres] heeft vervolgens het kort geding ingetrokken.

2.9.

Bij brief van 12 februari 2015 heeft [eiseres] Maxeda opnieuw aangeschreven en haar meegedeeld dat zij gehouden is tot volledige nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst, ongeacht of V&D in staat van faillissement zou komen te verkeren.

2.10.

Bij brief van 16 maart 2016 heeft Maxeda [eiseres] meegedeeld dat zij zich op het standpunt stelt dat de medeschuld kwalificeert als een overeenkomst van borgtocht. Daarnaast heeft Maxeda de medeschuld opgezegd tegen 31 december 2018.

2.11.

Met ingang van 1 december 2015 heeft V&D geen huur meer betaald.

2.12.

Op 31 december 2015 heeft de rechtbank Amsterdam het faillissement van V&D uitgesproken.

2.13.

Bij brief van 27 januari 2016 aan [eiseres] heeft de curator van V&D op grond van artikel 39 Fw de huurovereenkomst tegen 1 mei 2016 opgezegd.

2.14.

Bij brief van 8 februari 2016 heeft [eiseres] Maxeda gesommeerd om binnen een week te bevestigen dat zij de huurovereenkomst in volle omvang zal nakomen.

2.15.

Op 25 maart 2016 heeft de rechtbank Amsterdam [eiseres] verlof verleend voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Maxeda, waarna [eiseres] op 29 maart 2019 conservatoir derdenbeslag heeft laten leggen op de bankrekeningen van Maxeda. [eiseres] heeft Maxeda vervolgens gedagvaard in de hoofdprocedure.

2.16.

Bij vonnis in kort geding d.d. 18 juli 2016 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, is Maxeda veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 710.839,24 aan huurtermijnen over de periode van 1 januari 2016 tot 1 mei 2016. De vordering tot betaling van de huur na 1 mei 2016 is afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren:

Primair:

( i) te verklaren voor recht dat Maxeda gehouden is alle verplichtingen uit de huurovereenkomst tot en met 31 december 2018 volledig na te komen, waaronder in ieder geval begrepen:

a. het betalen van de huurpenningen vanaf 1 januari 2016 (inclusief omzetbelasting);

b. het exploiteren van het gehuurde conform de bestemmingsclausule;

c. het verrichten van het onderhoud aan het gehuurde dat voor rekening van Maxeda

komt; en

d. het gehuurde op 31 december 2018 aan [eiseres] op te leveren op de

overeengekomen wijze.

(ii) Maxeda te veroordelen:

a. iedere maand vanaf l mei 20l6 een bedrag van EUR 177.709,81 (op de overeengekomen tijdstippen te indexeren) stipt, tijdig en volledig aan [eiseres] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot en met de dag der algehele voldoening;

b. het gehuurde binnen een maand na het wijzen van dit vonnis daadwerkelijk, geheel en behoorlijk in gebruik te nemen en te houden als warenhuis, behoorlijk gemeubileerd en ingericht en met afdoende personeel te bemannen;

c. het gehuurde gedurende de gehele looptijd van de huurovereenkomst op adequate en overeengekomen wijze te onderhouden;

d. het gehuurde op 31 december 2018 op de contractueel overeengekomen wijze aan

[eiseres] op te leveren; en

e. de aan V&D vrijgevallen huurpenningen ad EUR 68.833,81 te voldoen, te

vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot en met de dag

der algehele voldoening.

Aan ieder van de vorderingen zoals omschreven onder (ii) b t/m e een dwangsom te verbinden van EUR 10.000 per dag, of dagdeel dat Maxeda niet geheel aan de veroordeling voldoet, zulks tot een maximum van EUR 2.000.000, althans een dwangsom en maximum zoals door de kantonrechter in goede justitie te bepalen.

Subsidiair:

( i) te verklaren voor recht dat Maxeda gehouden is tot vergoeding van alle schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het niet-nakomen van Maxeda van de verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat en te

vereffenen volgens de wet; en

(ii) Maxeda bij wege van voorschot op schadevergoeding te veroordelen tot betaling van:

a. een bedrag van EUR 177.709,81 (op de overeengekomen tijdstippen te indexeren)

per maand, voor iedere maand vanaf 1 mei 2016 tot en met 31 december 2018, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot en met de dag der algehele voldoening; en

b. het aan V&D vrijgevallen bedrag ad EUR 68.833,81, te vermeerderen met wettelijke

handelsrente vanaf de vervaldatum tot en met de dag der algehele voldoening.

Zowel primair als subsidiair

Maxeda te veroordelen in de kosten van deze procedure, salaris van gemachtigde en nakosten inbegrepen.

3.2.

[eiseres] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Op grond van artikel 9 van de huurovereenkomst is Maxeda hoofdelijk medeschuldenaar geworden voor alle verplichtingen die voor V&D voortvloeien uit de huurovereenkomst, zelfs nadat V&D in staat van faillissement is verklaard. [eiseres] stelt, dat nu V&D in staat van faillissement verkeert en zij haar verplichtingen uit de overeenkomst niet meer zal nakomen, [eiseres] Maxeda tot nakoming kan aanspreken.

3.3.

Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] het volgende aan.

3.3.1.

Uit de overeenkomst volgt klip en klaar dat Maxeda hoofdelijk medeschuldenaar is in de zin van artikel 6:6 lid 2 BW. Hoewel dat volgens [eiseres] niet nodig is, kan uitleg van de overeenkomst ook alleen tot deze conclusie leiden. Dat staat volgens [eiseres] niet alleen letterlijk in artikel 9, maar het volgt ook uit de aard van de overeenkomst. Uit meerdere artikelen kan direct dan wel indirect worden afgeleid dat Maxeda dezelfde positie vertegenwoordigt als V&D. Zo bepaalt artikel 5 dat onderhuur is toegestaan aan dochtermaatschappijen van Maxeda. Het overeengekomen gebruik was dus niet enkel afgestemd op de exploitatie van een V&D vestiging in het gehuurde. Daarnaast gaan zowel artikel 5 als artikel 9 in op de situatie dat V&D niet langer partij is bij de overeenkomst en V&D niet langer verplichtingen onder die overeenkomst heeft, maar waarin de huurovereenkomst wel doorloopt en blijkbaar die verplichtingen nog wel tegen Maxeda te gelden kunnen worden gemaakt. Uit de bijlage bij de huurovereenkomst blijkt voorts dat in het geval financieel voordeel wordt behaald uit een eventuele herontwikkeling van het gehuurde, Maxeda begunstigde van het financiële voordeel daarvan is.

3.3.2.

Bij het sluiten van de overeenkomst heeft [eiseres] beoogd zeker te stellen dat de huurovereenkomst de gehele huurperiode zou worden nagekomen, ook indien V&D zou failleren. Om die reden is artikel 9 in de overeenkomst opgenomen. De opzegging door de curator heeft gelet op het bepaalde in artikel 9 dan ook niet tot gevolg dat de huurovereenkomst ten einde is gekomen, omdat Maxeda zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden alle verplichtingen uit de overeenkomst na te komen, zodat de huurovereenkomst in relatie tot Maxeda blijft voortduren.

3.3.3.

Voor zover Maxeda zich op het standpunt stelt dat artikel 9 van de huurovereenkomst kwalificeert als borgtocht, voert [eiseres] aan dat uit het geheel van de overeenkomst volgt dat dit niet juist is. Deze is doorspekt met bepalingen die verwijzen naar Maxeda, die zelfstandige rechten voor Maxeda creëren en op grond waarvan Maxeda in de rechten van V&D kon treden. Van een afhankelijk karakter als bij borgtocht is daarom geen sprake. Ook van het subsidiaire karakter van borgtocht is geen sprake, nu niet uit de tekst, niet uit de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst en ook niet uit de aard van de overeenkomst volgt dat Maxeda alleen als achtervang fungeerde.

3.3.4.

De huurovereenkomst is gesloten tussen zeer professionele partijen, die de overeenkomst tot in detail hebben uit onderhandeld. Dit blijkt uit het feit dat niet het op dat moment gebruikelijke en verhuurdersvriendelijke ROZ-model is gehanteerd. Onder die omstandigheden mocht en mag [eiseres] er vanuit gaan dat Maxeda zich realiseerde waartoe zij zich verplichtte. De tekst geeft precies aan wat Maxeda wilde.

3.4.

Maxeda voert verweer en voert daartoe het volgende aan. Maxeda betwist dat zij de aan V&D vrijgevallen huurkorting dient te betalen onder de door haar afgegeven concerngarantie. Hiertoe heeft zij aangevoerd (i) dat de aan V&D vrijgevallen huurkorting onvoorwaardelijk in het bindend advies is kwijtgescholden en (ii) dat zelfs indien dat anders is, de terugbetalingsverplichting niet onder de reikwijdte van de concerngarantie valt. Maxeda is van mening dat in de eerste plaats de concerngarantie slechts aansprakelijkheid voor Maxeda meebrengt in het kader van de verplichtingen die voor de huurder voortvloeien op basis van de huurovereenkomst. In de tweede plaats houden de vaststellingsovereenkomst en de nadere afspraken wijzigingen dan wel aanvullingen in van de verplichtingen van V&D en [eiseres] die buiten de reikwijdte van het oorspronkelijke artikel 2 van de huurovereenkomst vallen. Maxeda stelt dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor eenzijdige wijzigingen van de huurovereenkomst waar zij niet mee heeft ingestemd.

3.5.

Voorts heeft Maxeda betwist dat zij de reeds verschuldigde huur die tijdens faillissement is opgekomen, oftewel de huurachterstand over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016 dient te vergoeden. Maxeda is van mening dat zij niet langer aansprakelijk is onder de concerngarantie omdat deze ziet op de verplichtingen van Vroom & Dreesman Nederland B.V. als huurder en [bedrijfsnaam] N.V. als verhuurder. [eiseres] heeft duidelijk gemaakt dat zij de rechtsopvolger van [bedrijfsnaam] N.V. is, echter op geen enkele wijze is onderbouwd hoe de oorspronkelijke huurder is vervangen door de huidige huurder V&D B.V. Maxeda stelt nimmer toestemming te hebben gegeven voor een contractoverneming, zodat zij niet geacht kan worden aansprakelijk te zijn indien V&D de rechtsopvolger van Vroom & Dreesman Nederland B.V. onder bijzonder titel is (6:157 lid 2 BW).

3.6.

Maxeda betwist ten slotte dat zij de huurovereenkomst als een zelfstandige verplichting tot en met december 2018 dient voort te zetten. Daartoe voert zij het volgende aan.

3.6.1.

Weliswaar bepaalt artikel 9 van de huurovereenkomst dat Maxeda hoofdelijk medeschuldenaar is, maar deze contractuele hoofdelijkheid is in de vorm van borgtocht overeengekomen. Doordat artikel 9 kwalificeert als borgtocht, strekt de betalingsverplichting van Maxeda niet verder dan die van V&D als hoofdschuldenaar bij de overeenkomst. Volgens Maxeda kan [eiseres] haar daardoor enkel aanspreken tot betaling van de huur over de periode dat de huurovereenkomst heeft voortgeduurd en waarvoor V&D niet aan haar betalingsverplichting heeft voldaan. De curator heeft de huurovereenkomst op grond van artikel 39 Fw opgezegd tegen 1 mei 2016, zodat op Maxeda slechts een betalingsverplichting rust over de periode tot 1 mei 2016. Voor het overige rust op haar geen betalingsverplichting.

3.6.2.

Dat artikel 9 van de huurovereenkomst als borgtocht kwalificeert, volgt uit de omstandigheid dat V&D als huurder van het pand als hoofdschuldenaar moet worden aangemerkt, terwijl de contractuele hoofdelijkheid van Maxeda enkel als zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van de hoofdschuldenaar diende. Dit is [eiseres] ook kenbaar geweest bij het sluiten van de overeenkomst. Ook de overige bepalingen in de overeenkomst bevestigen dit. Zo volgt uit het slot van artikel 5 dat in het geval V&D niet langer huurder is, Maxeda – anders dan [eiseres] stelt – juist niet in de rechten van V&D kon treden. In dat geval zouden alle onderhuurbepalingen komen te vervallen.

3.6.3.

Ook wanneer de overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium voor professionele partijen, kan niet tot een andere conclusie gekomen worden. Daartoe voert Maxeda aan dat zij alleen gehouden is verplichtingen van de huurder na te komen, die voor deze huurder na haar faillissement nog uit de overeenkomst voortvloeien. Voor V&D vloeien er na 1 mei 2016 geen verplichtingen uit de overeenkomst voort, zodat [eiseres] Maxeda daartoe ook niet kan aanspreken. In dat verband voert Maxeda nog aan dat partijen in de overeenkomst geen contractuele verplichting tot het vergoeden van leegstandschade zijn overeengekomen, net zo min als een standaard ROZ garantiebepaling of een andersoortige garantie is overeengekomen die leegstandschade beoogt te vergoeden. Van een zelfstandige betalingsverplichting van Maxeda is geen sprake, nu de tekst van artikel 9 geen blijk geeft van een dergelijke intentie. Volgens Maxeda bevestigt het ontbreken van een dergelijke tekst dat die intentie er juist niet was. Ten slotte wijst Maxeda nog op het gevolg van de uitleg van de bepaling die [eiseres] voor staat. Deze zou erop neer komen, indien V&D na één jaar huur niet langer partij bij de overeenkomst zou zijn, dat [eiseres] Maxeda had kunnen aanspreken tot betaling van 24 jaar aan huurtermijnen en tot exploitatie van het pand gedurende die periode. Het is uitgesloten dat Maxeda een dergelijke onbillijke verplichting op zich zou hebben genomen bij het sluiten van de overeenkomst, mede in het licht dat – zoals [eiseres] heeft gesteld – Maxeda juist de sterkere partij zou zijn geweest bij de onderhandelingen voorafgaand aan de totstandkoming van deze overeenkomst.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In onderhavige procedure dient te worden beoordeeld of Maxeda is gehouden de verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen ingevolge het bepaalde in artikel 9 van de huurovereenkomst (concerngarantie). In het bijzonder zal moeten worden beoordeeld of :

a. Maxeda de (achterstallige) huurpenningen over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016 dient te voldoen aan [eiseres] ;

b. Maxeda de aan V&D uitgekeerde huurkorting van € 68.833,81 is verschuldigd aan [eiseres] ;

c. Maxeda is gehouden de verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen vanaf 1 mei 2016 tot het einde van de huurovereenkomst op 31 december 2018.

De (achterstallige) huurpenningen over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016 (a)

4.2.

[eiseres] heeft de (achterstallige) huurpenningen gevorderd vanaf

1 januari 2016 tot 1 mei 2016. Kort samengevat stelt [eiseres] zich op het standpunt dat Maxeda ingevolge artikel 9 van de huurovereenkomst (concerngarantie) hoofdelijk medeschuldenaar is in de zin van artikel 6:6 lid 2 BW. Maxeda heeft niet betwist dat een rechtsvoorganger van haar de concerngarantie in artikel 9 van de huurovereenkomst heeft ondertekend, maar zij betwist bij gebrek aan wetenschap dat zij nog aansprakelijk is onder de concerngarantie. Maxeda betwist niet dat [eiseres] de rechtsopvolger is van [bedrijfsnaam] N.V., maar volgens Maxeda is op geen enkele wijze onderbouwd hoe de oorspronkelijke huurder is vervangen door de huidige huurder V&D B.V.. Maxeda betwist daarom dat zij voor deze huurder aansprakelijk is. Maxeda heeft voorts gesteld dat [eiseres] niet heeft aangetoond hoe het oorspronkelijke huurbedrag is opgelopen tot een maandelijks bedrag van € 177.709,81.

4.3.

Uit het door Maxeda gevoerde verweer volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat Maxeda niet betwist dat zij ingevolge artikel 9 van de huurovereenkomst is gehouden verplichtingen uit de huurovereenkomst die is gesloten tussen de rechtsvoorganger van [eiseres] en Vroom & Dreesman Nederland B.V., na te komen tot 1 mei 2016, dat wil zeggen de datum waartegen de huurovereenkomst is opgezegd. Maxeda betwist evenwel dat V&D B.V., die laatstelijk de huurder is geweest van de winkelruimte aan de [straatnaam] [nummer] - [nummer] te [vestigingsplaats] , de rechtsopvolger is van Vroom & Dreesman Nederland B.V.. De kantonrechter is om die reden van oordeel dat [eiseres] in de gelegenheid dient te worden gesteld om, onder het in het geding brengen van bewijsstukken, nader te onderbouwen dat V&D B.V. de rechtsopvolger onder algemene titel is van Vroom & Dreesman Nederland B.V..

4.4.

De kantonrechter is voorts van oordeel, gelet op het door Maxeda gevoerde verweer dat [eiseres] niet heeft aangetoond hoe het oorspronkelijk huurbedrag is opgelopen tot het maandelijkse bedrag van € 177.709,81, dat [eiseres] in de gelegenheid dient te worden gesteld om ook dit nader met bewijsstukken te onderbouwen.

4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3. en 4.4. is overwogen zal de zaak naar de rolzitting van 8 maart 2017 worden verwezen voor akte aan de zijde van [eiseres] .

De huurkorting (b)

4.6.

De beslissing omtrent de verschuldigdheid van de huurkorting zal worden aangehouden totdat is beslist over de vraag of Maxeda de (achterstallige) huurpenningen over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016 dient te voldoen aan [eiseres] .

De verplichtingen uit de huurovereenkomst vanaf 1 mei 2016 tot het einde van de huurovereenkomst op 31 december 2018 (c)

4.7.

De vraag of Maxeda jegens [eiseres] verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft vanaf 1 mei 2016 tot het einde van de huurovereenkomst op 31 december 2018 zal eveneens worden aangehouden totdat is beslist over de vraag of Maxeda de achterstallige huurpenningen over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016 dient te voldoen aan [eiseres] .

5 De beslissing

De kantonrechter

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 maart 2017 om 11.00 uur voor akte aan de zijde van [eiseres] , zoals bedoeld in rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4.;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op

8 februari 2017.