Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:3076

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
C/16/413197 / HA ZA 16-270
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroepsfout advocaat. Aansprakelijkheid advocatenkantoor voor beroepsofut advocaat. Beperking aansprakkelijkheid op grond van de algemene voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/413197 / HA ZA 16-270

Vonnis van 17 mei 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W. Dieks te Nijmegen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de naamloze vennootschap

[gedaagde sub 2] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.F.H. van Delft te Leusden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 2] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 8 juni 2016,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 10 november 2016,

  • -

    de conclusie van repliek met producties,

  • -

    de akte wijziging eis,

  • -

    de conclusie van dupliek met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is van 1 augustus 2000 tot 1 februari 2002 vanuit de Nederlandse politie (KLPD) gedetacheerd geweest als ambtenaar bij de Europese Politiedienst (hierna: Europol). Op grond van de aanstelling bij Europol is de rechtspositieregeling Staff Regulations applicable to Europol employees (het statuut voor personeelsleden van Europol (hierna: het Statuut)) van toepassing.

2.2.

Op 31 januari 2001 is [eiser] een ongeval overkomen in Brussel (België) en op 21 februari 2001 is hem een ongeval overkomen in Sundsvall (Zweden). Deze ongevallen hebben plaatsgevonden tijdens dienstreizen van [eiser] . Europol heeft de ongevallen aangemerkt als dienstongevallen.

2.3.

Op grond van artikel 57 van het Statuut is de functionaris verzekerd voor de gevolgen van - onder meer - de risico’s die voortvloeien uit dienstongevallen. Op grond van artikel 57 lid 2 onder c van het Statuut ontvangt de functionaris bij blijvende gedeeltelijke invaliditeit een bedrag dat is gerelateerd aan zijn salaris over de twaalf maanden voorafgaand aan het ongeval. Dit bedrag wordt berekend op de in het Statuut bepaalde wijze (hierna: de “lumpsum”). Voor de uitkering op grond van het Statuut heeft Europol een verzekering afgesloten bij [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ). [bedrijfsnaam] heeft de verzekering ondergebracht bij AIG, de rechtsvoorganger van verzekeringsmaatschappij Chartis. Daarnaast heeft Europol voor ongevallen bij dienstreizen een aanvullende reisverzekering afgesloten, de World Business assistance and insurance WBA&I 96/12 (hierna: de reisverzekering). Deze verzekering is eveneens bij [bedrijfsnaam] afgesloten en door [bedrijfsnaam] ondergebracht bij Chartis.

2.4.

Ter uitvoering van artikel 57 van het Statuut heeft Europol een regeling vastgesteld: de “Rules on the insurance of Europol Officials against the risk of accident and occupational disease” (hierna: de Rules), goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie op 4 december 1998 (Official Journal C 26/07, 30 januari 1999).

2.5.

In hoofdstuk III van de Rules is de procedure bepaald, volgens welke het besluit van Europol betreffende de lumpsum als bedoeld in artikel 57 van het Statuut tot stand komt. In deze regeling wordt de functionaris aangeduid als “official” en is “the Director” de directeur van Interpol. In de artikelen 16 e.v., is - voor zover hier van belang - bepaald:

Article 16

1. An official who sustains an accident, or those entitled under him, must report the accident to the administration of Europol.

(…)

The report of the accident must state particulars on the date and time, the causes and the circumstances of the accident and also the names of witnesses and of any third party which may be liable. A medical certificate must be annexed, specifying the nature of the injuries and the probable consequences of the accident.

(…)

Article 19

Decisions recognizing the accidental cause of an occurrence including a decision as to whether the occurrence is to be attributed to occupational or non-occupational risks, or decisions recognizing the occupational nature of a disease and assessing the degree of permanent invalidity shall be taken by the Director in accordance with the procedure laid down in Article 21,

- on the basis of the findings of the doctor(s) appointed by Europol, and

- where the official so requests, after consulting the Medical Committee referred to in Article 23.

Article 20

The decisions defining the degree of invalidity shall be taken after the official’s injuries have consolidated. To this end, the official concerned must submit an medical report stating that he has recovered or that his condition has stabilized and also setting out the nature of the injuries.

(…)

Article 21

Before taking a decision pursuant to Article 19, the Director shall notify the official or those entitled under him of the draft decision and of the findings of the doctor(s) appointed by Europol. The official or those entitled under him may request that the full medical report be communicated to a doctor chosen by them.

Within a period of 60 days the official or those entitled under him may request that the Medical Committee provided for in Article 23 deliver its opinion.

Where, on the expiry of this period, no request has been made for consultation of the Medical Committee, the Director shall take a decision in accordance with the draft previously supplied.”

Artikel 23 van de Rules bepaalt onder meer de samenstelling van “The Medical Committee” als bedoeld in artikel 21.

2.6.

Begin 2002 heeft [eiser] Europol verzocht om de procedure op grond van artikel 57 van het Statuut op te starten.

2.7.

Bij brief van 4 april 2002 aan [eiser] (productie 7 bij het beroepschrift in de beroepsprocedure bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (hierna: het beroepschrift)) heeft Europol gewezen op artikel 20 van de Rules.

2.8.

Bij brief van 26 juni 2002 (productie 10 bij het beroepschrift) heeft [eiser] aan Europol verzocht om toepassing van artikel 23 van de Rules. Bij deze brief heeft hij een verklaring gevoegd van zijn huisarts [A] (hierna: de huisarts) van 18 juni 2002, inhoudende dat zijn letsel is geconsolideerd. Voorts heeft hij machtigingen bijgevoegd voor het inwinnen van medische informatie bij de medisch adviseur van DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

2.9.

Bij brief van 4 juli 2002 (productie 25 bij het beroepschrift) heeft de belangenbehartiger van DAS rechtsbijstand een verklaring van [B] , orthopedisch chirurg, van 29 mei 2002 naar [bedrijfsnaam] gezonden.

2.10.

Bij brief van 17 oktober 2002 (productie 12 bij het beroepschrift) heeft [eiser] , onder verwijzing naar zijn brief van 26 juni 2002 benadrukt dat hij Europol verzoekt toepassing te geven aan de Rules.

2.11.

Bij brief van 3 februari 2003 (productie 13 bij het beroepschrift) heeft Europol aan de toenmalige belangenbehartiger van [eiser] , de Algemene Christelijke Politiebond (hierna:ACP), meegedeeld dat aan [eiser] met ingang van 1 februari 2002 een invaliditeitspensioen wordt toegekend. Daarbij is opgemerkt dat deze toekenning is gebaseerd op de op dat moment aan het Invaliditeitscomité bekende gezondheidssituatie van [eiser] . In deze brief heeft Europol voorts meegedeeld dat zij het verzoek van [eiser] om toekenning van een lumpsum op basis van artikel 57 van het Statuut heeft ontvangen. Europol wijst op de in artikel 20 van de Rules neergelegde voorwaarde dat de medische toestand geconsolideerd is en voegt daar aan toe:

“Given the fact that the Invalidity Committee indicated that it expects that it will be possible for mr [eiser] to return to his functions, it is clear that at the current time Mr [eiser] ’s injuries have not yet consolidated, even though we have received a confirmation of consolidation at an earlier stage. I would therefore suggest to put this process on hold until Mr [eiser] confirms that his injuries have consolidated, at which time further steps in this procedure will be taken.

(…)”

2.12.

Bij brief van 24 maart 2003 (productie 14 bij het beroepschrift) heeft de ACP nogmaals aan Europol verzocht de mate van permanente invaliditeit vast te stellen.

2.13.

Bij brief van 4 augustus 2003 (productie 15 bij het beroepschrift) heeft Europol aan ACP meegedeeld:

“(…)

Voor wat betreft uw opmerkingen met betrekking tot de claim van de heer [eiser] onder de ongevallenverzekering kan ik slechts in herinnering brengen dat deze procedure tot nu toe niet is opgestart in verband met het feit dat de medische gevolgen van de ongevallen nog niet geconsolideerd waren. Mocht dat nu wel het geval zijn, zoals u stelt, dan verzoeken wij u graag om een desbetreffende medische verklaring als bedoeld in artikel 20 van de Verzekeringsregels. Deze verklaring dient ook de aard van de opgelopen verwondingen te beschrijven. Wij gaan er daarbij vanuit dat de eerder verstrekte verklaring (van vorig jaar) inmiddels verouderd is. Na ontvangst van deze verklaring zullen we de verdere procedure in gang zetten.

(…)

2.14.

Bij brief van 27 januari 2004 heeft [eiser] Europol aansprakelijk gesteld voor alle door hem als gevolg van de dienstongevallen op 31 januari 2001 en 21 februari 2001 geleden schade (productie 55 bij het beroepschrift). Daarbij heeft hij meegedeeld dat hij zich alle rechten voorbehoud.

2.15.

Bij brief van 13 februari 2004 (productie 16 bij het beroepschrift) heeft Europol aan [eiser] meegedeeld dat in verband met het aan hem toegekende invaliditeitspensioen een herkeuring dient plaats te vinden. Voorts deelt Europol in deze brief nogmaals mee dat voor de claim op grond van artikel 57 van de Rules het noodzakelijk is dat [eiser] een medisch rapport overlegt als bedoeld in artikel 20 van de Rules, waaruit blijkt dat hij ofwel is hersteld, ofwel dat de medische toestand is geconsolideerd. Europol wijst erop dat zij een dergelijk rapport nog niet van [eiser] heeft ontvangen.

2.16.

Bij brief van 9 april 2004 (productie 18 bij het beroepschrift) heeft [eiser] aan Europol voor het op 21 februari 2001 opgelopen enkelletsel een verklaring opgestuurd van dr. [C] , orthopedisch chirurg bij de [naam ziekenhuis 1] in [vestigingsplaats] , van 7 april 2004. Voor het op 31 januari 2001 opgelopen letsel heeft [eiser] verwezen naar de reeds eerder door hem toegezonden verklaring van 18 juni 2002 van de huisarts.

De verklaring van [C] luidt:

“ (…)

U bent twee maal in ons ziekenhuis geopereerd aan uw linker enkel in verband met ongevalsletsel.

Thans, een half jaar na de laatste operatie, lijkt er een eindtoestand te zijn ontstaan.

(…)”

De verklaring van de huisarts luidt:

“Naar aanleiding van de ongevallen vorig jaar, kan ik mededelen, dat in medisch-technisch opzicht de geleden letsels zich hebben geconsolideerd

(…)”

2.17.

Op 27 oktober 2006 heeft prof. dr. [D] , orthopedisch chirurg bij het [naam ziekenhuis 2] te [vestigingsplaats] op verzoek van [eiser] een expertise uitgebracht (zie productie 13 bij de Conclusie van Antwoord). Deze heeft in zijn expertiserapport vermeld dat sprake is van een stationaire toestand.

2.18.

Op 1 augustus 2008 is aan [eiser] eervol ontslag verleend als amtenaar bij de KLPD met toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen op grond van artikel 65 van het Statuut.

2.19.

Bij brief van 22 januari 2009 (productie 54 bij het beroepschrift) heeft [eiser] Europol aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de hem in 2001 overkomen dienstongevallen. [eiser] schrijft in deze brief:

“Tot 9 april 2004 heb ik u diverse malen met ondersteunend bewijs van artsen laten weten, dat het opgelopen letsel, te weten enkelletsel, zenuwletsel, schedel-hersen-nekletsel, tinnitus en stoornissen in het cognitief functioneren, zich heeft geconsolideerd. Dit heeft echter niet geleid tot enig zichtbaar initiatief van uw zijde om de permanente lichamelijke invaliditeit vast te stellen, hetgeen schade veroorzaakt. Inmiddels werd door onafhankelijk medisch specialisten het percentage permanente lichamelijke invaliditeit volgens AMA normen vastgesteld voor het gehoorletsel (Tinnitus) 5%- en enkelletsel – 9% -. Ik voeg deze rapporten (die ik eveneens heb toegezonden aan de heer [E] van [bedrijfsnaam] ) als medisch geheim geclassificeerd bij.

(…)

In deze brief heeft [eiser] voorts verzocht op grond van de ongevalpolissen van AIG het percentage gedeeltelijke permanente invaliditeit als gevolg van beide ongevallen vast te stellen dan wel te bevorderen dat die wordt vastgesteld. Voorts heeft [eiser] verzocht om, gelet op de reeds verstreken tijd, een voorschot toe te kennen.

2.20.

Bij brief van 15 april 2009 heeft Europol, in antwoord op - onder meer - de brief van [eiser] van 22 januari 2009 geschreven:

“(…)

You have confirmed in your letter of 22 January 2009 that your invalidity has consolidated and provided me by the same letter with the medical report of the Academic Medical Centre of the University of Amsterdam, dated 27 October 2006.

(..)”

In deze brief deelt Europol verder mee dat zij in overeenstemming met de Rules het voornemen heeft een arts te benoemen om de mate van permanente invaliditeit vast te stellen. Voorts zet Europol in deze brief de verdere gang van zaken op grond van de Rules uiteen.

2.21.

Bij brief van 9 juli 2009 heeft Europol, onder verwijzing naar haar brief van 15 april 2009 aan [eiser] meegedeeld dat de bedrijfsarts [G] , door Europol is benoemd als arts.

2.22.

Bij e-mailbericht van 15 januari 2010 (productie 45 bij het beroepschrift) heeft [F] , werkzaam bij [bedrijfsnaam] , in antwoord op een vraag van [eiser] aan [eiser] geschreven:

“(…)

Zoals aangegeven begrijpen wij dat het aanslepen van dit dossier zeker geen aangename situatie voor u is en wij dit best zo snel mogelijk samen proberen op te lossen. Wij zullen ons in contact stellen met Europol om in de komende weken de conclusie vlot te laten verlopen.

a. ongevaldossier (statutaire Europol-dekking)

Wat dit dossier betreft wacht Europol inderdaad nog op een gedetailleerd aanvullend onderzoek (door het AMC in Amsterdam) om het dossier te kunnen afronden. Europol neemt de finale beslissing over de uitkering op basis van dit bijkomend gedetailleerd rapport. Aangezien dit op praktische problemen stoot, stellen wij voor dit zo snel mogelijk met Europol HR te bespreken om een oplossing te vinden voor de vertraging in uw dossier.

b. het reisongevallendossier (Europol voorziene dekking)

Wat dit dossier betreft werden de conclusies van raadsgeneesheer van de verzekeraar AIG overgemaakt aan Europol HR (de mogelijke uitkering hang ook af van een goedkeuring van Europol). Europol wou oorspronkelijk begrijpelijkerwijs beide dossiers samen laten lopen maar omdat dit al enkele maanden aansleept zullen wij vragen of dit toch niet kan gesplitst worden en sneller kan behandeld worden.

(…).

2.23.

Op 17 september 2010 is - op verzoek van bedrijfsarts [G] - door [H] (klinisch arbeidsgeneeskundige), [I] (consulent arbeidsgebonden aandoeningen bewegingsapparaat en [J] (neuropsycholoog), allen werkzaam bij de polikliniek Mens en Arbeid van het [naam ziekenhuis 2] (hierna: Mens en Arbeid) een rapport uitgebracht over het percentage functieverlies bij [eiser] .

2.24.

Op 22 september 2010 heeft [G] een rapport uitgebracht en daarin vastgesteld, onder verwijzing naar het rapport van Mens en Arbeid, dat de invaliditeit van [eiser] het gevolg is van de ongevallen op 31 januari 2001 en 21 februari 2001, dat de invaliditeit is geconsolideerd en dat de mate van blijvende invaliditeit volgens de AMA richtlijnen 25% voor de gehele persoon bedraagt.

2.25.

Bij brief van 27 juni 2011 (productie 26 bij het beroepschrift) heeft Europol de bevindingen van [G] in zijn rapport van 22 september 2010 aan [eiser] meegedeeld. Deze brief is aangemerkt als een ‘draft decision’ als bedoeld in artikel 21 van de Rules (hierna: het ontwerpbesluit).

2.26.

Bij brief van 20 juli 2011 heeft [gedaagde sub 1] aan de ACP een telefoongesprek van 23 juni 2011 schriftelijk bevestigd en voorts het volgende geschreven:

“(….).

Bevestiging opdracht

De door u aan mij verleende opdracht betreft het bijstaan van de heer [eiser] in zijn geschil met Europol.

Werkwijze

(…)

Financiële afspraken

Wij kwamen overeen dat mijn werkzaamheden aan u zullen worden gedeclareerd.

(…).

Algemeen Voorwaarden en Klachtenregeling

Op de opdracht zijn de algemene voorwaarden van ons kantoor “ [gedaagde sub 2] N.V.” van toepassing. Bijgevoegd treft u een exemplaar daarvan aan, waaraan tevens is gehecht informatie over onze klachtenregeling.

Rest mij u dank te zeggen voor de aan mij verstrekte opdracht en in het vertrouwen de gemaakte afspraken juist te hebben weergegeven, verblijf ik,”

2.27.

Bij brief van eveneens 20 juli 2011 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser] geschreven:

“Hierbij bevestig ik u de ontvangst van uw gespreksbevestiging van onze telefonische bespreking van 12 juli 2011. Voor de goede orde bevestig ik u voorts dat uw belangenbehartiger ACP ons kantoor heeft ingeschakeld om uw belangen te behartigen.

Algemene Voorwaarden en Klachtenregeling

Op de opdracht zijn de algemene voorwaarden van ons kantoor “ [gedaagde sub 2] N.V.” van toepassing. Omdat deze voorwaarden ook voor u van belang en van toeassing zijn treft u een exemplaar daarvan aan, waaraan tevens is gehecht informatie over onze klachtenregeling

(…).”

2.28.

Bij brief van 20 juli 2011 heeft [gedaagde sub 1] namens [eiser] Europol verzocht om toepassing van artikel 21 van de Rules en verzocht om het ontwerpbesluit en het medisch rapport aan zijn medisch adviseur te zenden (productie 27 bij het beroepschrift).

2.29.

Bij brief van 29 augustus 2011 heeft [gedaagde sub 1] Europol erop gewezen dat de aan zijn medisch adviseur verzonden medische gegevens niet volledig zijn (productie 29 bij het beroepschrift). Bij brief van 1 september 2011 heeft Europol in antwoord op de brieven van [gedaagde sub 1] van 20 juli 2011 en 29 augustus 2011 meegedeeld dat de volledige medische gegevens zo spoedig mogelijk aan de medisch adviseur van [eiser] zullen worden gezonden (productie 30 bij het beroepschrift).

2.30.

Bij brief van 3 november 2011 (productie 31 beroepschrift) heeft [gedaagde sub 1] namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen de in het besluit van 27 juni 2011 bepaalde mate van invaliditeit, en - onder verwijzing naar een rapport van zijn medisch adviseur - een mate van permanente invaliditeit van 30% bepleit. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat de ingangsdatum van de rente dient te worden bepaald op 22 september 2010, de datum waarop Europol ermee bekend kon zijn dat de mate van invaliditeit ten minste 25% bedroeg.

2.31.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft Europol het percentage van blijvende invaliditeit als bedoeld in artikel 57 van het Statuut op 30% bepaald. Europol heeft de lumpsum vastgesteld op € 170.074,39, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 november 2011. In dit besluit heeft Europol over de ingangsdatum van de wettelijke rente het volgende toegelicht:

(…)

In respect of payment of interest, the date on which interests start to accrue and must be paid is when a request is made by the person for such interests to be paid or the date of the decision establishing the final settlement (Case F-101/09 AA v Commission, judgement of 13 September 2011, paras 108 to 110 an the references therein).

The lump sum due by virtue of Article 57 of the ESR has not been finally determined until the decision entailed this letter and thus interests can only be paid as from 3 November 2011 on which date Europol received your request for such payment of interests.

(…)

2.32.

Op 5 mei 2012 heeft [gedaagde sub 1] , namens [eiser] een bezwaarschrift opgesteld tegen het besluit van 13 maart 2012. [gedaagde sub 1] verzoekt daarin om toekenning van de wettelijke rente over de lumpsum met ingang van 27 januari 2004 tot de datum van volledige voldoening van de hoofdsom. Voorts heeft [gedaagde sub 1] verzocht om toezending van een correcte afrekening van de lumpsum.

2.33.

Bij brief van 15 oktober 2012 heeft [gedaagde sub 1] de specificatie (breakdown) ontvangen van de lumpsum die volgens Europol aan [eiser] moet worden uitbetaald (productie 36 bij het beroepschrift).

2.34.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft Europol aan [gedaagde sub 1] meegedeeld, in antwoord op brieven van [gedaagde sub 1] van 10 juli 2012 en 23 november 2012, dat Europol het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 13 mei 2012 niet eerder heeft ontvangen dan als bijlage bij de brief van 10 juli 2012. Europol heeft daarom het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 13 maart 2012 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

2.35.

Bij e-mailbericht van 4 januari 2013 heeft [eiser] aan mr, [gedaagde sub 1] bericht:

“(…)

Het behoort nmm tot uw verantwoordelijkheid om termijnen, ontvangstbevestigingen en juridisch juist geformuleerde ontvangstbewijzen e.d. te waarborgen. Ik wil u daar dan ook op blijven aanspreken omdat dit valt onder uw beroepsaansprakelijkheid. Bovendien heb ik u reeds regelmatig aangesproken op de gebrekkige communicatie. Mocht u hier met Europol of [bedrijfsnaam] niet uitkomen dan doe ik een formeel beroep op uw beroepsaansprakelijkheid voor wat betreft de schade.

(…).”

2.36.

Op 14 mei 2013 heeft Europol de lumpsum, vermeerderd met € 3.253,55 rente, betaald.

2.37.

Op 9 augustus 2013 heeft [gedaagde sub 1] namens [eiser] bij het Gerecht voor Ambtenarenzaken van de Europese Unie (hierna: het Gerecht) beroep ingesteld tegen het besluit van 13 maart 2012 (zie hiervoor in 2.31) en nadere besluiten van Europol van 15 oktober 2012 (de afrekening) en van 18 december 2012.

2.38.

Bij beschikking van 5 maart 2014 heeft Het Gerecht [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

- voor recht verklaart dat [gedaagde sub 2] c.s. primair onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] en subsidiair toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] als gevolg daarvan geleden schade.

- [gedaagde sub 2] c.s. veroordeelt tot betaling aan [eiser] van:

primair een bedrag van € 138.311,75 (het bedrag aan rente berekend over de periode 21 februari 2001 tot 14 mei 2013),

subsidiair een bedrag van € 83.154,25 (het bedrag aan rente berekend over de periode 27 januari 2004 tot en met 13 mei 2013),

meer subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te berekenen bedrag,

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2014 (de datum van de uitspaak van het Gerecht) tot aan de dag der algemene voldoening;

- [gedaagde sub 2] c.s. veroordeelt tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van primair € 2.158,31 en subsidiair € 1.606,54, meer subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag;

- [gedaagde sub 2] c.s. veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat er tussen [gedaagde sub 2] c.s. en ACP een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, om aan [eiser] juridische bijstand te verlenen in zijn geschil met Europol. [eiser] was daarbij geen contractspartij. Bij de uitvoering van de overeenkomst heeft [gedaagde sub 1] beroepsfouten gemaakt door:

- niet binnen de gestelde termijn een klaagschrift in te dienen tegen de beslissing van Europol van 13 maart 2012;

- niet, dan wel niet tijdig, te reageren op de stilwijgende afwijzende beslissing van 5 september 2012 op het klaagschrift van 5 mei 2012 en

- niet tijdig een bezwaarschrift in te dienen tegen het besluit van 18 december 2012 waarbij het klaagschrift van 10 juli 2012 niet-ontvankelijk is verklaard.

Door deze beroepsfouten heeft [eiser] de kans gemist dat zijn vordering in de procedure bij het Gerecht zou worden toegewezen. Volgens [eiser] was de kans zeer groot dat in de procedure bij het Gerecht de rente over de lumpsum met ingang van een eerdere datum zou worden toegewezen. Deze eerdere ingangsdatum zou volgens [eiser] worden toegwezen op grond van:

- het huidige recht op grond waarvan over betaling van geldbedragen in verband met letselschade, rente verschuldigd is vanaf de datum van het ongeval;

- het niet voldoen aan de eis van goed werkgeverschap door Europol. [eiser] verwijst daartoe naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 16 maart 1978, zaak 115/76 (Leonardini vs Commisse EG);

- schending van verplichtingen/beginselen. Volgens [eiser] heeft Europol haar motiveringsplicht geschonden. Daarnaast heeft zij jarenlang nagelaten om adequaat en zorgvuldig te handelen ten opzichte van [eiser] .

De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] baseert [eiser] primair op onrechtmatige daad. Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er een overeenkomst van opdracht bestaat tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] , op de tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst door [gedaagde sub 1] .

De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] baseert [eiser] primair op artikel 6:170 BW dan wel artikel 6:171 BW. [eiser] stelt daartoe dat tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] een overeenkomst bestaat. Volgens [eiser] is [gedaagde sub 2] op grond van die overeenkomst aansprakelijk voor het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] . Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er een overeenkomst bestaat tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] , baseert [eiser] de aansprakelijkheid op de tekortkoming door [gedaagde sub 2] in de nakoming van deze overeenomst.

3.3.

[gedaagde sub 2] c.s. stelt dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen tussen [gedaagde sub 2] en [eiser] . Op grond van deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [gedaagde sub 2] (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 13 van de algemene voorwaarden is iedere aansprakelijkheid jegens werknemers uitgesloten. Reeds om die reden dient de vordering tegen [gedaagde sub 1] te worden afgewezen. [gedaagde sub 2] c.s. heeft gemotiveerd betwist dat de vordering bij het Gerecht zou hebben geleid tot toekenning van enig bedrag. Indien de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 2] wel enig bedrag aan [eiser] verschuldigd is, betwist zij de hoogte van de door [eiser] berekende rentebedragen. Voorts beroept zij zich op artikel 13 van haar algemene voorwaarden, waarin haar aansprakelijkheid in dit geval is beperkt tot een bedrag van € 18.463,95. Volgens [gedaagde sub 2] c.s. heeft [eiser] haar niet eerder dan bij aangetekend schrijven van 23 maart 2013 aansprakelijk gesteld (productie 9 bij de Conclusie van Antwoord). Zo er enig bedrag zou worden toegekend is daarover niet eerder dan met ingang van 30 maart 2016 (de datum van de dagvaarding) rente verschuldigd. Verder heeft [gedaagde sub 2] c.s. de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten betwist.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat Europol de lumpsum van € 170.074,39 en de rente over dit bedrag vanaf 3 november 2011 aan [eiser] heeft betaald.

4.2.

Over de vraag of tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] een overeenkomst tot stand is gekomen overweegt de rechtbank als volgt. Uit de brief van 20 juli 2011 (zie hiervoor in 2.26) van [gedaagde sub 1] aan ACP kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat ACP de opdrachtgever is en aan [gedaagde sub 2] de opdracht heeft verstrekt om [eiser] bij te staan in zijn geschil met Europol. Uit de brief van [gedaagde sub 1] blijkt ook dat [gedaagde sub 2] deze opdracht heeft aanvaard. Dit wil echter niet zeggen dat [eiser] geen partij is bij deze overeenkomst. Zoals ook [gedaagde sub 2] c.s. heeft aangevoerd blijkt uit de aard van de opdracht dat de overeenkomst is aangegaan ten behoeve van [eiser] . Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgronden op dit punt aan te vullen. Uit de brief van eveneens 20 juli 2011 van [gedaagde sub 1] aan [eiser] (zie hiervoor in 2.27) blijkt dat [gedaagde sub 1] [eiser] heeft geïnformeerd dat ten behoeve van hem een overeenkomst van opdracht is gesloten met ACP. Bij deze brief heeft [gedaagde sub 1] erop gewezen dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst van opdracht van toepassing zijn en dat deze voorwaarden ook voor [eiser] van belang zijn. [gedaagde sub 1] heeft een exemplaar van de algemene voorwaarden meegezonden. [eiser] heeft dit niet betwist. Voorts heeft [gedaagde sub 1] op die datum [eiser] geïnformeerd over een concept van een aan Europol te zenden brief en heeft [eiser] voorafgaand aan de brieven van 20 juli 2011 telefonisch en per e-mail contact gehad met [gedaagde sub 1] , waarbij de door [gedaagde sub 1] te nemen stappen zijn besproken. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat [eiser] de door ACP ten behoeve van hem met [gedaagde sub 2] gesloten overeenkomst van opdracht, heeft aanvaard, inclusief de daarbij behorende algemene voorwaarden.

4.3.

[gedaagde sub 1] heeft de aan [gedaagde sub 2] verstrekte opdracht feitelijk uitgevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] geen overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen.

4.4.

[gedaagde sub 1] dient bij de uitoefening van zijn beroep als advocaat de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Door er geen zorg voor te dragen dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 13 maart 2012 Europol tijdig heeft bereikt, heeft [gedaagde sub 1] niet aan deze zorgvuldigheidsplicht voldaan. Door de gemaakte beroepsfout heeft [gedaagde sub 1] onrechtmatig gehandeld ten opzichte van [eiser] . Het feit dat [gedaagde sub 1] geen contractspartij is bij de tussen [gedaagde sub 2] en [eiser] gesloten overeenkomst van opdracht, doet aan het voorgaande niet af. [gedaagde sub 1] heeft de opdracht feitelijk uitgevoerd als werknemer van [gedaagde sub 2] . In een dergelijke situatie kan aansprakelijkheid van de advocaat worden aangenomen met inachtneming van de in artikel 6:162 BW gestelde eisen (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745).

4.5.

Voor de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] beroept [gedaagde sub 2] c.s. zich op artikel 13 van de algemene voorwaarden, waarbij [gedaagde sub 2] iedere aanspraak jegens haar werknemers heeft uitgesloten. [eiser] heeft zich erop beroepen dat deze voorwaarde onredelijk bezwarend is.

4.6.

Het betoog van [gedaagde sub 2] c.s. dat [eiser] niet tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden, omdat de vordering daartoe op grond van artikel 3:52 BW is verjaard, gaat niet op. De verjaringstermijn van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging begint pas te lopen op het moment dat de gebruiker (in dit geval [gedaagde sub 2] ) een beroep doet op de betreffende voorwaarde. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 2] ten opzichte van [gedaagde sub 1] eerder dan in het kader van deze procedure een beroep heeft gedaan op artikel 13 van de algemene voorwaarden.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is de uitsluiting door [gedaagde sub 2] van aansprakelijkheid van haar werknemers niet onredelijk bezwarend. [gedaagde sub 2] blijft zelf immers onverminderd aansprakelijk voor de tekortkoming in de nakoming in de overeenkomst en/of als werkgever op grond van de in artikel 170 BW neergelegde risicoaansprakelijkheid voor de fouten van haar ondergeschikten.

4.8.

Gelet op het voorgaande kan [gedaagde sub 1] op grond van artikel 6:257 BW als werknemer van [gedaagde sub 2] een beroep doen op artikel 13 van de algemene voorwaarden. De vorderingen die zien op de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] zullen daarom worden afgewezen.

4.9.

[gedaagde sub 2] is, als gevolg van de door [gedaagde sub 1] gemaakte beroepsfout, tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en is daarmee aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade. Ter beoordeling van de rechtbank staat wat de situatie zou zijn, zonder de gemaakte fout, zodat een inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift van [eiser] door het Gerecht zou hebben plaatsgevonden.

4.10.

De door [eiser] gestelde nadere tekortkomingen (het niet (tijdig) reageren op een stilwijgende afwijzende beslissing van 5 september 2012 en het niet tijdig indienen van een klaagschrift tegen het besluit van 18 december 2012) leiden alle tot hetzelfde gevolg - voor zover voor deze procedure relevant - dat het bezwaar van [eiser] tegen de door Europol bepaalde ingangsdatum van de rente over de lumpsum niet inhoudelijk door het Gerecht is beoordeeld.

4.11.

Zoals ook [gedaagde sub 2] c.s. naar voren heeft gebracht dienen bij de beoordeling van de mogelijke uitkomst van de inhoudelijke procedure bij het Gerecht uitsluitend de argumenten in aanmerking te worden genomen die zijn verwoord in het bij het Gerecht ingediende beroepschrift. [eiser] heeft immers alleen de termijnoverschrijding als beroepsfout aan zijn vordering ten grondslag gelegd en niet betoogd dat het beroepschrift inhoudelijk ondeugdelijk zou zijn. Voor zover [eiser] in (de loop van) deze procedure bij de rechtbank nadere argumenten tegen de handelwijze en/of de besluitvorming van Europol naar voren heeft gebracht die niet reeds in het beroepschrift bij het Gerecht aan de orde zijn gesteld, worden deze buiten beschouwing gelaten.

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat het geschil met betrekking tot de reisverzekering voor deze procedure niet relevant is, omdat [eiser] in verband daarmee met AIG een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten. Het gedeelte van het beroepschrift bij het Gerecht dat betrekking heeft op dat geschil zal daarom eveneens buiten beschouwing worden gelaten.

Rente met ingang van 21 februari 2001

4.13.

In het beroepschrift bij het Gerecht heeft [eiser] , aan zijn vordering dat de ingangsdatum voor de rente wordt bepaald op 21 februari 2001, ten grondslag gelegd dat volgens Nederlands recht de mogelijkheid bestaat de schade als gevolg van ongevalsletsel te begroten op een ‘lumpsum’ door middel van kapitalisering, waarbij de peildatum voor die begroting en dus ook de ingangsdatum voor de wettelijke rente wordt bepaald op de ongevalsdatum. [eiser] verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 1985 (NJ 1985,625 ECLI:NL:HR:1985:AG4995).

4.14.

[gedaagde sub 2] c.s. heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Zij wijst er daartoe op dat rente over de lumpsum slechts kan worden gevorderd over een periode nadat de verschuldigde uitkering uit hoofde van de verzekering is vastgesteld en dus werkelijk is verschuldigd en niet over een eerdere periode. Een eerdere ingangsdatum is volgens [gedaagde sub 2] c.s. slechts mogelijk als de rechthebbende kan aantonen dat betaling van de uitkering door de admininstratie ten onrechte is vertraagd. Zij verwijst daartoe naar het arrest HvJEU, 21 mei 1981 in de zaak 156/80 (Morbelli vs de Commissie van de EG).

4.15.

Het betoog van [eiser] dat met ingang van de datum van het ongeval rente verschuldigd is gaat niet op. De door [eiser] aangehaalde jurisprudentie betreft de situatie, die hier niet aan de orde is, dat een slachtoffer van een onrechtmatige daad een vordering instelt tegen de vanwege die onrechtmatige daad aansprakelijke partij voor de (letsel)schade van het slachtoffer. In het geval van [eiser] gaat het om de uitvoering door Europol van de rechtspositieregeling op grond waarvan [eiser] , vanwege de hem overkomen dienstongevallen, recht heeft op uitkering van een in die regeling bepaald bedrag. De vraag of Europol aansprakelijk is voor dit ongeval is niet aan de orde. Daar komt nog bij dat het hier gaat om een europeesrechtelijke regeling, waarop de jurisprudentie op grond van het Nederlandse recht niet onverkort van toepassing is.

Vertragingsrente vanwege verwijtbare vertraging in de afhandeling van het dossier

4.16.

Aan zijn verzoek dat Europol rente verschuldigd is met ingang van 27 januari 2004 heeft [eiser] in het beroepschrift bij het Gerecht ten grondslag gelegd dat Europol het verzoek van [eiser] om een uitkering op grond van het Statuut niet voortvarend heeft afgehandeld. Europol heeft zich daarom niet als goed werkgever gedragen. Als gevolg van dit onzorgvuldige handelen door Europol is vertragingsschade ontstaan, waarvoor [eiser] Europol aansprakelijk heeft gesteld op 27 januari 2004. In het beroepschrift bij het Gerecht

heeft [eiser] de volgende tekortkomingen vermeld.

De vertraging in de afhandeling is ontstaan doordat Europol naar aanleiding van de brief van [eiser] van 26 juni 2002 heeft verzuimd conform de Rules een arts of een medische commissie aan te stellen. Europol beschikte reeds vanaf 26 juni 2002 over medisch bewijs dat er sprake was van permanente invaliditeit bij [eiser] , aangezien de arts van Europol reeds vanaf die datum beschikte over alle van belang zijnde medische rapporten die de medisch adviseur van DAS Rechtsbijstand had overgelegd. Tot 9 juli 2009 heeft Europol echter nagelaten om een arts aan te stellen. Verder was Europol op 22 september 2010 - op grond van het rapport van [G] - ervan op de hoogte dat er sprake was van een mate van permanente invaliditeit van in elk geval 25%. Ondanks een verzoek daartoe van [eiser] , heeft Europol echter verzuimd het niet betwiste gedeelte van de lumpsum uit te keren. Als gevolg daarvan is volgens [eiser] renteschade ontstaan tussen 22 september 2010 en de datum van betaling van de lumpsum op 14 mei 2013. Voorts maakt [eiser] Europol het verwijt dat aan Mens en Arbeid aanvankelijk een onjuiste onderzoeksopdracht is verstrekt, met het herstel waarvan onnodig tijd verloren is gegaan. Verder heeft Europol [bedrijfsnaam] een onjuiste breakdown laten toezenden voor ontvangst van de compensatie en pas op 15 oktober 2012 een breakdown gezonden voor de lumpsum. Door deze onjuiste administratieve afhandeling door [bedrijfsnaam] is renteschade ontstaan. Ook de keuze van Europol om de afhandeling van de aanvraag voor de lumspum samen te laten lopen met de afhandeling van de claim op grond van de reisverzekering heeft voor vertraging gezorgd. [eiser] verwijst daartoe naar de e-mail van [bedrijfsnaam] van 15 januari 2010.

4.17.

De rechtbank overweegt dat uit het door [eiser] aangehaalde Leonardini-arrest (nummer 27 van het arrest) kan worden afgeleid dat over de lumpsum als bedoeld in artikel 57 van het Statuut mogelijk rente verschuldigd is indien de Europese werkgever bij de afdoening van het dossier nalatig is geweest, “terwijl het mogelijk was om op grond van haar krachtens het Statuut verleende bevoegdheden om in het belang van zowel van de dienst als van de betrokkene binnen een veel redelijker termijn de zaak tot een goed einde te brengen.”

4.18.

Ter beoordeling van de vraag of Europol in het geval van [eiser] nalatig is geweest bij de uitoefening van haar bevoegdheden is van belang welke verplichtingen de Rules enerzijds Europol oplegt en anderzijds de ambtenaar die verzoekt om uitkering van een lumpsum. Partijen verschillen van mening over de uitleg van de Rules.

4.19.

Niet in geschil is dat [eiser] heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 16 van de Rules waarin is bepaald dat de ambtenaar het ongeval dient te melden met daarbij de datum van het voorval, de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden en een medische verklaring waarin de aard van de verwondingen en de mogelijke gevolgen van het ongeval zijn vermeld. Partijen verschillen van mening over de interpretatie van de artikelen 19 en 20 van de Rules en de op grond daarvan door Europol te nemen stappen, nadat de betrokken ambtenaar het ongeval heeft gemeld.

4.20.

Artikel 19 van de Rules bepaalt - voor zover hier van belang - dat een beslissing over de mate van permanente invaliditeit wordt genomen door de “Director” (hierna: de directeur) in overeenstemming met de procedure van artikel 21,

- op basis van de bevindingen van de door Europol aangestelde arts(en) en

- in het geval de betrokkene dat wenst, nadat een “medical committee” als bedoeld in artikel 23 is geraadpleegd. Artikel 20 van de Rules bepaalt dat de beslissing (als bedoeld in artikel 19) over de mate van permanente invaliditeit wordt genomen, nadat het letsel is geconsolideerd en dat de betrokkene daartoe een medisch rapport moet overleggen waarin is vermeld dat zijn conditie is gestabiliseerd en waarin de aard van het letsel wordt beschreven.

4.21.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het betoog van [eiser] dat op grond van artikel 19 van de Rules op Europol de verplichting rustte om een arts te benoemen zodra [eiser] zijn medische gegevens ter beschikking had gesteld, uit van een onjuiste interpretatie van de Rules. Artikel 19 bepaalt slechts dat de directeur zijn beslissing over de mate van permanente invaliditeit baseert op de bevindingen van de door Europol aangestelde arts, maar zegt niets over het moment waarop deze arts benoemd moet worden. Uit artikel 20 van de Rules blijkt dat de mate van permanente invaliditeit pas wordt vastgesteld nadat het letsel is geconsolideerd, dat wil zeggen: nadat een medische eindtoestand is bereikt en dat op de betreffende ambtenaar de verplichting rust om een rapport over te leggen waaruit blijkt dat een medische eindtoestand is bereikt. Daarna dient de directeur op basis van de bevindingen van de door Europol aangestelde arts de permanente invaliditeit vast te stellen.

4.22.

Uitgaande van de hiervoor weergegeven wederzijdse verplichtingen van Europol en [eiser] zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat in de periode van 2002 (het jaar waarin [eiser] Europol heeft verzocht om toekenning van een lumpsum op grond van artikel 57 van het Statuut) tot en met 27 januari 2004 (de datum waarop [eiser] Europol aansprakelijk heeft gesteld voor alle schade als gevolg van de hem overkomen ongevallen) door aan Europol te verwijten gedragingen vertraging is opgetreden in de toekenning van de lumpsum. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.23.

Een voorwaarde voor toekenning van de lumpsum is, dat kan worden vastgesteld dat het letsel zich heeft geconsolideerd. In dat kader heeft Europol in antwoord op het verzoek van [eiser] om toepassing te geven aan artikel 57 van het Statuut, in haar brief van 4 april 2002 gewezen op die in artikel 20 neergelegde voorwaarde, evenals op de op [eiser] rustende verplichting een medisch rapport over te leggen waaruit blijkt dat het letsel is geconsolideerd. Vervolgens heeft [eiser] op 26 juni 2002 verzocht een “medical committee” te benoemen. Een dergelijke benoeming door Europol was op dat moment echter niet aan de orde. De bij dat verzoek overgelegde informatie (zie hiervoor in 2.8) voldeed niet aan de aan een medisch rapport als bedoeld in artikel 20 van de Rules te stellen eisen. Daar komt nog bij dat het journaal van de huisarts vermeldt dat [eiser] in [vestigingsplaats] aan de enkel wordt geopereerd, zodat duidelijk is dat de mededeling van de huisarts dat het letsel zich heeft geconsolideerd, niet juist kan zijn. Ook uit de brief van 29 mei 2002 van de orthopedisch chirurg [B] die DAS Rechtsbijstand op 4 juli 2002 aan [bedrijfsnaam] heeft gezonden, blijkt dat er geen medische eindtoestand was. Deze brief vermeldt slechts dat [eiser] is verwezen naar de [naam ziekenhuis 1] en wacht op een oproep. Voor de prognose verwijst deze brief naar de behandelaar van de [naam ziekenhuis 1] .

4.24.

Uit de correspondentie in de periode van 4 juli 2002 tot 9 april 2004 blijkt - voor zover hier van belang - het volgende. In de brief van 3 februari 2003 waarin Europol heeft meegedeeld dat aan [eiser] een invaliditeitspensioen is toegekend met ingang van 1 februari 2002 wordt benadrukt dat deze toekenning is gebaseerd op de op dat moment beschikbare medische gegevens en dat er nog geen sprake is van een eindtoestand. Om die reden wordt de suggestie gedaan om de procedure op grond van artikel 57 op te schorten. Op grond van deze informatie behoorde het voor (de toenmalige belangenbehartiger van) [eiser] duidelijk te zijn dat, om in aanmerking te komen voor uitbetaling van de lumpsum, het op de weg van [eiser] lag om een medisch rapport in te dienen, dat voldoende inzicht gaf in zijn medische situatie, zodat op grond daarvan kon worden beoordeeld of een medische eindtoestand was bereikt. De belangenbehartiger van [eiser] verzoekt in de brief van 24 maart 2003 echter slechts nogmaals om de mate van permanente invaliditeit vast te stellen, zonder daarbij een medisch rapport in te dienen zoals door Europol is verzocht. In de brief van 4 augustus 2003 wijst Europol nogmaals op de vereiste medische rapportage waarvoor [eiser] zorg dient te dragen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] op dit schrijven heeft gereageerd. Pas op 27 januari 2004 stuurt [eiser] zijn brief waarin hij Europol aansprakelijk stelt voor alle door hem als gevolg van de dienstongevallen op 31 januari 2001 en 21 februari 2001 geleden schade, echter zonder daarbij te verduidelijken welk verwijt Europol wordt gemaakt en waar de gestelde schade op ziet. Bij brief van 13 februari 2004 heeft Europol aan [eiser] meegedeeld dat in verband met het aan hem toegekende invaliditeitspensioen een herkeuring dient plaats te vinden. Voorts deelt Europol in deze brief nogmaals mee dat voor de claim op grond van artikel 57 van de Rules het noodzakelijk is dat [eiser] een medisch rapport overlegt als bedoeld in artikel 20 van de Rules, waaruit blijkt dat hij ofwel is hersteld, ofwel dat de medische toestand is geconsolideerd. Europol wijst erop dat zij een dergelijk rapport nog niet van [eiser] heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Europol naar aanleiding van de verzoeken van [eiser] steeds heeft verduidelijkt dat zolang er geen medisch rapport als bedoeld in artikel 20 van de Rules wordt overgelegd, de procedure tot toekenning van de lumpsum niet in gang kan worden gezet. Van enige aan Europol te wijten vertraging in deze procedure is dan ook geen sprake. Het verwijt van [eiser] dat Europol de door hem ter beschikking gestelde medische informatie zelf heeft beoordeeld, in plaats van deze door een arts te laten beoordelen, gaat niet op. Europol heeft geen inhoudelijke medische beoordeling gemaakt van de stukken, maar slechts geconstateerd dat er geen medisch rapport door [eiser] was ingediend, dat voldoet aan de in artikel 20 van de Rules gestelde eisen. Dit nog daargelaten dat [eiser] dit argument niet naar voren heeft gebracht in het beroepschrift bij het Gerecht.

4.25.

In zijn brief van 9 april 2004 heeft [eiser] nogmaals de verklaring van de huisarts van 18 juni 2002 opgestuurd en een verklaring van de orthopedisch chirurg [C] van 7 april 2004. Europol heeft hier niet op gereageerd, terwijl het op haar weg lag [eiser] er (nogmaals) op te wijzen dat deze informatie onvoldoende is om te kunnen beoordelen of er een medische eindtoestand was bereikt, Het niet reageren op deze brief door Europol getuigt niet van goed werkgeverschap. Dit verzuim van Europol heeft echter geen vertraging in de afhandeling van de aanvraag van [eiser] veroorzaakt. Uit het door [eiser] in een later stadium aan Europol toegezonden expertiserapport van de orthopedisch chirurg [D] , van 22 oktober 2006, blijkt dat [eiser] in 2006 nog diverse behandelingen heeft ondergaan. Van een medische eindtoestand kan daarom niet eerder dan in de loop van het jaar 2006 sprake zijn. Op 9 april 2004 was dus niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 57 dat het letsel is geconsolideerd. [eiser] heeft na zijn brief van 9 april 2004 en het uitblijven van een reactie van Europol daarop, pas in zijn brief van 22 januari 2009, dus bijna vijf jaar later, Europol (wederom) aansprakelijk gesteld. Pas bij deze brief heeft [eiser] het expertiserapport van [D] aan Europol ter beschikking gesteld. Daardoor was Europol niet eerder dan in januari 2009 op de hoogte van dit rapport waaruit zij heeft afgeleid dat de medische toestand van [eiser] was geconsolideerd.

4.26.

[eiser] beroept zich erop dat de verplichting tot rentevergoeding ook kan bestaan, indien de betrokkene ook zelf niet steeds de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Dit aan het arrest Leonardi ontleende argument kan [eiser] niet baten. Dit arrest is gewezen in 1978, dus ruimschoots voordat de Rules zijn goedgekeurd en vastgesteld. Zoals hiervoor reeds is overwogen, leggen de Rules verplichtingen op aan zowel de directeur als aan de ambtenaar die in aanmerking wil komen voor de lumpsum. Europol heeft [eiser] herhaaldelijk op zijn verplichtingen gewezen. Onder deze omstandigheden valt het Europol niet te verwijten dat zij van [eiser] verlangt dat hij zich houdt aan de procedurele regels.

De periode na 22 januari 2009

4.27.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Europol naar aanleiding van de brief van [eiser] van 22 januari 2009 adequaat gehandeld door bij brief van 15 april 2009 aan [eiser] mee te delen dat zij het voornemen heeft een arts te benoemen. Bij brief van 9 juli 2009 heeft Europol aan [eiser] meegedeeld dat zij [G] als arts heeft benoemd. [G] heeft op 22 september 2010 zijn rapport uitgebracht waarin is vermeld dat er sprake is van een permanente invaliditeit van 25%. De termijn van ruim een jaar tussen het verstrekken van de opdracht aan [G] en het gereedkomen van het rapport is weliswaar lang, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat deze afdoeningstermijn is te wijten aan nalatigheid van Europol. [gedaagde sub 2] c.s. heeft er in dit verband op gewezen dat een zo lange duur niet ongebruikelijk is. Vaststaat dat [G] het noodzakelijk vond om, alvorens een beslissing te nemen, een onderzoek te laten uitvoeren door Mens en Arbeid. In het verzoekschrift bij het Gerecht heeft [eiser] weliswaar gesteld dat er vertraging is ontstaan doordat [G] eerst een onjuiste opdracht heeft verstrekt aan Mens en Arbeid, maar daarbij heeft hij niet verduidelijkt welke consequenties dit heeft gehad voor de rapportage van [G] en welk verwijt Europol in dit verband wordt gemaakt. In het beroepschrift wordt ook niet verwezen naar enige correspondentie tussen [eiser] en Europol, op grond waarvan dit zou kunnen blijken. De in het beroepschrift genoemde producties 34 tot en met 40 waar [eiser] in de conclusie van repliek naar verwijst, dateren - zoals ook [gedaagde sub 2] c.s. naar voren heeft gebracht - alle van na het besluit van Europol van 13 maart 2012 en zeggen dus niets over de periode waarin [G] aan Europol heeft gerapporteerd.

4.28.

Over het verwijt van [eiser] dat Europol de procedures op grond van de reisverzekering en de toekenning van de lumpsum op grond van het Statuut heeft laten samenlopen, overweegt de rechtbank het volgende. Productie 45 (zie hiervoor in 2.22) bij het beroepschrift waarop [eiser] zich in het kader van de gestelde verwijtbare vertraging op beroept, betreft een e-mailwisseling tussen [eiser] en de heer [F] , werkzaam bij van [bedrijfsnaam] . Uit deze e-mail blijkt dat het dossier op grond van de reisverzekering kon worden afgerond, terwijl in het dossier betreffende het verzoek tot toekenning van de lumpsum nog aanvullend onderzoek noodzakelijk was. Om die reden heeft [F] toegezegd aan Europol voor te stellen de dossiers, die tot dat moment hadden samengelopen, te splitsen. Uit deze e-mail kan worden afgeleid dat als gevolg van het laten samenlopen van beide dossiers de uitkering op grond van de reisverzekering mogelijk vertraging heeft opgelopen, omdat in dat dossier door de verzekeraar geen nader onderzoek noodzakelijk werd geacht en er over dat punt een besluit kon worden genomen. Het geschil over de reisverzekering is hier echter niet aan de orde. Vertraging van de uitkering van de lumpsum vanwege de samenloop blijkt hieruit niet.

4.29.

Wat betreft de periode na 22 september 2010 overweegt de rechtbank dat het betoog van [eiser] dat Europol er al op 22 september 2010 mee bekend was dat er sprake was van een mate van permanente invaliditeit van in elk geval 25%, doel treft. Niet valt in te zien waarom Europol, na ontvangst van het rapport van [G] van 22 september 2010, pas op 27 juni 2011 het ontwerpbesluit aan [eiser] bekend heeft gemaakt. Het betoog van [gedaagde sub 2] c.s. dat de brieven van [eiser] (na 22 september 2010 zijn dat de brieven van 1 oktober 2010, 11 december 2010 en 29 april 2011) een verklaring zijn voor de duur van deze besluitvorming, volgt de rechtbank niet. Anders dan [gedaagde sub 2] c.s. stelt, heeft Europol in het besluit van 27 juni 2011 slechts inhoudelijk geantwoord op de brief van 1 oktober 2010. Over de brieven van 11 december 2010 en 29 april 2011 vermeldt Europol slechts dat zij erop vertrouwt dat zij deze voldoende heeft beantwoord. Voorts verwijst [gedaagde sub 1] in zijn brief van 5 mei 2012 aan Europol - onder meer - naar de brief van 29 april 2011 waarin [eiser] volgens hem heeft verzocht om betaling van de wettelijke rente. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat [eiser] in de periode na 22 september 2010 er bij Europol op heeft aangedrongen om een inhoudelijk besluit te nemen over zijn recht op een lumpsum vanwege zijn permanente invaliditeit. Niet gebleken is dat er na 22 september 2010 nog iets aan een voortvarende besluitvorming in de weg stond. Het betoog van [eiser] dat Europol een verwijt kan worden gemaakt van de vertraging in de besluitvorming na 22 september 2010 en zich daarom niet als goed werkgever heeft gedragen, had dan ook kans van slagen in de procedure bij het Gerecht.

4.30.

Het voorgaande geldt ook voor het verwijt van [eiser] dat Europol na het ontwerpbesluit van 27 juni 2011 zijn verzoek om toepassing van artikel 21 van de Rules niet voortvarend heeft afgehandeld. In punt 38 van het beroepschrift bij het Gerecht verwijst [eiser] naar de correspondentie tussen [gedaagde sub 1] en Europol (de producties 27, 28, 29, 30 en 32 bij het beroepschrift bij het Gerecht). Daaruit blijkt dat [eiser] op 20 juli 2011 heeft verzocht om toepassing van artikel 21 van de Rules en Europol heeft verzocht de medische gegevens naar de medisch adviseur van [eiser] te zenden. Uit de daarop volgende brief van [gedaagde sub 1] aan Europol en het antwoord van Europol daarop in haar brief van 1 september 2011 blijkt dat Europol heeft verzuimd om de volledige medische gegevens aan de medisch adviseur van [eiser] te sturen. Het is dan ook aannemelijk dat [eiser] bij een adequate afhandeling door Europol zijn verzoek om de permanente invaliditeit vast te stellen op 30%, op een eerder moment dan 3 november 2011 had kunnen doen.

4.31.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de procedure bij het Gerecht een schadevergoeding (vertragingsrente) zou zijn toegekend vanwege verwijtbare nalatigheid bij de besluitvorming door Europol na 22 september 2009.

4.32.

Bij het besluit van 13 maart 2012 is rente over de lumpsum toegekend met ingang van 3 november 2011. De vraag of er na 3 november 2011 sprake is van verwijtbaar handelen van Europol is in dit geschil niet relevant, aangezien Europol met ingang van 3 november 2011 de vertragingsrente reeds heeft betaald. Het verwijt van [eiser] dat Europol niet tijdig en/of een niet juiste breakdown aan hem heeft gezonden behoeft dan ook geen bespreking. Zoals [gedaagde sub 2] c.s. ook naar voren heeft gebracht gaat het om handelen dat na 3 november 2011 heeft plaatsgevonden. Aan de orde is dus slechts de schade die het gevolg is van de vertraging in de besluitvorming na 22 september 2010 tot 3 november 2011. Omdat feitelijk niet kan worden vastgesteld op welke datum zonder de vertraging bij het nemen van het ontwerpbesluit het definitieve besluit over de hoogte van de lumpsum zou zijn vastgesteld, begroot de rechtbank deze vertragingsschade uit praktische overwegingen als volgt.

4.33.

Een zorgvuldige besluitvorming vergt enige tijd. Daarom gaat de rechtbank er - arbitrair - vanuit dat bij een voortvarend handelen van Europol het ontwerpbesluit half oktober 2010 aan [eiser] bekendgemaakt had kunnen worden. [eiser] zou vervolgens (na ongeveer vier weken, zoals hij ook in werkelijkheid heeft gedaan), hebben verzocht om toepassing van artikel 21 van de Rules. Ook de termijn die gemoeid is met het toezenden van de medische gegevens aan de medisch adviseur, de beoordeling daarvan door de medisch adviseur en de indiening van het verzoek om de mate van permanente invaliditeit gewijzigd vast te stellen, kan niet exact worden vastgesteld, maar een termijn van zes weken acht de rechtbank realistisch. Uitgaande van de hiervoor genoemde termijnen had [eiser] na in totaal 10 weken na 22 september 2010, dus op 1 december 2010, zijn verzoek om toepassing van artikel 21 van de Rules kunnen indienen. Gelet op het besluit van Europol van 13 maart 2012 zou in haar besluit ook het verzoek om toekenning van de rente worden gehonoreerd. Deze zou dan zijn toegekend met ingang van 1 december 2010, de datum waarop [eiser] zou hebben verzocht om zijn mate van permanente invaliditeit vast te stellen op 30%.

4.34.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat zonder de gemaakte fout van [gedaagde sub 2] c.s. bij een inhoudelijke beoordeling door het Gerecht aan [eiser] een schadevergoeding zou zijn toegekend van € 5.311,91 (de wettelijke rente over de lumpsum van € 170.074,39 over de periode 1 december 2010 tot 3 november 2011).

4.35.

Bij toewijzing van dit bedrag door het Gerecht zou [eiser] ook recht hebben gehad over de - in dat geval door Europol te betalen - wettelijke rente over dit bedrag. Deze gemiste betaling is dan ook schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde sub 2] c.s. Overeenkomstig de vordering van [eiser] zal daarom de wettelijke rente over het bedrag van € 5.311,91 worden toegewezen met ingang van 5 maart 2014, de datum van de uitspraak van het Gerecht, tot de datum van betaling.

4.36.

Bij de conclusie van dupliek heeft [gedaagde sub 2] c.s., met een beroep op het Regelement van ACP gesteld dat haar aansprakelijkheid is beperkt tot een bedrag van € 5.000,00. Dit beroep zal worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Niet valt in te zien dat zij een zo ver strekkend verweer niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. De rechtbank laat daarom onbesproken of [gedaagde sub 2] c.s. op grond van haar contractuele verhouding met ACP rechten kan ontlenen aan dit Reglement, zoals zij stelt.

4.37.

Gelet op de hoogte van de begrote schade heeft [eiser] geen belang bij zijn betoog dat het beding van artikel 13 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is omdat dit de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] - in dit geval - beperkt tot een bedrag van € 18.463,95. De rechtbank laat deze stelling van [eiser] daarom onbesproken.

4.38.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. [eiser] heeft gesteld dat hij en zijn gemachtigde diverse brieven aan [gedaagde sub 2] c.s. hebben gezonden met het verzoek en de sommatie om tot betaling over te gaan. [gedaagde sub 2] c.s. heeft betwist dat er buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn, aangezien de advocaat van [eiser] volgens haar geen, dan wel nagenoeg geen werkzaamheden heeft verricht om de vordering buiten rechte geïncasseerd te krijgen. De eventueel door hem verrichte werkzaamheden dienen volgens [gedaagde sub 2] c.s. te worden beschouwd als voorbereidingshandelingen in kader van deze procedure. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] naar voren gebracht dat hij vele brieven naar [gedaagde sub 2] c.s. heeft gestuurd om betaling te bewerkstelligen en hij heeft daarvan bewijs aangeboden. In de conclusie van repliek is [eiser] echter niet nader ingegaan op het verweer van [gedaagde sub 2] c.s. en heeft hij geen stukken overgelegd die zijn stelling zou kunnen onderbouwen.

4.39.

Gelet op het voorgaande heeft [eiser] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk verdergaande buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.

4.40.

Het verzoek van [gedaagde sub 2] c.s. om de vordering tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis af te wijzen, of [eiser] te verplichten zekerheid te stellen voor het bedrag tot betaling waarvan [gedaagde sub 2] c.s. wordt veroordeeld, zal niet worden toegewezen. Gelet op de hoogte van het toegewezen bedrag is het gestelde restitutierisico dat [gedaagde sub 2] c.s. aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet aan de orde.

4.41.

[gedaagde sub 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- griffierecht 883,00

- salaris advocaat 1.152,00 (3 punt × tarief € 384,00)

Totaal € 2.035,00

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] vanwege de gemaakte beroepsfout onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] ;

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 2] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde sub 1] ;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.311,91 met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 5 maart 2014, tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.035,00;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.1

1 type: SM 4183 coll: GB 4333