Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3261

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
5698740 UT VERZ 17-1176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4:194a BW. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0194
ERF-Updates.nl 2017-0144
RN 2017/81
FJR 2017/58.1
JERF 2018/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Team toezicht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: 5698740 UT VERZ 17-1176

Beschikking van 15 juni 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: verzoekster,

gemachtigde: mr. F.H.P. van Venetien.

Verzoekster heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van erfgenaam.

Het verzoek betreft de nalatenschap van:

[erflater] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1947] , overleden te Vianen op [2014] , laatst gewoond hebbende te [woonplaats] , hierna ook te noemen erflater.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 25 januari 2017, ter griffie ingekomen op 30 januari 2017, een verzoekschrift ingediend dat strekt tot machtiging om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te mogen aanvaarden dan wel haar te ontheffen van de verplichting de schuld vanuit het eigen vermogen te voldoen.

1.2.

Bij faxbericht van 10 mei 2017 heeft de belanghebbende, na te melden het Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., op het verzoek gereageerd.

1.3.

Bij faxbericht van 10 mei 2017 heeft verzoekster nog een aanvullende brief en bijlagen toegezonden.

1.4.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017. Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    verzoekster met haar advocaat mr. F.H.P. van Venetien en vergezeld van een tolk;

  • -

    de heer [A] , zoon van verzoekster;

  • -

    mr. C. Hartman, namens het Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V..

Van het verhandelde ter terechtzitting is aantekening gehouden.

2 Feiten

2.1.

Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met verzoekster. Uit dit huwelijk zijn zeven kinderen geboren.

2.2.

Uit de verklaring uit het Centraal Testamenten Register blijkt dat erflater niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. Hierdoor is de wettelijke verdeling van toepassing.

2.3.

Alle erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

3 De beoordeling

3.1.

Het verzoek van verzoekster is gebaseerd op artikel 4:194a lid 1 en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van het eerste lid van deze wetsbepaling wordt een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd om de nalatenschap alsnog beneficiair aanvaarden.

3.2.

Voorts kan op grond van het tweede lid van deze wetsbepaling een erfgenaam die na vereffening of verdeling van de nalatenschap bekend wordt met een schuld, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, indien hij binnen de in het eerste lid genoemde termijn het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter worden ontheven van zijn verplichting de schuld uit zijn vermogen te voldoen voor zover deze niet uit hetgeen hij krachtens erfrecht uit de nalatenschap heeft verkregen, kan worden voldaan.

3.3.

Nu erflater niet bij uiterste wilsbeschikking over zijn nalatenschap heeft beschikt, is het erfrecht bij versterf van toepassing. Vaststaat dat alle erfgenamen zuiver hebben aanvaard, waardoor er geen vereffening heeft plaatsgevonden. Daarnaast was verzoekster ten tijde van het overlijden van erflater met hem gehuwd. Hierdoor is de wettelijke verdeling van toepassing. Op grond van de wettelijke verdeling heeft verzoekster van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkregen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter in het onderhavige geval sprake van een situatie dat de schuld na verdeling van de nalatenschap wordt ontdekt. Derhalve zal de kantonrechter het verzoek toetsen aan het bepaalde in artikel 4:194a lid 2 BW.

3.4.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij de schuld uit hoofde van een nog openstaande PGB-vordering ten gunste van het Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (hierna: het Zorgkantoor) niet kende op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Verzoekster is, naar eigen zeggen, pas bekend geworden met de schuld door de brief van GGN deurwaarders van 25 november 2016. Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat zij de schuld ook niet behoorde te kennen op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Daartoe heeft zij gesteld dat het Zorgkantoor en vervolgens GGN deurwaarders (hierna: GGN) alle correspondentie aangaande de PGB schuld naar een onjuist adres heeft verzonden. De brieven zijn geadresseerd aan het adres [postadres] , terwijl dit [woonadres] – het woonadres van verzoekster – had moeten zijn. Daarnaast heeft verzoekster verklaard dat zij de financiële administratie niet zelf heeft gedaan omdat zij de Nederlandse taal onmachtig is. Zij heeft dit uitbesteed aan een derde, waardoor zij niet op de hoogte was van de PGB schuld.

3.5.

Het Zorgkantoor heeft daartegenover gesteld dat de heer [erflater] op 6 september 2011 schriftelijk als woonadres [woonadres] en als postadres [postadres] heeft opgegeven. Het Zorgkantoor heeft dit ondertekende formulier overgelegd. Daarnaast heeft het Zorgkantoor verklaard dat de subsidievaststellingen PGB over de jaren 2012 tot en met 2014 aan beide adressen zijn verzonden.

3.6.

Uit artikel 4:194a BW volgt dat de uitzonderingsclausule van dit artikel alleen bescherming biedt voor schulden die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt aangesloten bij het begrip goede trouw in het BW (artikel 3:11 BW). Goede trouw ontbreekt als de erfgenaam van het bestaan van de schuld wist op het moment van aanvaarding van de nalatenschap. Ook als een erfgenaam weliswaar een juiste voorstelling van zaken miste met betrekking tot de aanwezige schulden, maar onder de gegeven omstandigheden beter behoorde te weten of twijfelde of had moeten twijfelen over (de afwezigheid van) een schuld en heeft nagelaten hiernaar nader onderzoek te doen, kan hij als niet te goeder trouw worden aangemerkt.

3.7.

De kantonrechter stelt voorop dat hij ervan uitgaat dat verzoekster de schuld aan het Zorgkantoor niet kende op het moment dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Dit houdt tevens in dat de kantonrechter ervan uitgaat dat verzoekster pas op 25 november 2016 bekend is geworden met de PGB schuld ten gunste van het Zorgkantoor, waardoor zij het verzoek tijdig, te weten binnen drie maanden na ontdekking van de schuld, bij de kantonrechter heeft ingediend.

3.8.

De kantonrechter is echter wel van oordeel dat zij de schuld behoorde te kennen. Hij overweegt daartoe het volgende.

3.9.

Uit de parlementaire geschiedenis van voornoemd wetsartikel volgt dat bij invulling van hetgeen een erfgenaam ‘behoorde te kennen’, het erom gaat wat hij redelijkerwijze had kunnen weten. In ieder geval wordt van een erfgenaam verwacht dat hij heeft onderzocht waaruit de nalatenschap bestaat. Op grond van de wet rust op de erfgenaam de verplichting om de nalatenschap af te wikkelen. Onderdeel van de afwikkeling is het betalen van alle schulden. Om deze te kunnen betalen, zal de erfgenaam moeten weten welke schulden er zijn. Daarvoor is ten minste nodig dat hij de administratie van de erflater moet hebben geraadpleegd.

3.10.

Dat verzoekster de administratie heeft uitbesteed en dat diegene, volgens verzoekster, die administratie op onjuiste wijze heeft gevoerd en vervolgens met de noorderzon is vertrokken, maakt niet dat verzoekster de administratie niet hoefde te raadplegen. Zij en wijlen haar echtgenoot (erflater) hebben zelf de keuze gemaakt om de administratie uit te besteden aan een derde. De wijze waarop de administratie vervolgens is verzorgd komt dan ook voor rekening en risico van verzoekster. Daarbij komt dat zij wist dat erflater PGB gelden ontving. Immers, zoals door verzoekster zelf ter zitting verklaard, werd dit gebruikt om de geleverde zorg mee te betalen. Zorg die verzoekster nota bene zelf leverde. Dit maakt dat verzoekster tenminste nader onderzoek had moeten doen naar het PGB. Voorts is uit het door het Zorgkantoor overgelegde formulier van 6 september 2011 voldoende gebleken dat de heer [erflater] zelf [postadres] als postadres aan het Zorgkantoor heeft doorgegeven. Dat dit formulier niet door verzoekster of erflater is ingevuld en ondertekend, zoals door verzoekster gesteld, is onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat dit postadres het adres is van één van de dochters van verzoekster, welke dochter ook erfgenaam is. Voorts is uit de door het Zorgkantoor overgelegde stukken voldoende gebleken dat het Zorgkantoor de subsidievaststellingen PGB over de jaren 2012 tot en met 2014 zowel aan het adres [postadres] als [woonadres] heeft verzonden.

De stelling van verzoekster dat het Zorgkantoor en vervolgens GGN alle correspondentie aangaande de PGB schuld naar een onjuist adres heeft verzonden, wordt dan ook verworpen.

3.11.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek afwijzen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.F. van Vugt, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.1

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.

1 type: AdJ/4600 coll: