Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2469

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-01-2017
Datum publicatie
03-07-2017
Zaaknummer
16/706952-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 7 maanden wegens medeplegen van diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706952-16 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 2 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] 1993,

thans gedetineerd te PI Flevoland – HvB Almere Binnen, Almere.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 18 juli 2016 te Amersfoort al dan niet samen met anderen een telefoon (iPhone) met snoertje, een geldbedrag (ongeveer 22,50 euro), OV-chipkaart, een rijbewijs en een horloge (Festina) van [slachtoffer] heeft gestolen, waarbij geweld is gebruikt..

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid tot kennisneming

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het vooronderzoek is door zowel het openbaar ministerie als door de reclassering de onschuldpresumptie geschonden. De officier van justitie heeft tijdens de behandeling van de vordering gevangenhouding in raadkamer gezegd: “Verdachte was daar en hij is erbij betrokken.” De raadsman heeft betoogd dat deze uitspraak in strijd is met artikel 6, eerste en tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) alsook met de waarborgnormen zoals neergelegd in de Richtlijn 2016/343. De uitspraak is immers een “verklaring van een overheidsinstantie” in de zin van Overweging 13 van de Richtlijn. De raadsman is van mening dat het niet past bij een behoorlijk strafproces dat een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie de “verdachte” juridisch labelt als de “dader” bij de rechter die over de voorlopige hechtenis moet beslissen.

Tevens is de raadsman van mening dat de reclassering iets soortgelijks heeft gedaan nu het argument is gehanteerd dat verdachte ontkent en het daarom niet mogelijk is om een plan van aanpak op te stellen gericht op recidivevermindering.

Het belang dat door artikel 6, eerste en tweede lid van het EVRM wordt gediend is een waarborg voor een eerlijk proces. De ernst van het verzuim is dat dit alles negatief heeft gedrukt op het gehele voorbereidend onderzoek. Het nadeel voor verdachte is de voortgezette vrijheidsbeneming en het ontbreken van een eerlijke bewijsvoering zodat er geen sprake is van een eerlijk proces. Dit alles maakt dat de raadsman zich op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een schending van de onschuldpresumptie en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is.

3.2.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de richtlijn, die door de raadsman is aangehaald, stelt dat men zich niet in het openbaar mag uitlaten over de schuld van iemand. De woorden zouden gezegd zijn in raadkamer. Raadkamer is een besloten gelegenheid en naar de mening van het openbaar ministerie was er, op basis van de stand van zaken op dat moment, voldoende om te komen tot een veroordeling. De richtlijn is, naar het standpunt van de officier van justitie, niet geschonden en dus is het openbaar ministerie ontvankelijk.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit artikel 6, tweede lid, van het EVRM volgt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van enige schending van de onschuldpresumptie en dat daarmee het openbaar ministerie ontvankelijk is. De door de verdediging genoemde richtlijn brengt onder meer mee dat het OM niet in het openbaar (bijvoorbeeld door uitlatingen in de media) een verdachte als schuldig aanduidt, zolang de schuld van de verdachte niet in rechte is vastgesteld. Van een dergelijke situatie is echter geen sprake geweest. Ook de omstandigheid dat de reclassering in haar rapport stelt dat zij gelet op de ontkennende houding van verdachte geen plan van aanpak kan maken, kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van schending van de onschuldpresumptie.

4 Subsidiair verzoek

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak zou moeten worden aangehouden voor bepaalde tijd teneinde de opnamen van de verhoren van verdachten en getuigen aan het dossier toe te voegen, opdat op een volledig en goed dossier recht kan worden gedaan.

4.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verzoek getoetst dient te worden aan het noodzaakcriterium. Welke twijfels er zouden zijn over de verklaringen die zich nu in het dossier bevinden, heeft de officier van justitie niet gehoord en wat haar betreft is het dossier nu dan ook compleet.

De noodzaak om de zaak aan te houden zodat de gegevensdragers aan het dossier kunnen worden toegevoegd, ziet de officier van justitie dan ook niet.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het subsidiaire verzoek van de raadsman dient te worden getoetst aan het noodzaakcriterium. De rechtbank is van oordeel dat het toevoegen van de gegevensdragers met daarop de verhoren van de verdachten en getuigen aan het dossier niet noodzakelijk is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd. Aangever heeft direct na de straatroof bij de politie een signalement opgegeven. De politie heeft dan meteen het idee dat het om, onder andere, verdachte zou kunnen gaan. Aangever heeft zelf gezocht op het internet en komt dan met twee foto’s van de jongens waar de politie ook al aan dacht. Verdachte wordt herkend als één van de jongens op de foto’s en verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij de jongen op één van de foto’s is. Aangever is in een portiek getrokken en omcirkeld. Hij kon geen kant op en voelde angst. Gelet op deze genoemde omstandigheden kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden.

Wel meent de officier van justitie dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van het slaan van aangever in het gezicht, nu verdachte op het moment dat dat gebeurde al weg was. Tot slot dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het wegnemen van het rijbewijs van aangever, omdat aangever het rijbewijs meteen heeft teruggekregen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De aangifte is niet voldoende betrouwbaar om als redengevend bewijs te kunnen worden aangemerkt. In de aangifte heeft aangever verklaard dat de handelingen, zoals opgenomen in de tenlastelegging, door [medeverdachte] zelfstandig zijn verricht. Slechts ten aanzien van het ‘insluiten’ heeft aangever verklaard dat de Afrikaanse jongen en de Arabische jongen met [medeverdachte] om hem heen stonden. De verklaringen van de vriend van aangever maken ook de verklaring van aangever niet betrouwbaarder.

De raadsman heeft tevens aangevoerd dat er geen sprake is van een deugdelijke en betrouwbare enkelvoudige herkenning die ertoe kan leiden dat verdachte de “Afrikaanse jongen” is en daarmee kan de enkelvoudige herkenning ook niet worden aangemerkt als redengevend en betrouwbaar bewijs tegen verdachte. Aangever heeft kennelijk niet uit eigen wetenschap, gemotiveerd aangegeven op basis van welke persoonskenmerken hij meent deze persoon te herkennen, maar wordt gevoed door zijn vriend [C] . De politie heeft gedacht dat verdachte de Afrikaanse jongen is nu aangever heeft verklaard, na het zien van de foto van Facebook, dat hij de bewuste Afrikaanse jongen is geweest. Het betreft hier een enkelvoudige fotoconfrontatie. Een zodanige confrontatie heeft echter maar een zeer beperkte bewijswaarde, temeer nu deze fotoconfrontatie niet met politionele waarborgen is omgeven nu het een zuiver “particuliere actie” was. Dit alles maakt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, aldus de raadsman.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 18 juli 2016 liep aangever [slachtoffer] samen met een vriend genaamd [C] in Amersfoort over straat.2 Samen met [C] en [medeverdachte] liep [slachtoffer] in de richting van de [weg] . [medeverdachte] zei dat [C] moest blijven wachten en dat [slachtoffer] met hem mee moest naar de Afrikaanse jongen. Samen liepen zij naar de flat aan de [weg] .3 Vervolgens zag [slachtoffer] een Afrikaanse jongen bij de achterdeur van de flat met huisnummer [huisnummer] staan. [medeverdachte] en [slachtoffer] liepen naar hem toe. [slachtoffer] heeft de Afrikaanse jongen beschreven als een jongen tussen de 18 en 25 jaar oud, tussen de 1.75 meter en 1.80 meter lang. Hij had een donkerbruine huidskleur. Zijn haar was warrig. Hij had een dun, ingevallen gezicht, kleine neus en hij zag er uit als een slecht verzorgd, junkachtig type. [slachtoffer] zag dat er nog een derde jongen in de deuropening stond, vermoedelijk van Arabische afkomst. [medeverdachte] ging voor [slachtoffer] in de deuropening staan. [slachtoffer] voelde dat [medeverdachte] hem vastpakte en de hal van de flat in trok.4 [slachtoffer] zag dat de Afrikaanse jongen en de Arabische jongen er direct omheen stonden. [slachtoffer] voelde zich ingesloten. [medeverdachte] zei: “Geef je spullen.” Hij zag en voelde dat [medeverdachte] met zijn hand in zijn linker broekzaak graaide. Hij zag dat [medeverdachte] een briefje van twintig euro, zijn OV-chipkaart, zijn rijbewijs, een Burger King-muntje en € 2,50 aan kleingeld uit zijn linker broekzak had gepakt. [slachtoffer] zag dat [medeverdachte] uit zijn rechterbroekzak zijn iPhone en het snoertje pakte. Hij zag dat de Arabische jongen en de Afrikaanse jongen vervolgens wegliepen de achterdeur uit. [slachtoffer] voelde dat [medeverdachte] hem met zijn platte hand op zijn rechterwang sloeg. 5

Op 18 juli 2016 kwamen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatste op de [weg] te Amersfoort. Aangever verklaarde aan hen dat hij was beroofd door drie mannen. Eén van de verdachten zou een man zijn tussen de 18 en 25 jaar, tussen de 1.75 en 1.80 meter lang, huidskleur donkerbruin, dun ingevallen gezicht, kleine neus en een slecht verzorgd junkachtig type.6 De verbalisanten kennen ambtshalve een jongen genaamd [verdachte] uit de wijk [wijk] in Amersfoort. Zij zijn hem meerdere malen in hun werk op straat tegen gekomen. De verbalisanten zagen dat [verdachte] volledig past in het door de aangever opgegeven signalement.7

[slachtoffer] hoorde van zijn vriend [C] dat [medeverdachte] een broer zou zijn van een jongen die hij kent als [D] . [C] heeft op de Facebookpagina van [D] gekeken, die op die pagina [D] heet. In de vriendenlijst van [D] zag [slachtoffer] het profiel van een jongen die zich [medeverdachte] noemde. Hij herkende de foto op dat profiel gelijk als de [medeverdachte] die hem de afgelopen nacht had beroofd.8

[C] had aan de hand van het door [slachtoffer] opgegeven profiel gezocht op Facebook. Hij had [slachtoffer] een foto laten zien en [slachtoffer] herkende de jongen direct als één van de verdachten die hem beroofd had. Op facebook noemt die persoon zichzelf [bijnaam] .9

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de jongen is op de foto op pagina 217 van het proces-verbaal en dat hij zichzelf op Facebook [bijnaam] noemt.10

De foto op pagina 217 van voornoemd proces-verbaal is dezelfde foto als de aan de verklaring van [slachtoffer] gehechte foto op pagina 193.11

Op 24 juli 2016 werd verdachte aangehouden op verdenking van heling van een fiets. Tijdens de insluitingsfouillering zag verbalisant [verbalisant 3] dat verdachte een zwart horloge om had. Hij zag dat het een zwart Festina horloge betrof. De verbalisant heeft het horloge in beslag genomen en zag aan de onderkant van het horloge de volgende inscriptie/serienummer staan; F16604.12

Op 25 juli 2016 ontving verbalisant [verbalisant 4] via de familie van aangever [slachtoffer] de aankoopbon van het weggenomen horloge van het merk Festina. De verbalisant constateerde dat het nummer op de achterplaat van het inbeslaggenomen horloge gelijk is als het nummer op de aankoopbon van het weggenomen horloge.13

Bewijsoverweging

Aangever spreekt direct na de straatroof, als de politie ter plaatse is gekomen, met twee verbalisanten. Aan de hand van het door aangever opgegeven signalement, denkt de politie dat verdachte één van de betrokkenen zou kunnen zijn. Een dag later is het aangever die met de foto van verdachte wordt geconfronteerd door [C] en hij herkent meteen verdachte als één van de mannen die hem hebben beroofd. Als verdachte, een aantal dagen na de straatroof, wordt aangehouden voor een ander feit, treft de politie om zijn pols een horloge aan dat blijkens het nummer op de achterplaat is weggenomen bij aangever tijdens de straatroof. Deze omstandigheden bij elkaar genomen, maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat het verdachte is geweest die bij de straatroof betrokken was.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

De medeverdachten stonden bij elkaar in het portiek. Eén van hen heeft de aangever het portiek ingetrokken. Vervolgens zijn zij met zijn drieën om aangever heen gaan staan waardoor aangever zich ingesloten voelde. Vervolgens is een deel van de buit, te weten het horloge, bij verdachte aangetroffen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering en het vervolgens delen in de buit. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Uit de verklaring van aangever is tevens gebleken dat hij, nadat de Afrikaanse en Arabische jongen weg waren gegaan, aan [medeverdachte] had gevraagd of hij zijn rijbewijs en OV-chipkaart terug mocht en dat hij daarop van [medeverdachte] zijn rijbewijs terug heeft gekregen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het wegnemen van het rijbewijs.

Uit de verklaring van aangever is gebleken dat hij, nadat de Arabische jongen en de Afrikaanse jongen (naar de rechtbank begrijpt: verdachte) weg waren gegaan, van [medeverdachte] een klap had gekregen. Nu verdachte al weg was toen de klap werd gegeven, zal de rechtbank verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5.3.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 18 juli 2016 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, aan de openbare weg te weten de [weg] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (iPhone) met snoertje, een geldbedrag (ongeveer 22,50 euro), ov-chipkaart en een horloge (Festina), toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

welk geweld hierin bestond dat verdachte en verdachtes mededaders die [slachtoffer] hebben vastgepakt en de hal van een (portiek)flat hebben ingetrokken, als groep die [slachtoffer]

hebben ingesloten en tegen die [slachtoffer] gezegd hebben: "Geef je spullen";

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

medeplegen van diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafoplegging.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof waarbij het slachtoffer is beroofd. Het door verdachte gepleegde geweld is weliswaar van relatief geringe omvang, maar de omstandigheid dat verdachte met een groep was, met die anderen de aangever heeft ingesloten waardoor hij niet weg kon en vervolgens zijn spullen werden afgepakt, is ernstig en het is algemeen bekend dat een straatroof flinke impact kan hebben op de slachtoffers daarvan. Verdachte heeft daar niet bij stilgestaan, in ieder geval heeft het hem er niet van weerhouden om, ten koste van een ander, voor eigen gewin te gaan.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, gaan als vertrekpunt van denken bij een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging door iemand met een blanco strafblad uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Door de reclassering is op 18 november 2016 een reclasseringsrapportage opgesteld. In het rapport is te lezen dat het voor de reclassering – mede gelet op de vermijdende houding van verdachte – niet mogelijk was om een juist beeld over verdachte te vormen en een gedegen plan van aanpak op te stellen. Ondanks dat de reclassering voldoende aanwijzingen heeft dat er problemen zijn op verschillende leefgebieden, bestaat het vermoeden, gegrond op eerdere ervaringen met verdachte, dat verdachte niet of onvoldoende zal meewerken. De reclassering heeft zich dan ook onthouden van een advies over de sanctie.

Voorts heeft de rechtbank bij de strafoplegging gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 27 oktober 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten, onder meer op 8 december 2014 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland wegens meerdere diefstalen uit een woning, diefstallen van een fiets, diefstal van een auto en inbraken in woningen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht, gelet op het strafblad van verdachte en het reclasseringsrapport een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P. van Tricht, voorzitter,

mrs. M.S. Koppert en V. van Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 januari 2017.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 18 juli 2016 te Amersfoort, althans het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op of aan de openbare weg (te weten de [weg] ) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone) met snoertje en/of een geldbedrag (ongeveer 22,50 euro) en/of een ov-chipkaart en/of een rijbewijs en/of een horloge (Festina), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en de hal van een (portiek)flat heeft/hebben ingetrokken en/of (als groep) die [slachtoffer] heeft/hebben ingesloten en/of tegen die [slachtoffer] gezegd heeft/hebben "Geef je spullen" en/of die [slachtoffer] (met kracht) in het gezicht heeft/hebben geslagen;

art 43a Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2016223140 B bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , d.d. 19 juli 2016, pagina 181.

3 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , d.d. 19 juli 2016, pagina 182.

4 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , d.d. 19 juli 2016, pagina 183.

5 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , d.d. 19 juli 2016, pagina 184.

6 Het proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , d.d. 19 juli 2016, pagina 179.

7 Het proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , d.d. 19 juli 2016, pagina 179.

8 Het proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer] , d.d. 19 juli 2016, pagina 189.

9 Het proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer] , d.d. 19 juli 2016, pagina 191, met als bijlage een foto, pagina 193.

10 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2016.

11 Waarneming van de rechtbank.

12 Het proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3] , d.d. 24 juli 2016, pagina 219.

13 Het proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 26 juli 2016, pagina 224.