Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2251

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2017
Datum publicatie
23-05-2017
Zaaknummer
C/16/414514 / FA RK 16-2806
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

IPR, verschillende aanhangige procedures in Nederland en Roemenië, artikel 15 Brussel II bis, artikel 19 Brussel II bis, verwijzing, bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/72.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/414514 / FA RK 16-2806

Beschikking van 8 mei 2017

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.A. van der Stroom-Willemsen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] (Roemenië),

verweerder, hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. Goedkoop.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft eerder op 28 september 2016 een beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar die beschikking.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, waaronder met name:

  • -

    de brief (met bijlagen) van de zijde van de vader, gedateerd 23 november 2016;

  • -

    de brief (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 28 november 2016;

  • -

    de brief (met bijlagen) van de zijde van de vader, gedateerd 30 november 2016;

  • -

    het F-formulier van de zijde van de moeder, gedateerd 1 december 2016.

1.3.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 2 december 2016. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);

  • -

    mevrouw G.L. Rivas, tolk voor de vader;

  • -

    mevrouw P. Molenaar, tolk voor de moeder.

1.4.

De rechtbank heeft partijen op voormelde zitting via de mediationfunctionaris van deze rechtbank verwezen naar crossborder mediation.

1.5.

Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • -

    het F-formulier van de zijde van de moeder, gedateerd 24 januari 2017, waarin zij stelt dat de crossborder mediation niet is geslaagd;

  • -

    de brief (met bijlage) van de zijde van de vader, gedateerd 17 maart 2017;

  • -

    de brief (met bijlage) van de zijde van de vader, gedateerd 22 maart 2017;

  • -

    de brief (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 22 maart 2017;

  • -

    de brief (met bijlagen) van de zijde van de vader, gedateerd 24 maart 2017;

  • -

    het F-formulier (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 24 maart 2017.

1.6.

De behandeling van de zaak is door de meervoudige kamer voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 27 maart 2017. Verschenen zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede door mr. S. Hosszu , de advocaat van vader in Roemenië;

  • -

    de heer [B] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);

  • -

    mevrouw G.L. Rivas, tolk voor de vader;

  • -

    de heer A.M.R. Zeevaarder, tolk voor de moeder.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 23 december 2014 van de rechtbank te Arad, Roemenië is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

- [minderjarige], geboren op [2010] te [geboorteplaats] (Hongarije), hierna: [minderjarige] .

2.3.

De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Roemeense nationaliteit.

2.4.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de [minderjarige] .

2.5.

Bij de echtscheidingsbeschikking is onder meer bepaald dat beide ouders het gezag over [minderjarige] behouden en dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is. Bij beschikking van 20 oktober 2015 van het gerechtshof te Arad, Roemenië is de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bekrachtigd.

2.6.

Bij beschikking van 7 juni 2016 van de rechtbank Den Haag is de teruggeleiding van [minderjarige] naar Roemenië gelast. Bij beschikking van 27 juli 2016 van het gerechtshof Den Haag is voormelde beschikking vernietigd en is het inleidende verzoek alsnog afgewezen.

2.7.

Bij beschikking van 12 juli 2016 van de rechtbank Timișoara (Roemenië) is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vastgesteld bij de moeder in Nederland. De vader is in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. Deze procedure loopt op dit moment nog.

2.8.

Op 27 juli 2016 heeft de vader bij de rechtbank in Arad (Roemenië) verzocht te worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen. Ook deze procedure loopt nog.

3 De verdere beoordeling van het verzochte

3.1.

De moeder verzoekt bij beschikking, na wijziging van haar verzoeken, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. aan de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] toe te kennen;

  2. een begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] via het Omgangshuis Noord , waarvan de kosten door de vader worden gedragen;

  3. te bepalen dat wekelijks Skype-/Facetime-contacten plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] op donderdag tussen 19.20 uur en 19.40 uur;

  4. te bepalen dat de moeder regelmatige updates dient te sturen over [minderjarige] aan de vader via e-mail;

  5. een onderzoek door de Raad te gelasten naar de toekomstige mogelijkheden van omgang, met inachtneming van de ervaringen en bevindingen van het Omgangshuis ;

  6. de Roemeense rechter te verzoeken om de aldaar aanhangige zaken ter zake de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en het eenhoofdig gezag over haar van Roemenië naar Nederland te verwijzen naar deze rechtbank.

3.2.

De vader heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken ingediend. Hij verzoekt (de rechtbank begrijpt als voorlopige regeling, namelijk totdat onherroepelijk over het hoofdverblijf is beslist):

  1. te bepalen dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende iedere twee weken van vrijdagavond tot zondagavond, afwisselend in Nederland en in Roemenië, met de bepaling dat op kosten van de moeder, de moeder zelf of een door haar in te schakelen derde namens haar [minderjarige] naar Roemenië brengt en weer ophaalt en terugbrengt naar Nederland;

  2. te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, eveneens afwisselend in Nederland en in Roemenië;

  3. te bepalen dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar door middel van Skype op iedere woensdag tussen 14.00 uur en 15.00 uur en op alle andere dagen van de week tussen 19.30 uur en 20.30 uur, als de hiervoor onder 1 en 2 genoemde regeling niet van toepassing is;

  4. een zodanige regeling te bepalen als de rechtbank juist acht.

Gezag en verwijzing van procedures ter zake van het hoofdverblijf

3.3.

De moeder verzoekt om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Zij stelt daartoe dat de opvoedvisies van beide ouders te zeer uiteen lopen en dat er geen enkel perspectief is op verbetering daarvan. Eenhoofdig gezag draagt ook bij aan de stabiliteit en continuïteit van het verblijf van [minderjarige] in Nederland. Zij verzoekt verder om de rechtbank in Arad en het gerechtshof in Timişoara te verzoeken om de zaken die daar aanhangig zijn betreffende het eenhoofdig gezag en wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] te verwijzen naar deze rechtbank.

3.4.

De vader stelt primair dat de rechtbank niet bevoegd is om over het verzoek betreffende het eenhoofdig gezag te oordelen. Indien de rechtbank van oordeel is dat zij wel bevoegd is dient zij ambtshalve de behandeling van de zaak aan te houden, althans partijen ingevolge artikel 19, lid 3, van Verordening 2201/2003/EG van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Verordening Brussel II Bis, hierna: de verordening) te verwijzen naar de Roemeense rechter. Subsidiair stelt hij, onder verwijzing naar artikel 1:251, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek, dat het gebrek aan communicatie, het wantrouwen tussen partijen en het aantal lopende procedures niet rechtvaardigt dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. Daarvoor dient tenminste onderzocht te worden of de situatie zodanig is dat er een risico bestaat dat [minderjarige] als gevolg van het gezamenlijk gezag klem of verloren raakt of dat eenhoofdig gezag anderszins in haar belang is.

3.5.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3.6.

Het gerechtshof Den Haag heeft op 27 juli 2016 geoordeeld dat moet worden aangenomen dat [minderjarige] , gelet op de feitelijke omstandigheden ten aanzien van haar verblijf en integratie in Nederland en Roemenië, steeds twee (wisselende) gewone verblijfplaatsen heeft gehad. Deze rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 28 september 2016, gelet op die beschikking van het gerechtshof, geoordeeld dat [minderjarige] op het tijdstip dat de moeder haar verzoekschrift heeft ingediend haar gewone verblijfplaats (ook) in Nederland had en dat derhalve de Nederlandse rechter bevoegd was om van de verzoeken kennis te nemen, op grond van artikel 8 van de verordening. De rechtbank blijft bij dat oordeel.

3.7.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank, zoals de vader stelt, partijen dient te verwijzen naar de rechtbank in Arad op grond van artikel 19, lid 3, van verordening. Ingevolge artikel 19, lid 2, van de verordening houdt, wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat. Wanneer dat laatste het geval is verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht partijen ingevolge artikel 19, lid 3, door naar het gerecht waar de zaak het eerst is aangebracht.

3.8.

In dit geval is sprake van twee procedures met hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak. De situatie uit artikel 19 doet zich dus voor. De vraag die dan moet worden beantwoord is bij welk gerecht de zaak als eerste aanhangig is gemaakt. Partijen zijn daarover verdeeld. De vader stelt dat met zijn verzoekschrift van 27 juli 2016 de zaak bij de rechtbank in Arad als eerste aanhangig is gemaakt. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij dat verzoekschrift op 27 juli 2016 bij de rechtbank te Arad heeft ingediend, heeft de vader als productie 12 een (in het Engels vertaalde) verklaring van de griffier van die rechtbank overgelegd. De moeder betwist niet dat het verzoekschrift op 27 juli 2016 is ingediend, maar stelt dat zij pas op 30 augustus 2016 op de hoogte raakte van het verzoekschrift van de vader en dat dit verzoekschrift op 1 september 2016 aan haar is betekend. Op grond van artikel 16, lid 1 onder b, van de verordening is dat volgens haar de datum waarop de zaak aanhangig is gemaakt. De moeder stelt dat de zaak die zij aanhangig heeft gemaakt met haar verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 20 april 2016, als eerste aanhangig gemaakte zaak dient te gelden.

3.9.

Artikel 16 van de verordening luidt als volgt:

1. Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:

a. op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten

de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen;

of

b. indien de betekening of mededeling van dit stuk moet plaatsvinden voordat het bij het gerecht wordt neergelegd, op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk

is voor de betekening of mededeling, wordt ontvangen, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk bij het gerecht neer te leggen.

3.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Kennelijk meent de moeder, gelet op haar verwijzing naar artikel 16 lid 1 sub b van de verordening, dat sprake is van de daarin omschreven situatie. Dat betreft echter de situatie waarin betekening of mededeling van het stuk (het verzoek) moet plaatsvinden vóór indiening bij het gerecht (in welk geval dan dat eerdere tijdstip als tijdstip van aanhangig maken geldt). Dat is niet wat er feitelijk is gebeurd. In dit geval heeft namelijk betekening plaatsgevonden ná indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank. Dat sprake is van een situatie als omschreven onder b. ligt dus niet in de rede. Ook overigens heeft de moeder niet onderbouwd dat volgens het Roemeens recht het verzoekschrift moet worden betekend vóór indiening, wat de vader betwist. De rechtbank volgt de moeder dan ook niet in haar betoog, dat de datum waarop het verzoekschrift van de vader aan haar is betekend dient te gelden als datum waarop de zaak aanhangig is gemaakt. Als tijdstip van het aanhangig worden van beide zaken is dan ook ingevolge artikel 16, lid 1 onder a, van de verordening bepalend het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen. Gelet op de stelling van de moeder is aan die voorwaarde van betekening voldaan.

3.11.

De rechtbank constateert dat het verzoekschrift van de moeder van 20 april 2016 (alleen) betrekking heeft op vaststelling van een zorgregeling, niet op wijziging van het gezag. Op 25 augustus 2016 heeft de moeder aanvullend onder meer verzocht om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Die datum dient dan ook te gelden als datum waarop de moeder de zaak ter zake van wijziging van het gezag aanhangig heeft gemaakt bij deze rechtbank. De conclusie is dan dat het verzoekschrift van de vader bij de rechtbank in Arad eerder is ingediend dan het verzoekschrift van de moeder bij deze rechtbank. Nu die rechtbank zich, zo blijkt uit het van de zijde van de vader als productie 13 overgelegde zittingsverslag, bevoegd heeft verklaard om van het verzoek kennis te nemen zal de rechtbank partijen in beginsel (namelijk voor zover geen toepassing zal worden gegeven aan artikel 15 van de verordening, waarover de rechtbank hierna zal oordelen) verwijzen naar de rechtbank in Arad. De rechtbank constateert dat deze rechtbank in haar beschikking van 28 september 2016 ten onrechte niet heeft beoordeeld of met betrekking tot het verzoek inzake het gezag toepassing gegeven diende te worden aan artikel 19 van de verordening.

3.12.

Over het verzoek van de moeder om de rechtbank in Arad te verzoeken om de zaken betreffende het eenhoofdig gezag en wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] te verwijzen naar deze rechtbank op grond van artikel 15 van de verordening oordeelt de rechtbank als volgt.

3.13.

Artikel 15 geeft de mogelijkheid om een gerecht van een andere lidstaat te verzoeken bevoegdheid uit te oefenen en de zaak naar dat gerecht te verwijzen. Het gaat dan om gevallen waarin het gerecht van een lidstaat die bevoegd is om ten gronde over een zaak te beslissen van oordeel is dat het gerecht in die andere lidstaat, waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind. Verwijzing kan ingevolge lid 1 onder b, in samenhang gelezen met lid 5, plaatsvinden nadat het gerecht van de andere lidstaat die bevoegdheid heeft aanvaard. Ingevolge lid 2, onder c, kan een verzoek tot verwijzing worden gedaan door het gerecht van de lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft. Nu [minderjarige] met Nederland een bijzondere band heeft, kan de Nederlandse rechter een dergelijk verzoek dan ook doen.

3.14.

Bij beschikking van 12 juli 2016 van de rechtbank in Timişoara, Roemenië is het hoofdverblijf van [minderjarige] vastgesteld bij de moeder in Nederland. De vader heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof in Timişoara. De zaak is daar nog aanhangig. Verwijzing van de zaak betekent dat daarmee een extra instantie wordt gecreëerd. De Nederlandse rechter beslist dan immers over een zaak waarin de Roemeense rechter in eerste aanleg reeds heeft beslist. In wezen fungeert de rechtbank dan als appelinstantie ten opzichte van de Roemeense rechtbank. Bovendien is, zo heeft de Roemeense advocaat van de vader op de zitting van 27 maart 2017 verklaard, die procedure al in een ver(der) gevorderd stadium en wordt eind mei een beslissing verwacht. Gelet op deze omstandigheden verzet de goede procesorde zich naar het oordeel van de rechtbank tegen het doen van een verzoek om de zaak naar Nederland te verwijzen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om het gerechtshof in Timişoara te verzoeken de zaak betreffende het hoofdverblijf naar haar te verwijzen dan ook afwijzen.

3.15.

De rechtbank is met de moeder van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat over de verschillende procedures over de ouderlijke verantwoordelijkheid zoveel mogelijk in één lidstaat wordt beslist. Nu ter zake van het hoofdverblijf in Roemenië zal worden beslist, acht zij verwijzing van de zaak over het gezag – waarin, zo verklaarde de vader ter zitting, om processuele redenen ook om wijziging van het hoofdverblijf is verzocht - niet wenselijk. Zij zal daartoe dan ook niet verzoeken. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over het gezag.


Verdeling van zorg- en opvoedtaken

3.16.

Beide ouders verzoeken de rechtbank om een contactregeling vast te stellen. Zij zijn echter verdeeld over de vraag of de omgang tussen de vader en [minderjarige] begeleid dan wel onbegeleid moet zijn. Daarnaast verschillen zij van mening over de frequentie van de Skype-contacten tussen de vader en [minderjarige] .

3.17.

De moeder is bang dat de vader [minderjarige] naar Roemenië ontvoert als de omgang onbegeleid is. Om die reden verzoekt zij om begeleide omgang vast te stellen. Over de Skype-gesprekken verklaarde de vrouw ter zitting dat die gesprekken plaatsvinden in de woonkamer, en dat het voor [minderjarige] moeilijk is om langere tijd stil te zitten voor de computer. Ze is snel afgeleid door de dingen om haar heen. De moeder wil haar daarin niet teveel begrenzen, maar wil haar wel helpen het contact met de vader te behouden. De moeder bemoeit zich niet met de gesprekken tussen [minderjarige] en de vader.

3.18.

De vader verzet zich tegen begeleide omgang. Begeleide omgang criminaliseert de vader terwijl daar geen enkele reden toe is. Het is juist de vrouw die [minderjarige] onrechtmatig heeft overgebracht naar Nederland. Over de Skype-gesprekken beaamde de vader ter zitting dat [minderjarige] snel afgeleid is tijdens die gesprekken. De televisie staat hard aan en [minderjarige] lijkt de vader niet goed te kunnen horen. De moeder mengt zich in de gesprekken. Daarnaast verklaarde de vader dat de gesprekken regelmatig niet doorgaan omdat de moeder internetproblemen zegt te hebben, maar dat vindt de vader niet aannemelijk.

3.19.

De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen definitieve verdeling van de zorg- en opvoedtaken zal vaststellen, nu het hoofdverblijf van [minderjarige] nog niet onherroepelijk vaststaat. Zij zal dan ook nu een voorlopige contactregeling bepalen voor de duur van een half jaar en de behandeling voor het overige aanhouden.

3.20.

Ter zitting bleek dat de vader [minderjarige] de dag voor de zitting heeft gezien bij de moeder thuis. Hoewel zowel de moeder als de vader verklaarde dat de omstandigheden niet ideaal waren, benadrukt de rechtbank dat het een positieve ontwikkeling is dat dit contact heeft plaatsgevonden. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij contact met haar vader heeft.

3.21.

Ten aanzien van de vraag of de omgang tussen [minderjarige] en de vader begeleid dan wel onbegeleid dient plaats te vinden, oordeelt de rechtbank als volgt. Het Gerechtshof Den Haag heeft, zoals hiervoor al overwogen, geoordeeld dat [minderjarige] twee gewone verblijfplaatsen heeft, zowel in Roemenië als in Nederland. Daarnaast is over het hoofdverblijf nog geen definitieve uitspraak gedaan. Gelet op deze omstandigheden is de vrees van de moeder dat de vader [minderjarige] mee zal nemen naar Roemenië begrijpelijk. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij wellicht weer zou verhuizen naar Roemenië, zonder dat daar een afspraak tussen partijen of een (onherroepelijke) rechterlijke beslissing aan ten grondslag ligt. Het is evenmin in haar belang dat rond het contact met haar vader nog meer spanning ontstaat dan er al is. Als het contact onbegeleid is, zal dat het geval zijn. Nu vader geen begeleide omgang wenst, zal de rechtbank daartoe niet beslissen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat partijen via hun advocaten begeleide omgang zullen organiseren, in het geval waarin de vader op enig moment wel begeleide omgang wenst.

3.22.

Over de Skype-gesprekken tussen [minderjarige] en de vader is ter zitting uitgebreid gesproken. Die gesprekken vinden nu, zoals door partijen onderling afgesproken op de zitting bij deze rechtbank van 2 december 2016, iedere maandag en donderdag plaats van 18.30 uur tot 19.00 uur. De Raad adviseerde ter zitting om de gesprekken plaats te laten vinden in een neutrale ruimte waar [minderjarige] op haar gemak met haar vader kan praten. De Raad adviseerde de vader om zich te verdiepen in de belevingswereld van [minderjarige] en de gesprekken op kindniveau te houden. De Raad merkte verder op dat een half uur voor een kind van zes jaar best lang is en dat voorstelbaar is dat de gesprekken niet altijd zo lang duren. De moeder heeft ter zitting toegezegd om de gesprekken in andere kamers in huis plaats te laten vinden om zo te bekijken welke ruimte het beste werkt. Zij zal dan ook niet bij die gesprekken aanwezig zijn.

3.23.

De rechtbank zal de huidige regeling ter zake van de Skype-gesprekken niet wijzigen. Aangezien deze regeling nog niet in een beschikking of proces-verbaal was vastgelegd, zal de rechtbank dat in de onderhavige beschikking doen. Zij gaat ervan uit dat de moeder zich ervoor zal inzetten om de Skype-gesprekken beter te laten verlopen dan nu het geval is, in ieder geval door verschillende kamers uit te proberen. Zij gaat er ook vanuit dat de vader zich ervoor zal inspannen om tijdens de gesprekken aan te sluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] , en te accepteren dat zij niet altijd haar aandacht gedurende een half uur kan vasthouden waardoor de gesprekken soms korter zullen duren.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt, in afwachting van definitieve rechterlijke beslissingen over het hoofdverblijf van [minderjarige] , dat de vader op maandagen en donderdagen van 18.30 uur tot 19.00 uur via Skype dan wel met behulp van andere communicatiemiddelen contact zal hebben met [minderjarige] ;

4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

houdt de behandeling van de verzoeken ten aanzien van de definitieve contactregeling PRO FORMA aan tot 8 november 2017 in afwachting van definitieve rechterlijke beslissingen over het hoofdverblijf van [minderjarige] , met het verzoek aan de advocaat van de vader en de advocaat van de moeder om de rechtbank uiterlijk op die datum schriftelijk te informeren over de voortgang van de procedures in Roemenië betreffende het hoofdverblijf , en het door hen gewenste verdere verloop van de onderhavige procedure;

4.4.

verwijst partijen naar de rechtbank in Arad (Roemenië) ten aanzien van het verzoek van de moeder betreffende het eenhoofdig gezag;

4.5.

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, voorzitter tevens kinderrechter, mr. S.H.M. van der Heiden en mr. T. Dopheide, kinderrechters, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2017.