Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:2212

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-04-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
5777290 / LE VERZ 17-22
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

geen dringende reden, onterecht ontslag op staande voet, werklaptop terugzetten naar fabrieksinstellingen, onregelmatig ontslag, billijke vergoeding, transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2354
AR-Updates.nl 2017-0595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Zaak- en rekestnummer: 5777290/ LE VERZ 17-225777290 / LE VERZ 17-22

Datum beslissing: 24 april 2017

Beschikking in de zaak van


[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. J. Boersma

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. J.R. Bügel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 3 maart 2017;

- het verweerschrift van [verweerster] van 31 maart 2017;

- de aanvullende producties 10 tot en met 12 van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 7 april 2017.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2017. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1985] , is op 1 november 2014 in dienst getreden bij [verweerster] , laatstelijk in de functie van Salesmanager tegen een salaris van € 4.490,22 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.2.

Op 24 januari 2017 heeft [verzoeker] zijn werklaptop terug gezet naar de fabrieksinstellingen.

2.3.

Op 1 februari 2017 is de werklaptop van [verzoeker] nagekeken door [bedrijfsnaam] , de externe ICT dienst van [verweerster] . Door [A] is vastgesteld dat de laptop leeg is, er staan geen bestanden of software meer op.

2.4.

Op 3 februari 2017 heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen.

2.5.

In de ontslagbrief van 4 februari 2017 heeft [verweerster] onder meer het volgende uiteengezet:

(…)“ Hierbij bevestigen wij schriftelijk de mondelinge mededeling tijdens het gesprek van vandaag waarin u met onmiddellijke ingang, op staande voet, bent ontslagen om dringende redenen als bedoeld in de artikelen 6:677 jo. 7:678 BW. Aan dit besluit liggen de volgende redenen ter grondslag.

Op 1 februari 2017 hebt u de heer [A] van [bedrijfsnaam] gevraagd om naar uw laptop te kijken.”(…)

(…) “Doordat uw laptop is geherïnstalleerd op 24 januari 2017, zonder tussenkomst van [bedrijfsnaam] , bent u ernstig tekortgeschoten in de uitoefening van uw werkzaamheden en hebt u het in u gestelde vertrouwen ernstig en in onherstelbare mate verstoord. Immers, tot uw taken wordt niet gerekend wijzigingen in uw laptop aan te brengen, laat staan deze laptop zonder toestemming of medeweten van uw werkgever te herinstalleren. Voor zover uw laptop gebreken zou vertonen, lag het voor de hand om dat te melden aan uw werkgever dan wel daarvoor [bedrijfsnaam] in te schakelen om eventuele problemen aan uw laptop te verhelpen.” (…)

(…) “Voorts moet worden vastgesteld dat met de constatering dat de computer compleet leeg is er tenminste 30 GB data van uw laptop verloren is gegaan een hoeveelheid data die niet aan u ongemerkt verloren kan zijn gegaan. Wel staat vast dat u van dit probleem op geen enkele wijze melding hebt gemaakt, zodat u [B] niet in kennis hebt gesteld van het ontstane dataverlies.

Vorenstaande feiten en omstandigheden vormen op zichzelf en in samenhang met elkaar bezien een omstandigheid die [B] kwalificeert als een ernstig tekortschieten in de uitoefening van uw werkzaamheden terwijl u bovendien het in u gestelde vertrouwen ernstig en onherstelbaar hebt beschadigd.”

(…) Ook na afweging van uw persoonlijke belangen, de aard van de arbeidsovereenkomst en de duur daarvan en derhalve alle omstandigheden van uw geval, brengt een afweging met zich mee dat [B] van oordeel is dat er dringende redenen zijn die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. U bent ernstig tekortgeschoten in de uitoefening van uw werkzaamheden en u hebt het in u gestelde vertrouwen ernstig en onherstelbaar beschadigd. Door uw handelwijze hebt u de data op de server van [B] in ernstige mate in gevaar gebracht.” (…)

2.6.

In de arbeidsovereenkomst is in artikel 11 onder meer opgenomen:

“Verder stelt de werkgever de werknemer een laptop ter beschikking, uitsluitend bedoeld voor werkzaamheden voor het bedrijf, deze laptop blijft eigendom van de werkgever.”

2.7.

In artikel 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst zijn respectievelijk een concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de gefixeerde

schadevergoeding van € 9.887,55 bruto;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding van € 3.242,- bruto;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen het restant van de

dertiende maand, te weten het bedrag van € 2.305,35 bruto;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de maximale wettelijke verhoging te betalen over de dertiende maand 2016, te weten 50 procent over het bedrag van € 4.490,16 bruto;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over het onder sub a, b en c gevorderde te rekenen vanaf 3 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over de dertiende maand 2016 te rekenen vanaf 1 januari 2017;

[verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] een bruto-netto specificatie te verstrekken over onder sub a, b, c, d, e, f en g gevorderde op laste van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,- ;

I. Te verklaren voor recht dat [verweerster] vanwege ernstig verwijtbaar handelen en nalaten geen rechten meer kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding;

[verweerster] te veroordelen om het aan [verzoeker] verleende ontslag schriftelijk te rectificeren richting klanten waar [verzoeker] contact mee had, alsmede richting de collega’s van [verzoeker] , in die zin dat daaruit blijkt dat [verzoeker] ten aanzien daarvan niets te verwijten valt, een en ander op laste van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van €10.000,- ;

[verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder salaris

gemachtigde.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] het navolgende ten grondslag.
stelt dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door op deze wijze ontslag op staande voet te verlenen, nu hij met klem betwist dat er op enige manier sprake is geweest van een dringende reden, zowel objectief als subjectief.

3.3.

[verzoeker] is niet tekort geschoten in de uitoefening van zijn werkzaamheden en betwist dat hij het in hem gestelde vertrouwen ernstig zou hebben geschaad. Er is geen sprake van ernstig plichtsverzuim. [verzoeker] heeft er geen gevaar in gezien om zijn laptop – vanwege de traagheid daarvan – , terug te brengen naar de fabrieksinstellingen, omdat hij voor de toegang tot het werk apart moest inloggen met een gebruikersnaam en wachtwoord. Dat er 30 GB aan gevoelige bedrijfsinformatie verloren is gegaan is onjuist, nu die gevoelige bedrijfsinformatie zich immers op de werkserver bevindt waar apart voor moet worden ingelogd. Op geen enkele wijze heeft hij zaken of feiten verzwegen voor zijn werkgever. Hij heeft zijn laptop zelf aangeboden bij ICT nadat de traagheid bleef aanhouden. Er is voor [verweerster] daarom geen enkele rechtvaardiging voor toepassing van het zwaarste strafmiddel: ontslag op staande voet.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert verweer. [verweerster] heeft onder meer aangevoerd dat van een onschuldige en niet verwijtbare handeling geen sprake kan zijn. Het kan niet anders dan dat [verzoeker] doelbewust de bestanden en apps en instellingen heeft verwijderd. [verzoeker] heeft het netwerk van [verweerster] opzettelijk blootgesteld aan beveiligingsrisico’s.

4.2.

Zelfs indien [verzoeker] zich tijdens het opschonen er niet van bewust is geweest dat ook de beveiligingssoftware zou worden verwijderd, dan had hij wél onmiddellijk moeten spreken nadat hem bleek dat alle software verwijderd was, waaronder Agent. Door dat niet te doen, maar gewoon en doelbewust in te loggen op de server van [verweerster] met zijn onbeveiligde laptop heeft [verzoeker] opzettelijk het netwerk en de server aan ernstig gevaar blootgesteld. Dit klemt te meer omdat [verzoeker] ermee bekend is dat [bedrijfsnaam] het onderhoud van alle hard- en software doet en tevens het beheer van het netwerk. Het is [verzoeker] bekend dat zij elke dag op afroep beschikbaar zijn voor het oplossen van laptop problemen.

4.3.

Dat de laptop traag zou zijn is volkomen ongeloofwaardig wanneer [verzoeker] de laptop alleen maar gebruikt om in te kunnen loggen op de server. Daarnaast is de laptop amper twee jaar oud. Vast staat dat de verzonden data afkomstig moet zijn geweest van de server van [verweerster] en dat er tenminste 30 GB data op de laptop verloren is gegaan waarvan zij vreest dat dit data van [verweerster] betrof.

4.4.

Zowel afzonderlijk maar zeker ook in onderling verband bezien betreffen het feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de laptop niet opnieuw is geïnstalleerd door [verzoeker] omdat deze traag was, maar kennelijk omdat [verzoeker] zaken voor [verweerster] wilde verbergen. [verweerster] heeft al het vertrouwen in [verzoeker] verloren en vertrouwde hem niet meer toe om toegang te hebben tot en inzage te hebben in bedrijfsgevoelige informatie noch wilde zij enig risico lopen op het lekken van informatie door of vanwege [verzoeker] bij haar relaties.

4.5.

Nu het ontslag op staande voet terecht is gegeven en [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dienen de verzoeken van [verzoeker] te worden afgewezen.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt – voor zover van belang – hierna verder ingegaan.

5 De beoordeling

Processuele aspecten

5.1.

[verweerster] heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht de aanvullende producties die door [verzoeker] op 7 april 2017 zijn ingediend, buiten beschouwing te laten, zodat allereerst op dit punt een oordeel dient te worden gegeven. De kantonrechter stelt vast dat [verweerster] ter zitting adequaat heeft kunnen reageren op de inhoud van deze producties, zodat er geen aanleiding bestaat deze buiten beschouwing te laten. Deze producties maken dan ook deel uit van de verdere procedure

5.2.

De kantonrechter stelt voorts vast dat [verzoeker] het verzoek tijdig heeft ingediend, namelijk binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Het ontslag op staande voet

5.3.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het door [verweerster] aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet onregelmatig is gegeven en of [verweerster] moet worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding vanwege een onregelmatige opzegging, een transitievergoeding alsmede een billijke vergoeding.

5.4.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het eerste lid van het laatstgenoemde artikel bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een van de in dat artikellid onder a tot en met h genoemde uitzonderingen. [verweerster] beroept zich op de in het genoemde artikellid c genoemde grond, namelijk dat zij de arbeidsovereenkomst onverwijld heeft opgezegd om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij, als genoemd in artikel 7:677 lid 1 BW (het zogeheten ontslag op staande voet). Als dringende reden in de zin van voornoemd artikel worden volgens artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Dringende reden

5.5.

Nu door [verzoeker] de onverwijldheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en mededeling daarvan niet wordt betwist, zal enkel moeten worden vastgesteld of sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.

Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

5.6.

De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. Dit brengt mee dat de in de ontslagbrief medegedeelde redenen de ontslaggrond fixeren en dat de andere door [verweerster] in het verweerschrift en op de zitting genoemde gedragingen niet mogen worden meegewogen bij de vraag of het ontslag terecht was.

5.7.

In haar ontslagbrief heeft [verweerster] – samengevat – als dringende reden vermeld dat [verzoeker] ernstig tekort is geschoten in de uitoefening van zijn werkzaamheden door zijn laptop zonder tussenkomst van ICT te herinstalleren, waardoor hij het in hem gestelde vertrouwen ernstig en in onherstelbare mate heeft verstoord. Daarbij wordt door [verweerster] gewicht toegekend aan de zorgvuldigheid die van haar werknemers wordt verwacht met betrekking tot de bedrijfsgevoelige informatie die op de server staat. Tevens neemt [verweerster] in haar ontslagbrief mee dat er 30 GB aan data van de laptop verloren is gegaan en stelt zij dat dit bij [verzoeker] niet onopgemerkt kan zijn gebleven, terwijl hij hiervan geen melding bij [verweerster] heeft gemaakt. [verweerster] ziet vorenstaande feiten en omstandigheden zowel op zichzelf als in samenhang als een ernstig tekortschieten in de uitoefening van de werkzaamheden door [verzoeker] . Tevens wordt in de ontslagbrief aan [verzoeker] het verwijt gemaakt dat het programma “Agent” door de herinstallatie is verwijderd, waardoor de laptop en het hele netwerk van [verweerster] gedurende een aantal dagen door [verzoeker] aan beveiligingsrisico’s zijn blootgesteld.

5.8.

De kantonrechter stelt vast dat ontslag op staande voet een “ultimum remedium” is waarvan dus niet te vlug mag worden aangenomen dat het terecht is gegeven. Vermoedens en/of hypotheses, die niet stevig zijn verankerd in feiten, kunnen doorgaans niet leiden tot een ontslag op staande voet dat stand houdt. [verweerster] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de laptop enkel voor het verrichten van de werkzaamheden mag worden gebruikt. Voor het overige is er geen regelgeving door [verweerster] vastgesteld met betrekking tot de door werkgever aan werknemer verstrekte laptop.

5.9.

Het staat vast dat [verzoeker] op 24 januari 2017 zijn laptop doelbewust heeft teruggezet naar de fabrieksinstellingen. De kantonrechter stelt daarnaast vast dat
op 1 februari 2017 heeft gemeld bij [A] dat zijn laptop traag was en dat [A] bij controle van de laptop heeft geconstateerd dat er op de laptop noch bestanden noch software meer stonden. Door [verweerster] wordt weliswaar betwist in haar verweerschrift dat [verzoeker] op eigen initiatief zijn laptop ter controle aan [A] heeft aangeboden, echter blijkt uit de ontslagbrief alsmede uit de verklaring van [A] dat in eerste instantie op verzoek van [verzoeker] [A] zijn laptop heeft gecontroleerd. Tijdens het gesprek van 3 februari 2017 is door [verweerster] aan
[verzoeker] gevraagd of hij zich er bewust van is geweest dat tevens het beveiligingsprogramma Agent van de laptop is verwijderd door de herinstallatie.

[verzoeker] heeft daarop aangegeven zich hiervan tijdens het opschonen van de laptop niet bewust te zijn geweest. Ter zitting heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij de laptop enkel gebruikt door in te loggen via de laptop op de afzonderlijk beveiligde server, zodat hij zich niet bewust was van mogelijk beveiligingsgevaar.

5.10.

Duidelijk mag zijn dat het handelen van [verzoeker] niet wenselijk en tevens onverstandig is geweest. Het had op zijn weg gelegen zich direct te melden bij [A] voor de problemen met de laptop in plaats van zelf de laptop naar de fabrieksinstellingen terug te zetten. Dat [verzoeker] ernstig tekort is geschoten in de uitoefening van zijn werkzaamheden door de laptop te herinstalleren en daardoor het vertrouwen ernstig en in onherstelbare mate zou hebben verstoord is, mede gelet op de overwegingen in 5.8. en 5.9. , niet gebleken.

Dat [verzoeker] door zijn handelswijze de data op de server van [verweerster] in ernstige mate in gevaar heeft gebracht, doordat het beveiligingsprogramma Agent van de laptop is verwijderd, is evenmin komen vast te staan. [verweerster] heeft in dat verband onvoldoende weersproken dat de server eveneens afzonderlijk is beveiligd en dat [verzoeker] zich daardoor (terecht) niet bewust is geweest van een beveiligingsrisico door op de server in te loggen via zijn laptop. Dat er door de herinstallatie 30 GB aan (bedrijfsgevoelige) data verloren is gegaan wordt wel door [verweerster] gesteld, maar niet onderbouwd, zodat ook dit geen dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW oplevert.

5.11.

Tezamen met de overige omstandigheden van het geval, waaronder het verder onberispelijke dienstverband van [verzoeker] , was een ontslag op staande voet – een en ander in onderling verband bezien – hier niet op zijn plaats en had [verweerster] moeten volstaan met een minder zware sanctie. De slotsom is dus dat er geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW.

Gefixeerde schadevergoeding

5.12.

Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] zonder inachtneming van de opzegtermijn opgezegd. Daarmee heeft zij opgezegd tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt. Tegen het door [verzoeker] gevorderde bedrag van € 9.887,55 bruto aan loon over de gemiste opzegtermijn heeft [verweerster] geen afzonderlijk verweer gevoerd. De verzochte veroordeling tot betaling van dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Transitievergoeding
5.13. [verzoeker] heeft daarnaast verzocht hem een transitievergoeding toe te kennen ten bedrage van € 3.842, - bruto. Ten aanzien van de verzochte transitievergoeding wordt het volgende overwogen. Indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en deze door de werkgever wordt beëindigd, heeft de werknemer van rechtswege aanspraak op de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. Geen transitievergoeding is verschuldigd, zo volgt uit lid 7 sub c van dat artikel als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De wetgever heeft hierbij voor ogen gestaan dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden en dat niet snel mag worden aangenomen dat geen transitievergoeding verschuldigd is. Voor de vraag of sprake is van ernstige verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW moet derhalve een hoge lat worden aangelegd, zoals dat ook geldt voor de ernstige verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever die aanleiding kan zijn voor de billijke vergoeding van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder c BW.

5.14.

[verweerster] heeft aangevoerd dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zelf de laptop te herinstalleren, te verzwijgen dat hierdoor alle software en apps van de laptop zijn verwijderd en verder te werken op de laptop, ondanks dat hij wist dat dit een hoog risico met zich meebracht. In dit geval zijn de gedragingen in het licht van alle hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende om uit te gaan van ernstige verwijtbaarheid in de zin van voornoemde bepaling. De hoogte van de verzochte transitievergoeding is niet betwist. De transitievergoeding zal eveneens worden toegewezen.

Billijke vergoeding

5.15.

[verzoeker] heeft daarnaast verzocht hem een billijke vergoeding toe te kennen ten bedrage van € 50.000, -. [verweerster] heeft daartegen ingebracht dat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, zodat dit verzoek niet kan worden toegewezen. Dit verweer wordt verworpen, omdat de rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW reeds is gegeven met het oordeel dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag lag. Daarbij wordt verwezen naar hetgeen de regering hierover heeft medegedeeld in reactie op vragen en opmerkingen van de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN): “De auteur vraagt duidelijkheid over de vraag of met de «billijke vergoedingen» zoals opgenomen in de artikelen 7:681 BW en 7:682, derde, vierde en vijfde lid, BW hetzelfde type vergoeding is bedoeld als de vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zoals deze elders in het wetsvoorstel is opgenomen. Hierover bestaat in de literatuur discussie. Hierbij kan de regering bevestigen dat er sprake is van hetzelfde type vergoeding; in de artikelen 7:681 BW en 7:682, derde, vierde en vijfde lid, BW is er voor de daarin bedoelde specifieke gevallen reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid.” (Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 113).

5.16.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de hoogte van de billijke vergoeding vooral wordt bepaald door de mate van het ernstig verwijtbare handelen en nalaten van de werkgever. Daarbij heeft de kantonrechter de mogelijkheid om de hoogte van de vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de omstandigheden van het geval. In dit geval wordt rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

De kantonrechter wil bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding tot uitdrukking brengen dat een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet grote impact heeft op iemands persoonlijk leven. Naast de (veelal) emotionele impact ziet een werknemer zich plotseling geconfronteerd met een situatie waarin geen recht meer bestaat op salaris en waarin men niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Dat rechtvaardigt een toe te kennen billijke vergoeding van substantiële betekenis, waarbij evenwel rekening dient te worden gehouden met de relatief korte duur van het dienstverband en de omstandigheid dat [verzoeker] tevens aanspraak kan maken op een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding. Rekening houdend met het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding bepalen op € 5.000, - bruto.

Concurrentie- en relatiebeding

5.17.

Voorts is door [verzoeker] een verklaring voor recht verzocht inhoudende dat [verweerster] wegens ernstig verwijtbaar handelen geen rechten meer kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding. Nu het ontslag op staande voet onterecht is gegeven en daarmee de ernstige verwijtbaarheid van [verweerster] vast is komen te staan, kan zij geen rechten ontlenen aan het tussen partijen geldende concurrentie- en relatiebeding (artikel 7:653 lid 4 BW), zodat de verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen.


Rectificatie

5.18.

Door [verzoeker] is verzocht om het verleende ontslag schriftelijk te rectificeren richting collega’s en de klanten waar hij contact mee had, in die zin dat daaruit blijkt dat hem ten aanzien van het ontslag niets te verwijten valt. Dit verzoek wordt afgewezen, nu onvoldoende door [verzoeker] is bepaald hoe deze rectificatie eruit zou moeten zien en voorts zijn belang bij een dergelijk verzoek onvoldoende is gebleken.


Restantbetaling dertiende maand

5.19.

Vaststaat dat tussen partijen geen afspraken zijn gemaakt over het verlof dat
[verzoeker] heeft opgenomen in de periode dat zijn vader in het ziekenhuis lag. Evenmin is door [verzoeker] een verzoek bij [verweerster] om calamiteitenverlof danwel zorgverlof neergelegd. Om aanspraak op dergelijk verlof te maken is voorafgaande toestemming wel een vereiste, zodat een verzoek dat hiertoe achteraf wordt gedaan niet voor toewijzing in aanmerking komt. Ter zitting is door [verweerster] aangegeven dat zij na afloop van het verlof van [verzoeker] hem hebben aangeboden 25% van het opgenomen verlof voor haar rekening te nemen en dat zij vervolgens 7,5 dag hebben verrekend met de eindafrekening. [verzoeker] stelt echter dat de volledige 10 dagen zijn verrekend. Dat door [verweerster] teveel dagen zouden zijn verrekend met de dertiende maand is door
[verzoeker] onvoldoende onderbouwd, nergens blijkt uit hoeveel vakantiedagen
naar zijn mening nog over zou hebben. Op dit punt wordt de vordering dan ook afgewezen.
Daarnaast maakt [verzoeker] aanspraak op de wettelijke verhoging over de te late betaling van de dertiende maand. Door [verweerster] is niet weersproken dat de dertiende maand te laat is uitbetaald, evenmin is verweer gevoerd tegen de daarover gevorderde wettelijke verhoging door [verzoeker] , zodat de gevorderde wettelijke verhoging wordt toegewezen, zij het gemaximeerd tot 20%.


Bruto/netto specificaties

5.20.

De vordering met betrekking tot het verstrekken van deugdelijke specificaties zal, nu deze niet is betwist, eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om de gevorderde dwangsom daaraan te verbinden.

Er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze specificaties door [verweerster] niet zullen worden verstrekt aan [verzoeker] .
Wettelijke rente

5.21.

De verzochte wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen.

Proceskosten
5.22. [verweerster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op
€ 470, - aan griffierecht en € 600, - voor salaris gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een gefixeerde schadevergoeding van € 9.887,55 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 3.842, - bruto ter zake de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf
3 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 5.000, - bruto ter zake van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

6.4.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de wettelijke verhoging van 20% over het bedrag van € 4.490,16 bruto aan dertiende maand, zijnde een bedrag van € 898,03 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf
1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.5.

de veroordelingen onder 6.1 tot en met 6.4 onder overlegging van een bruto-netto loonspecificatie;

6.6.

verklaart voor recht dat [verweerster] geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding;

6.7.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 1.070, - ;

6.8.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2017.