Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:304

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
C/16/405439 / HA ZA 15-978
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet tegen dwangbevel invordering gemeentebelasting; geen nietigheid of vernietigbaarheid dwangbevel; executiegeschil ex artikel 438 Rv; verzet ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/405439 / HA ZA 15-978

Vonnis van 1 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.G.R. Meulmeester te Amsterdam,

tegen

DE INVORDERINGSAMBTENAAR VAN DE GEMEENTE BUSSUM,

zetelend te Bussum,

gedaagde,

advocaat mr. A.G. Hendriks te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de invorderingsambtenaar genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser]

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    het proces-verbaal van de op 25 oktober 2016 gehouden pleidooizitting

  • -

    de brieven van beide partijen met correcties en aanvullingen op de in het proces-verbaal opgenomen verklaringen van partijen.

Voor zover de inhoud van deze brieven geen correcties en aanvullingen op de verklaringen van partijen betreffen, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij aanslagbiljet met nr. [nummer] en dagtekening 31 januari 2013 heeft de gemeente Bussum (hierna: de gemeente) aan [eiser] voor het belastingjaar 2013 een bedrag van € 770,43 aan gemeentelijke belastingen opgelegd. Tegen deze aanslag heeft [eiser] geen bezwaar gemaakt, zodat deze onherroepelijk is geworden.

2.2.

[eiser] heeft deze aanslag voldaan door middel van automatische incasso door de gemeente van 10 gelijke termijnen, met uitzondering van de termijn van de maand november 2013 ten bedrage van € 77,05. Deze kon niet worden geïncasseerd.

2.3.

Bij afschrift dwangbevel, ter post bezorgd op 16 mei 2014, heeft de invorderingsambtenaar aan [eiser] bevel gegeven om binnen 2 dagen het bedrag van € 77,05 te betalen, vermeerderd met een bedrag van € 7,00 aan eerder in rekening gebrachte kosten alsmede de kosten van de betekening van het dwangbevel ad € 39,00, in totaal dus € 123,05. In de toelichting op het dwangbevel is vermeld dat vragen over het dwangbevel kunnen worden gericht aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, waaraan is toegevoegd: “(adresgegevens linksboven in het dwangbevel)”. Daar staat het volgende vermeld:

“Gemeente Bussum

Per adres: [bedrijf 1]

Postbus [postbusnummer]

[postcode] [vestigingsplaats]

T + [telefoonummer] (8:30 - 17:00)

[...] @ [...] .nl

(…)”

Verder is in de toelichting bij het dwangbevel vermeld dat voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling kosten in rekening worden gebracht op grond van de Kostenwet Invordering rijksbelastingen. De hoogte van de kosten is gerelateerd aan het nog te betalen belastingbedrag. Daarnaast is vermeld dat, als het totaal verschuldigde bedrag niet tijdig wordt betaald, de belastingdeurwaarder zal overgaan tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Dit kan hoge kosten veroorzaken, die voor rekening van de belastingplichtige zijn. Voorts is opgenomen dat tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in verzet kan worden gekomen bij de rechtbank.

2.4.

Bij brief van 18 september 2014 heeft [eiser] bij de gemeente bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte kosten.

2.5.

Op 21 mei 2015 heeft [bedrijf 1] aan [eiser] een betalingsherinnering gezonden. In antwoord op die brief heeft [eiser] bij brief van 30 mei 2015 aan [bedrijf 1] gevraagd om bewijs van de volmacht van [bedrijf 1] van de gemeente, alsmede om (kopieën van) de onderliggende aanslag(en). Bij brief van 2 juli 2014 heeft [bedrijf 1] aan [eiser] een kopie van het ‘Aanstellings- en aanwijzingsbesluit deurwaarders [bedrijf 1] 2013’ en van het dwangbevel toegezonden. Verder heeft zij in de brief vermeld dat [eiser] een kopie van de aanslag en de aanmaning bij de gemeente dient op te vragen omdat deze door de gemeente zijn verzonden.

2.6.

Op 14 augustus 2015 heeft [eiser] een bedrag van € 77,00 aan de gemeente betaald.

2.7.

Bij exploot van 13 oktober 2015 heeft de belastingdeurwaarder van de gemeente op verzoek van de invorderingsambtenaar aan [eiser] een hernieuwd bevel tot betaling en aankondiging beslaglegging betekend. Als openstaand bedrag met openstaande kosten is het bedrag van € 123,05 vermeld en als kosten van dit exploot een bedrag van € 15,00, zodat in totaal € 138,05 is verschuldigd.

2.8.

[eiser] heeft op 14 oktober 2015 per mail aan de belastingdeurwaarder het bewijs van de betaling van € 70,00 gegeven en daarnaast aangekondigd dat hij tegen de in rekening gebrachte kosten bezwaar zal aantekenen.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat het dwangbevel nietig is, althans dit te vernietigen;

b. het verzet gegrond te verklaren en (de tenuitvoerlegging van) het dwangbevel te schorsen;

c. de invorderingsambtenaar te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, met nakosten en wettelijke rente en wettelijke rente over de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat het dwangbevel meerdere gebreken kent, waarover verder hierna. [eiser] verwijst in dat verband naar artikel 231 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 13 en 17 van de Invorderingswet 1990 (IW) en de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verder is [eiser] van mening dat de door de gemeente gekozen handelwijze zich niet verenigt met de volgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheid, motivering en rechtszekerheid. In dat verband is volgens hem nog relevant dat het in deze gaat om één termijn van de gemeentelijke belastingen die hij middels een automatische incasso voldoet, waarbij kennelijk met de incasso van één termijn in 2013 iets is misgegaan. Hij is daarvoor eerst geruime tijd later aangeschreven, pas in mei 2014. In 2013 is hij daarop niet gewezen door de gemeente, zodat hij in de veronderstelling verkeerde dat een en ander allemaal gewoon was voldaan. De brieven van [bedrijf 1] van ruimschoots daarna kwamen daardoor geheel onverwacht, en deze waren ook niet te plaatsen gezien de gebrekkige wijze waarop daaruit is op te maken 1) wie [bedrijf 1] is en (2) waarom haar werknemers bevoegd zouden zijn om terzake op de treden voor de gemeente en 3) gezien het vervolgens niet verstrekken van die stukken en informatie waarmee de bevoegdheid kan worden vastgesteld.

4 Het verweer

4.1.

De invorderingsambtenaar betwist samengevat dat er sprake is van nietigheid of vernietigbaarheid van het dwangbevel. De door [eiser] aan deze stelling ten grondslag gelegde wetsartikelen zijn volgens de invorderingsambtenaar niet van toepassing op de manier waarop de betekening heeft plaatsgevonden. Verder merkt de invorderingsambtenaar op dat het dwangbevel niet de eerste correspondentie is geweest waaruit [eiser] heeft kunnen opmaken dat er iets was misgegaan met de betaling. Op 17 februari 2014 is aan [eiser] een betalingsherinnering met acceptgiro verzonden, waarin is gewezen op de omstandigheid dat de aanslag nog niet volledig was voldaan. Daarbij is [eiser] tot 3 maart 2014 in de gelegenheid gesteld het openstaande bedrag alsnog te betalen. Bij het uitblijven van betaling voor die datum zou een aanmaning worden verzonden, waaraan kosten zouden zijn verbonden. Omdat betaling ook na deze herinnering is uitgebleven, is op 28 april 2014 een aanmaning aan [eiser] verzonden, met vervaldatum 12 mei 2014. Nu ook na deze aanmaning betaling is uitgebleven, is op 16 mei 2014 het dwangbevel aan [eiser] verzonden. Als het [eiser] niet duidelijk was waarop deze betalingsherinnering en aanmaning betrekking hadden, had het op de weg van [eiser] gelegen om hierover binnen de gegeven betalingstermijnen opheldering te vragen bij de invorderingsambtenaar. Dat heeft hij echter nagelaten. De invorderingsambtenaar is van mening dat onder deze omstandigheden ook niet kan worden gesteld dat hij diverse beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de verplichting tot betaling van een gemeentelijke belastingschuld. Op grond van artikel 231 lid 1 van de Gemeentewet geschieden de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awir), de IW en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. Het tweede lid van dat artikel regelt de in die wetten neergelegde bevoegdheden en verplichtingen voor de gemeentelijke colleges en functionarissen.

5.2.

[eiser] heeft erkend dat het bedrag van de belastingaanslag (volledig) betaald had moeten worden, maar heeft de verschuldigdheid van de in rekening gebrachte kosten betwist. Bij het afschrift dwangbevel van 16 mei 2014 zijn aan [eiser] de openstaande belastingschuld en kosten in rekening gebracht. Tegen het dwangbevel staat ingevolge artikel 8:4 aanhef onder b jo. artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar en beroep open. Er moet daarom van de rechtmatigheid van het dwangbevel worden uitgegaan.

5.3.

Wel bevat artikel 17 IW een specifieke regeling voor de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Ingevolge artikel 17 lid 1 IW kan de belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat het verzet aanvangt met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

In het derde lid van artikel 17 IW is bepaald dat het verzet niet gegrond kan zijn op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning, het op de voet van artikel 13 lid 3 IW betekende dwangbevel of de schriftelijke mededeling, genoemd in artikel 27 lid 1 IW niet is ontvangen, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

5.4.

In deze zaak heeft [eiser] (voor het eerst) bij conclusie van repliek betwist dat er een betalingsherinnering en een aanmaning zijn verstuurd, althans dat hij deze heeft ontvangen. Hetgeen in dat verband door de invorderingsambtenaar als bewijs is aangedragen, acht [eiser] daarvoor onvoldoende. De invorderingsambtenaar heeft bij conclusie van antwoord een kopie van een aan [eiser] op 17 februari 2014 gezonden betalingsherinnering overgelegd en een print van een aan [eiser] gezonden aanmaning met dagtekening 28 april 2014. Bij conclusie van dupliek heeft de invorderingsambtenaar toegelicht dat hij voor de verzending van aanmaningen gebruik maakt van [bedrijf 2] in [vestigingsplaats] . De aanmaningen die door [bedrijf 2] met dagtekening 28 april 2014 namens de gemeente zijn verzonden, zijn in het digitale archief van de gemeente vastgelegd in het document “Aanmaningen_ [...] .text”. De invorderingsambtenaar heeft een kopie van dit document bijgevoegd. Voorts heeft invorderingsambtenaar aangevoerd dat er na verzending van aanmaningen tevens aantekening wordt gemaakt in het gemeentelijke belastingpakket “GouwBelastingen”. Een schermprint daarvan heeft de invorderingsambtenaar eveneens bijgevoegd.

5.5.

Tegenover dit bewijs heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de ontvangst van de betalingsherinnering en de aanmaning moet worden betwijfeld, zoals bedoeld in artikel 17 lid 3 IW. In zoverre is het verzet ongegrond.

5.6.

Verder heeft [eiser] bij conclusie van repliek betwist dat het dwangbevel ter post is bezorgd. De invorderingsambtenaar heeft in reactie daarop verwezen naar het schermprint van “GouwBelastingen”, waaruit blijkt dat het betreffende dwangbevel op 28 april 2014 is verzonden. Voorts heeft de invorderingsambtenaar verwezen naar het hernieuwd bevel tot betaling. Dit wordt volgens de invorderingsambtenaar op grond van artikel 14 lid 1 IW betekend om te voorkomen dat geen beslaglegging kan plaatsvinden doordat het per post verzonden dwangbevel de belastingschuldige niet heeft bereikt.

5.7.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] de ontvangst van het dwangbevel op zichzelf niet heeft betwist. Rechtsboven op het afschrift dwangbevel is vermeld: “Datum terpostbezorging: 16-05-2014”. Verder is in het dwangbevel vermeld dat dit dwangbevel met bevel tot betaling op grond van de IW door terpostbezorging van het afschrift aan de belastingschuldige is betekend. Ook uit het schermprint van “GouwBelastingen” blijkt de verzending van het dwangbevel. Bovendien heeft [eiser] in zijn brief aan de gemeente van 18 september 2014 naar het dwangbevel verwezen. Het dwangbevel met bevel tot betaling is kennelijk aan [eiser] betekend door het ter post bezorgen van een afschrift daarvan, zoals bedoeld in artikel 13 lid 3 IW. Omdat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontvangst van het afschrift dwangbevel redelijkerwijs moet worden betwijfeld in de zin van artikel 17 lid 3 IW, is het verzet ook in zoverre ongegrond.

5.8.

De rechtbank zal de zaak voor het overige beoordelen naar de algemene normen die gelden voor een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv. Die luiden volgens vaste jurisprudentie (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145) dat de executant niet de bevoegdheid heeft om tot voortzetting van de executie over te gaan indien hij geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren dwangbevel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na de uitvaardiging van het dwangbevel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden gevergd.

5.9.

[eiser] heeft betoogd dat het dwangbevel nietig is omdat het niet op grond van de artikelen 12 en 13 IW jo. artikel 45 lid 3 sub b en c Rv jo artikel 231 lid 2 Gemeentewet vermeldt 1) de naam en de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt, en 2) de naam en het kantooradres van de gemeenteambtenaar, belast met de invordering van gemeentelijke belastingen. Voorts is volgens hem onduidelijk of de werknemers van [bedrijf 1] op grond van het Aanstellingsbesluit deugdelijk zijn aangewezen als invorderingsambtenaar van de gemeentelijke belastingen. Hij is van mening dat niet is vast te stellen of het dwangbevel is uitgevaardigd door een bevoegde gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen. Ook is het dwangbevel niet ondertekend. Er zijn veel oplichters doende met het versturen van neprekeningen en aanmaningen, zodat voorzichtigheid gepast is bij het voldoen aan betalingsverzoeken door onbekende partijen. Op de website van de gemeente wordt geen melding gemaakt van de samenwerking met [bedrijf 1] .

5.10.

De invorderingsambtenaar heeft aangevoerd dat het dwangbevel als afzender “Gemeente Bussum, per adres [bedrijf 1] ” vermeldt. Daaruit blijkt dat het dwangbevel afkomstig is van de gemeente Bussum en dat zij ten deze als domicilie het adres van [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] kiest. De omstandigheid dat de gemeente voor de enkele verzending van documenten, inhoudende besluiten in de zin van de Awb, gebruik maakt van een derde brengt immers niet met zich mee dat deze derde ook degene is die het besluit heeft genomen. Het dwangbevel is voorts ondertekend door de ambtenaar belast met de invordering. Deze ondertekening, in combinatie met de afzender “De ambtenaar belast met de invordering”, leidt tot de conclusie dat dit de invorderingsambtenaar van de gemeente Bussum betreft. Ten aanzien van de betekening heeft de invorderingsambtenaar opgemerkt dat op grond van het derde lid van artikel 13 IW een dwangbevel ook kan geschieden door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger. Omdat het derde lid uitdrukkelijk afwijkt van artikel 4:123 lid 1 (Awb), volgens welk artikel de bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van betekening van een exploot als bedoeld in Rv, zijn de regels van Rv niet van toepassing op de wijze van betekening, zoals bedoeld in artikel 13 lid 3 IW.

5.11.

Vast staat dat bovenaan het dwangbevel de gemeente Bussum is vermeld. Verder staat onderaan vermeld als persoon van wie het dwangbevel afkomstig is: “De ambtenaar belast met de invordering”. Daarboven is vermeld dat het dwangbevel met bevel tot betaling centraal in een geautomatiseerd proces is vervaardigd en daarom niet is ondertekend. In de tekst van het dwangbevel staat de volgende domiciliekeuze: “Ik kies tot het einde van de tenuitvoerlegging woonplaats op het hierboven vermelde kantooradres”. Dit betreft de gegevens van [bedrijf 1] , zoals die hiervoor onder 2.3 zijn weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende duidelijk dat het dwangbevel afkomstig is van de bevoegde invorderingsambtenaar van de gemeente Bussum. Voorts heeft de betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling plaatsgevonden met toepassing van artikel 13 lid 3 IW, dat een afwijkende wijze van betekening bevat. Daarin is bepaald dat de betekening in afwijking van artikel 4:123 Awv ook kan geschieden door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de ontvanger. Van nietigheid of vernietigbaarheid van het dwangbevel is dus geen sprake. Evenmin is sprake van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dwangbevel klaarblijkelijk niet berust op een juridische of feitelijke misslag.

5.12.

Verder is gesteld noch gebleken dat de executie op grond van na de uitvaardiging van het dwangbevel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde (verdere) tenuitvoerlegging niet kan worden gevergd. Het bedrag van € 77,00 dat [eiser] op 14 augustus 2015 heeft betaald, is ingevolge artikel 7 lid 1 IW eerst toegerekend aan de op dat moment reeds ontstane kosten en daarna aan de aanslag. De invorderingsambtenaar is gerechtigd de kosten in te vorderen op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Rekening houdend met de kosten van het exploot van 13 oktober 2015 ad € 15,00, staat thans nog een bedrag van € 61,05 op de aanslag open.

5.13.

De slotsom luidt dat het verzet ongegrond is en dat de vorderingen moeten worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de invorderingsambtenaar worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris gemachtigde € 1.808,00 (4 punten x tarief € 452,00)

totaal € 2.421,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de invorderingsambtenaar, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.421,00, waarvan € 1.808,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.1

1 type: GvB (4333) coll: MS ()