Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2561

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
16/705874-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man uit Utrecht heeft voorbereidingshandelingen getroffen om af te reizen naar Afghanistan en zich aan te sluiten bij IS. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 242 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank meerdere bijzondere voorwaarden.

De man heeft voorbereidingshandelingen getroffen om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. Hij had contact met gelijkgestemden en kocht een vliegticket naar Teheran. De man had zijn koffer gepakt en een groot geldbedrag op zak. Hij werd aangehouden op 14 april 2016 in Utrecht nadat zijn vader de politie had ingeschakeld.

De man is inmiddels een lange tijd, onder strenge voorwaarden, geschorst uit zijn voorarrest. De rechtbank ziet evenals de officier van justitie geen aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank legt een aantal bijzondere voorwaarden op, waaronder een locatieverbod voor luchthavens en de Nederlandse landgrenzen. Tijdens zijn proeftijd wordt dit gecontroleerd met behulp van elektronisch toezicht. Ook bepaalt de rechtbank dat hij behandeld moet worden voor zijn stoornis en in gesprek met moet met een islamdeskundig of theoloog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zitting houdende te Badhoevedorp

Parketnummer: 16/705874-16 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 mei 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [1990] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016, 1 december 2016 en 10 mei 2017.

Ter terechtzitting van 10 mei 2017 is verdachte in persoon verschenen en heeft zich laten bijstaan door mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, en mr. J.L.L.L. Maalsté, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 14 april 2016 handelingen heeft verricht met het oogmerk om misdrijven met een terroristisch oogmerk voor te bereiden en/of te bevorderen;

feit 2

op 14 april 2016 heeft gepoogd deel te nemen aan een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

en/of

op 14 april 2016 voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het deelnemen aan een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

3 Voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft een aantal verweren gevoerd met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding. Gesteld wordt dat de tenlasteleggingen op een aantal punten onbegrijpelijk dan wel onduidelijk zijn, zodat de dagvaarding op die punten nietig verklaard dient te worden. De rechtbank zal deze verweren hieronder bespreken.

Ingevolge artikel 261, eerste lid, van het wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Als criterium geldt of de verdachte heeft begrepen waarvoor hij terecht moet staan, zodat hij zich goed kan verdedigen.

In de eerste plaats heeft de verdediging aangevoerd dat in feit 1 en feit 2, primair en subsidiair, onder de respectievelijke letters ‘E’, ‘B’ en ‘B’ als plaats van handelen “de grens met Syrië in Afghanistan” opgenomen. Als dit al verbeterd zou worden gelezen als “de grens tussen Syrië en Afghanistan”, dan is dit geologisch onjuist omdat deze landen niet aan elkaar grenzen. Dit onderdeel van de tenlastelegging dient hierom partieel nietig verklaard te worden.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de grens met Syrië in Afghanistan niet bestaat en zal de tenlastelegging aldus verbeterd lezen dat in feit 1 onder ‘E’ de zinssnede “althans naar de grens met Syrie in Afganistan” en in feit 2 telkens onder ‘B’ de zinssneden “de grens van Syrie in” komen te vervallen. De rechtbank is - gelet op de inhoud van het dossier - van oordeel dat de dagvaarding daarmee voldoende duidelijk en niet onbegrijpelijk is, zodat deze voldoet aan de eisen die artikel 261, eerste lid, wetboek van Strafvordering daaraan stelt. Het verweer wordt verworpen.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde aangevoerd dat dit een onbegrijpelijk samenstel van woorden oplevert en er sprake is van een obscuur libel. De

De rechtbank overweegt dat, hoewel wellicht taalkundig niet geheel correct opgeschreven, duidelijk is dat hetgeen in de 4e regel achter de dubbele punt staat terugslaat op de organisaties en niet op de misdrijven. Feit 2 voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt het verweer van de verdediging op dit punt verworpen.

In de derde plaats heeft de verdediging ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde aangevoerd dat dit een obscuur libel betreft. In de eerste plaats is niet duidelijk op welke misdrijven de organisatie, ten aanzien waarvan verdachte voorbereidingen zou hebben getroffen om aan deel te nemen, het oogmerk had. De tenlastelegging kan op meerdere manieren gelezen worden.

Gelet op de inhoud van het complete dossier, kan over de manier waarop de tenlastelegging moet worden gelezen naar het oordeel van de rechtbank geen enkele twijfel bestaan. Feit 2 voldoet naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt het verweer van de verdediging op dit punt verworpen.

Voorts is volgens de verdediging de in feit 2 ten laste gelegde gedraging onder A onvoldoende duidelijk voor zover aan verdachte ten laste is gelegd dat hij inlichtingen en informatie heeft verkregen over de gang van zaken/werkwijze in Syrië en/of Afghanistan. Onduidelijk is welke gang van zaken en welke werkwijze wordt gedoeld. Zonder nadere uitleg voldoet de dagvaarding niet aan de informatieve functie en is om die reden nietig.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de inhoud van het complete dossier, de tenlastelegging ook op dit punt voldoende duidelijk en begrijpelijk. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte gezocht heeft naar de te volgen route naar en de gang van zaken in Syrië en/of Afghanistan. De onder feit 2 onder A tenlastegelegde feitelijke gedraging voldoet naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt het verweer van de verdediging verworpen.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat het onder feit 2 ten laste gelegde verwijt dat verdachte op 14 april 2016 gepoogd zou hebben dan wel voorbereiding zou hebben getroffen zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie, innerlijk tegenstrijdig is met de feitelijke handeling omschreven onder ‘B’, namelijk dat verdachte op 17 januari 2016 een ticket heeft geboekt via een vliegmaatschappij uit Ukraine om naar Turkije en vanuit Turkije naar Syrië te reizen. Het verwijt dat verdachte een strafbaar feit op een bepaalde datum heeft begaan, kan zich niet uitstrekken tot een eerder moment. Hierom dient de dagvaarding partieel nietig te worden verklaard.

De rechtbank is met de raadslieden van oordeel dat het deel van de feitelijke gedraging onder ‘B’ dat betrekking heeft op de vliegticket voor de datum van 17 januari 2016, partieel nietig is, nu onder feit 2 verdachte juist het verwijt wordt gemaakt dat hij op 14 april 2016 heeft gepoogd dan wel voorbereidingshandeling heeft getroffen om, kort gezegd, deel te nemen aan een terroristische organisatie. Gelet op de beperkte tijdspanne waarin de voorbereidingshandelingen volgens de tenlastelegging zouden hebben plaatsgevonden, namelijk (alleen) op 14 april 2017, is onbegrijpelijk dat de voorbereidingshandelingen zich ook zouden uitstrekken tot gedragingen welke op 17 januari 2016 hebben plaatsgevonden. Dit verweer slaagt en de rechtbank zal de dagvaarding op dit punt partieel nietig verklaren.

Bevoegdheid van de rechtbank

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat kan worden gesteld dat in Syrië niet langer sprake is van een niet-internationaal conflict, maar dat met de bemoeienissen van de Verenigde Staten en haar bondgenoten, Rusland, Turkije, Iran en alle andere landen het conflict in Syrië in 2014, en dus ten tijde van de ten laste gelegde periode, is uitgegroeid tot een internationaal gewapend conflict.

Als de rechtbank meent dat dit het geval is, dan zal vervolgens de vraag gesteld moeten worden of aan de strijdkrachten van Jabhad al Nusra, IS, ISIS, ISIL en/of Al Qaida het combattantenprivilege toekomt. Door de Hoge Raad is immers beslist dat zo’n combattantenstatus alleen toekomt aan strijdkrachten die zijn verwikkeld in een internationaal gewapend conflict. Als de rechtbank deze vraag bevestigend beantwoordt dan zijn de terrorismebepalingen van het Wetboek van Strafrecht van toepassing uitgesloten en dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Wat ook zij van de vraag of het conflict in Syrië inmiddels is uitgegroeid tot een internationaal conflict, de door de terreurorganisaties Jabhad al Nusra, IS, ISIS, ISIL en/of Al Qaida gepleegde terreurdaden zijn in strijd met het humanitair oorlogsrecht en daarmee ook strafbaar onder nationaal recht (zie de uiteenzetting hierover in het arrest van het Gerechtshof Den Haag, 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082 en de daarin aangehaalde bronnen en jurisprudentie). De rechtbank is daarmee bevoegd.

Overige voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 het volgende aangevoerd.

Voor een bewezenverklaring voor feit 1 is vereist dat verdachte de gedragingen heeft verricht met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf is niet voldoende. Uit de bij verdachte inbeslaggenomen gegevensdragers, de getuigenverhoren en de ambtsedige verklaringen van de meerdere verbalisanten kan niet worden afgeleid dat verdachte het oogmerk had om de terroristische misdrijven ex artikel 157, 289(a) en 288a van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden of te bevorderen. Ook kan uit de ambtsedige verklaringen van de verbalisanten niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat verdachte willens en weten geweld wilde gebruiken in de zin van artikel 96, tweede lid Wetboek van Strafrecht. Feit 1 kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het volgende standpunt gesteld.

Voor deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is voldoende dat de verdachte in het algemeen weet (in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte zich via chat- en WhatsApp-berichten heeft laten informeren over het afreizen naar Afghanistan, provincie Khurasan, en over hoe zich aan te sluiten bij Islamic State (IS). Verdachte heeft websites bezocht waarop informatie over de gewapende strijd wordt gedeeld en verdachte heeft afbeeldingen en videobestanden en gegevensdragers en informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het IS-gedachtengoed. Daarnaast heeft verdachte een ticket en reisbescheiden en geld voorhanden gehad en heeft hij via Iran getracht Afghanistan te bereiken ten behoeve van zijn aansluiting bij IS.

Uit deze handelingen volgt de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging deel te nemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Tot slot heeft de officier van justitie de vraag gesteld of de eerder genoemde feitelijke gedragingen ook te kwalificeren zijn als voorbereiding van deelname aan een terroristische organisatie. Er is sprake van een organisatie met het oogmerk om terroristische misdrijven te plegen en verdachte kon er minimaal rekening mee houden dat daarbij misdrijven als moord en doodslag, brandstichtingen en het teweeg brengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk zouden worden gepleegd. Gelet op deze bevindingen kan voorbereiding aan een terroristische organisatie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken, omdat het oogmerk op terroristische misdrijven ontbreekt.

Ten aanzien van feit 2 hebben de raadslieden het volgende aangevoerd.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde handelingen sub A t/m D te bewijzen zijn, maar dat, het bewijs voor de aanschaf van tickets naar Iran, mede gelet op de overige gedragingen, onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het handelen van verdachte was gericht op de voltooiing van het misdrijf zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie.

Verdachte dient dus te worden vrijgesproken van de onder feit 2 ten laste gelegde poging.

De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de uiteindelijke bestemming van de reis van verdachte. Bij gebrek aan concrete afspraken over de reis van verdachte naar een gebied dat onder controle zou staan van een terroristische organisatie, en het inzicht dat de vader van verdachte in de persoon van verdachte heeft verschaft, moet worden geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een doordacht plan, voorzien van concrete reisplannen en connecties om met succes te kunnen deelnemen aan een terroristische organisatie. Bovendien is er in het dossier geen enkel bewijsmiddel te vinden dat verdachte daadwerkelijk het oogmerk heeft gehad om actief deel te nemen aan de strijd.

De verweten handelen zijn dan ook niet voldoende redengevend voor de verweten voorbereiding van deelname aan een terroristische organisatie. Verdachte dient dan ook van de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereiding te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1

Verdachte wordt kortweg verweten dat hij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 14 april 2016 met het oogmerk om ter voorbereiding en/of bevordering van het plegen van opzettelijke brandstichting en/of teweeg brengen van een ontploffing met terroristisch oogmerk en/of moord en/of doodslag met terroristisch oogmerk handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 96, tweede lid, sub 1, 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd.

Artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht luidt: “Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”

Bij het hier aan de orde zijnde oogmerk gaat het om “willens en wetens”, zodat niet kan worden volstaan met voorwaardelijk opzet.

Verdachte heeft in gesprekken met meerdere verbalisanten en in gesprekken met zijn vader aangegeven dat hij sympathie heeft voor de Jihadistische strijd die IS op dit moment aan het voeren is. Verdachte heeft in gesprekken verteld dat hij zich wilde gaan vestigen in het Kalifaat en dat hij zich wilde aansluiten bij IS. Anderzijds zou verdachte tegen verbalisanten hebben verklaard dat hij het geweld veroordeelde. De vader van verdachte heeft verklaard dat verdachte hem vertelde dat hij naar IS wilde gaan, niet om daar te vechten maar omdat hij onder een Islamitische overheid wilde leven.

De rechtbank overweegt dat, mede gelet op het voorgaande, uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte zelf geweld wilde gaan plegen. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen onder A tot en met J heeft gepleegd met het terroristisch oogmerk om brandstichting, moord of doodslag voor te bereiden of te bevorderen ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspreken.

4.3.2

Feit 2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 14 april 2016 werd verbalisant [verbalisant 1] gebeld door de vader van verdachte. Vader verklaarde dat zijn zoon zojuist van huis was vertrokken, dat hij had aangegeven zich aan te willen sluiten bij IS en dat hij een vliegticket had gekocht om naar Teheran (Iran) te vliegen en dat hij daarna via Pakistan naar Afghanistan zou gaan.2 De verbalisant had het signalement en een foto van verdachte doorgegeven aan de medewerkers van de afdeling Cameratoezicht. Een medewerker meldde dat zij een persoon die voldeed aan het signalement in beeld had en dat deze persoon op dat moment met een rolkoffer liep over de J.J.A. Goeverneurstraat in de richting van de Cremerstraat te Utrecht. De verbalisant is samen met een collega ter plaatste gegaan en zag verdachte de Cremerstraat uit komen lopen. Verdachte is vervolgens aangehouden.3 Tijdens de insluitingsfouillering werden onder meer de volgende goederen bij verdachte aangetroffen: een rolkoffer, een smartphone van het merk Samsung, type Galaxy, en een geldbedrag van $ 1.620,00.4

De onder verdachte in beslag genomen telefoon, merk Samsung, werd door verbalisant [verbalisant 2] onderzocht. Met betrekking tot de applicatie ‘e-mail’ met het adres ‘ [e-mail] @gmail.com’ zag de verbalisant in de inbox 5 berichten. Eén van deze berichten was van Cheaptickets.nl waar een vlucht voor Teheran was geboekt bij Ukraine Intl.Airlnes, reserveringsnummer [nummer] , verstuurd naar zichzelf op 14/04/2016 om 13:11 uur en Cheaptickets boekingsgegevens, vluchtnummer PS106 vanaf Amsterdam Schiphol om 05:30 uur, verstuurd naar zichzelf op 14/04/2016 om 13:03 uur.5

De onder verdachte in beslag genomen telefoon van verdachte, merk Samsung, is ook onderzocht door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] . Met betrekking tot de inhoud van de applicatie ‘Telegram’ zagen zijn het volgende:

- dat er 579 ongelezen berichten in staan;

- dat er 53 gesprekken/contacten in staan;

- dat het allemaal te maken heeft met kalifaat en de zuivere islam;

- dat er meerdere verzen van de koran in staan;

- dat er meerdere Islamitische strijders op staan;

- dat er in discussiegroep, genaamd [discussiegroep] 143 leden zitten en dat de inhoud van die app gaat over de overlevering van de Profeet Mohammed en het onrecht in de wereld ten nadele van moslims. Dit om gelovigen in actie te laten komen;

- in Staat Nieuws een privégroep zijn meerdere afbeeldingen gedeeld en opgeslagen, enkelen hiervan zijn als afbeelding in proces-verbaal toegevoegd. De inhoud betreft honderden afbeeldingen die gaan over de strijd en executies in Syrië en Irak;

- in Did You Know staan er allerlei afbeeldingen over de onderdrukking van de moslims en over het kolonialisme in het verleden. Doel van deze afbeeldingen over ‘feitjes en weetjes’ is het versterken van de polarisering.6

De vader van verdachte, [getuige] , is bij de politie op 14 april 2016 als getuige gehoord. Hij verklaarde dat verdachte naar IS wilde gaan.7 Vader verklaarde verder dat verdachte had gezegd dat hij naar Khurassan en via Khurassan naar Afghanistan wilde reizen. Kuhrassan is een provincie van Iran die grenst aan Afghanistan.

Door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] is nader onderzoek ingesteld naar de smartphone, van het merk Samsung, die bij verdachte was aangetroffen en in beslag was genomen.8 Op deze telefoon wordt in de applicatie ‘Telegram’ het volgende gesprek tussen verdachte en [A] van 10 april aangetroffen:

20:15 uur, in: Do you have tazkia?

20:26 uur, uit: Yes I have tazkiyya

20:39 uur, in: ok akhi wich wilayat can u go

Libya or khursaan

20:39 uur, uit: I was thinking of sham9

20:42 uur, uit: If I want to go to Khurasan. It is possible to through Iran?

23:51 uur, in: Yes akhi khursaan available thru iran

Datum 11 april

04:21 uur, uit: Khurasan is good

11:01 uur, uit: [naam] is my kunya10

Bewijsoverweging

Verrichte handelingen

Onder ‘E’ wordt verdachte verweten dat hij zich in de richting van het station Utrecht begaf. Uit een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 15 april 2016 volgt dat verdachte door het cameratoezicht werd gezien lopende over de J.J.A. Gouverneurstraat, in de richting van de Cremerstraat te Utrecht. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gelopen route erop duidt dat verdachte juist van het station afliep. Dit wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen dat verbalisant om 21.17 uur werd gebeld door vader dat verdachte had aangegeven onderweg te zijn naar huis en niet naar het station. Verdachte zal dan ook voor de gedraging zoals ten laste gelegd onder ‘E’ worden vrijgesproken.

Gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de handelingen zoals beschreven onder A, B, C en D onder feit 2.

Van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Het is voldoende dat een verdachte in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Wetenschap van één of meer concrete misdrijven is niet vereist. Evenmin is vereist dat de betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden zijn respectievelijk worden gepleegd.

IS een terroristische organisatie

Het is een feit van algemene bekendheid dat IS een organisatie is met een terroristisch oogmerk, die om haar doelstelling te bereiken dood en verderf zaait onder ieder die hun extreem fundamentalistisch geloof niet deelt. Door deze terreurbeweging worden op grote schaal ernstige mensenrechtenschendingen begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling en het verminken van krijgsgevangenen en burgers. Sinds 30 mei 2013 staat IS als terroristische organisatie op de sanctielijst van de VN. Daarnaast staat IS ook op de sanctielijst van de EU. Deelname aan IS levert dan ook deelname aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140 en 140a Sr. op. Voor verdachte – die een grote belangstelling had voor de ontwikkelingen in Syrië en de Jihad – moet het volstrekt duidelijk zijn geweest dat IS het oogmerk heeft (terroristische) misdrijven te plegen.

De rechtbank acht opzet van verdachte op het deelnemen aan de terroristische organisatie wettig en overtuigend bewezen.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of deze handelingen gekwalificeerd kunnen worden als een poging en/of voorbereidingshandelingen.

Poging

Van een strafbare poging is sprake wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf heeft geopenbaard. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering, als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf. Ter beoordeling ligt daarom voor of in het onderhavige geval sprake is van een begin van uitvoering van deelneming aan een terroristische organisatie.

De rechtbank overweegt dat verdachte op 14 april 2016 is aangehouden met in zijn bezit een rolkoffer en in zijn kleding een geldbedrag in euro’s en een geldbedrag in dollars. Tevens was verdachte op 14 april 2016 in het bezit van een vliegticket voor een vlucht naar Teheran op 20 april 2016. Tenslotte is uit onderzoek gebleken dat hij op zijn telefoon foto’s en documenten betreffende het Jihadistisch gedachtengoed had staan.

De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen - ook in onderling verband bezien - geen gedragingen zijn die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het vliegticket pas voor een vlucht op 20 april 2016 was, een kleine week later dan de dag van aanhouding.

Verdachte zal dan ook voor de onder feit 2 ten laste gelegde poging worden vrijgesproken.

Voorbereiding

De voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer op is gesteld, is strafbaar wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoersmiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. Bij de beantwoording van de vraag of de in art. 46, eerste lid, Sr vermelde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk ook als 'voorwerpen' aan te duiden), afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm "zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf" in de zin van deze bepaling, dient te worden beoordeeld of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. Niet kan worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.

Uit de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier, blijkt dat verdachte tegen zijn vader heeft gezegd dat hij zich wilde aansluiten bij IS en dat hij naar Afghanistan wilde reizen. In chatgesprekken die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen blijkt dat verdachte contact heeft met een persoon en dat hij bij die persoon naar informatie vraagt over de route om af te reizen naar IS-gebied, namelijk de provincie Khorasan en zelf in een chatgesprek vertelt dat hij een Thazkiya heeft. Uit de aan het dossier toegevoegde kennisdocumenten volgt dat Khorasan een door IS uitgeroepen provincie is waar IS openlijk bestuurlijk en militair aanwezig is. Een deel van deze provincie is gelegen in Afghanistan, waarvan bekend is dat IS daar openlijk (zowel bestuurlijk als militair) actief is. Een Thazkiya zou nodig zijn als zogenaamde ‘referent’ om aan te kunnen sluiten bij IS. Deze feitelijkheden zijn ten laste gelegd onder ‘A’. De rechtbank leidt uit al deze feiten en omstandigheden af dat verdachte de intentie had om te reizen naar IS-gebied. Hoewel de uitlatingen tegen vader, het verzamelen van deze inlichtingen en informatie dateren van de periode vóór 14 april 2016, acht de rechtbank hiermee voldoende bewijs aanwezig voor het bestaan van de intentie bij verdachte op 14 april 2016 (zoals ten laste gelegd) om uit te reizen naar IS gebied om zich aan te sluiten bij IS en daartoe voorbereidingshandelingen te treffen.

Voorts is gebleken dat verdachte in het bezit was van een vliegticket voor een vlucht via Oekraïne naar Teheran (Iran) op 20 april 2016.

Bij de aanhouding van verdachte had hij een koffer bij zich, een geldbedrag in dollars en zijn telefoon waarop documenten zijn aangetroffen met daarop informatie over het Jihadistisch gedachtengoed.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen ten laste is gelegd en reeds bewezenverklaard onder B, C en D, gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt kunnen worden als informatiedragers en voorwerpen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf (deelname aan een terroristische organisatie) en dat verdachte deze voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereiding.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 2

op 14 april 2016 te Utrecht,

ter voorbereiding van een tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het deelnemen

aan een organisatie welke organisatie tot het oogmerk had het plegen van

terroristische misdrijven, Islamic State (IS), te weten (onder meer):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk

en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

(telkens) opzettelijk

A. op een of meerdere momenten via onder andere verschillende (islamitische)

internetsite(s), Gmail, Twitter, Telegram contact heeft gezocht en

gehouden met meerdere personen en op deze wijze informatie gekregen over de te volgen route naar Afghanistan en de te benaderen contactpersonen in Afghanistan en

B. op 14 april 2016 een ticket heeft geboekt en voorhanden heeft gehouden voor woensdag 20 april 2016 om vanaf Schiphol naar Kiev (Ukraine) en van Kiev naar Teheran (Iran) te reizen om vervolgens vanuit Iran naar Afghanistan af te reizen, en

C. een koffer en geldbedragen heeft gepakt en voorhanden heeft gehouden en

D. meerdere documenten of afbeeldingen op informatiedragers

met daarop informatie betreffende het Jihadistische gedachtengoed (onder

andere onthoofdingen) voorhanden heeft gehad,

steeds bestemd tot het begaan van dat misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

feit 2

voorbereiding van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van voorarrest van 58 dagen, waarvan 307 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen. Daarbij vordert de officier als bijzondere voorwaarde onder andere het opleggen van elektronisch toezicht gedurende de gehele proeftijd omdat alleen op die manier het locatieverbod te controleren is.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring, dan heeft de verdediging het volgende opgemerkt. De verdediging is zich ervan bewust dat de samenleving zich zorgen kan maken over dit gedachtengoed en iets van een garantie wil hebben dat zij beschermd wordt tegen dat gedachtengoed. In dat licht is het begrijpelijk dat een voorwaardelijke straf wordt geëist. Verdachte heeft echter geen relevant strafblad. Verdachte heeft twee maanden vastgezeten op de terroristen afdeling van de EBI. Al bijna een jaar loopt hij met een enkelband en is hij beperkt in zijn vrijheid. De eis staat in geen enkele verhouding tot deze omstandigheden. De verdediging pleit voor een kortere proeftijd zonder oplegging van elektronisch toezicht. Voor een taakstraf van 80 uur is wat betreft de verdediging geen ruimte. Verdachte heeft door de bijzondere voorwaarden naast zijn fulltime baan al afspraken met de reclassering, de gemeente en De Waag.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen om naar uiteindelijk Afghanistan af te reizen en zich aan te sluiten bij de terroristische organisatie IS. Verdachte heeft hiertoe contact gehad met gelijkgestemden, heeft een vliegticket naar Teheran (Iran) geboekt en had al een koffer en een (groot) geldbedrag gepakt.

Het bewezenverklaarde feit betreft de voorbereiding voor een ernstig misdrijf dat grote onrust en angst in de maatschappij teweeg brengt. Terroristische misdrijven worden gerekend tot de zwaarste categorie misdrijven. Terrorisme wordt gezien als één van de ernstigste schendingen van de rechtstaat en terroristische organisaties als IS raken rechtstreeks de openbare orde, veiligheid en stabiliteit van een samenleving en haar burgers. Vaststaat dat de samenleving en met name onschuldige burgers die slachtoffer zijn van terroristisch geweld hiertegen dienen te worden beschermd. Op Nederland rust dan ook de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 februari 2017 volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia-rapportage over verdachte van 17 augustus 2016, opgesteld door A.E. Grochowska, psychiater, J. Heerschop, GZ-psycholoog en M.N. van Reijsen, forensisch milieuonderzoeker. In deze rapportage is te lezen dat er bij verdachte sprake is van cannabisafhankelijkheid en een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Vanuit de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis is het te begrijpen dat betrokkene beïnvloedbaar is voor extremistisch gedachtengoed en dat hij hang heeft af te reizen naar een strijdgebied, om zich aan te sluiten bij een groep door wie hij zich wel geaccepteerd denkt te voelen. De gebrekkige identiteit, de faalervaringen, het gevoel in Nederland afgewezen te worden en het vanuit de persoonlijkheidsstoornis niet in staat zijn het leven een andere wending te geven hebben een rol gespeeld in het tot stand komen van zijn beslissing af te willen reizen naar een strijdgebied.

Bij verdachte is, volgens de deskundigen, sprake van een zorgelijke ontwikkeling vanwege de combinatie van extremistisch denken, de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis en gevoelens van vijandigheid naar de maatschappij. Om die reden zijn de deskundigen van mening dat verdachte langdurig op verschillende levensterreinen moet worden behandeld en begeleid. Er wordt gedacht aan psychotherapie bij De Waag, gesprekken met een islamdeskundige en een praktische aanpak voor zaken zoals werken, wonen en sociale contacten. Verdachte is vanuit zijn persoonlijkheid eerder geneigd dit soort moeilijke zaken uit de weg te gaan. De deskundigen adviseren dat de behandeling en begeleiding het beste kan plaatsvinden onder bijzondere voorwaarden binnen een voorwaardelijk strafdeel waarbij de reclassering toezichthouder kan zijn.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een advies van Reclassering Nederland van 2 mei 2017. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Het denken van verdachte is vooral gekleurd door de verschillen tussen het westers en islamitisch wereldbeeld. Verdachte heeft weliswaar gedurende het schorsingstoezicht de eerste stappen gezet op praktisch vlak, maar tegelijkertijd ziet de reclassering op ideologisch vlak nog weinig openheid. De reclassering adviseert een voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden die ook van kracht zijn binnen het schorsingstoezicht. Deze voorwaarden ziet de reclassering als meerwaarde voor de persoonlijke ontwikkeling van verdachte alsmede als een vermindering van het recidiverisico.

De rechtbank is van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten door een lichtere strafafdoening miskend zouden worden. De rechtbank ziet gelet op het bewezenverklaarde geen aanleiding een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan reeds door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast zal een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, zodat verdachte ervan wordt weerhouden in de toekomst wederom dergelijke strafbare feiten te plegen en om de geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken. Gelet op het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte reeds geruime tijd onder strikte voorwaarden is geschorst, ziet de rechtbank thans geen aanleiding om, zoals door de officier van justitie gevorderd, een proeftijd van 3 jaren op te leggen. Volstaan zal worden met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank ziet evenmin redenen om de door de officier van justitie geëiste taakstraf op te leggen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte al geruime tijd een enkelband draagt en dat een van de bijzondere voorwaarden is dat verdachte gedurende de proeftijd onder elektronisch toezicht zal blijven, hetgeen een ingrijpende vrijheid beperkende maatregel is.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat opgelegd moet worden een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 242 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel verbindt de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden.

  1. dat verdachte zich, zoals hij nu ook gedurende zijn schorsingstoezicht doet, zal blijven melden bij Reclassering Nederland zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. dat verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn door de in het NIFP-onderzoek geconstateerde stoornis bij forensische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  3. dat verdachte geen contact (niet direct, niet indirect, ook niet als die persoon zelf dat contact zoekt) zal hebben met :

[B] ( [1989] )

[C] ( [1984] )

[D] ( [1991] )

[E] ( [1969] )

[F] ( [1978] )

[G] ( [1994] )

[H] ( [1992] )

[I] ( [1990] )

[J] ( [1982] )

[K] ( [1978] )

[L]

[M]

[N]

[O]

[P]

[Q]

[R]

[S]

[T]

De reclassering behoudt het recht om deze lijst uit te breiden mocht gaandeweg het traject blijken dat dit nodig is.

Daarnaast mag veroordeelde geen contact leggen met personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan;

4. dat verdachte zich niet mag begeven op de volgende internationale luchthavens: Schiphol, The Hague Airport, Eelde, Eindhoven, en Maastricht, zolang de reclassering dit nodig acht. Tevens mag verdachte zich niet bevinden in een straal van twee kilometer rondom de landgrenzen van Nederland. Het locatieverbod wordt gedurende de proeftijd gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel met GPS.

5. dat verdachte dient mee te werken aan het begeleidingstraject van de gemeente Utrecht, waarbij gericht zal worden gewerkt aan het verkrijgen van een dagbesteding/scholing en/of werk of het aanleren van vaardigheden die benodigd zijn om deze doelen te bereiken.

6. dat verdachte dient mee te werken aan gesprekken met een Islamdeskundige/Theoloog.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen indien er geen behandeling of begeleiding van verdachte plaatsvindt. Verdachte heeft voorbereidingshandelingen getroffen om uit te reizen naar Afghanistan en zich aan te sluiten bij IS, een terroristische organisatie. Ter terechtzitting bij de bespreking van het dossier als ook bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden, heeft verdachte zodra geloof, opvattingen en IS aan de orde kwamen, zich beroepen op zijn zwijgrecht. De enkele mededeling van verdachte dat hij niet meer naar een oorlogsgebied zou willen afreizen, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat verdachte niet wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank acht het, gelet op bovenstaande, geboden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

9 Het beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    geld, € 50,35

  • -

    buitenlands geld, $ 1.420,00

  • -

    1 stuk papier

  • -

    1 stuk papier, ID

  • -

    1 paspoort

  • -

    2 boeken, handgeschreven aantekeningen geloof

  • -

    1 paspoort

  • -

    1 stortingsbewijs

  • -

    1 kwitantie t.w.v. € 200,00

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu de bovengenoemde geldbedragen, te weten

€ 50,35 en $ 1.420,00, tot het begaan van het onder rubriek 5 bewezen geachte zijn bestemd, worden deze geldbedragen verbeurdverklaard.

Voor wat betreft de overige goederen, gelast de rechtbank de teruggave van deze aan verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 46, 140 en 140a van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Geldigheid dagvaarding

Verklaart de dagvaarding partieel nietig voor zover betrekking hebbend op een deel van feit 1 en 2 zoals onder rubriek 3 omschreven.

Vrijspraak

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2

voorbereiding van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 300 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, groot 58 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 242 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen.

Algemene voorwaarden, dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:

4. zich, zoals hij nu ook gedurende zijn schorsingstoezicht doet, zal blijven melden bij Reclassering Nederland zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn door de in het NIFP-onderzoek geconstateerde stoornis bij forensische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. geen contact hebben met (niet direct, niet indirect, ook niet als die persoon zelf dat contact zoekt):

[B] ( [1989] )

[C] ( [1984] )

[D] ( [1991] )

[E] ( [1969] )

[F] ( [1978] )

[G] ( [1994] )

[H] ( [1992] )

[I] ( [1990] )

[J] ( [1982] )

[K] ( [1978] )

[L]

[M]

[N]

[O]

[P]

[Q]

[R]

[S]

[T]

De reclassering behoudt het recht om deze lijst uit te breiden mocht gaandeweg het traject blijken dat dit nodig is.

Daarnaast mag veroordeelde geen contact leggen met personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan;

7. zich niet mag begeven op de volgende internationale luchthavens: Schiphol, The Hague Airport, Eelde, Eindhoven, en Maastricht, zolang de reclassering dit nodig acht. Tevens mag veroordeelde zich niet bevinden in een straal van twee kilometer rondom de landgrenzen van Nederland. Het locatieverbod wordt gedurende de proeftijd gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel met GPS.

8. dient mee te werken aan het begeleidingstraject van de gemeente Utrecht, waarbij gericht zal worden gewerkt aan het verkrijgen van een dagbesteding/scholing en/of werk of het aanleren van vaardigheden die benodigd zijn om deze doelen te bereiken.

9. dient mee te werken aan gesprekken met een Islamdeskundige/Theoloog.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland, afdeling Reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dadelijk uitvoerbaar

Verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar.

Beslag

Verklaart verbeurd:

  • -

    geld, € 50,35

  • -

    buitenlands geld, $ 1.420,00

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

  • -

    1 stuk papier

  • -

    1 stuk papier, ID

  • -

    1 paspoort

  • -

    2 boeken, handgeschreven aantekeningen geloof

  • -

    1 paspoort

  • -

    1 stortingsbewijs

  • -

    1 kwitantie t.w.v. € 200,00

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Ebbens, voorzitter,

mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.F. Haeck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 mei 2017.

Mr. J.F. Haeck is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober

2014 tot en met 14 april 2016 te Maarssen en/of Utrecht, in elk geval in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

opzettelijk met het oogmerk om ter voorbereiding en/of bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289(a)

en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

-moord en en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

-een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

-gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de

misdrijf/misdrijven zich of anderen heeft getracht te verschaffen en/of

-voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf en/of

-plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan

anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich

heeft gehad,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in

vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende

Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingingen, het teweeg brengen van

ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch

oogmerk,

A. zich het radicaal extremistische gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisaties

Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Irak and

Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Irak ans Levant (ISIL) althans aan IS

en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. één (of meerdere) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één of

meerdere (digitale) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie

betreffende het Jihadistische gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de

strijd in Syrië en/of

C. een of meer website(s) bezocht waarop informatie over de (gewapende) Jihad

en/of martelaarschap en/of de gewapende strijd en/of oorlogsmaterialen wordt

gedeeld en/of (vervolgens) zoekvragen gesteld en/of

D. zich heeft geuit over zijn wens zich aan te sluiten bij ISIS en/of te

willen strijden voor ISIS en/of zich positief heeft uitgelaten over o.a.

onthoofdingen;

E. zich geuit over zijn wens zich te begeven (via Turkije) naar Syrie of Irak

en/of zich te begeven (via Iran) naar Afganistan en/of zich aan te sluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder meer te spreken over zich het willen vestigen in

de IS/het kalifaat) en/of

F. een of meer chatsessies en/of ontmoetingen gehad en/of afspraken/plannen

gemaakt met (een) (of meer) derde(n) met betrekking tot (de/een wijze van)

het afreizen en/of plannen van (een datum van vertrek van) voornoemde

rei(s)(zen) naar het strijdgebied en/of

G. informatie ingewonnen en/of verkregen over tazkiya/tazkiyah, en/of

verkrijgen van een tazkiya/tazkiyah, , althans de referent die in moet staan

voor zijn betrouwbaarheid, religieuze toewijding en militaire vaardigheden

en/of

H. via (islamitische) website(s) en de apliccaties (zoals Telegram, Threema)

naar een islamitische partner (vrouwen met burqua en een sluier) heeft

gezocht, althans zich over een partner heeft geinformeerd om een islamitisch

huwelijk te sluiten (om op die manier envoudiger te kunnen deelnemen aan de

gewapende Jihadstrijd) en/of

I. een of meerdere vliegtickets en/of reisbescheiden aangeschaft en/of

voorhanden gehad om uit te reizen naar Syrie en/of Afganistan en/of

J. kleding en/of een geldbedrag voorhanden gehad;

art 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht jo artt. 157, 288a, 289 en 289a Wetboek

van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op 14 april 2016 te Maarssen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om deel te nemen aan een

organisatie, welke organisatie tot het oogmerk had het plegen van

terroristische misdrijven, te weten: Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS)

dan wel Islamic State of Irak and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Irak

ans Levant (ISIL) althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties,

althans een organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, als bedoeld in

artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

-dit feit iemands dood ten gevolge heeft te begaan met een terroristisch

oogmerk en/of

-moord en/of doodslag te begaan met een terroristisch oogmerk,

A. op een of meerdere momenten via onder andere verschillende (islamitische)

internetsite(s), Gmail, Twitter, Telegram, Threema, contact gezocht en/of

gehouden met één of meerdere personen (in Syrië en/of Iran en/of Afghanistan)

en/of op deze wijze inlichtingen en/of informatie verkregen over de gang van

zaken/werkwijze in Syrië en/of Afghanistan en/of informatie/instructies

gekregen over de te volgen route in/naar Syrië en/of Iran en/of Afghanistan en

de te benaderen (contact)perso(o)n(en) in Syrië en/of Iran en/of Afghanistan

en/of

B. op 14 april 2016 een ticket heeft geboekt voor woensdag 20 april 2016 om vanaf

Schiphol naar Kiev (Ukraine) en van Kiev naar Teheran (Iran) te reizen om

vervolgens vanuit Iran naar Afganistan af te reizen en/of voorhanden gehouden, en/of

C. een koffer bevattende (winter)kleding en/of (contante)geldbedrag(en),

althans een bedrag van tenminste 1420 US Dollar gepakt en/of voorhanden

gehouden, en/of

D. een of meerdere (documenten) of afbeeldingen op) gegevens/informatiedragers

met daarop informatie betreffende het Jihadistische gedachtengoed (onder

andere onthoofdingen) voorhanden heeft gehad en/of

E. zich (met die koffer) in de richting van het (trein)station Utrecht begeven,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op 14 april 2016 te Maarssen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland,

ter voorbereiding van een tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten: het deelnemen

aan een organisatie, welke organisatie tot het oogmerk had het plegen van

terroristische misdrijven, Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS) dan wel

Islamic State of Irak and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Irak ans Levant

(ISIL) althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans een

organisatie die de gewapende jihadstrijd voorsta, als bedoeld in artikel 83

van het Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk

en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

(telkens) opzettelijk

A. op een of meerdere momenten via onder andere verschillende (islamitische)

internetsite(s), Gmail, Twitter, Telegram, Threma contact gezocht en/of

gehouden met één of meerdere personen (in Syrië en/of Iran en/of Afghanistan)

en/of op deze wijze inlichtingen en/of informatie verkregen over de gang van

zaken/werkwijze in Syrië en/of Afghanistan en/of informatie/instructies

gekregen over de te volgen route in/naar Syrië en/of Iran en/of Afghanistan

en de te benaderen (contact)perso(o)n(en) in Syrië en/of Iran en/of

Afghanistan en/of

B. op 14 april 2016 een ticket heeft geboekt voor woensdag 20 april 2016 om vanaf

Schiphol naar Kiev (Ukraine) en van Kiev naar Teheran (Iran) te reizen om

vervolgens vanuit Iran naar Afganistan af te reizen

en/of voorhanden gehouden, en/of

C. een koffer bevattende (winter) kleding en/of (contante) geldbedrag(en),

althans een bedrag van tenminste 1420 US Dollar gepakt en/of

D. een of meerdere (documenten) of afbeeldingen op) gegevens/informatiedragers

met daarop informatie betreffende het Jihadistische gedachtengoed (onder

andere onthoofdingen) voorhanden heeft gehad en/of

E. zich (met die koffer) in de richting van het (trein)station Utrecht begeven,

(steeds) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

art. 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art. 140a Wetboek van Strafrecht

artt. 157, 176a Wetboek van Strafrecht

artt. 287, 289, 289a Wetboek van Strafrecht

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (PL0900/2016114028) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] van 15 april 2016, pagina 12.

3 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] van 15 april 2016, pagina 13.

4 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] van 15 april 2016, pagina 13.

5 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 2] van 13 mei 2016, pagina 98.

6 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] van 24 april 2016, pagina 88.

7 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] van 15 april 2016, pagina 30

8 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 4] van 22 april 2016, pagina 67.

9 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 4] van 22 april 2016, pagina 68.

10 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 4] van 22 april 2016, pagina 69.