Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2559

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2017
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
UTR 17/ 1603
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning ogv artikel 13b Opiumwet. Voorlopige voorziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1603

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T.S. van der Horst),

en

de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder

(gemachtigden: mr. R.R.A. Vianen en N. van Zelst).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot sluiting van de woning van verzoekster aan de [adres] te [woonplaats] voor een periode van drie maanden.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2017, waar gelijktijdig de zaken met nummers UTR 17/1611 en 17/1612 zijn behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de sluiting van de woning een redelijke kans van slagen heeft. Daarbij weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.

  2. Verweerder heeft het primaire besluit genomen, omdat in de schuur behorende bij de woning van verzoekster een hennepplantage, bestaande uit 110 planten, is aangetroffen.

  3. In het kader van zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, heeft verweerder onder meer een bestuurlijke rapportage van 26 april 2017 overgelegd. In de gelijktijdig ter zitting behandelde zaken met nummers UTR 17/1611 en 17/1612 heeft verweerder een aparte bestuurlijke rapportage overgelegd.
    Verweerder heeft voor beide bestuurlijke rapportages een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de voorzieningenrechter meegedeeld dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inhoud hiervan.

  4. Bij beslissing van 10 mei 2017 heeft deze rechtbank (mr. T. Pavićević) bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de bestuurlijke rapportages gerechtvaardigd is. Verzoekster heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De verzoekers in de zaken met nummers UTR 17/1611 en 17/1612 hebben geen toestemming verleend voor kennisneming van de bestuurlijke rapportage. Omdat de mogelijkheid bestaat dat beide bestuurlijke rapportages samenhangen of elkaar overlappen, heeft de voorzieningenrechter in de volgende volgorde gehandeld. Eerst is hij in de zaken met nummers UTR 17/1611 en 17/1612 tot een oordeel gekomen, dus uitsluitend op grond van het besluit en de daartegen ingebrachte gronden, tegen de achtergrond van het dossier en het besprokene op de zitting. Daarna heeft hij de bestuurlijke rapportage gelezen in deze zaak en is hij tot een oordeel in deze zaak gekomen.

  5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

  6. Voor deze bevoegdheid heeft verweerder de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Gemeente Stichtse Vecht (de Beleidsregels) vastgesteld. Volgens de Beleidsregels is het toepassen van bestuursdwang gericht op het herstel van de situatie en het weren en terugdringen van drugshandel in georganiseerd verband in en vanuit panden. Het belang dat hiermee wordt gediend, is de bescherming van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid. De maatregel is er op gericht om bekendheid van het pand als drugspand te doorbreken en/of bekendheid van het pand in het drugscircuit teniet te doen en/of te verhinderen dat het pand (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel en herhaling van de verstoring van de openbare orde en verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen.
    Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte ook de woonwagen heeft gesloten. De hennepplantage is aangetroffen in de schuur, waarvan verzoekster niet eens wist dat het haar “eigendom” was. Uit het besluit blijkt niet waarom het noodzakelijk zou zijn om ook de woning van verzoekster te sluiten. Niet gesteld kan worden dat de woning van verzoekster bekendheid geniet binnen het drugscircuit of dat de woonwagen bekend staat als drugspand. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de schuur en de woonwagen zich op hetzelfde perceel bevinden en er zo’n verband is tussen de schuur en de woonwagen, dat hij ook bevoegd is de woonwagen te sluiten. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:7098).

  7. De voorzieningenrechter volgt verweerder hierin niet. Allereerst heeft verweerder niet onderbouwd waaruit blijkt dat verzoekster, behalve de eigenaar/bewoner van de woonwagen, ook de exploitant van de hennepplantage was. Ook de door verweerder overgelegde bestuurlijke rapportage biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Alleen dit maakt al dat de situatie anders is dan die waarover de rechtbank Noord-Holland had te oordelen in de uitspraak van 11 juni 2015. Bovendien zou, ook als wel zou komen vast te staan dat verzoekster zowel de bewoner van de woonwagen als de (mede)exploitant van de hennepplantage is, dat enkele feit in dit geval, vanwege de feitelijke situatie, niet voldoende zijn om ook tot sluiting van de woning te komen. Op een terrein staan vijf woonwagens, waarvan de meeste direct naast de woonwagen een klein schuurtje hebben. Daarin zijn de hennepplanten niet aangetroffen. De hennepplantage is aangetroffen in een gezamenlijke schuur, waar omheen de vijf woonwagens verspreid standplaats hebben, met wisselende afstanden tot en zicht op die gezamenlijke schuur. Anders dan bij een stereotype situatie van een woning met een schuur, valt er hier dus niet automatisch een verband aan te nemen tussen de woonwagen en de gezamenlijke schuur. Je hoeft bijvoorbeeld niet over de standplaats of door de woonwagen van verzoekster om bij de gezamenlijke schuur te komen; sterker: de woonwagen van verzoekster ligt van de vijf woonwagens het verst weg van de gezamenlijke schuur en het zou eerder onlogisch zijn om via de standplaats of woonwagen van verzoekster naar die gezamenlijke schuur te gaan. Als verzoekster zelf naar de gezamenlijke schuur zou gaan, moet zij over de standplaats van nummer [nummer] , langs hun schuurtje, via een hekje, daar naartoe. Vanuit de woonwagen van verzoekster is er verder nauwelijks zicht op de gezamenlijke schuur. Onvoldoende is daarom dat het stuk van de gezamenlijk schuur waar de planten zijn aangetroffen contractueel hoort bij de woonwagen van verzoekster. Van belang is dan ook om gemotiveerd vast te stellen dat ook de woning een rol speelde in de drugsproductie en handel. Dat heeft verweerder niet gedaan. Als verweerder hieraan wil vasthouden in het nog te nemen besluit op bezwaar, zal hij beter moeten motiveren waarom ook de woonwagen gesloten moet worden om de bekendheid van het pand als drugspand te doorbreken.

  8. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat verweerder haar belangen onvoldoende heeft meegewogen. Sluiting van haar woning zou betekenen dat verzoekster met haar drie minderjarige kinderen op straat komt te staan. Verzoekster heeft niet de financiële middelen om direct andere woonruimte te regelen en zij kan niet zonder meer worden opgevangen door familie of vrienden. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat verzoekster bij haar moeder zou kunnen verblijven, die in de woonwagen op het perceel naast haar woont. Op deze manier kunnen de kinderen in hun vertrouwde omgeving blijven. Als dit toch geen optie is, dan kan verzoekster zich wenden tot het sociale wijkteam dat haar kan ondersteunen bij het vinden van vervangende woonruimte. Wellicht kan ook de vader van de kinderen nog wat betekenen.

  9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hiermee onvoldoende blijk gegeven van een evenwichtige belangenafweging, in die zin dat de gevolgen voor verzoekster en met name haar drie kinderen van zeven, vier en twee jaar oud, niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Verzoekster heeft voldoende onderbouwd dat zij, omdat ze een groot gezin heeft, niet zonder meer kan worden opgevangen door familie of vrienden. De woonwagen van haar moeder is weliswaar van dezelfde omvang als haar eigen woonwagen, maar met te weinig slaapkamers ingedeeld. De verwijzing door verweerder naar de vader van de kinderen en het sociale wijkteam, acht de voorzieningenrechter te weinig concreet om te kunnen zeggen dat verweerder de belangen van de kinderen bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken en zich voldoende rekenschap heeft geven van die belangen. Dat dat laatste in alle gevallen waarbij de belangen van kinderen spelen, nodig is, volgt uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De voorzieningenrechter verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraken van de ABRvS van 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4660) en 10 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:634).

  10. Over de stelling van verzoekster dat zij niet bekend was met de aanwezigheid van de hennepplantage, overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet relevant is voor de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting dwingt. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de eigenaar/huurder geen rol speelt bij de beoordeling of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt. De voorzieningenrechter verwijst bij wijze voor voorbeeld naar de uitspraken van de ABRvS van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9512) en 5 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2043). De stelling van verzoekster dat zij niet wist dat zij tevens eigenaar was een deel van de gezamenlijke schuur, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter merkt op dat de vraag of voor sluiting van een pand waar hennepplanten zijn aangetroffen verwijtbaarheid van de eigenaar vereist is, een andere kwestie is dan de hiervoor besproken kwestie of er een voldoende relatie is om naast het pand waar de hennepplanten zijn aangetroffen ook een woonwagen waar geen hennepplanten zijn aangetroffen mag worden gesloten.

11. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat verweerder er in slaagt om de hiervoor geconstateerde tekortkomingen in het primaire besluit (overwegingen 7 en 9) te repareren in het nog te nemen besluit op bezwaar. Daarbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat dit bij de huidige feitelijke stand van zaken, geen eenvoudige opgave zal zijn. Gelet hierop en gelet op de grote belangen aan de kant van verzoekster bij het behouden van toegang tot haar woonruimte, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de woonwagen van verzoekster niet wordt gesloten. De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover daarbij de woonwagen van verzoekster (inclusief het eigen schuurtje direct ernaast) wordt gesloten. Buiten deze voorziening valt dus uitdrukkelijk de gezamenlijke schuur waar de hennepplantage is aangetroffen.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit, voor zover daarbij de woonwagen van verzoekster op het perceel [adres] is gesloten, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.