Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3201

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
16/660438-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een nog jong slachtoffer van 25 jaar oud van het leven beroofd door hem in de buik te steken. Het incident vond plaats aan het einde van een familiefeest, waardoor veel familieleden, waaronder het 8-jarige dochtertje van verdachte, getuige zijn geweest van het neersteken van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0579
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/660438-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juni 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1965] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]
thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 maart 2017, 2 mei 2017 en 14 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen verdachte en mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht, alsmede mr. B.A.A. Postma, advocaat te Amersfoort, namens de benadeelde partijen, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 27 november 2016 te Amersfoort [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem met een mes te steken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Door meerdere mensen zijn verklaringen afgelegd, door de familieleden maar ook door onafhankelijke getuigen. Meerdere familieleden zijn later ook als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Tussen die verklaringen zitten verschillen. Het is een indrukwekkende gebeurtenis geweest, maar ook een chaotische gebeurtenis. En het is een bekend gegeven dat in zo’n situatie de waarneming van getuigen uiteen kan lopen. Dat betekent echter niet dat deze verklaringen niet kunnen worden gebruikt om te reconstrueren wat er die avond gebeurd is. Het gaat er uiteindelijk om dat getoetst kan worden in hoeverre verklaringen elkaar ondersteunen in de kern.

De officier van justitie gaat uit van de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] die allen hebben verklaard te hebben gezien dat verdachte een stekende beweging maakte. Tevens heeft de onafhankelijke getuige [getuige 5] , die niet heeft gezien dat er is gestoken, verklaard dat hij hoorde dat er werd geroepen “Ik maak je dood, ik ga je pakken, kankerlijers.” Dit zou hij hebben gehoord voordat hij vervolgens een persoon languit op straat zag liggen. Deze verklaringen zijn volgens de officier van justitie niet onbetrouwbaar.

Daarbij komt dat er geen andere getuigenverklaringen dan de verklaring van verdachte zijn dat [slachtoffer] achter verdachte aanliep en erg ruw aan de arm van verdachte zou hebben getrokken. Door een forensisch arts van het NFI is verklaard dat vanuit zijn vakgebied niets gezegd kan worden over de waarschijnlijkheid van het scenario van verdachte. Vaststaat dat het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan door een mes met een lemmet van 10 centimeter, terwijl het perforatiekanaal zo’n 18 centimeter diep is. De officier van justitie is van mening dat hij op basis van het dossier en de genoemde gegevens kan concluderen dat er sprake moet zijn geweest van opzet gelet op de hele forse druk van het mes op het lichaam van [slachtoffer] . Het is wat hem betreft onvoorstelbaar dat [slachtoffer] , enkel door aan de arm en/of schouder van verdachte te trekken, zo veel kracht zou hebben uitgeoefend dat een dergelijke diepe verwoning kon ontstaan zonder dat hij verdachte meteen van zich af zou hebben geduwd zodra hij geraakt werd. In dat opzicht moet het scenario van verdachte, naast het ontbreken van enige steunverklaring daarvoor, als hoogst onaannemelijk worden gekwalificeerd.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte, door op het moment dat [slachtoffer] achter hem aanliep het uitgeklapte mes met gestrekte arm voor zich te houden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] bij een lijfelijke confrontatie gewond zou raken door het mes. Er is daarom in elk geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De rechtbank kan, naar de mening van de raadsman, op basis van dit dossier niet tot een vaststelling van de feiten komen. Zelfs als de rechtbank zou uitgaan van één van de voor verdachte belastende getuigen, dan zijn de verschillende verklaringen van die getuigen zodanig inconsistent en innerlijk tegenstrijdig dat een vaststelling van de feiten niet mogelijk is. Bovendien zou die ene getuige dan weer door alle andere belastende getuigen worden tegen gesproken. Tevens worden de belastende getuigen weersproken door onafhankelijke getuigen. Zo blijkt uit de verklaringen van die onafhankelijke getuigen dat er wel degelijk sprake is geweest van een vechtpartij waarbij [slachtoffer] klappen zou hebben uitgedeeld. [getuige 1] wordt tevens door [getuige 6] , één van de onafhankelijke getuigen, op de boot geplaatst op het moment dat zij hoort dat [slachtoffer] geraakt is door een mes. Op basis van de ongeloofwaardige en onbetrouwbare verklaringen van de belastende getuigen kan dan ook niet worden gesteld dat verdachte heeft gestoken.

De verklaringen van verdachte zijn daarentegen consistent en op geen innerlijke tegenstrijdigheid te betrappen. Zijn verklaring wordt daarbij ondersteund door de verklaring van [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] en [getuige 10] . [getuige 10] heeft immers verklaard: “ik zie [slachtoffer] ‘m beetpakken, achteruit lopen en in elkaar storten en meer zie je niet.” Er is dus sprake van een alternatief scenario. Indien de rechtbank dit alternatieve scenario volgt, dient verdachte te worden vrijgesproken omdat het opzet op het hem tenlastegelegde ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten 1

Op 27 november 2016 omstreeks 01:26 uur hoorde verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon dat er een man was neergestoken op de Kleine Koppel te Amersfoort, ter hoogte van de partyboot. Toen de verbalisant ter plaatse kwam, zag zij ter hoogte van de partyboot een man op straat liggen. Zij zag dat zijn bovenlichaam ontbloot was en dat een andere man een doek of iets dergelijks tegen de buik van de man aandrukte. Deze doek was doordrenkt van het bloed. Achter de verbalisant stond een vrouw, genaamd [getuige 11] . Zij bleek de stiefmoeder van het slachtoffer te zijn. Zij gaf op dat haar zoon was genaamd [slachtoffer] , geboren op [1991] te [geboorteplaats] . Vervolgens is het slachtoffer met spoed naar het Meander Medisch Centrum te Amersfoort overgebracht.2

Omstreeks 01:45 uur kwam verbalisant [verbalisant 2] aan in het Meander te Amersfoort. Hij zag bij het slachtoffer een snee ter hoogte van zijn buik en zag dat daar bloed uit kwam. Omstreeks 03:30 uur sprak de verbalisant met arts [arts] . De arts verklaarde: “het mes heeft waarschijnlijk zijn aorta in zijn buik geraakt. We hebben de aorta gehecht en wachten nu af wat er gebeurt.”

Omstreeks 03:51 uur hoorde de verbalisant van de eerdergenoemde arts dat het slachtoffer was overleden.3

Door arts en patholoog Ann Maes is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer] .4 Aan het lichaam was een steekkanaal te herleiden van voor naar achter en iets voetwaarts ter lengte van circa 18 centimeter. In het steekkanaal was er perforatie van de buikwand, de darmophangband, meerdere dunne darmlissen en de lichaamsslagader (aorta) over een lengte van 1,5 centimeter juist boven de splitsing van de bekkenslagaders. Er was veel begeleidende bloeduitstorting in de omgevende weke delen en er was circa 50 ml bloed in de vrije buikholte. De steekwond was veroorzaakt door steken met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes. De vorm van de steekwond met een scherpe en stompe punt kan passen bij steken met een éénzijdige snijdend voorwerp zoals een éénzijdig snijdend mes. Het overlijden kan goed worden verklaard als gevolg van massaal bloedverlies en algehele weefselschade door het oplopen van de steekwond.5

Verbalisant [verbalisant 3] sprak op 27 november 2016 omstreeks 02:40 uur in het Meander Medisch Centrum te Amersfoort met [getuige 1] , de zus van het slachtoffer. [getuige 1] verklaarde dat zij boven op het dek zag dat diverse mensen aan het duwen en trekken waren aan elkaar. Zij zag ook haar broer [slachtoffer] op het dek. Ze zag dat [slachtoffer] erg boos was en dat hij door diverse mensen werd vastgehouden.6 [getuige 1] verklaarde dat zij ook verdachte op het dek zag en dat ook hij door diverse mensen werd vastgehouden. Kort daarna zag zij dat verdachte weg liep van het dek en de boot afging. Ze zag ook dat [slachtoffer] zich kennelijk had losgemaakt van de personen die hem vasthielden en achter verdachte aanliep. [getuige 1] liep achter [slachtoffer] aan en probeerde hem vast te pakken en tegen te houden. Toen zij vlakbij [slachtoffer] liep, zag zij dat verdachte zich ineens omdraaide. Zij zag dat verdachte een mes in zijn handen had, volgens [getuige 1] in zijn linkerhand. Direct daarop zag zij dat verdachte met dit mes in de buik van [slachtoffer] stak.7

[getuige 1] is op 27 november 2016 te 12:45 uur als getuige gehoord.8 Zij verklaarde in dat verhoor dat zij zag dat [slachtoffer] alleen maar boos tegenover verdachte stond. Direct daarop zag zij dat verdachte iets naar achter stapte en dat hij met zijn linkerhand een beweging maakte. Zij zag dat hij zijn linkerarm naar achter bracht en vervolgens zijn linkerarm hard en snel naar voren bewoog. Zij noemde dit een stekende beweging. Deze stekende beweging maakte verdachte onderlangs, met iets gebogen arm naar de onderbuik van [slachtoffer] . Direct daarop zag zij dat [slachtoffer] met allebei zijn handen naar zijn buik pakte. Zij zag dat [slachtoffer] achteruit liep en achterover op de grond viel.9

Verbalisant [verbalisant 3] sprak op 27 november 2016 omstreeks 02:40 uur in het Meander Medisch Centrum te Amersfoort ook met [getuige 2] , een zus van [slachtoffer] .10 Zij verklaarde dat haar broer [slachtoffer] erg boos werd op verdachte en dat er een ruzie ontstond. Zij zag dat verdachte de boot afliep en dat [slachtoffer] achter hem aanliep. Verdachte draaide zich opeens om en liep op [slachtoffer] af. Toen verdachte vlakbij [slachtoffer] was, maakte hij ineens een onderhandse steekbeweging richting de buik van [slachtoffer] . Vervolgens zag zij dat [slachtoffer] achteruit wankelde, met zijn beide handen naar zijn buik greep en daarna in elkaar zakte.11

[getuige 2] is op 1 december 2016 als getuige gehoord.12 Zij verklaarde dat zij op het laatste stukje van de loopbrug is blijven staan.13 Vervolgens zag [getuige 2] dat verdachte op [slachtoffer] afstapte en dat zij op dat moment minder dan een meter bij elkaar vandaan waren. Zij zag toen dat verdachte een steekbeweging maakte. Hij maakte een onderhandse steekbeweging. .14

[getuige 4] , de moeder van [slachtoffer] , is op 27 november 2016 omstreeks 02:40 uur in het Meander Ziekenhuis te Amersfoort als getuige gehoord.15 Zij verklaarde dat zij zag dat [slachtoffer] op verdachte afliep en dat verdachte op [slachtoffer] afliep. Vervolgens zag zij dat verdachte een steekbeweging maakte in de richting van [slachtoffer] .16

Verbalisant [verbalisant 4] kwam op 27 november 2016 samen met haar collega [verbalisant 5] ter plaatse op de Kleine Koppel. Zij hoorde daar mensen roepen dat er iemand was neergestoken. Vervolgens werd de verbalisant geroepen door een vrouw die wees in de richting van de Brabantseweg en zei dat dat de man was die had gestoken. De verbalisant zag dat een man rustig maar onvast ter been haar kant op kwam lopen. De verbalisant heeft de man vervolgens aangehouden.17 Op 27 november 2016 werd verdachte om 1:30 uur ingesloten op het politiebureau te Amersfoort. Ze hoorde verdachte zeggen dat hij het mes in zijn linker broek zak had. Zij hoorde dat de verdachte zei dat dit het mes was waarmee hij had gestoken.18

Verbalisant [verbalisant 5] verklaarde dat hij bij verdachte, tijdens de insluiting, een sterke alcohollucht rook en zag dat zijn ogen rood doorlopen waren. Verbalisant [verbalisant 5] vroeg verdachte vervolgens of hij scherpe voorwerpen bij zich droeg. Hij hoorde verdachte zeggen dat hij een mes in zijn jaszak had en dat hij met het mes gestoken had. 19

4.3.2

Bewijsoverweging

Getuigenverklaringen

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van de voor verdachte belastende getuigen zodanig inconsistent en innerlijk tegenstrijdig zijn, dat op basis van die verklaringen de feiten niet kunnen worden vastgesteld.

De rechtbank zal hierna per getuigenverklaring die zij bij de vaststelling van de feiten hierboven heeft aangehaald , uiteenzetten waarom zij deze verklaring wel voor het bewijs heeft gebruikt.

[getuige 1]

heeft in de nacht van 26 op 27 november 2016, direct na het incident en nog voordat [slachtoffer] was overleden, in het ziekenhuis een verklaring afgelegd. Uit het dossier blijkt dat [getuige 1] op dat moment nuchter was. Kort daarna, op 27 november 2016 is [getuige 1] als getuige gehoord. Op essentiële onderdelen is die verklaring hetzelfde gebleven als de verklaring die zij eerder die nacht had afgelegd. Dat de latere verklaringen van [getuige 1] op details anders zijn, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

[getuige 2]

De verklaring van [getuige 2] ondersteunt de verklaring van [getuige 1] . Ook [getuige 2] heeft in de nacht van 26 op 27 november 2016, direct na het incident, in het ziekenhuis een verklaring afgelegd en is later op 27 november 2016 als getuige gehoord. En ook met betrekking tot haar latere verklaringen waarin zij op details anders verklaart, is de rechtbank van oordeel dat dit niet afdoet aan de essentie van haar eerste verklaring.

De rechtbank betrekt hierbij dat deze getuige verklaarde vanwege haar zwangerschap die avond geen alcohol te hebben gedronken.

[getuige 4]

is in de nacht van 26 op 27 november 2016 in het ziekenhuis, direct na het incident, gehoord. In deze verklaring zegt zij dat verdachte een steekbeweging maakte in de richting van [slachtoffer] . De rechtbank hecht, anders dan de raadsman, wel waarde aan deze verklaring. Dat [getuige 4] later- 5 maanden na de dood van haar zoon als zij bij de rechter-commissaris als getuige wordt gehoord- een andere verklaring aflegt doet daar niet aan af. Met name aan het intrekken van haar verklaring dat zij het steken heeft gezien, hecht de rechtbank geen waarde. De rechtbank overweegt daartoe dat [getuige 4] haar verklaring met betrekking tot het zien van het steken intrekt op het moment dat - tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris - het uittrekken van de blouse door [slachtoffer] en het moment dat [getuige 4] wegdraaide worden gekoppeld aan het steekincident. De rechtbank stelt vast dat juist uit andere verklaringen blijkt dat [slachtoffer] die blouse al uit had op het moment dat hij achter verdachte aanliep. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking

dat [getuige 4] pas bijna 5 maanden later is gehoord en uit de bij de vordering benadeelde partij gevoegde stukken blijkt dat [getuige 4] op dat moment leed aan PTSS ten gevolge van de dood van haar zoon.

De rechtbank merkt in dit verband op dat er geen aanwijzingen zijn dat bovengenoemde getuigen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd om verdachte de schuld in de schoenen te schuiven zoals hij ter zitting heeft aangegeven. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze drie getuigenverklaringen betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij worden deze verklaringen ondersteund door hetgeen verbalisanten verdachte bij de insluiting hebben horen zeggen over het mes waarmee hij heeft gestoken.

Alternatief scenario van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van een alternatief scenario. Verdachte is door [slachtoffer] twee keer zeer hard aan zijn linker arm getrokken, waardoor hij bij de tweede keer tegenover [slachtoffer] kwam te staan en het mes dat hij in zijn linker hand had in de buik van [slachtoffer] kwam. Het slachtoffer heeft zichzelf in het mes getrokken.

De rechtbank is van oordeel dat dit door verdachte geschetste scenario geen ondersteuning vindt in het dossier, noch in de verklaringen van getuigen. De anatoom-patholoog heeft op nadere vragen geantwoord dat het niet mogelijk is een uitspraak te doen over met welke kracht en hoe het mes in de buik van [slachtoffer] is gekomen. De forensisch arts heeft op vragen van de politie verklaard dat het letsel zoals beschreven in het sectieverslag door meerdere scenario’s kan zijn ontstaan. Een onderscheid qua waarschijnlijkheid kan niet worden gemaakt op grond van het letsel. De rechtbank concludeert hieruit dat deze bevindingen niet onderscheidend zijn en hieruit niet exclusief steun voor het scenario van verdachte kan worden afgeleid.

De raadsman heeft betoogd dat het scenario van verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] en ook door [getuige 10] . De rechtbank overweegt dat door [getuige 7] en [getuige 8] is verklaard dat zij het daadwerkelijke steken niet hebben gezien. [getuige 9] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij op een gegeven moment de boot weer in is gegaan en dat hij binnen van [getuige 4] hoorde dat [slachtoffer] was neergestoken.

Tot slot is door de raadsman aangevoerd dat [getuige 10] bij de politie heeft verklaard dat [slachtoffer] verdachte beetpakte, achteruit liep en in elkaar stortte en dit dus een ondersteuning is van het scenario van verdachte. De rechtbank overweegt dat [getuige 10] in diezelfde verklaring heeft gezegd dat hij dronken was en dat het allemaal één zwart gat is tot de volgende ochtend 06:00 uur. Gelet daarop hecht de rechtbank dan ook geen waarde aan de door de raadsman geciteerde verklaring van [getuige 10] .

De rechtbank acht het alternatieve scenario van verdachte dan ook niet aannemelijk.

Opzet of voorwaardelijk opzet

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft op zitting verklaard dat het enige dat hij wilde was zichzelf en zijn dochter in veiligheid brengen. Vast is komen staan dat verdachte [slachtoffer] met een mes in de buikstreek heeft gestoken. Nu blijkens de medische informatie van A. Maes, arts en patholoog, sprake is van een diepe buikwond van circa 18 centimeter lang terwijl het lemmet van het mes ongeveer 10 centimeter was, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met een zodanige kracht heeft gestoken dat daarmee vitale organen in het bovenlichaam geraakt konden worden. De buikstreek is een plek waar zich enkele centimeters onder de huid vitale organen en lichaamsdelen bevinden. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van het steken met een mes in de buikstreek komt te overlijden aanmerkelijk, indien ten gevolge van het steken de aorta wordt geraakt. Het met een mes krachtig steken in de buikstreek is naar de uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zodanig gericht op het beschadigen van vitale organen en lichaamsdelen dat verdachte op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Het ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 27 november 2016 te Amersfoort opzettelijk [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes gestoken in de

buik van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5.1

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

5.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding nu nergens uit is gebleken dat [slachtoffer] op het moment van de confrontatie op de kade voornemens was om geweld te gebruiken tegen verdachte. Indien de rechtbank van oordeel is dat dat uit hetgeen daar aan vooraf is gegaan op het dek en de kade voor de partyboot kan worden afgeleid, dan is de officier van justitie van mening dat er in elk geval geen sprake is geweest van proportionaliteit en subsidiariteit. [slachtoffer] had geen wapen en het was daarom niet proportioneel om met een mes in zijn buikstreek met daarin vitale organen te steken. Tevens had verdachte andere mogelijkheden om aan een wederrechtelijke aanranding te ontkomen. Een beroep op noodweer faalt dus..

5.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair een beroep op noodweer gedaan en verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte en zijn dochtertje. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan, verdachte is immers kort daarvoor weggelopen. Het feit dat verdachte iets naars zou hebben gezegd over de moeder van [slachtoffer] , maakt naar de mening van de raadsman nog niet dat er sprake is van culpa in causa. Indien de rechtbank meent dat het optreden van verdachte niet proportioneel is geweest, dan heeft de raadsman meer subsidiair een beroep op noodweerexces gedaan. Verdachte was zeer kort daarvoor belaagd door meerdere volwassen mannen en werd vervolgens geconfronteerd met een agressieve en opgefokte [slachtoffer] terwijl verdachte de zorg had voor zijn jonge dochter.

5.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 41 Wetboek van Strafrecht dient voor een geslaagd beroep op noodweer sprake te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.

De rechtbank moet ten eerste bepalen of er er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

Verdachte heeft verklaard dat hij kort voor het steken werd aangevallen en dat hij maar één ding wilde, namelijk daar wegkomen en zijn dochter en zichzelf in veiligheid brengen. Meerdere onafhankelijke getuigen hebben verklaard dat zij op de partyboot duwen en trekken zagen. Daarnaast is tevens gebleken dat [slachtoffer] door meerdere personen werd tegen gehouden, maar wist los te komen en vervolgens achter verdachte aan ging. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op dat moment er wel vanuit mocht gaan dat hij weer aangevallen zou worden en dat daarmee sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Vervolgens dient de rechtbank te bepalen of verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was. Daarbij is de maatstaf dat de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De rechtbank is, gelet op de aard van de aanval, te weten het duwen en trekken en daarna weer achter verdachte aanlopen, van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel was. Door te steken met het mes zoals bewezenverklaard heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Te meer nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen dan wel [slachtoffer] van zich af kunnen duwen/slaan.

De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.

De raadsman heeft meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer] was volgens meerdere aanwezigen agressief en stond tegenover verdachte, maar deed op dat moment niets. Verdachte deed echter wel wat, namelijk het steken met het mes. Van een hevige gemoedstoestand is niet gebleken, ook niet uit de verklaring van verdachte. De onderbouwing van de raadsman dat er sprake was van een hevige gemoedstoestand, namelijk dat verdachte belaagd werd door meerdere volwassen mannen, vervolgens werd geconfronteerd met een agressieve [slachtoffer] en dit terwijl hij de zorg had voor zijn jonge dochter, zijn omstandigheden die voor de rechtbank hebben gemaakt dat er sprake was van een noodweersituatie, maar is onvoldoende om noodweerexces aan te nemen.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces.

Tot slot merkt de rechtbank het volgende op. Door verdachte is een opmerking gemaakt over de moeder van [slachtoffer] , een opmerking die door [slachtoffer] gehoord werd en die de aanleiding was voor de confrontatie. Echter, de enkele omstandigheid dat verdachte zich in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel en verdachte vervolgens het mes uit zijn zak heeft gepakt en uitgeklapt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van culpa in causa.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

doodslag.

6 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 OPLEGGING VAN STRAF

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 9 jaren, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op zijn standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken, geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft de raadsman, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht rekening te houden met de persoon van verdachte zoals dat naar voren is gekomen in de psychologische en psychiatrische rapportages en in de brief van mevrouw Van den Brink van Samen Veilig van 7 juni 2017.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een nog jong slachtoffer van 25 jaar oud van het leven beroofd door hem in de buik te steken. Het incident vond plaats aan het einde van een familiefeest, waardoor veel familieleden, waaronder het 8-jarige dochtertje van verdachte, getuige zijn geweest van het neersteken van [slachtoffer] .

Verdachte heeft [slachtoffer] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Verdachte heeft door deze daad de partner, de familie, vrienden en bekenden van [slachtoffer] groot en onherstelbaar leed toegebracht. Dat [slachtoffer] erg geliefd was en zijn dood voor enorm verdriet en gemis heeft gezorgd bij zijn familie en vrienden, bleek duidelijk uit de slachtofferverklaringen van zijn ouders, zussen en verloofde, zoals naar voren gebracht ter terechtzitting. Maar ook buiten die kring is de rechtsorde door dit feit ernstig geschokt.

Een dergelijk misdrijf draagt een voor de rechtsorde bijzonder schokkend karakter en veroorzaakt sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 29 december 2016 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een geweldsdelict.

Verdachte is onderzocht door een psycholoog en een psychiater. Beide deskundigen schrijven in hun rapportages van 10 februari 2017 respectievelijk 7 februari 2017 dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit niet leed aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Nu verdachte het feit ontkent en er geen sprake is van een stoornis, hebben de deskundigen geen uitspraak kunnen doen ten aanzien van het recidivegevaar.

Tot slot heeft de rechtbank ook kennis genomen van het advies van de reclassering van 10 februari 2017. De reclassering adviseert de rechtbank om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat zij op dit moment geen mogelijkheden tot interventies ziet die kunnen worden ingezet om een kans op recidive te verlagen.

Voor doodslag zijn landelijk geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank heeft gekeken naar uitspraken zoals die door de diverse rechterlijke colleges in Nederland in soortgelijke zaken zijn gedaan.

De rechtbank is in dit geval, vanwege de ernst van het feit, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur de enige passende straf is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank ziet aanleiding, gelet op het standpunt van de rechtbank dat er wel sprake is geweest van een noodweersituatie, om af te wijken van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

8 BENADEELDE PARTIJ

[getuige 10]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 35.000,00, volledig bestaande uit immateriële schade, te weten € 15.000,00 aan shockschade en € 20.000,00 aan affectieschade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[getuige 11]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 42.358,65. Dit bedrag bestaat uit € 7.358,65 materiële schade en € 35.000,00 immateriële schade, te weten € 15.000,00 aan shockschade en € 20.000,00 aan affectieschade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[getuige 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 15.385,00. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade, te weten shockschade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[getuige 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 15.000,00, volledig bestaande uit immateriële schade, te weten shockschade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

[benadeelde]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 15.102,48. Dit bedrag bestaat uit €102,48 materiële schade en € 15.000,00 immateriële schade, te weten shockschade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door alle benadeelde partijen aangevoerde materiële schade is onderbouwd en dat daarom dat deel van de vorderingen kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de shockschade heeft de officier van justitie aangevoerd dat van belang is of bij degene die de schade claimt sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Gelet op de onderbouwing van de vordering van [getuige 1] , [getuige 4] en [benadeelde] is daar sprake van en kan de door hen gevorderde vergoeding wegens shockschade worden toegewezen. Nu bij [getuige 2] en [getuige 10] geen psychiatrisch erkend ziektebeeld is vastgesteld, dient hun vordering met betrekking tot de shockschade te worden afgewezen.

Wat betreft de affectieschade die door [getuige 10] en [getuige 4] is gevorderd stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat zolang het wetsvoorstel 34.257 inzake affectieschade niet tot wet verheven is, er geen affectieschade kan worden toegekend. De vordering van [getuige 10] en [getuige 4] dient op dat punt dan ook te worden afgewezen.

Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dienen te worden toegepast.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, gelet op de bepleite vrijspraak, dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van benadeelde [getuige 10]

De rechtbank zal de benadeelde partij [getuige 10] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde heeft immateriële schade, bestaande uit shockschade en affectie schade gevorderd. Shockschade kan alleen worden toegewezen indien er bij degene die de schade claimt sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Nu uit de vordering blijkt dat de benadeelde nog niet een behandeling heeft ondergaan en dus bij hem nog geen psychiatrisch erkend ziektebeeld is vastgesteld, komt de gevorderde shockschade (nog) niet voor vergoeding in aanmerken.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade in verband met affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar huidig Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek kan zogeheten shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daaronder valt echter niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden van een dierbare (affectieschade).
Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar in het arrest Vilt (ECLI:NL:HR:2009: BI 8583) aan toe dat dit niet anders is, als het gaat on (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van een opzettelijk misdrijf.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij aangehaalde Richtlijn 2012/29 EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 14 november 2012, L 315) overweegt de rechtbank dat de implementatietermijn van deze richtlijn is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Dit betekent dat een beroep kan worden gedaan op bepalingen van de richtlijn die rechtstreekse werking hebben. Het moet dan gaan om bepalingen die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en die rechten toekennen aan individuen. Naar het oordeel van de rechtbank geeft geen van de bepalingen van de richtlijn aan slachtoffers, als waarvan in dit geval sprake is, concreet het recht op vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade. Het beroep op Richtlijn 2012/29 EU kan daarom niet slagen.

Tot slot ziet de rechtbank ook in een beroep op het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeding van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Ten aanzien van benadeelde [getuige 11]

De schade voor zover die betrekking heeft op materiële schade ter hoogte van € 7.358,65 en shockschade ter hoogte van € 15.000,00 komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 22.358,65 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 november 2016, en waar het gaat om het eigen risico van € 385,- de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot de dag van volledige betaling

De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering dat ziet op de affectieschade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft bij de bespreking van de vordering van benadeelde [getuige 10] reeds uiteengezet waarom zij van oordeel is dat de gevorderde affectieschade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [getuige 11] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 22.358,65, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 november 2016 en vanaf 1 januari 2017 waar het gaat om het eigen risico van € 385,- tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 146 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van benadeelde [getuige 1]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 15.385,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 november 2016 envanaf 1 januari 2017 waar het gaat om de eigen bijdrage van € 385,- tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [getuige 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 15.385,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 november 2016 inzake de shockschade van € 15.000,- en vanaf 1 januari 2017 inzake de materiële schade van € 385,- tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 111 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [getuige 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van benadeelde [getuige 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij [getuige 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde heeft immateriële schade, bestaande uit shockschade gevorderd. Shockschade kan alleen worden toegewezen indien er bij degene die de schade claimt sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Nu uit de vordering blijkt dat de benadeelde nog niet een behandeling heeft ondergaan en dus bij haar nog geen psychiatrisch erkend ziektebeeld is vastgesteld, komt de gevorderde shockschade (nog) niet voor vergoeding in aanmerken.

De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Ten aanzien van benadeelde [benadeelde]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 15.102,48 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 november 2016 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 15.102,48, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 27 november 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 110 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 5.1 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

[getuige 10]

  • -

    verklaart [getuige 10] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

[getuige 11]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [getuige 11] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2016 en voor € 385,00 vanaf 1 januari 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [getuige 11] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [getuige 11] aan de Staat € 22.358,65 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2016 en voor € 385,00 vanaf 1 januari 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 146 dagen hechtenis;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

[getuige 1]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [getuige 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2016 en vanaf 1 januari 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [getuige 1] aan de Staat

€ 15.385,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2016 en vanaf 1 januari 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 111 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

[getuige 2]

  • -

    verklaart [getuige 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

[benadeelde]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2016 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 15.102,48 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 110 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en E. Akkermans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2017.

Mr. E. Akkermans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 november 2016 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes gestoken in de

(onder)buik, althans in het bovenlichaam van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 29 november 2016 (PV voorgeleiding), 5 december 2016 (PV raadkamer) en 12 februari 2017 (PV Eind dossier), genummerd 2016367053, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 121 (PV voorgeleiding), 1 tot en met 32 (PV Raadkamer) en 1 tot en met 73 (PV Eind dossier). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] van 27 november 2016, pagina 45 van het proces-verbaal voorgeleiding.

3 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 2] van 27 november 2016, pagina 42 van het proces-verbaal van voorgeleiding.

4 Een geschrift inhoudende het NFI rapport van het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgesteld door A. Maes d.d. 1 december 2016, pagina 64 van het proces-verbaal einddossier.

5 Een geschrift inhoudende het NFI rapport van het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgesteld door A. Maes d.d. 1 december 2016, pagina 65 van het proces-verbaal einddossier.

6 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] van 27 november 2016, pagina 48 van het proces-verbaal voorgeleiding.

7 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] van 27 november 2016, pagina 49 van het proces-verbaal voorgeleiding.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van 27 november 2017, pagina 50 van het proces-verbaal voorgeleiding.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van 27 november 2017, pagina 53 van het proces-verbaal voorgeleiding.

10 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] van 27 november 2016, pagina 76 van het proces-verbaal voorgeleiding.

11 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] van 27 november 2016, pagina 77 van het proces-verbaal voorgeleiding.

12 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 1 december 2016, pagina 11 van het proces-verbaal raadkamer.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 1 december 2016, pagina 12 van het proces-verbaal raadkamer.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 1 december 2016, pagina 13 van het proces-verbaal raadkamer.

15 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 11] van 27 november 2016, pagina 82 van het proces-verbaal voorgeleiding.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 11] van 27 november 2016, pagina 83 van het proces-verbaal voorgeleiding.

17 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] van 27 november 2016, pagina 34 van het proces-verbaal van voorgeleiding.

18 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] van 27 november 2016, pagina 35 van het proces-verbaal van voorgeleiding.

19 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] van 27 november 2016, pagina 39 van het proces-verbaal van voorgeleiding.