Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2412

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2017
Datum publicatie
19-05-2017
Zaaknummer
16/994053-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 68-jarige ex-medewerker van SNS Property Finance (SNSPF) is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De ex-medewerker is veroordeeld voor het aannemen van giften, het meermalen medeplegen van valsheid in geschrifte en witwassen. Een tweede 58-jarige verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur voor een niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994053-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 mei 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1959] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20, 21 en 22 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en zijn raadsman, mr. A.J.N. van Stigt, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 20 maart 2017 gewijzigd.

De tenlastelegging, zoals gewijzigd, is aan dit vonnis gehecht (Bijlage I).

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 21 december 2009 tot en met 25 februari 2013, samen met een ander of anderen, [bank 1] (hierna: [bank 1] ) heeft opgelicht (primair), dan wel aan deze oplichting medeplichtig is geweest (subsidiair);

feit 2: in de periode van 1 september 2011 tot en met 19 juli 2012, [medeverdachte] heeft omgekocht, terwijl deze werkzaam was voor [bank 1] ;

feit 3: in de periode van 17 oktober 2011 tot en met 16 september 2013, samen met een ander of anderen, feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] gebruiken en voorhanden hebben van negen valse facturen op naam van [bedrijf 2] BV;

feit 4: in de periode van 3 november 2011 tot en met heden, samen met een ander of anderen, feitelijk leiding heeft gegeven aan het feit dat [bedrijf 1] een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van in totaal € 694.855,- dan wel € 347.101,-.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van het witwassen (feit 4) aan de hand van de tenlastelegging, het dossier en het requisitoir onvoldoende duidelijk is welke witwashandelingen [verdachte] zou hebben gepleegd. De dagvaarding is wat betreft dit feit onvoldoende duidelijk en moet daarom nietig verklaard worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging voldoende duidelijk. Aan verdachte is -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij in de genoemde periode meerdere geldbedragen heeft witgewassen, waarbij de in de delictsomschrijving genoemde witwashandelingen in de tenlastelegging zijn opgenomen. Aan deze woorden komt voldoende feitelijke betekenis toe (HR 9 februari 1999, NJ 1999, 327, ECLI:NL:HR:2008:BD2772 en LJN BL9699 en LJN BC 9952). Aldus is voldoende duidelijk welke handelingen [verdachte] worden verweten en waartegen hij zich dient te verweren, zodat is voldaan aan de eisen die artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering stelt. De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart de dagvaarding -ook ter zake van het (gewoonte)witwassen- geldig.

De raadsman heeft verder nog een aantal partiële nietigheidsverweren gevoerd. Deze zullen om praktische redenen hierna worden besproken.

3.3

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De officieren van justitie hebben een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren gebracht, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

De raadsman heeft een aantal verweren gevoerd, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

In verband met de leesbaarheid van het vonnis zijn de overwegingen met betrekking tot een vrijspraak opgenomen na de uitgewerkte bewijsmiddelen.

4.3.1

Bewijsmiddelen niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift (feiten 2 en 3)

Betrokkenheid rechtspersonen

[medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is sinds de eerste inschrijving in het handelsregister, 3 juli 1989, enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] BV (hierna: [bedrijf 2] ). De vennootschap is gevestigd in [vestigingsplaats] .2

Op 18 mei 2010 sluit [bank 1] BV (hierna: [bank 1] ), vertegenwoordigd door de heer [A] en [B] , een overeenkomst van opdracht met [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [medeverdachte] . De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en vangt aan op 3 mei 2010 of zoveel eerder als door [bank 1] wordt bepaald. [medeverdachte] zal zijn werkzaamheden verrichten bij [bedrijf 3] S.A.3

[bedrijf 1] BV is in 2008 opgericht door [medeverdachte] , [verdachte] en [C] .4 Vanaf 9 juni 2010 is [bedrijf 4] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] BV.5 Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel is [verdachte] tot 1 september 2012 algemeen directeur van [bedrijf 4] BV geweest.6

De heer [getuige 1] , die deel uitmaakte van het MT van [bedrijf 1] , heeft op 27 februari 2014 verklaard dat [verdachte] in april 2012 heeft meegedeeld dat hij vertrok als directielid. Daarnaast werd hij ook uitgekocht als certificaathouder.7 Verder heeft [getuige 1] verklaard dat het stuk ‘ [stuk] ’ van 19 juni 2012 (D-0074) door hem geschreven is.8

[C]

Op 14 maart 2010 wordt door [medeverdachte] een e-mail gestuurd aan [A] waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Zoals reeds vrijdag gemeld zal ik gaarne invulling geven aan de door jou gewenste 2-hoofdigheid van bestuur in [bedrijf 3] .

Ik ga hierbij uit van de volgende veronderstellingen:

(…)

[bedrijf 2] BV maakt bij de uitvoering van deze opdracht gebruik van directe en / of indirecte medewerkers van [bedrijf 5] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V. Ter zake is bij jou bekend dat ik in elk geval [C] (…) bij het project wens te betrekken.” 9

Tussen [bank 1] en [bedrijf 1] BV, vertegenwoordigd door [verdachte] , wordt een overeenkomst gesloten, waarin wordt bepaald dat de opdracht namens de opdrachtnemer ( [bedrijf 1] ) zal worden vervuld door [C] . De overeenkomst vangt aan op 1 juni 2010 en geldt voor onbepaalde tijd. De door [bank 1] aan [bedrijf 1] verschuldigde vergoeding bedraagt € 210,- per uur (exclusief BTW). Ook reisuren kunnen in rekening worden gebracht. De overeenkomst is ondertekend, maar niet gedateerd.10

In mei 2010 (de rechtbank kan uit het document niet afleiden welke dag is ingevuld) wordt een dienstenovereenkomst afgesloten tussen [bedrijf 1] BV, vertegenwoordigd door [verdachte] , en [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ), vertegenwoordigd door [C] . [bedrijf 6] ontvangt een vergoeding per gewerkt uur van € 175,- (exclusief BTW) en € 90,- (exclusief BTW) per reisuur. De overeenkomst treedt in werking per 1 juni 2010 en geldt voor onbepaalde tijd.11

[getuige 2]

heeft op 9 december 2013 verklaard dat hij in juni 2010 werd gebeld door [C] . [C] vroeg hem of hij per september 2010 bij [bedrijf 3] aan de slag zou kunnen gaan. [C] zegde hem toe dat [medeverdachte] contact met hem op zou nemen over de verdere gang van zaken, waaronder het tarief en het contract.12 Begin juli 2010 werd [getuige 2] telefonisch benaderd door [medeverdachte] . [medeverdachte] vertelde hem dat de reisuren voor 50% werden vergoed. Hij ging akkoord met het uurtarief dat door [getuige 2] werd voorgesteld, € 110,- euro per uur. Op het moment dat [getuige 2] voor [bedrijf 3] ging werken, was [medeverdachte] zijn contactpersoon voor [bedrijf 1] .13

In juli 2010 wordt tussen [bank 1] en [bedrijf 1] BV, vertegenwoordigd door [verdachte] , een overeenkomst gesloten, waarin wordt bepaald dat de opdracht namens de opdrachtnemer ( [bedrijf 1] ) zal worden vervuld door [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ). De overeenkomst vangt aan op 15 juli 2010 en geldt voor onbepaalde tijd. De door [bank 1] aan [bedrijf 1] verschuldigde vergoeding bedraagt € 145,- per uur (exclusief BTW). Ook reisuren kunnen in rekening worden gebracht.14

Op 16 juli 2010 wordt een dienstenovereenkomst afgesloten tussen [bedrijf 1] BV, vertegenwoordigd door [verdachte] , en [getuige 2] BV, vertegenwoordigd door [getuige 2] . [getuige 2] BV ontvangt een vergoeding per gewerkt uur van € 110,- (exclusief BTW) en € 55,- (exclusief BTW) per reisuur. De overeenkomst treedt in werking per 15 juli 2010 en geldt voor onbepaalde tijd.15

[getuige 3]

verklaart op 27 september 2013 dat hij eind mei, begin juni 2010 werd gebeld door [medeverdachte] over het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van [bank 1] . Zijn CV heeft [getuige 3] gestuurd aan [bedrijf 1] ; [medeverdachte] was [bedrijf 1] voor hem.16

Op 12 oktober 2010 stuurt [medeverdachte] een e-mail aan [verdachte] waarin hij meedeelt dat hij [getuige 3] via [bedrijf 1] wil inhuren inzake [bedrijf 3] .17

[medeverdachte] stuurt op 15 oktober 2010 een e-mail aan [C] met onder meer de volgende inhoud:

“ [C] ,

Je vraag mbt gemaakte afspraken door [naam]

(…)

Zijdens [bedrijf 1] in haar facturatie richting [bedrijf 3] impliceert dit:

- Gewerkte uren per week (2 dagen , aaneengesloten ) plus 4 reisuren = aantal te declareren uren x E 165 , uitgedrukt in dagdelen

- Aantal km ‘s x E 0,40

- Verblijfskosten

Zijdens [getuige 3] in zijn facturatie richting [bedrijf 1] impliceert dit:

- Gewerkte uren plus alle reisuren x tarief ad E 130

- Reis - en verblijfskosten

De marge is alsdan ca 20% , hetgeen mi. uiterst schappelijk is.”

[bank 1] heeft bij haar op schrift gestelde aangifte op 2 juli 2013 een onderzoeksrapport van Intégis overgelegd, waarin een ongedateerde en ongetekende overeenkomst is opgenomen tussen [bank 1] en [bedrijf 1] . Uit deze overeenkomst blijkt dat de opdrachtnemer ( [bedrijf 1] ) per 1 september 2010 diensten zal verrichten. De opdracht zal namens de opdrachtnemer worden vervuld door [getuige 3] . De door [bank 1] aan [bedrijf 1] verschuldigde vergoeding bedraagt € 165,- per uur (exclusief BTW). Ook reisuren kunnen in rekening worden gebracht.18

[getuige 3] verklaart dat hij niet wilde dat er een contract opgesteld werd tussen [bedrijf 1] en zijn vennootschap, [bedrijf 7] BV.19 Een dergelijk contract is door de FIOD ook niet aangetroffen.20

Betalingsafspraken [bedrijf 1] – [medeverdachte]

In een opgestelde e-mail, ondertekend door [medeverdachte] , is onder meer het volgende te lezen:

“ [naam] ,

(…)

Voorts is mijn [bedrijf 1] - beteiligung uitgegroeid tot een full time job, kost ik [bedrijf 1] nog altijd (nagenoeg?) niets, maar breng via [project] additioneel zo’n E 350k - 400k (met veel inspannning) in het [bedrijf 1] -laatje

Status eind juli [naam] , zeg het maar, maar wel ‘na verplaatsing in mijn schoenen’!” 21

Op 6 september 2011 wordt door [medeverdachte] een e-mail gestuurd aan [verdachte] . In deze e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

SAMENWERKING / SAMEN DELEN

1 / TdK stelt zich 30 a 35 uur per week beschikbaar. Verdiencapaciteit voor [bedrijf 1] : minimaal 30 uur a E 250 = E 7.500 per week

2 / TdK wordt ingezet voor externe en interne advisering / projectwerkzaamheden tbv [bedrijf 1] / [bedrijf 8] .

3 / TdK is geen kostenpost; in concreto : wat ie kost, brengt ie op.

4 / Facts / Figures >> 2010: Opbrengsten (excl [bedrijf 3] ) : E 202 K facturatie + Niet Gefactureerde Omzet aan [bedrijf 8] ad ??? (min 8 uur per week)

Kosten : 11 x E23

>> 2011/ 1e halfjr Opbrengsten (excl. [bedrijf 3] ): E 96 K facturatie + Niet Gefactureerde Omzet aan [bedrijf 8] ad ??? (min 8 uur per week)

Conclusie: aan criterium 3/is voldaan: hij brengt tenminste op wat ie kost.

5 / Samen delen wordt eerst opportuun in geval de vennootschap ( exclusief de opbrengsten van [bedrijf 3] ) presteert / beter presteert

TdK heeft alsdan geen rechten ! Het is aan de aandeelhouder / directie om TdK al dan niet additioneel te belonen.

[project] ( en mogelijk in de toekomst soortgelijke ‘geschenken uit de hemel’)

A / SAMENWERKING

Er is feitelijk geen samenwerking in deze [bedrijf 1] verkrijgt ‘om niet de gehele opslag en heeft GEEN kosten ter zake

Note voorfinanciering is geen must Aldus heeft deze geste geen materiële grondslag in het kader van samenwerking

Note : schaduwmanagement is niet ondergebracht in de uren van TdK die gekwalificeerd worden als: Niet Gefactureerde Omzet aan [bedrijf 8]

B / SAMEN DELEN

Onze afspraak ‘samen delen’ geldt voor mij onverminderd Het project is om die reden door mij , onverplicht! , ingebracht.

C / VOORSTEL NAV B/

TdK stuurt nota (‘s) aan [bedrijf 1] in bet kader van de verrekening van de afspraak Samen Delen.

Over 2010 stel ik voor om van de opbrengst ad E 115.000 mijn verkregen discount (zie Aannames , onder 3/) af te trekken en vervolgens te delen . Voor TdK aldus: E 50 K

Over het eerste halfjaar 2012 stel ik voor gelijk te delen , hetgeen resulteert in een bedrag ad E 85 K.

(…)” 22

Op 10 april 2014 verklaart [verdachte] dat [bedrijf 1] zonder [medeverdachte] het [project] / [bank 1] nooit zou hebben gehad en de mensen (de rechtbank begrijpt: [C] , [getuige 2] en [getuige 3]) niet had kunnen leveren. De vergoeding aan [medeverdachte] na 1 juli 2011, zo verklaart [verdachte] , is mede afhankelijk geweest van de gerealiseerde toegevoegde waarde van [bedrijf 3] . De toegevoegde waarde van [bedrijf 3] kwam in zijn geheel toe aan [bedrijf 1] . In september 2011 is met [medeverdachte] afgesproken dat zijn vergoeding mede zou worden bepaald door de marge die werd gerealiseerd op [bedrijf 3] . Het uitgangspunt was de marge die gerealiseerd werd vanaf de startdatum van het [bedrijf 3] -project. Afgesproken werd dat [medeverdachte] recht had op 50% van de marge vanaf de startdatum. Als het project doorliep zou [medeverdachte] de marge voor 100% uitbetaald krijgen om de periode vanaf de start van het project tot 1 juli 2011 in te lopen. Als het verleden was ingehaald zou [medeverdachte] een vergoeding van 50% van de toegevoegde waarde van het [project] krijgen.23 Deze afspraak is, volgens [verdachte] , gebaseerd op de e-mails die zijn genummerd als D-0067 en D-0068.24

Door [bedrijf 2] BV zijn onder meer de hieronder weergegeven facturen gestuurd aan [bedrijf 1] .25 Op de bankafschriften is te zien dat de bedragen met betrekking tot deze facturen inzake projectondersteuning ook daadwerkelijk door [bedrijf 2] ontvangen zijn.26

Nummer

Omschrijving

Factuurdatum

Bedrag (excl. BTW)

Betaaldatum 27

D-0101

Projectondersteuning

17-10-2011

€ 62.500,-

3-11-2011

D-0102

Projectondersteuning

16-1-2012

€ 42.250,-

31-1-2012

D-0103

Projectondersteuning

16-1-2012

€ 42.250,-

31-1-2012

[getuige 4] , die in de periode van 2009-2012 de administratie van [bedrijf 1] voerde28, verklaart dat hij de facturen D-0101 tot en met D-0109 aangeleverd kreeg via [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) en dat deze facturen betrekking hebben op de 50% [bedrijf 3] -marge.29

Aan de hand van de cijfers uit de financiële administratie is de marge van [bedrijf 1] berekend. De omzet van [bedrijf 1] met betrekking tot de detachering van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] bedraagt over de periode 2010 tot en met 2012 € 2.937.286,-. Door [bedrijf 1] is in deze periode een bedrag van € 2.242.431,- uitbetaald aan de vennootschappen van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] . De marge op de verhuur van de hiervoor genoemde personen bedraagt daarmee € 694.855,-.30

Het totale bedrag van de facturen D-0101 tot en met D-0109 bedraagt € 347.101,- (exclusief BTW). De facturen zijn in de administratie van [bedrijf 1] opgenomen.31

4.3.2

Vrijspraak oplichting (feit 1)

Partieel nietig?

De raadsman heeft allereerst betoogd dat de eerste twee oplichtingshandelingen partieel nietig dienen te worden verklaard, omdat onvoldoende duidelijk is wat deze handelingen hebben bijgedragen aan de onjuiste voorstelling van zaken die tegenover [bank 1] in het leven zou zijn geroepen. Voor zover de derde oplichtingshandeling ziet op andere vergoedingen dan de detacheringsvergoeding, dient ook deze handeling, wegens gebrek aan feitelijkheid, partieel nietig te worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt. In de eerste oplichtingshandeling is uitgewerkt dat verdachte en/of zijn mededader(s) de indruk heeft/hebben gewekt (enkel) de belangen van [bank 1] te behartigen. Deze belangenbehartiging is gespecificeerd naar bepaalde gedragingen van [medeverdachte] bij de tewerkstelling van de gedetacheerden. Daarmee is de oplichtingshandeling voldoende feitelijk omschreven. De rechtbank ziet dan ook geen reden deze oplichtingshandeling partieel nietig te verklaren.

Het voorgaande geldt ook wat betreft de tweede oplichtingshandeling. In de tenlastelegging is voldoende duidelijk omschreven waar de handeling op ziet: op het tewerkstellen van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] via [bedrijf 1] .

Ook de derde oplichtingshandeling is voldoende feitelijk. In de oplichting zijn twee totaalbedragen genoemd, waarvan de eerste (primair ten laste gelegd) ziet op de totale [bank 1] -marge van [bedrijf 1] en het tweede bedrag ziet op het bedrag dat middels de kwartaalvergoeding is overgemaakt aan [medeverdachte] . Gelet op deze bedragen is ook voldoende duidelijk waar de ‘verzwegen vergoedingen’ op zien die onder de derde oplichtingshandeling zijn uitgewerkt. Van partiële nietigheid is dan ook geen sprake.

Medeplegen oplichting (feit 1 primair)

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [bank 1] heeft bewogen tot het aangaan van overeenkomsten met [bedrijf 1] en tot afgifte van geldbedragen. Door de medeverdachte, [medeverdachte] , is daarbij tegenover [bank 1] de indruk gewekt dat hij bij de tewerkstelling van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] slechts de belangen van [bank 1] zou behartigen. Ook heeft [medeverdachte] bij deze tewerkstelling [bedrijf 1] als detacheerder gebruikt en heeft hij verzwegen dat bij deze tewerkstelling een vergoeding aan hem, [medeverdachte] , was overeengekomen. Indien de oplichtingsmiddelen niet tegenover [bank 1] waren aangewend, was zij niet overgegaan tot het aangaan van deze overeenkomsten en de afgifte van deze geldbedragen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Oplichting is het door het gebruikmaken van een (oplichtings-)middel een ander bewegen tot bepaalde gedragingen, waaronder de afgifte van een goed en het aangaan van een schuld. Degene die zich aan oplichting schuldig maakt, handelt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen en bedient zich daartoe ten minste van één van de oplichtingsmiddelen als genoemd in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dan wel een combinatie daarvan. Tussen het aanwenden van (één van) genoemde oplichtingsmiddelen en één van voormelde gedragingen waartoe de bedrogene wordt bewogen, dient een causaal verband te bestaan.

De gestelde oplichtingshandelingen zijn uitgewerkt in de tenlastelegging.

De rechtbank is van oordeel dat de eerste oplichtingshandeling -de indruk wekken dat [medeverdachte] enkel de belangen van [bank 1] zou behartigen- niet bewezenverklaard kan worden. Het dossier bevat geen bewijs dat [medeverdachte] actief de indruk heeft gewekt dat hij bij de tewerkstelling van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] slechts de belangen van [bank 1] zou behartigen. De stelling dat het dienen van de belangen van [bank 1] voortvloeit uit de overeenkomst van opdracht die [medeverdachte] met zijn vennootschap met [bank 1] had gesloten, acht de rechtbank onvoldoende voor een bewezenverklaring van deze oplichtingshandeling. Met name nu deze indruk, volgens de tenlastelegging, specifiek zou zijn gewekt bij de tewerkstelling van de drie hierboven genoemde personen. Daarvoor ontbreekt het bewijs in dit dossier.

De tweede oplichtingshandeling, zoals deze feitelijk is ten laste gelegd, kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Uit het dossier blijkt immers dat [verdachte] en [medeverdachte] [bedrijf 1] hebben gebruikt als detacheerder voor de tewerkstelling van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] . De rechtbank ziet zich echter vervolgens voor de vraag gesteld of dit gebruiken van [bedrijf 1] als tussenpersoon “opzettelijk valselijk, listiglijk, bedrieglijk of in strijd met de waarheid” is gedaan. Deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank niet bevestigend worden beantwoord. Allereerst blijkt, met betrekking tot het aangaan van de schuld (het sluiten van de contracten), niet dat [bank 1] over het gebruik maken van [bedrijf 1] onjuist is voorgelicht. [bank 1] was bij het sluiten van de contracten op de hoogte van het feit dat [bedrijf 1] als detacheerder optrad. Deze handeling kan daarom niet als een oplichtingshandeling worden gekwalificeerd. Dit geldt eveneens voor de afgifte van de geldbedragen door [bank 1] (op basis van de afgesloten overeenkomsten). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [medeverdachte] pas ruim een jaar nadat de overeenkomsten zijn afgesloten de beschikking kreeg over een deel van de zogenoemde [bedrijf 3] -marge. Dat [medeverdachte] met het inschakelen van [bedrijf 1] al in eerste instantie de intentie had om over deze gelden te kunnen beschikken acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen.

De derde oplichtingshandeling ziet op het feit dat [verdachte] en [medeverdachte] -kort gezegd- tegenover [bank 1] hebben verzwegen dat er met betrekking tot de tewerkstelling van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] een vergoeding/marge/betaling aan [medeverdachte] of een gelieerde vennootschap was inbegrepen of overeengekomen. De rechtbank stelt vast dat op enig moment is verzwegen dat [medeverdachte] betalingen kreeg die gelieerd waren aan de opbrengst van [bedrijf 1] ter zake de tewerkstelling van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] . Echter, los van de vraag in hoeverre deze oplichtingshandeling bewezen verklaard kan worden, is de rechtbank van oordeel dat deze enkele verzwijging niet kan worden gekwalificeerd als een listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte [bank 1] heeft opgelicht. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Medeplichtigheid oplichting (feit 1 subsidiair)

De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit nietig dient te worden verklaard om een drietal redenen.

Allereerst dient volgens de raadsman nietigverklaring te volgen omdat -kort gezegd- verdachte volgens de tekst van de tenlastelegging medeplichtig zou zijn geweest aan een feit dat door hemzelf is gepleegd. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Weliswaar is verdachte opgenomen in het eerste deel van de tenlastelegging dat ziet op de medeplegers, maar de kennelijke bedoeling van de tenlastelegging is voldoende duidelijk. De rechtbank zal de zinsnede “immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)” verbeterd lezen en in dit zinsdeel de namen invoegen die in de eerste regel zijn gebruikt: “ [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 1] BV”.

Ten tweede heeft de raadsman opgemerkt dat aan verdachte is ten laste gelegd dat hij medeplichtig is geweest ‘tot’ de oplichting, maar dat de handelingen die verdachte zou hebben gepleegd niet voorafgaand maar tijdens het strafbare feit moeten worden geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat dit in het kader van de inhoudelijke beoordeling van het feit relevant zou kunnen zijn. Het ten laste gelegde feit en de uitgewerkte oplichtingshandelingen worden hierdoor echter niet onbegrijpelijk. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor nietigverklaring.

In de derde plaats heeft de raadsman betoogd dat eenzelfde gedraging niet tegelijkertijd kan worden aangemerkt als (mede)plegen en als medeplichtig zijn. Voor zover de raadsman hierbij doelt op de strafbare gedraging als geheel, in casu de oplichting, kan de rechtbank de raadsman volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter geen rechtsregel die belet dat een deel van de (oplichtings)handelingen die zijn omschreven ten aanzien van de medeplegers ook -in vergelijkbare bewoordingen- onder de handelingen met betrekking tot de medeplichtigheid worden ten laste gelegd. Ook dit verweer tot nietigverklaring wordt daarom verworpen.

De rechtbank komt aldus toe aan de inhoudelijke beoordeling van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit. Nu echter, zoals hiervoor is overwogen, geen sprake is van oplichting, kan verdachte ook niet als medeplichtige bij deze oplichting betrokken zijn. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

4.3.3

Bewijsoverwegingen

Niet-ambtelijke omkoping (feit 2)

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij [medeverdachte] / [bedrijf 2] niet-ambtelijk heeft omgekocht.


Het tweede lid van artikel 328ter Sr luidde ten tijde van de ten laste gelegde periode als volgt:

“Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.”

De rechtbank zal hieronder de verschillende onderdelen van dit artikel beoordelen.

Lasthebber

De verdediging heeft betoogd dat het contract tussen [bank 1] en [medeverdachte] uitdrukkelijk niet als een arbeidsovereenkomst is aangemerkt en er evenmin sprake is van een lastgevingsovereenkomst.

De rechtbank overweegt allereerst dat voor de interpretatie van begrippen in het Wetboek van Strafrecht niet altijd aansluiting hoeft te worden gezocht bij de definities uit het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient juist zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van het betreffende strafbare feit. Daarbij is van belang dat de wetgever het beschermd belang van deze bepaling niet uitsluitend heeft beperkt tot de relatie tussen werkgever en werknemer, maar ook oog had voor de publieke moraal en de openbare orde. Het vertrouwen dat in de werknemer of lasthebber wordt gesteld krijgt meer inhoud naarmate bevoegdheden worden gedelegeerd en de specialisatie binnen de onderneming voortschrijdt (Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 7). De huidige Memorie van Toelichting van artikel 328ter Sr betrekt het te beschermen belang -zonder aanpassing van het begrip lasthebber- eveneens op de belangen van de consument, de economische sector en de samenleving als geheel (Kamerstukken II 2012/13, 33685, nr. 4, p. 14-15).

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] ruime bevoegdheden had in zijn functie bij [bank 1] . Hoewel hij wellicht niet formeel als bestuurder kon worden aangemerkt binnen het [bedrijf 3] -project had hij wel een rol in het managementteam en was hij -onder meer- betrokken bij de beoordeling welke personen moesten worden aangenomen. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat [medeverdachte] (en zijn vennootschap) in zijn relatie met [bank 1] als lasthebber te beschouwen is. Juist het grote vertrouwen dat in hem werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die hij had, maken dat hij -gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel valt.

Het doen van een gift

De rechtbank stelt vast dat de term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft. Daarvan is sprake, in de vorm van de geldbedragen die aan [medeverdachte] zijn overgemaakt.

Het doen van een belofte
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] met [medeverdachte] de afspraak heeft gemaakt om 50% van de [bedrijf 3] -marge aan [medeverdachte] uit te betalen. De instemming van [verdachte] met deze afspraak kan naar het oordeel van de rechtbank als een belofte worden aangemerkt.

Naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten
De raadsman heeft betoogd dat de betalingen die zijn gedaan naar aanleiding van de afspraak uit het najaar van 2011 geen relatie hebben met het inschakelen van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] , maar zien op de inspanningen die [medeverdachte] heeft verricht voor [bedrijf 1] . Om die reden is er geen verband met de werkzaamheden van [medeverdachte] bij [bank 1] en is er geen sprake van “hetgeen hij naar aanleiding van zijn last heeft gedaan…”.

De rechtbank stelt voorop dat de woorden “naar aanleiding van hetgeen hij in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” inhouden dat de gift moet zijn gedaan of aangenomen naar aanleiding van een verrichte of nog te verrichten prestatie van de ontvanger. Een concrete prestatie van de omgekochte is echter niet altijd vereist (HR 27 november 1991, NJ 1991, 318). Zo is bijvoorbeeld voldoende dat de omkoper giften aan de omgekochte doet om zijn zakelijke relatie met de werkgever van de omgekochte in stand te houden of te verbeteren terwijl de omgekochte daarop invloed had en dit moet hebben begrepen (HR 16 januari 1990, DD 90.197).

De rechtbank stelt vast dat, zoals ook [verdachte] verklaart, de betalingen die vanaf het najaar van 2011 aan [medeverdachte] / [bedrijf 2] zijn gedaan hun oorsprong vinden in de afspraak tussen [verdachte] en [medeverdachte] in september 2011. Deze afspraak is gemaakt nadat [medeverdachte] richting [verdachte] , in onder andere de e-mails D-0067 en D-0068, zijn onvrede uitte over de gang van zaken binnen [bedrijf 1] . Verdachte benadrukt in D-0067 dat er geen ontwikkeling is in [bedrijf 1] , maar merkt daarbij ook op dat hij [bedrijf 1] (nagenoeg) niets kost en via het [project] bij [bedrijf 1] € 350.000,- tot € 400.000,- binnen brengt. Vervolgens wordt door [medeverdachte] in de e-mail van 6 september 2011 (D-0068) aan [verdachte] een overzicht gestuurd van financiële feiten en onderlinge afspraken. Opvallend is dat in deze e-mail de afspraak tot ‘samenwerking/samen delen’ apart wordt besproken van het [project] . Onder het eerstgenoemde onderwerp wordt beschreven dat “samen delen pas opportuun wordt als de vennootschap (exclusief de opbrengsten van [bedrijf 3] ) presteert/beter presteert. [medeverdachte] heeft alsdan geen rechten! Het is aan de aandeelhouder/directie om [medeverdachte] ‘additioneel’ te belonen.” De rechtbank leidt hieruit af dat de inzet van [medeverdachte] voor [bedrijf 1] viel binnen de maandelijkse vergoeding van € 25.000,- dan wel € 23.000,-.

Vervolgens wordt door [medeverdachte] onder het kopje ‘ [project] ’ opgemerkt dat er feitelijk geen samenwerking is ‘in deze’, [bedrijf 1] ‘om niet’ de gehele opslag krijgt en er geen kosten zijn. [medeverdachte] doet in deze e-mail hierna een voorstel om de opbrengsten samen te delen. Uit onder meer de verklaring van [verdachte] volgt dat dit heeft geresulteerd in de afspraak dat [medeverdachte] tot 50% van de [marge] mocht declareren.

De rechtbank leidt uit deze beide e-mails af dat de grondslag van de afspraak en de daarna volgende betalingen, niet is gelegen in de werkzaamheden die [medeverdachte] voor [bedrijf 1] verrichtte, maar in het feit dat het aan [medeverdachte] te danken is geweest dat [C] , [getuige 2] en [getuige 3] via [bedrijf 1] bij [bank 1] te werk zijn gesteld. Om die reden wordt in de e-mailcorrespondentie onderscheid gemaakt tussen de werkzaamheden van [medeverdachte] voor [bedrijf 1] (en zijn vergoeding daarvoor) en het [project] . Uit de context van de e-mails, zoals hierboven geschetst, blijkt dat het [project] een zelfstandige basis vormt voor het toekennen van een vergoeding aan [medeverdachte] . In D-0068 wordt onder ‘ [project] ’ namelijk benadrukt dat er geen feitelijke samenwerking is en het project daarom, zo begrijpt de rechtbank, ook niet kan vallen binnen de reguliere maandelijkse vergoeding die aan [medeverdachte] wordt betaald.

Ook overigens acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] , dat de betalingen vanaf het najaar van 2011 zagen op de inzet van [medeverdachte] voor [bedrijf 1] , niet aannemelijk. Zo is onvoldoende onderbouwd waarom deze werkzaamheden niet konden worden inbegrepen onder de reguliere maandelijkse vergoeding. Daarnaast acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de vergoeding voor deze ‘extra werkzaamheden’ werd berekend aan de hand van de [bedrijf 3] -marge. Aangezien er geen relatie bestond tussen deze ‘extra werkzaamheden’ en de inkomsten vanuit het [bedrijf 3] -project, acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat bij het berekenen van de vergoeding voor deze werkzaamheden wel werd aangesloten bij de [bedrijf 3] -inkomsten. Deze wijze van berekenen had -in dit scenario- voor beide partijen tot onwenselijke vergoedingen kunnen leiden die geen recht deden aan de feitelijke werkzaamheden die werden verricht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de grondslag van de betalingen van de facturen D-0101 tot en met D-0109 is gelegen in het feit dat [medeverdachte] betrokken is geweest bij het te werk stellen van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] bij [bank 1] .

Voor [bedrijf 1] en [verdachte] was het behouden van de overeenkomsten met [bank 1] van evident belang: zonder dat daar voor [bedrijf 1] (grote) inspanningen tegenover stonden, werd in de periode van 2010 tot en met 2012 immers een marge behaald van € 694.855,-. Op basis van de aard en achtergrond van de afspraken en de betalingen enerzijds (zoals hiervoor is overwogen) en het evidente belang van [bedrijf 1] om de relatie met [bank 1] goed te houden, komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] de beloften en giften heeft gedaan naar aanleiding van hetgeen [medeverdachte] in de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten.

Redelijkerwijs aannemen dat in strijd met de goede trouw wordt verzwegen

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat deze betalingen geen relatie hadden met de tewerkstelling van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] bij [bedrijf 3] niet en verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Voor de strafbaarheid van de omkoper is niet bepalend of hij verwachtte dat de gift in strijd met de goede trouw zou worden verzwegen. Doorslaggevend is wat de omkoper gezien de aard van de gift, de omstandigheden waaronder de gift werd gedaan en zijn kennis van de (opvattingen in de) branche redelijkerwijs -objectief gezien dus- had moeten verwachten. De omkoper is strafbaar wanneer hij zich bewust had moeten zijn van de mogelijkheid dat de ontvanger van de gift dit in strijd met de goede trouw zou verzwijgen. Onbewuste schuld is daarvoor voldoende.

[verdachte] heeft gedurende een aantal maanden meerdere betalingen gedaan aan [medeverdachte] . Gelet op de betrokkenheid van [medeverdachte] bij de tewerkstelling en salariëring van de gedetacheerde personen, [C] , [getuige 2] en [getuige 3] , was het evident dat [bank 1] van deze -aan deze detacheringen gerelateerde- vergoedingen op de hoogte had willen zijn. Daarbij komt dat [medeverdachte] werkzaam was binnen hetzelfde project als de gedetacheerde personen, waardoor de kans op belangenverstrengeling nog groter was. Daarom kon [verdachte] , gezien de aard van de afspraak met [medeverdachte] , redelijkerwijs verwachten dat de afspraak door hem verzwegen werd. [verdachte] had zich van deze verzwijging bewust moeten zijn.

Periode

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij bij deze niet-ambtelijke omkoping betrokken is geweest in de periode van 1 september 2011 tot en met 19 juli 2012. [verdachte] heeft verklaard dat zijn functie als bestuurder van [bedrijf 1] per april 2012 is beëindigd en hij na die periode ook geen feitelijke werkzaamheden meer heeft verricht. [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] in april 2012 heeft meegedeeld te stoppen als bestuurder van [bedrijf 1] . Ook blijkt uit D-0074 dat [getuige 1] in ieder geval vanaf juni 2012 feitelijk betrokken was bij [bedrijf 1] . Gelet hierop, en het feit dat de verklaring van [verdachte] niet wordt weersproken in het dossier, zal de rechtbank uitgaan van een periode tot 1 april 2012. Hoewel de betalingen na die periode wel betrekking hebben op een door [verdachte] gemaakte afspraak, kunnen deze niet worden bewezen verklaard, omdat [verdachte] op dat moment geen feitelijke zeggenschap meer had over de financiële middelen van [bedrijf 1] .

Medeplegen eigen vennootschap(pen)
De niet-ambtelijke omkoping, zoals ten laste gelegd, wordt zowel voor [verdachte] als voor [bedrijf 1] bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf de ten laste gelegde handelingen heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon worden deze ook aan haar toegerekend.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is aan alle bestanddelen van artikel 328ter Sr voldaan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 september 2011 tot 1 april 2012 -samen met zijn vennootschap- [medeverdachte] heeft omgekocht voor een bedrag van € 147.000,-.

Valsheid in geschrift (feit 3)

Periode

De rechtbank merkt allereerst op dat zij wat betreft de periode aansluit bij hetgeen onder feit 2 is overwogen, te weten een periode tot 1 april 2012. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de facturen die na deze periode zijn gedagtekend (D-0104 tot en met D‑0109).

Valsheid facturen
De verdediging heeft betoogd dat de facturen niet vals zijn omdat de omschrijving ‘projectondersteuning’ correct weergaf wat de grondslag van de betaling was, namelijk de werkzaamheden die door [medeverdachte] werden verricht voor [bedrijf 1] .

De rechtbank is van oordeel dat de facturen D-0101 tot en met D-0103 alle valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen betrekking hadden op de afspraak dat [medeverdachte] 50 procent van de [bedrijf 3] -marge zou krijgen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [verdachte] [medeverdachte] met deze betalingen niet-ambtelijk omkocht. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, hadden deze gefactureerde bedragen dan ook geen betrekking op projectondersteuning of andere specifieke werkzaamheden. Door het gebruikmaken van de hiervoor genoemde omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijving is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

Voorhanden hebben

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de facturen D-0101 tot en met D‑0103 voorhanden heeft gehad. In de tenlastelegging zijn vijf feitelijke handelingen opgenomen van [verdachte] ten aanzien van deze drie facturen. De rechtbank acht op basis van de stukken in het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] / [verdachte] deze facturen in de grootboekrekening, in de jaarrekening en in de aangifte van de vennootschapsbelasting heeft verwerkt. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] de facturen heeft ontvangen, deze facturen hebben gediend als grondslag voor betalingen aan [bedrijf 2] en zijn opgenomen in de administratie van [bedrijf 1] . De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het gebruik maken van deze valse facturen nu de bewezen verklaarde handelingen niet als gebruik maken kunnen worden gekwalificeerd (NJ 1982, 649).

Feitelijk leidinggeven

Een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 Sr) kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de betreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een belangrijk criterium bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (ECLI:NL:HR:2003:AF7938). De afspraken tot betalingen van de betreffende geldbedragen zijn door [bedrijf 1] , in het bijzonder door [verdachte] , met [medeverdachte] gemaakt. Ook de facturatie van deze bedragen ging via de vennootschap [bedrijf 1] , waarbij de facturen werden verwerkt in de administratie van [bedrijf 1] . Gelet hierop heeft het voorhanden hebben van de voornoemde facturen plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kan het aan [bedrijf 1] worden toegerekend.

In de bewezenverklaarde periode was [verdachte] , via [bedrijf 4] BV, bestuurder van [bedrijf 1] . Daarnaast blijkt dat hij ook feitelijk betrokken was bij het maken van de betalingsafspraken, dat de facturen aan hem gericht waren en hij met [getuige 4] , die de administratie voerde, afspraken heeft gemaakt over de betaling van deze facturen. Gezien deze omstandigheden kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [bedrijf 1] gepleegd gedragingen.

4.3.4

Vrijspraak gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat de geldbedragen die door [bedrijf 1] / [verdachte] werden ontvangen van [bank 1] (totaal € 694.855,-) en de geldbedragen die uiteindelijk naar [medeverdachte] zijn overgemaakt (totaal € 347.101,-) niet kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf. Immers, de geldbedragen die werden ontvangen hadden en legale herkomst: de detacheringscontracten die waren gesloten met [bank 1] . Ook het bedrag dat aan [medeverdachte] is overgemaakt heeft dezelfde herkomst en is daarmee niet van enig misdrijf afkomstig. Voor zover het Openbaar Ministerie heeft willen betogen dat het witwassen gelijktijdig is gepleegd met het overmaken van het omkopingsgeld, ziet de rechtbank niet in welke extra verhullingshandeling door [verdachte] is gepleegd na voltooiing van het gronddelict (de niet-ambtelijke omkoping).

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het (gewoonte)witwassen zoals onder feit 4 ten laste gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] feit 2 (niet-ambtelijke omkoping) en feit 3 (valsheid in geschrift) heeft begaan.

De volledige bewezenverklaring is opgenomen in Bijlage II van dit vonnis.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan in deze bijlage is bewezen verklaard.

De rechtbank constateert dat onder feit 2 is ten laste gelegd dat -kort gezegd- door [bedrijf 1] / [verdachte] is toegezegd dat [medeverdachte] de helft van de behaalde omzet (die zag op de detachering van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] ) zou ontvangen. Gelet op het dossier en de aangehaalde bewijsmiddelen zal de rechtbank het woord ‘omzet’ verbeterd lezen als ‘marge’.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

feit 2: medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

feit 3: het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 primair, 2 ,3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen en een geldboete van € 50.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 285 dagen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het omkopen van [medeverdachte] , die werkzaam was bij [bank 1] . Het was [verdachte] bekend dat [medeverdachte] nauw met hem samenwerkte en zich intensief bemoeide met de contracten die werden gesloten tussen [bank 1] en [bedrijf 1] ten aanzien van de tewerkstelling bij [bank 1] van [C] , [getuige 2] en [getuige 3] . Toch heeft [verdachte] ingestemd met het voorstel van [medeverdachte] om een deel van de opbrengst, die gerelateerd was aan de opbrengsten uit die tewerkstelling van voornoemde personen bij [bank 1] , aan [medeverdachte] uit te betalen. [verdachte] had zich daarbij bewust moeten zijn dat deze betalingsafspraken niet door [medeverdachte] bij [bank 1] werden gemeld. Bovendien heeft [verdachte] meegewerkt aan het verhullen van deze afspraken door facturen met onjuiste omschrijvingen voorhanden te hebben en te verwerken in zijn administratie.

Hoewel [bank 1] naar het oordeel van de rechtbank niet is opgelicht, is het vertrouwen van [bank 1] door de handelwijze van [medeverdachte] wel ernstig geschaad. Daaraan heeft [verdachte] welbewust bijgedragen. De rechtbank neemt hem dat kwalijk.

Verdachte heeft er ter terechtzitting echter geen blijk van gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen inziet.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van de verdachte gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Anders dan de officieren van justitie zal de rechtbank voor de strafoplegging geen aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten met betrekking tot fraude. De rechtbank kan niet vaststellen dat de bewezen verklaarde feiten (direct) financieel nadeel hebben gehad voor [bank 1] of andere derden.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat de rol van [verdachte] veel beperkter is geweest dan die van [medeverdachte] . Bovendien heeft de rechtbank [verdachte] vrijgesproken van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten en is de periode van de bewezenverklaarde feiten aanzienlijk ingekort. Aan de andere kant is wel sprake van een ernstig feit nu door [verdachte] bijna € 150.000,- aan omkopingsgeld is overgemaakt naar [bedrijf 2] / [medeverdachte] en deze betalingen door middel van valse facturen werden verhuld.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn. Hoewel het opsporingsonderzoek geruime tijd in beslag heeft genomen, is de rechtbank niet gebleken dat er onvoldoende voortvarend is geacteerd. Voor zover de termijn de periode van twee jaar heeft overstegen, levert dat gelet op de complexiteit van de zaak, de vele opsporingshandelingen die zijn verricht en de samenhang met de zaken van de medeverdachten geen schending op van de redelijke termijn.

De rechtbank acht een taakstraf van aanzienlijke duur passend een geboden. Voor het opleggen van een geldboete, zoals gevorderd door de officieren van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding nu [verdachte] is vrijgesproken van het ten laste gelegde vermogensfeit, de oplichting.

De rechtbank acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat zij minder feiten bewezen verklaart dan door de officieren van justitie gevorderd, een taakstraf voor de duur 180 uren passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 51, 57, 225 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2: medeplegen van het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

feit 3: het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, mrs. V. van Dam en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2017.

BIJLAGE I: de tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat

Feit 1 (zaaksdossier 3: oplichting [bedrijf 1] )

PRIMAIR

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2009 tot en met 25 februari 2013 te Leusden en/of Bavel en/of Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank 1] BV (en/of [bank 2] N.V.)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), te weten in totaal EURO 694.855, althans EURO 347.101, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) aan [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV (AH-031), en/of

heeft/hebben bewogen tot het aangaan van een (of meer) schuld(en), te weten het sluiten/aangaan van (een) overeenkomst(en) met [bedrijf 1] BV met betrekking tot [C] (D-0031 en/of AH-034 pagina 15/16) en/of [getuige 2] (D-0018) en/of [getuige 3] (D-0016 en/of D-0366)

immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

tegenover [bank 1] BV de indruk gewekt dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) als bestuurder en/of opdrachtnemer bij/van [bank 1] BV en/of (een) aan [bank 1] BV gelieerde vennootschap(pen), (enkel) de belangen van [bank 1] BV en/of de daaraan gelieerde vennootschappen zal/zullen behartigen (D-0013), onder andere bij de selectie en/of voordracht en/of (de wijze van) te werk stelling en/of de (overeen te komen) salariëring en/of beloning van medewerkers/opdrachtnemers ten behoeve van [bank 1] BV en/of (een) aan [bank 1] BV gelieerde vennootschap(pen), waaronder [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) via [bedrijf 1] BV (zoals uiteindelijk vastgelegd in D-0031 en/of AH-034 p. 15/16 en/of D-0018 en/of D-0016 en/of D-0366), en/of

[bedrijf 1] BV als tussenpersoon/detacheerder gebruikt om [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) bij [bank 1] BV te werk te stellen, en/of

tegenover [bank 1] BV verzwegen en/of verborgen gehouden en/of verhuld dat er bij en/of naar aanleiding van (een aantal van) de aangegane overeenkomsten tussen [bank 1] BV en [bedrijf 1] BV met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden en/of diensten ten behoeve van [bank 1] BV door [bedrijf 1] BV en/of [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV), die door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s)

was/waren aangebracht en/of gecontracteerd en/of waarvoor hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (namens [bank 1] BV en/of [bedrijf 1] BV) (over) de daarmee samenhangende vergoedingen onderhandelingen heeft/hebben gevoerd en/of de daarmee samenhangende vergoedingen heeft/hebben vastgesteld, een (verborgen en/of verzwegen) vergoeding en/of marge en/of betaling aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of een of meer vennootschap(pen) gelieerd aan hem verdachte en/of zijn mededader(s), was inbegrepen en/of overeengekomen,

waardoor [bank 1] BV (en/of [bank 2] N.V.) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(s)

en/of werd bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld(en);

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR

medeverdachte(n) [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 1] BV op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2009 tot en met 25 februari 2013 te Leusden en/of Bavel en/of Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank 1] BV (en/of [bank 2] N.V.)

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), te weten in totaal EURO 694.855, althans EURO 347.101, in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) aan [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV (AH-031), en/of

heeft/hebben bewogen tot het aangaan van een (of meer) schuld(en), te weten het sluiten/aangaan van (een) overeenkomst(en) met [bedrijf 1] BV met betrekking tot [C] (D-0031 en/of AH-034 pagina 15/16) en/of [getuige 2] (D-0018) en/of [getuige 3] (D-0016 en/of D-0366)

immers hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

tegenover [bank 1] BV de indruk gewekt dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) als bestuurder en/of opdrachtnemer bij/van [bank 1] BV en/of (een) aan [bank 1] BV gelieerde vennootschap(pen), (enkel) de belangen van [bank 1] BV en/of de daaraan gelieerde vennootschappen zal/zullen behartigen (D-0013), onder andere bij de selectie en/of voordracht en/of (de wijze van) te werk stelling en/of de (overeen te komen) salariëring en/of beloning van medewerkers/opdrachtnemers ten behoeve van [bank 1] BV en/of (een) aan [bank 1] BV gelieerde vennootschap( pen), waaronder [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of]. [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) via [bedrijf 1] BV (zoals uiteindelijk vastgelegd in D-0031 en/of AH-034 p. 15/16 en/of D-0018 en/of D-0016 en/of D-0366), en/of

[bedrijf 1] BV als tussenpersoon/detacheerder gebruikt om [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) bij [bank 1] BV te werk te stellen, en/of

tegenover [bank 1] BV verzwegen en/of verborgen gehouden en/of verhuld dat er bij en/of naar aanleiding van (een aantal van) de aangegane overeenkomsten tussen [bank 1] BV en [bedrijf 1] BV met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden en/of diensten ten behoeve van [bank 1] BV door [bedrijf 1] BV en/of [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV), die door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s)

was/waren aangebracht en/of gecontracteerd en/of waarvoor hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (namens [bank 1] BV en/of [bedrijf 1] BV) (over) de daarmee samenhangende vergoedingen onderhandelingen heeft/hebben gevoerd en/of de daarmee samenhangende vergoedingen heeft/hebben vastgesteld, een (verborgen en/of verzwegen) vergoeding en/of marge en/of betaling aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of een of meer vennootschap(pen) gelieerd aan hem verdachte en/of zijn mededader(s), was inbegrepen en/of overeengekomen,

waardoor [bank 1] BV (en/of [bank 2] N.V.) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(s)

en/of werd bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld(en);

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 december 2009 tot en met 25 februari 2013 te Leusden en/of Bavel en/of Breda, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

[bedrijf 1] BV beschikbaar te stellen als tussenpersoon/detacheerde en/of (de opdracht te geven) contracten op te stellen en/of te ondertekenen tussen [bedrijf 1] BV en [bank 1]

Finance BV (en/of (een) aan [bank 1] BV gelieerde vennootschap(pen)) en/of tussen [bedrijf 1] BV en [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) en/of

(vervolgens) (de opdracht te geven) vanuit [bedrijf 1] BV facturen te sturen aan [bank 1] BV (en/of (een) aan [bank 1] BV gelieerde vennootschap(pen)) in verband met de inzet van [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) en/of

deze factuurbedragen in [bedrijf 1] BV te innen en/of

(vervolgens) (de opdracht te geven) de hoogte van de door [bedrijf 1] BV verkregen marge bij te houden welke werd gemaakt door de inzet van [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] (en/of [bedrijf 7] BV) bij [bank 1] BV en/of

(vervolgens) (de opdracht te geven) de helft, althans een deel, van deze marge door te (laten) betalen aan [bedrijf 2] BV en/of [medeverdachte]

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Feit 2 (zaaksdossier 1: niet-ambtelijke omkoping [bedrijf 1] )

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 19 juli 2012 te Leusden en/of Bavel en/of Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand die, anders dan als ambtenaar werkzaam is in dienstbetrekking en/of optreedt als lasthebber, te weten [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV, in dienst zijnde bij [bank 1] BV en/of optredend als lasthebber van [bank 1] BV, naar aanleiding van hetgeen deze [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV in (dienst)betrekking en/of bij de uitvoering van diens last(en) heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten (telkens)

een belofte, te weten de toezegging/instemming om de helft, althans een deel, van de door [bedrijf 1] BV behaalde omzet aan [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV te betalen, voor zover deze omzet ziet op de tewerkstelling van [C] (en/of [bedrijf 6] BVBA) en/of [getuige 2] (en/of [getuige 2] BV) en/of [getuige 3] ten/of [bedrijf 7] BV) bij [bank 1] BV en/of

een of meer gift(en) te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal circa EURO 288.991 exclusief BTW (D-0101 tot en met D-0107), althans enig geldbedrag,

heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV deze gift(en) in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 2 Wetboek van Strafrecht

Feit 3 (zaaksdossier 5: valsheid in geschrift [bedrijf 1] )

[bedrijf 1] BV op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 oktober 2011 tot en met 16 september 2013 te Bavel en/of Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of doen maken van en/of heeft/hebben afgeleverd en/of doen afleveren en/of voorhanden heeft/hebben gehad

negen, althans een of meer, factu(u)r(en) van [bedrijf 2] BV gericht aan [bedrijf 1] BV ten bedrage van in totaal Euro 347.101 (exclusief BTW), te weten: D-0101 en/of D-0102(a) en/of D-0103(a) en/of D-0104(a) en/of D-0105(a) en/of D-0106(a) en/of D-0107(a) en/of D-0108(a) en/of D-0109(a)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen

bestaande die valsheid/valsheden hierin

dat op dat/die geschriften, in strijd met de waarheid, is vermeld dat door [bedrijf 2] BV werkzaamheden en/of diensten, te weten: “projectondersteuning” en/of “projectondersteuning/bonus” en/of “compensatie uren indirecte dienstverlening aan [bedrijf 8] & [bedrijf 1] ” en/of “compensatie uren dienstverlening aan [bedrijf 8] & [bedrijf 1] gedurende het 4de kwartaal van 2012”, zijn verricht ten behoeve van/voor [bedrijf 1] BV terwijl in werkelijkheid deze werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet volledig,

zijn verricht en/of

dat op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) is/zijn vermeld dat/die in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden en/of diensten

bestaande dat gebruik (doen) maken en/of (doen) afleveren en/of (doen) voorhanden hebben hierin dat voornoemd(e) geschrift(en)

- aan [bedrijf 1] BV ter beschikking is/zijn gesteld en/of door [bedrijf 1] BV zijn ontvangen en/of

- in de grootboekrekening(en)/administratie van [bedrijf 1] BV is/zijn geboekt/opgenomen en/of

- heeft/hebben gediend als grondslag voor (een) betaling(en) aan [bedrijf 2] BV en/of

- in de jaarrekening(en) van [bedrijf 1] BV is/zijn verwerkt/gebruikt en/of

- in de aangifte vennootschapsbelasting van [bedrijf 1] BV over de jaren 2010 en/of 2011 is/zijn verwerkt/gebruikt

zulks terwijl zij, [bedrijf 1] BV, en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het/zij echt en onvervalst,

tot het plegen van bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

Feit 4 (zaaksdossier 7): witwassen [bedrijf 1]

BV op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 november 2011 tot en met heden te Bavel en/of Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 694.855, althans Euro 347.101 (exclusief BTW), in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden heeft/hebben gehad

en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij, [bedrijf 1] BV, en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl zij, [bedrijf 1] BV, en/of haar mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

tot het plegen van bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

Artikel 420bis/ter van het Wetboek van Strafrecht

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

BIJLAGE II: de bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Feit 2

hij in de periode van 1 september 2011 tot 1 april 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens aan iemand die, anders dan als ambtenaar optreedt als lasthebber, te weten [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV, optredend als lasthebber van [bank 1] BV, naar aanleiding van hetgeen deze [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV bij de uitvoering van diens last heeft gedaan telkens

een belofte, te weten de toezegging/instemming om de helft van de door [bedrijf 1] BV behaalde marge aan [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV te betalen, voor zover deze marge ziet op de tewerkstelling van [C] en [getuige 2] en [getuige 3] bij [bank 1] BV en

giften te weten geldbedragen van in totaal circa EURO 147.000 exclusief BTW (D-0101 tot en met D-0103),

heeft gedaan van dien aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte] en/of [bedrijf 2] BV deze giften in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever;

Feit 3

[bedrijf 1] BV in de periode van 17 oktober 2011 tot 1 april 2012 in Nederland telkens opzettelijk voorhanden heeft gehad

drie facturen van [bedrijf 2] BV gericht aan [bedrijf 1] BV ten bedrage van in totaal Euro 147.000 (exclusief BTW), te weten: D-0101 en D-0102 en D-0103

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

bestaande die valsheid/valsheden hierin

dat op die geschriften, in strijd met de waarheid, is vermeld dat door [bedrijf 2] BV werkzaamheden en/of diensten, te weten “projectondersteuning”, zijn verricht ten behoeve van/voor [bedrijf 1] BV terwijl in werkelijkheid deze werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht en

dat op/in die facturen een factuurbedrag is vermeld dat in werkelijkheid geen betrekking heeft op de in die facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten

bestaande dat voorhanden hebben hierin dat voornoemde geschriften

- door [bedrijf 1] BV zijn ontvangen en

- in de administratie van [bedrijf 1] BV zijn opgenomen en

- hebben gediend als grondslag voor betalingen aan [bedrijf 2] BV,

zulks terwijl zij, [bedrijf 1] BV, wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst,

tot het plegen van bovenomschreven strafbaar feit hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende FIOD-dossier, nummer 52396, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (onderzoek Mount Tibet, inhoudende 14 ordners, inclusief origineel BOB-dossier). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. AH staat voor ambtshandeling, ZPV staat voor zaaksproces-verbaal, V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte en G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar D betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.

2 D-0024

3 D-0013

4 AH-033, pagina 5

5 D-0026

6 D-0047

7 G15-02, pagina 2

8 G15-02, pagina 8

9 D-0076

10 D-0031

11 D-0015

12 G09-001, pagina 5

13 G09-001, pagina 6

14 D-0018

15 D-0017

16 G-08-001, pagina 2

17 D-0168

18 D-0016

19 G08-001, pagina 4

20 AH-034, pagina 20

21 D-0067

22 D-0068

23 V06-03, pagina 2

24 V06-03, pagina 3

25 AH-031, pagina 15

26 AH-031, pagina 16

27 D-0547

28 G12-01, pagina 3 en pagina 4

29 G12-01, pagina 15

30 AH-031, pagina 17

31 ZPV-07, pagina 5